33

Supplement

 

14 juli 1936

Het kruis van inwijding

GdeP – Het feit dat het getrainde menselijke ego de inwijding moet doormaken zonder hulp van en niet beschermd door zijn hogere delen, is van groot belang; en nu wil ik in de sfeer van denken die door de verschillende gemaakte opmerkingen is ontstaan zelf iets hieraan toevoegen. Het is volkomen waar dat wij van anderen hulp kunnen ontvangen, want liefde is altijd toegestaan, want ze is een ondersteunende kracht omdat ze zoiets is als gezondheid en verse lucht. Maar als de beproeving komt, moeten we die alleen ondergaan. De ingewijde is in het universum, is een deel ervan, de hartslag van het universum klopt door hem heen. Hij heeft de hulp van het universum, juist omdat het een deel van hemzelf is. Maar niemand helpt hem door hem te ondersteunen, of door het zweet of het vocht van zijn voorhoofd weg te vegen, of door hem te stimuleren, enz. De ziel moet onbeschermd de proef ondergaan, en overwinnen door zijn eigen innerlijke krachten. Als ze slaagt hebben we een adept. Als ze faalt, dan zijn er andere kansen, maar ze krijgt geen enkele rechtstreekse hulp. Was dat wel zo dan zou het geen beproeving zijn. De kandidaat moet leren zichzelf geschikt te maken om een van de stenen van de beschermmuur te worden. Zijn positie houdt zo’n zware verantwoordelijkheid in, en brengt zoveel met zich mee, dat er geen zwakke schakels mogen zijn. Er is niet alleen geen bevoorrechting, maar er wordt absoluut geen blijk van medelijden gegeven voor de naakte ziel. Werd wel medelijden betoond, en werd de ziel erdoorheen geholpen en werd het haar toegestaan te slagen door helpende handen, dan zou het resultaat een zwak werktuig zijn, dat zich niet staande kan houden tegen de verschrikkelijke invloed van kosmische krachten van buitenaf. De beschermmuur wordt samengesteld uit menselijke en geestelijke ‘stenen’, die sterk zijn in iedere vezel, en hebben bewezen dat ze dat zijn vóór ze in de muur kunnen worden gemetseld.

Verschillende belangrijke en zwaarwegende factoren spelen hierbij een rol, en ik zou het u volkomen duidelijk willen maken dat het het onbeschermde maar getrainde menselijke ego is dat moet slagen of falen. Als het wordt geholpen, als het wordt beschermd, wat is dan het nut van het ondergaan van de proef? Deze wordt dan slechts spel, een schijnvertoning, een bedrog. Wie is het die op school leert? De goddelijke entiteit die in het hart, in de ziel van elk kind leeft? Nee, zij natuurlijk niet. Het kind zelf moet leren of falen. Leert het kind dan krijgt het een diploma. In een degelijke school krijgt het geen diploma als het niet leert, hoewel het uit mededogen kan worden toegestaan dat het de school verlaat op een enigszins eervolle manier, vooral als het kind serieus is.

Zo is het ook met de inwijding, die een intensivering en versnelling van het evolutieproces inhoudt. Het is dat deel van de mens dat wordt beproefd en getoetst, en dat moet slagen of mislukken, niet een deel dat verheven boven de proef staat. Als iemand dat deel helpt, of voor dat deel lijden ondergaat, of zijn vragen beantwoordt, of een beschermend schild eromheen vormt, waarin ligt dan de kracht van de proef waaruit het met succes tevoorschijn komt? Dat is geen proef, het is een verzwakkend proces. Het is als met een man in het water. Hij moet òf zwemmen òf verdrinken. Stel dat we de man in het water willen testen om te weten of hij kan zwemmen. Als er iemand in het water staat en hem boven houdt, dan is dat geen proef om erachter te komen of hij kan zwemmen. Precies hetzelfde geldt voor inwijding, omdat het welzijn van de ziel, de veiligheid van de ziel, de veiligheid van de zielen van de mensen, afhangt van het succes van die mens. Er moet worden onderzocht of hij van zuiver goud is, zonder het minste spoor van zwakheid; onder druk mag geen enkel punt, geen enkel atoom het begeven. Daarom is inwijding zo vreselijk. Alleen zij mogen een poging daartoe ondernemen van wie de leraren geloven dat ze in staat zijn gezuiverd uit het vuur van de beproeving tevoorschijn te komen.

Welk deel ondergaat de inwijding, voorzover het ons mensen betreft? Het is niet ons goddelijke deel, niet ons geestelijke deel. Het is niet ons manasaputrische deel. Al deze staan boven de inwijdingen die wij mensen ondergaan. Wij tekortschietende, onvolmaakte, zwakke, worstelende, aspirerende en soms succes boekende menselijke ego’s zijn het die de kans hebben, als tijdens de inwijding het moment daarvoor aanbreekt, om uit de inwijdingstrance op te staan als een spiritueel wezen – of te mislukken. Het is een beproeving en een grondig onderzoek en een zuivering in het vuur van lijden. De nonsens die in deze tijd door quasi-mystici en pseudo-occultisten over inwijding wordt verteld is verschrikkelijk, en het is juist en noodzakelijk dat u deze dingen weet.

Ik heb u wel duizend keer verteld dat de menselijke constitutie samengesteld is. In die ene uitspraak ligt een wereld van occultisme. ‘O ja, samengesteld. Dat weten we. Hij heeft een goddelijke ziel, een geestelijke ziel, een menselijke ziel, en een astraal lichaam, een lingasarira, en een fysiek lichaam. Ja, samengesteld. Dat begrijpen we wel.’ Beste vrienden, ik heb onder u nog niet een voldoende begrip gevonden van die eenvoudige bewering dat de mens een samengesteld wezen is. Ik heb zowel direct als via omwegen geprobeerd in uw denken de intuïtie wakker te maken voor de betekenis van deze bewering. Ik heb uw aandacht gevraagd voor het feit dat, behalve onze gebruikelijke exoterische opsomming van de zeven beginselen, er in de mens verschillende monaden zijn, en dat niet alleen ieder beginsel zevenvoudig of twaalfvoudig is, maar ook dat deze verschillende monaden in de mens, hoewel ze zijn constitutie vormen zoals we nu zijn, toch niet alle wat ik ‘ik’ noem, en wat ieder van u ‘ik’ noemt, zijn. Dat is de menselijke monade. Die monade is evenzeer een zevenvoud als onze constitutie dat is, wat betekent dat de menselijke monade op zichzelf, afgezien van de andere monaden in onze constitutie, een goddelijk deel, een geestelijk deel, een mentaal of intellectueel deel, een psychisch, een astraal en een fysiek deel heeft.

Het is deze menselijke monade, het menselijke ego-deel van die monade, die ‘ik’ is, die ‘u’ is; en dit deel van de constitutie moet tijdelijk worden losgewrikt van alle andere elementen in de menselijke constitutie, en moet op zichzelf kunnen staan. Het heeft zijn eigen innerlijke god, de god van zijn eigen menselijke monade – niet de atman van het zevental zoals we dat gewoonlijk begrijpen, maar haar eigen atman of innerlijke god. En alle inwijding, en dat betekent elke toets, elke beproeving, elke zuivering van een monade of ego heeft als doel de bijzondere goddelijkheid van dat ego dat wordt beproefd naar buiten te brengen.

Als u deze redenering volgt, zult u nu misschien inzien waarom HPB heeft beweerd – wat velen van u heeft geïntrigeerd – dat de manasaputra, de manasaputrische invloed in en boven ons, als een reddingsplank is die ons wordt toegeworpen. Toen de manasaputra’s in de eerste menselijke protoplasmen incarneerden, riepen ze de manasische delen in de menselijke ego’s wakker – zelf waren ze manasische deva’s – en ook nu nog zweven ze inspirerend, helpend, leidend boven ons. Maar deze is niet de manasaputra van mij of van u, omdat dat ik en u behoort tot die monade die we de menselijke noemen.

Als u wilt, kunt u zich de situatie voorstellen als een kruis. Weer zo’n prachtig symbool! De rechtopstaande balk van het kruis kunnen we de lijn van de gewone menselijke constitutie noemen, zoals die in onze exoterische boeken wordt gegeven: atman, buddhi, manas, kama, enz. Het punt waar de dwarsbalk, de horizontale balk, samenkomt met de rechtopstaande balk kunnen we het menselijke ego noemen. We brengen die daar aan omdat we maar mensen zijn. Dat verbindingspunt waar de algemene verticale lijn de horizontale lijn – of het individuele ik of u – kruist en daarom steunt en verheft, is, zoals HPB zegt, onze reddingsplank, ons contact met het heelal in verticale zin.

Maar we moeten dat heelal leren ontdekken door de goddelijkheid van ons eigen monadische ego, in en boven onze eigen menselijke monade. Met andere woorden, we moeten de atman vinden die bij ons menselijke ego hoort, dat is de ‘horizontale lijn’, en niet alleen de algemene atman van de menselijke constitutie in en van de ‘verticale lijn’. Om deze beeldspraak nog eens te gebruiken, we moeten leren de goddelijkheid van zowel de horizontale als de verticale lijn te ontdekken. De volmaakte god, en in mindere mate de volmaakte mens, is hij die heeft geleerd om de verticale en de horizontale lijn in zijn constitutie tot een eenheid te maken. Begrijpt u de mystieke gedachte die ik probeer te geven – de goddelijkheid in zijn eigen essentie te zien en te pogen die te zijn? En tegelijkertijd de kosmische goddelijkheid te zien en te proberen te zijn die eveneens in hem en van hem is – de ‘verticale lijn’.

Tijdens de inwijding wordt dus niet de goddelijke monade beproefd. Dat zou dwaas zijn. Het is niet de vader of de moeder die het alfabet voor hun kleine kind van vier jaar leert. Dat doet het kind. Het is niet de spirituele monade die in deze menselijke inwijdingen wordt beproefd en gezuiverd, en het is evenmin de ons inspirerende manasaputra. Het is het menselijke ego dat tijdens de inwijding de menselijke monade – de goddelijkheid in het hart of de kern van het ‘menselijke’ ego – moet worden, moet proberen te worden, en tenslotte zal worden.

U ziet de reden voor de bewering dat de ziel die het brandende vuur niet kan verdragen, òf als een krankzinnige terugkeert òf terugkeert om te sterven – dat of succes. Het is oneindig rechtvaardig. Het hele systeem van inwijdingen zou een belachelijke schijnvertoning zijn, een misleiden van de menselijke ziel, als de kandidaat voor inwijding zó beschermd en beschut de beproevingen zou ingaan dat geen ervan hem kon deren, dat geen proef hem zou kunnen treffen, dat geen vuur het kwaad in hem zou kunnen wegbranden. Elke nieuwe inwijding betekent een stap nader komen tot die innerlijke goddelijkheid die niet onze gewone atman is van de verticale balk van het kosmische kruis, maar die goddelijkheid die het ware hart van het hart van de kern van de kern van de menselijke monade is, een tot nog toe zich zwak manifesterende evolutionaire pelgrim.

In de christelijke geschriften werd daarom de mystieke lering gegeven: ‘Mijn god, mijn god, wat heeft u mij verheerlijkt. Niet langer ben ik afhankelijk van de manasaputra boven mij. Uit het binnenste van mijn eigen kosmische essentie, uit het binnenste van de god van mijn eigen menselijke monade, ben ik, en door mijzelf, mijn eigen godheid geworden. Hoe verheerlijkt u mij, u goddelijk deel van mij!’ Let op het welgekozen en kernachtige Grieks: Ho theos mou, ho theos mou – de god van mij; het Grieks legt door zo’n grammaticale constructie de nadruk erop. Niet alleen maar mijn god, maar de god van mij.

Dit kan tijdens de inwijding alleen gebeuren nadat de andere kreet is geslaakt: ‘O god van mij, waarom heeft u mij verlaten?’ Dit betreft de god van de verticale lijn, want het kind moet nu leren lopen, leren zichzelf te ontdekken. De god, zijn god, hijzelf, zijn goddelijke zelf, niet zijn god ‘van buiten’ van de gewone menselijke constitutie, gewoonlijk atma-buddhi-manas genoemd, maar hij vindt zogezegd de atma-buddhi-manas van de horizontale lijn van het individu, van de menselijke monadische essentie. Zo is iedere monade binnen de menselijke constitutie zeven- of twaalfvoudig, al naar de wijze van tellen, en iedere inwijding die plaatsvindt in kosmische tijd en kosmische ruimte, van een mens of een god of een wezen van de onderwereld, is – zover mij is geleerd – in beginsel hetzelfde. Details kunnen verschillen; plaatsen, individuen kunnen verschillen. Maar de fundamentele gedachte en regel zijn dezelfde. Daarom zijn dood en inwijding identiek. En dat geldt ook voor de slaap. Deze dingen heb ik zo vaak gezegd. Slaap, inwijding en dood zijn alle één. Slaap is hetzelfde, maar dan gelukkig afgeschermd voor onze onwetende ogen, voor onze onwetendheid en domheid, want we zijn te diep verzonken in de verlangens van deze wereld om te kunnen zien, om te beseffen. Inwijding is een bewust ontwaken tot de waarheden. En dood is precies hetzelfde, zelfs in nog hogere mate dan bij inwijding, maar omdat deze niet wordt ondernomen door onze eigen wil met het specifieke doel om onze evolutie te versnellen, is hij een automatische functie van de delen van onze constitutie. Misschien dwaal ik te ver af, maar dit zijn hints voor u. Uw intuïtie zou zich ermee kunnen bezighouden. Ik herhaal: slaap en dood en inwijding zijn in essentie hetzelfde.

 

29 november 1938

De mystieke roos: symbool van de volledig ontwikkelde monade

De mens is een microkosmos, een kopie in het klein van wat het heelal in het groot is. Dat bedoelt men wanneer wordt verwezen naar de verschillende monaden in de mens; van die monaden is hij het meest betrokken bij de menselijke monade, omdat die de mens zelf is. Richt uw blik nu op de toekomst. Al die verschillende monaden van de beginselen van zijn constitutie zullen zich hebben ontwikkeld, elk op haar eigen gebied en op haar eigen manier; en dit geldt ook voor zijn eigen menselijke monade. Wanneer die toekomst is gekomen, zal hij van alleen maar mens zijn uitgegroeid tot een heelal, en hij zal zich hebben ontwikkeld om de god ervan te worden, de hiërarch ervan. Hij zal zijn omringd door wat dan de verschillende delen van dat heelal zijn en het hele hem omringende grenzeloze zal vanzelfsprekend in hem zijn vertegenwoordigd: wezens hoger dan de god, wezens op het gebied van de god, wezens lager dan de god. Maar wat nu de menselijke monade is, zal dan de god zijn.

Het symbool van het kruis kan alleen worden toegepast tijdens perioden van manifestatie. Daarom zegt men in de mystiek dat de christusgeest, de buddhi in ons, de buddhische essentie, wordt gekruisigd op het kruis, het kruis van geest-stof, of op het kruis van de stof, zoals het gewoonlijk wordt geformuleerd. Vergeet niet dat de dwarsbalk of de horizontale lijn zelf volledig zevenvoudig is, en zelf zijn atman, buddhi, manas, kama, enz., heeft.

Naarmate de tijd voortschrijdt en wij hoger komen, of beter gezegd de opgaande boog beklimmen, zal het kruis langzamerhand verdwijnen. Het bekende middeleeuwse symbool van het rozenkruis – een kruis met op het kruispunt een roos – is een prachtig symbool waar de moderne rozenkruisers zich op beroemen, maar waarvan ze helemaal niets begrijpen.

Naarmate de evolutie vordert met haar magische werk van groei en ontwikkeling, wordt de horizontale lijn korter, wordt de verticale lijn korter, tot beide tenslotte in het centrum of de verenigde monade verdwijnen. Het vele is opnieuw het ene geworden, het individuele is het universele geworden, weergegeven door het mooie symbool van een roos in volle bloei. Het kruis is opgegaan in de roos, een symbool voor de volledig ontwikkelde monade.

Wanneer de evolutie begint, zal de mystieke roos – of het aurische ei – die verwijst naar schoonheid en geestelijk aroma, op het nieuwe en hogere gebied waarop de pelgrim dan zal groeien, langzaam het ‘kruis’ van het nieuwe manvantara beginnen te ontwikkelen. Beetje bij beetje zal de verticale lijn gaan groeien. Beetje bij beetje zal de horizontale lijn beginnen te groeien, tot uiteindelijk het kruis weer verschijnt, een kruis waarin geest en stof met elkaar zijn verbonden, elkaar ontmoeten in het centrale punt waar de monade van die bijzondere pelgrim of evoluerende entiteit woont.

 

11 augustus 1936

Zoveel mensen, zoveel devachans

Omdat devachan in wezen hoger manasisch is, vormen we ons devachan terwijl we leven, want het is een voortzetting van ons hogere denken na de dood. Omdat devachan dus van de mens afhangt, kan het zich uitstrekken van de denkbeeldige droomhemel tot het nirvanische gebied van zeer spirituele mensen; en vooral van hen van wie het innerlijk is wakker geroepen, van wie het denken door theosofische studie is verhelderd, verlicht, ontwaakt, versterkt.

Zoals u leeft, zo zal uw devachan zijn. Devachan is een voortzetting van uw bewustzijnstoestand na de tussenliggende periode in kamaloka. Als devachan begint, begint het vrije bewustzijn automatisch de mooiste beelden die de mens in zijn leven heeft gehad te reproduceren en te ontwikkelen. En welke beelden dit ook waren, ze zullen zijn devachan vormen. Het is dus waar dat ieder mens een devachan heeft, en er zijn evenveel soorten devachan als er mensen zijn om deze voort te brengen.

Sommige mensen zijn bijvoorbeeld zo zuiver persoonlijk dat zelfs menselijke liefde die hun hele leven vult – hoe mooi deze ook is – toch in hun leven een spirituele vampier is geworden. Hun devachan zal de geliefde betreffen, een volkomen ‘denkbeeldige hemel’, maar op een volkomen spirituele manier. Aan de andere kant zal een hoge chela die droomt van zelfvergetelheid, van goeddoen, van het ontdekken van de edelste en schitterendste dingen in het leven – niet alleen het menselijke leven maar het innerlijke leven – een devachan hebben, zo ruim, zo gelukkig, zo onuitsprekelijk mooi, dat het reikt tot in nirvana, omdat het denken daar niet langer op het zelf is gericht en als een kleine dwaas om zijn eigen verstand blijft draaien. Maar omdat de aspiraties van die mens tijdens zijn incarnatie universeel waren, zal ook zijn denken in devachan het hele universum omvatten. Zoveel mensen, zoveel devachans.

 

Het probleem van 777 levens

Er is een analogie tussen de levensgolven die in een ronde van onze eigen keten van bol tot bol gaan, en de monaden die van planeetketen naar planeetketen gaan in de buitenronden. Als levensgolf zijn wij nu dus op bol D, hoewel onze innerlijke essentie in wezen niet méér gehecht is aan bol D dan aan enige andere bol van onze keten; maar voorlopig hebben onze monaden hier hun vaste plaats. Daarom is bol D nu – natuurlijk relatief gezien – belangrijker voor ons dan de andere bollen. Maar als onze levensgolf naar bol E is gegaan, of naar de bollen F en G, of een andere bol, zullen wij voor dat bolmanvantara, voor die tijdsperiode, meer in het bijzonder verbonden zijn aan die bol.

Ik geloof dat het een grote fout zou zijn als we het door de meester gegeven getal 777 zouden opvatten als de som van alle incarnaties of belichamingen van de menselijke ziel, hetzij op een bol, of op een keten, of tijdens een ronde. Dat is niet de betekenis ervan. Broeder R heeft zelf de zaak toegelicht, zonder het misschien volkomen te beseffen, want de woorden van de meester zelf verklaren wat er wordt bedoeld. 7 + 70 + 700 is een soort mystieke of kabbalistische opsomming die door de meester op een enigszins andere manier werd berekend als een kabbalistische kubus, 7 x 7 x 7, en deze worden eigenschap-incarnaties genoemd, en zijn geen incarnaties die zijn opgeteld als een som.

Zeven ronden, een eigenschap-belichaming die alle verdere reïncarnaties tijdens een ronde beheerst. Zeventig – tien in iedere ronde: een ondergeschikte eigenschap die alle verdere belichamingen of incarnaties tijdens deze kleinere perioden binnen de ronde-periode beheerst, 7 x 1, 7 x 10, 7 x 100. Zevenhonderd – hier weer 70 x 10: dezelfde regel binnen de laatste waarover ik sprak. Maar denk erom dat dit niet verwijst naar het totaal van werkelijke incarnaties. Lees de woorden van de meester in De Mahatma Brieven (blz. 91) over onderrassen, grotere rassen, enz., en merk op dat hijzelf de oplossing van het raadsel geeft:

(7b) Evenals het bovenbeschreven ras: dat wil zeggen, op iedere planeet – waaronder onze aarde – moet hij zeven cyclussen door zeven rassen (één in elk) volbrengen en zevenmaal zeven zijtakken. Er zijn zeven wortelrassen en zeven onderrassen of zijtakken. Onze leer beschouwt de antropologie als een absurde, lege droom van godsdienstige ijveraars en beperkt zich tot de etnologie. Het is mogelijk dat mijn terminologie verkeerd is; u heeft de vrijheid ze in zo’n geval te wijzigen. Wat ik ‘ras’ noem, zou u misschien als ‘geslacht’ betitelen, hoewel onderras beter uitdrukt wat we bedoelen dan het woord familie of afdeling van het genus homo. Om u evenwel op de goede weg te brengen, wil ik voorlopig zeggen – één leven in elk van de zeven wortelrassen; zeven levens in elk van de 49 onderrassen – of 7 x 7 x 7 = 343 en voeg hier nog 7 aan toe. En dan een reeks levens in grotere en kleinere vertakkingen van de rassen, die het totaal aan menselijke incarnaties op iedere pleisterplaats of planeet op 777 brengen. Het beginsel van versnelling en vertraging werkt zodanig dat alle inferieure soorten worden geëlimineerd en er slechts één enkele superieure overblijft om de laatste cyclus te doorlopen. Niet veel om te verdelen over de enkele miljoenen jaren die de mens op één planeet doorbrengt. Laten we eens aannemen dat de mens niet langer dan één miljoen jaar – een getal dat door uw wetenschap werd vermoed en nu wordt geaccepteerd – in deze ronde op aarde heeft geleefd. Als we dan het gemiddelde voor elk leven op één eeuw stellen, dan zien we dat, terwijl hij in al zijn levens op onze planeet (in deze ronde) slechts 77.700 jaar heeft doorgebracht, hij 922.300 jaar in de subjectieve sferen is geweest. Niet erg bemoedigend voor de ultramoderne reïncarnisten die zich verscheidene van hun vroegere levens herinneren!

Mocht u zich aan berekeningen willen wagen, vergeet dan niet dat we hierboven slechts het volle, gemiddelde leven van bewustzijn en verantwoordelijkheid hebben geraamd. Er is niets gezegd over de mislukkingen van de natuur in het geval van miskramen, zwakzinnig geborenen, de dood van kinderen in hun eerste cyclus van zeven jaar, noch over die uitzonderingen waarover ik niet kan spreken. Ook moet u bedenken dat de gemiddelde duur van een mensenleven sterk varieert naargelang van de ronde. Al ben ik verplicht op vele punten informatie achter te houden, toch zal het, als u een van de problemen zelf mocht uitwerken, mijn plicht zijn u dat te zeggen. Probeer het vraagstuk van de 777 incarnaties op te lossen.

Ik herhaal: de sleutel tot al deze mystieke en kabbalistische verwarring die hier door de meester doelbewust wordt gegeven moet niet worden opgevat als een eenvoudige optelsom, maar verwijst naar de belichamingen of uitdrukkingen van monadische eigenschappen, zoals een studie van de woorden van de meester zal aantonen; want het moet duidelijk zijn dat er meer dan één belichaming in een wortelras is, zoals de meester direct daarna verklaart. Wat hier over de 777 is gezegd, heeft als basis de kerngedachte dat de mens is samengesteld, is gevormd uit verschillende monaden van wie de kwaliteiten of eigenschappen hun uitdrukking vinden in verschillende wortelrassen, onderrassen en onderonderrassen. Ieder van die eigenschap-uitdrukkingen is een belichaming van die uitdrukking of eigenschap, hoewel het proces van het ontstaan van die eigenschap-uitdrukkingen of monadische eigenschappen natuurlijk op een bepaalde manier al is gegeven in de leer van herbelichamingen. Ik wilde vermijden dat u de indruk zou krijgen dat 7 + 70 + 700 het werkelijke totale aantal wederbelichamingen van een mens was.

Vr. – Ik heb drie vragen: 1. U heeft gezegd dat de bollen van onze aardketen planeten zijn, ‘verspreid in de ruimte, niet ver van onze aarde’. Als dat zo is, gaan we dan, als we sterven, eerst naar de astrale bol van onze keten en dan zo verder naar de andere bollen van onze keten, tijdens de circulaties in de kosmos, terwijl we onze atomen die bij elk beginsel horen achterlaten op deze bollen, voordat het reïncarnerende ego naar de schoot van de spirituele monade gaat voor de rest van de circulatie via de heilige planeten naar de zon; of worden onze atomen op deze planeten achtergelaten, om bij onze terugkeer weer te worden opgepikt?

2. ‘Iedere monade heeft haar eigen bijzondere ster.’ Betekent dat dat ieder van onze zeven monaden van onze zeven beginselen haar eigen bijzondere ster heeft?

3. Als iemand niet kan sterven voordat zijn ster daarvoor in de juiste positie komt: hoe kunnen we dan weten welke ster dat is, en wanneer deze in die positie komt bij onze geboorte en bij de dood?

GdeP – Dit zijn intuïtieve vragen, maar ik kan ze om redenen die duidelijk zouden moeten zijn niet uitvoerig beantwoorden. De eerste vraag vereist een antwoord als volgt: Op onze heenreis laten we in iedere sfeer de bij die sfeer behorende levensatomen achter, en op onze terugreis pikken we ze weer op. Op de heenreis ontdoet de monade zich aldus van zware gewaden van meer stoffelijke dingen, en dit is haar ‘opstijgen’. Op de terugreis bekleedt ze zich weer met de levensatomen die ze tevoren heeft afgeworpen, en trekt opnieuw de gewaden aan van de lagere gebieden, waardoor ze in staat wordt gesteld zich daar te manifesteren en op die gebieden te leven.

Vraag twee: Het antwoord is ja.

Drie: Het is misschien heel gelukkig voor ons dat wij, althans de meesten van ons, niet in staat zijn precies te weten wanneer onze fysieke dood zal plaatsvinden. Ik geloof dat er heel weinig mensen zijn die, als ze zich een oordeel zouden vormen over wat ze werkelijk zouden willen dat er gebeurde, er niet de voorkeur aan zouden geven de dingen precies zo te laten zoals de genadige moeder natuur dat heeft geregeld. Ik geloof niet dat het goed is te proberen een nauwkeuriger antwoord op deze vraag te vinden.

 

31 januari 1939

Eigenschap-incarnaties

Onder eigenschap-incarnaties verstaat men het in een reeks menselijke belichamingen tevoorschijn brengen van al de verschillende purusha- en prakriti-eigenschappen die in de mens – een microkosmos, een kopie in het klein van de macrokosmos – aanwezig zijn. Omdat er zeven, tien en zelfs twaalf gebieden in onze zonnekosmos zijn, terwijl ieder van deze zijn eigen reeks of schaal van kwaliteiten of eigenschappen heeft, zijn alle latent of min of meer gemanifesteerd in ieder mens aanwezig. Ze komen steeds verder tevoorschijn naarmate de wederbelichamingen achtereenvolgens plaatsvinden, de een na de ander. Veel van deze hogere gebieden zullen, hoewel ze tot nu toe latent en ongemanifesteerd in ons aanwezig zijn, in de toekomst als kwaliteiten, als eigenschappen, tevoorschijn komen.

Veel theosofen beseffen niet dat eigenschappen van onze vroegere levens of reïncarnaties niet alle tot uitdrukking kunnen komen in maar één erop volgend leven; en evenmin heeft de hele karmische voorraad van onze ervaringen zijn uitwerking in één enkel leven op aarde. Het is dus mogelijk dat als we dit leven A noemen, het volgende B, en het daaropvolgende C, enz., we dan achtereenvolgens A, B, D, C, F, G, E – zullen doorlopen, waarbij de verschillende eigenschappen niet één voor één verschijnen zoals de spaken van een wentelend wiel elkaar opvolgen. Soms gebeurt het dat het menselijke ego in het volgende leven eigenschappen naar buiten brengt die normaal gesproken pas twee of drie levens later zouden zijn verschenen. Het volgende leven in de reeks wordt als het ware overgeslagen. Dit brengt in het menselijk bestaan veel complicaties met zich mee, en zo lijkt het soms dat we moeten teruggaan en in een incarnatie komen waarin we drie of vier belichamingen geleden hadden moeten komen. We pakken de draden op die we hadden laten vallen. Omdat we die karmische draad enige tijd vóór we de volgende stap kunnen doen moeten oppakken, moeten we teruggaan, haar oppakken, en dit karma uitwerken en ontrafelen.

Dit gebeurt niet altijd, maar het is niet zeldzaam. De chela wordt dan gekweld door de angst dat zijn vooruitgang in chelaschap door karmische noodzaak tijdelijk kan worden onderbroken, wat hem verplicht terug te gaan en een belichaming als het ware op te pakken die hij had overgeslagen, waardoor de geleidelijke vooruitgang wordt onderbroken. Dit is een van de redenen waarom het chelaschap, hoewel dit voor ons allen het ideaal is, zozeer wordt omringd met voorzorgsmaatregelen om ons te waarschuwen.

Het betekent niet werkelijk een teruggang. Het is alleen een manier om tot uitdrukking te brengen dat vooruitgang moet worden uitgesteld tot die overgeslagen periode tijdens een belichaming tot uitdrukking kan worden gebracht.

Ik geloof haast dat het een voordeel is voor de mens die enkele belichamingen heeft overgeslagen, omdat hij ze dan niet langer met minder krachten als iets nieuws kan benaderen, maar in zekere opzichten met een versterkt begrip en hart. Zijn latere belichamingen die hij anders nog niet zou hebben doorgemaakt, stellen hem nu in staat dat te doen. De natuur is in deze dingen heel meedogend.

 

8 september 1936

Belichamingen op de opgaande boog

Welke delen van de menselijke constitutie belichamen zich op de opgaande boog wanneer de monade opstijgt, en tijdens de buitenronden haar reis maakt naar de andere heilige planeten?

Er zijn verschillende monaden in de menselijke constitutie. Elk van die monaden heeft haar eigen svabhava. En elk van die monaden is in het bijzonder en karmisch gebonden aan een van de bollen van onze planeetketen. Het zou een grote vergissing zijn om aan te nemen dat het ego dat zich op deze bol D opnieuw hult in een lichaam van vlees en een mens voortbrengt, hetzelfde ego is dat zich na de dood van de mens weer belichaamt op de bollen E, F en G op de opgaande boog, of A, B en C op de neergaande boog.

Dat bijzondere monadische centrum van de menselijke constitutie dat zijn terrein van karmische actie op deze bol D, onze aarde, heeft, belichaamt zich hier, en dit noemen we reïncarnatie. Op precies dezelfde manier belichamen de andere delen van de menselijke constitutie, die hun terrein van handelen en zich manifesteren op de andere bollen van de keten vinden, zich opnieuw op deze respectieve bollen. Als de levensgolf bol E, bol F, bol G of welke bol dan ook bereikt, belichaamt dat deel van de menselijke constitutie zich op die bol van de keten.

Dus, wat voor de individuen van een levensgolf plaatsvindt wanneer deze een bol bereikt, gebeurt nu hier, omdat onze levensgolf nu hier op bol D is en, omdat hier haar bijzondere terrein van expressie ligt, vanuit ons dat deel van onze constitutie tevoorschijn roept dat zich hier op bol D tot uitdrukking kan brengen. Wanneer wij als levensgolf gezamenlijk, achtereenvolgens op de bollen E, F en G of een andere bol komen, zullen die delen van onze constitutie die hun terrein van expressie op de bollen E, F en G vinden, zich manifesteren, elk deel op de daarvoor geschikte bol: X op bol E, Y op bol F, Z op bol G, en zo verder op andere bollen van de keten.

Na de dood van een individu wordt dezelfde regel gevolgd. Na zijn dood wordt de mens niet uit zijn devachanische geluk gerukt om zich te belichamen op bol E, F of G. Hij begint zijn devachan enige tijd na de dood, en wordt teruggetrokken in de schoot van de spirituele monade; en zijn devachan neemt in intensiteit toe totdat het zijn maximum bereikt, daarna wordt de intensiteit minder tot hij gereed is om weer op aarde te incarneren.
Ik zal het kort samenvatten: Het zich wederbelichamende ego – of beter gezegd, de zich wederbelichamende monade – heeft zijn werkterrein in onze planeetketen, zoals de goddelijke monade die heeft in onze melkweg, en zoals de louter menselijke astrale monade die heeft op deze aarde; en deze laatste brengt de mens voort. Dit zich wederbelichamende ego dat zijn terrein van expressie of activiteit op de bollen van onze planeetketen heeft, emaneert of zendt vanuit zichzelf – telkens wanneer het een bol bereikt – de straal van bewustzijn die overeenkomt met die bol. Precies zoals het hier op aarde heeft gedaan: het heeft de straal uitgezonden die past bij en geschikt is om zichzelf hier op deze bol D tot uitdrukking te brengen en die ons als mensen heeft voortgebracht. Dus zal het niet de mens zijn – het tegenwoordige ik of u – die zich opnieuw zal belichamen op bol E of F of G of bol A of B of C, noch wanneer de levensgolf als geheel op deze verschillende bollen komt, noch na de dood van ons als individuen.

Na de dood van een mens zal er echter op ieder van de andere bollen van onze keten een tijdelijke belichaming zijn, gewoonlijk heel kort, van de straal die daar thuishoort. Die belichamingen zijn zo tijdelijk omdat onze levensgolf als geheel nu op deze bol D is. Wanneer onze levensgolf als geheel een andere bol bereikt – of het nu bol E of F of G op de opgaande boog is, en evenzo op de neergaande boog – dan zullen onze langdurigste belichamingen als individuen op de bol zijn waar de levensgolf zich dan bevindt – juist zoals onze langdurigste belichamingen nu hier op aarde zijn omdat onze levensgolf hier is. Dus, als onze levensgolf na het verlaten van deze bol D, bol E bereikt, dan zullen onze langdurigste belichamingen als afzonderlijke individuen op bol E zijn. En wanneer we de ronden van de keten doorlopen en op bol E sterven, zal onze belichaming, als we weer op bol D komen, bijvoorbeeld op onze weg terug naar bol E, hier heel kort zijn, slechts een tijdelijke projectie van een straal, een belichaming op deze bol, een aanraking ervan, lang of kort afhankelijk van de omstandigheden, maar nooit erg lang. Dan gaan we, tijdens de rondgang van de monade, te zijner tijd verder naar bol E waar onze levensgolf als geheel dan verblijft. Daar zullen we onze langdurigste wederbelichaming hebben, omdat de levensgolf daar is.

U ziet wat een boeiend toekomstbeeld dit ons geeft. In de eerste plaats gaan we inzien dat onze menselijke persoonlijkheden hier op aarde, hoewel ze voor ons als individuen bijzonder interessant zijn, slechts uitingen zijn van één aspect van het karakter met honderd facetten dat ieder van ons op de verschillende bollen van de keten heeft. Ieder van ons drukt het bijzondere facet van het karakter uit dat daar passend is; dat wil zeggen, op ieder van de bollen hebben wij als individuen een kans om die kant of dat aspect van onze svabhava, van ons karakter, te manifesteren dat geschikt is om zich op die bol te manifesteren en te ontwikkelen en te oefenen.

U ziet dat deze schitterende waarheden nog een andere conclusie opleveren. We zijn werkelijk kinderen van het universum, overal thuis omdat we verwant zijn aan iedere bol; een of ander deel van ons karakter is daar thuis en brengt zich op die bol tot uitdrukking. Dat is ook het geval wanneer we op de buitenronden rondreizen naar de andere heilige planeetketens. Na onze dood hier hebben we slechts een vluchtig contact met de bollen van die ketens, omdat onze levensgolf dan niet in die keten is. Maar wanneer tijdens de buitenronden in de verre verre toekomst voor onze levensgolf als een golf het moment aanbreekt om op een van deze heilige planeetketens te komen, zal die planeetketen onmiddellijk onze vaste plaats worden gedurende een heel ketenmanvantara, en daar zal onze basis zijn, zoals de aardketen dat nu voor ons is.

Het lijkt me dat we hieruit een belangrijke ethische conclusie kunnen trekken. Terwijl onze ervaringen op deze aardbol, of bol D, tot op zekere hoogte even belangrijk zijn als onze ervaringen op de andere bollen en ook op de andere planeetketens, hebben onze levens op deze bol D toch niet zo’n grote betekenis als we soms denken. Ze zijn slechts fasen in de ervaringen van de ziel. En als we ze vergelijken met alle elf andere bollen van deze keten, en alle twaalf bollen van ieder van de andere planeetketens, zien we hoe onbetekenend elk afzonderlijk leven op aarde relatief gezien is. Het is enorm belangrijk, het is een schakel die niet kan worden overgeslagen, als we het vanuit dat gezichtspunt bekijken; maar vergelijken we het met al de andere levens die we elders doorbrengen, dan draagt deze leer ertoe bij om onze geliefkoosde egoïsmen te vernietigen, en onze geweldige gehechtheid aan aardse dingen. We beseffen dat dit ene leven op aarde is als één enkele nacht die een reiziger in een hotel doorbrengt – en niet eens een heel goed hotel, maar een van de slechtst mogelijke van het hele zonnestelsel, omdat het zich op het laagste gebied bevindt – en dat de andere bollen ons gelegenheden geven de veel edeler delen van onze constitutie te activeren en te gebruiken. En die zijn het waar we tenslotte het meest van houden: het intellectuele, het spirituele en het ethische.

Ik zou hieraan kunnen toevoegen dat toen onze bijeenkomsten enige jaren geleden begonnen, ik op een eenvoudige manier moest spreken om te worden begrepen. Nu zou ik spreken over de zich wederbelichamende monade in plaats van het reïncarnerende ego. Daarom zou een nauwkeuriger manier om mijn antwoorden te formuleren [zie blz. 911-12] zijn geweest om te zeggen dat het zich wederbelichamende ego uit zichzelf op bol E de straal emaneert of het deel van de svabhava van het zich wederbelichamende ego dat past bij die bol als zijn veld van expressie, en daar thuishoort. In die tijd waren we bezig om wat we de fase van HPB en WQJ en KT kunnen noemen uit te werken; toen werd ‘reïncarnerend ego’ in een nogal algemene betekenis gebruikt, zoals de christenen nog steeds de term ‘ziel’ gebruiken.

Bedenk dat wij mensen van deze aarde niet op een hogere bol zouden kunnen leven. We zijn er niet geschikt voor. We zouden ons daar niet op de juiste manier tot uitdrukking kunnen brengen. We zouden de aarde-mens kunnen beschrijven als de menselijk-dierlijke monade, die haar terrein van activiteit op aarde heeft, natuurlijk verlicht door de hogere delen van onze constitutie die nog altijd door ons heen werken en proberen invloed op ons uit te oefenen, ons ons gevoel voor ethiek te geven, onze geestelijke aspiraties, onze grote intellectuele kracht, enz. Maar als mensen van deze aarde zouden we in het geheel niet op onze plaats zijn op een hogere bol zoals E of F of G of de nog hogere bollen op de opgaande boog. Evenzo zullen we, als we als een levensgolf op bol E komen, op die bol manifesteren wat we de bol-E-delen van onze constitutie kunnen noemen, en de bol-D-delen zullen dan inactief zijn. We zullen ze ons niet herinneren, we zullen er niet van houden, we zullen er niet veel om geven. Ze zullen in een toestand van obscuratie verzinken, en blijven liggen als zaden die niet ontkiemen tot we op bol D, hun geschikte bodem, terugkomen. Evenzo zullen onze bol E-delen niet geschikt zijn om zich te manifesteren op bol F of op bol G. Dit is heel gemakkelijk te begrijpen.

U ziet dus dat u vanuit deze invalshoek het antwoord heeft op de vraag of het mogelijk is dat de astrale monade zich belichaamt op bijvoorbeeld bol E, de volgende bol op de opgaande boog. Ze doet dat niet, want die monade is in het bijzonder het kind van de aarde. In verre toekomstige eeuwen zal natuurlijk iedere monade, die een lerende en groeiende entiteit is, zijn geëvolueerd door vanuit zichzelf hogere krachten en eigenschappen te ontvouwen; ze zal een edeler wezen zijn geworden, en daarom geschikt om zich op hogere bollen te manifesteren dan onze bol D. Maar nu zou ze evenmin een geschikte belichaming kunnen vinden op bol E, als een gebied om zich tot uitdrukking te brengen, als een dier in een menselijk lichaam kan reïncarneren. Er bestaat voor het dier geen aantrekking om een menselijke schoot binnen te gaan. In feite wordt het daardoor afgestoten. Er is niets in het dier dat het tot de menselijke psycho‘magneet’ zou aantrekken. Het heeft niet de aspiratie die het naar een menselijke schoot zou brengen. Het gaat eenvoudig niet daarheen.

Zo gaat het met alle bollen van de keten. Onze planeetketen is het werkterrein van de zich wederbelichamende monade; en deze heeft eigenschappen, vermogens, krachten in haar eigen substantie of svabhava, die tevoorschijn worden geroepen en zich manifesteren wanneer de zich wederbelichamende monade op haar zwerftochten achtereenvolgens de verschillende bollen bereikt. Uit het zich wederbelichamende ego daalt op elk van die bollen de straal af die tot die bol behoort, die geschikt is om daar te leven, zich daar te manifesteren, en daarom vanuit het zich wederbelichamende ego wordt aangetrokken tot de atmosfeer van die bol – juist zoals het zich wederbelichamende ego van ons mensen nu, omdat onze levensgolf hier op bol D is, wat we het aarde-mens deel kunnen noemen uit zichzelf tevoorschijn roept.

Zelfs die wezens die overeenkomen met de dieren op bol F of op bol G staan, als we ze met ons zouden kunnen vergelijken, in feite hoger dan wij als mensen op bol D, omdat bol F en bol G zoveel hoger staan dan bol D; ze leven op een spiritueel of halfspiritueel gebied. Natuurlijk zijn wat wij – door een vergelijking te maken met onze aarde – de mensen op de bollen F en G kunnen noemen in elk opzicht onvergelijkelijk veel edeler en grootser dan wij mensen op onze bol D.

 

28 februari 1939

Beginselen en ronden
Vijfde- en zesde-ronders

Er zijn zeven ronden – als we de zevenvoudige verdeling van HPB volgen – en in iedere ronde wordt een bepaald beginsel ontwikkeld van de zeven beginselen die we zijn. We zijn nu in de vierde ronde, wat betekent dat tijdens de hele periode van deze ronde het kama-element zich ontwikkelt of evolueert. Van de eerste tot de laatste bol tijdens deze vierde ronde, de kama-ronde, zijn alle evolutiestadia erop gericht om de zevenvoudige verdelingen of graden van kama, het vierde beginsel, tevoorschijn te brengen. Zolang deze vierde ronde duurt, zullen dus op de hogere bollen van de keten – hetzij tijdens de slaap of na de dood, of wanneer de levensgolf die nu op deze aarde is de bollen op de opgaande boog bereikt – de verschillende aspecten van het kama-beginsel tevoorschijn worden gebracht.

Dus hebben we op deze aarde, de vierde van de zeven bollen, de kama-kama. Op bol E, de vijfde van de zeven, zullen we de manas-kama hebben; op bol F, de zesde van de zeven, zullen we de buddhi-kama ontwikkelen; op bol G, de laatste volgens de zevenvoudige classificatie, zullen we de atman-kama hebben.

Natuurlijk zal tijdens de vijfde ronde, bijvoorbeeld, het vijfde of manas-beginsel in ons ernaar streven om relatief volledig actief te worden; dit gebeurt vanaf het begin van de vijfde ronde tot het einde ervan. Op deze bol D zullen we gedurende de vijfde ronde niet langer kama-kama-mensen zijn, maar kama-manas-mensen; en omdat dit de specifiek menselijke eigenschap is, zegt men dat er tijdens de vijfde ronde een heel belangrijk keuzemoment zal zijn dat onze bestemming bepaalt, namelijk of we erin zullen slagen al dan niet het gevaarlijke punt van keuze te passeren.

Wat de buitenronden betreft, nu of in het verleden of in de toekomst: de verschillende monaden of bewustzijnscentra in onze menselijke constitutie zijn ieder in het bijzonder verwant aan haar eigen respectieve planeetketen van de heilige planeten. Er is dus een ketenmonade in ons die bij deze keten hoort. Evenzo is er een ketenmonade voor Mars, een voor Jupiter, Saturnus, Mercurius, Venus en andere planeten – waarvan sommige zichtbaar zijn, en andere niet.

Wanneer onze levensgolf deze keten verlaat en als golf haar loop langs de buitenronden vervolgt, zal de volgende planeet waar ze komt die bijzondere monade uit onze constitutie tevoorschijn brengen die vooral bij die keten hoort en ermee in harmonie is; zoals wij nu hier op deze keten zijn, en de ketenmonade of de monade die in het bijzonder verwant is aan deze keten nu bezig is zich te ontwikkelen. Het is dus niet juist te zeggen dat de menselijke entiteit zoals we die nu op deze bol kennen, dezelfde monade zal zijn die zich tijdens de buitenronden op de andere heilige ketens zal manifesteren. Op elk van die heilige ketens zal de monade die speciaal in harmonie is met die keten, speciale banden van sympathie met die keten hebben; en hetzelfde geldt voor de direct daaropvolgende keten, enz. Toch blijven alle monaden steeds bij elkaar, maar in elke keten geeft er één de toon aan.

Met andere woorden, wanneer we op de volgende keten komen, zal deze monade van de aardketen die hier nu evolueert, dan volkomen in rust zijn, in nirvana, en zich niet manifesteren? Dit is duidelijk niet het geval, omdat de andere monaden die op de andere heilige ketens thuishoren zich zelfs nu op deze keten manifesteren, hoewel zwakker dan de monade die bij deze ketenmonade hoort, of ermee in harmonie is.

Onze monade op deze keten zal zich op de volgende en daaropvolgende van de verschillende heilige ketens minder sterk tot uitdrukking brengen. Overheersend zal die monade zijn die bij die volgende keten hoort, enz.

Onze keten brengt in onze huidige vierde ronde de kama-eigenschap tot ontwikkeling. Deze kama-eigenschap heeft een zevenvoudig bereik van de atman tot het sthulasarira. Omdat deze aarde de vierde bol is in de reeks, manifesteren wij nu de kama-kama, zoals al is gezegd. Als de levensgolf bol E bereikt, zullen we de manas-kama manifesteren, daarna de buddhi-kama op bol F, en de atman-kama op bol G.

Precies hetzelfde vindt plaats tijdens de slaap en na de dood, maar zwakker dan wanneer de levensgolf de bollen van de opgaande boog bereikt. U ziet hoe ingewikkeld dit is, en toch hoe eenvoudig in beginsel wanneer het probleem met de universele sleutel – redeneren naar analogie – wordt aangepakt. Wanneer wij na de dood de opgaande boog beklimmen, moeten we door de bollen E, F, G, en de hogere bollen gaan, hoewel de mens, het kind van de aarde, reeds op bol E aan zijn devachan begint. Maar terwijl we na ons sterven naar ieder van die bollen gaan, zal de sterke aantrekking van ieder van deze bollen op de opgaande boog als het ware vanuit het aurische ei van de pelgrim-monade die door de verschillende bollen van de opgaande boog gaat, haar overeenkomstige straal tevoorschijn roepen. Dus zal er op bol E een tijdelijke uitstroming zijn, zwak of sterk, overeenkomstig het individuele geval op bol E, van een bepaald manasisch deel van de kama dat zich op bol E zal manifesteren, wanneer de levensgolf bol E bereikt, en als onze geregelde belichamingen daar voor een poos plaatsvinden zoals ze dat nu op deze bol D doen.

Elk van de andere monaden van de constitutie zal dus, terwijl ze zich op deze keten – zolang we hier zijn – zo goed mogelijk manifesteert, haar activiteit niet ten volle ontplooien, niet de overheersende monade worden, totdat ieder van die monaden die keten bereikt waar ze in het bijzonder thuishoort of waarmee ze in harmonie is. De andere monaden zullen daar op de achtergrond blijven, zoals alle andere monaden (behalve de monade die bij onze keten hoort) nu in ons latent zijn. Deze ketenmonade neemt nu de belangrijkste plaats in.

In de zesde ronde zal de buddhi-eigenschap dus duidelijk aanwezig zijn. In de zevende ronde, die HPB zo treffend de laatste noemt, zullen de atmische eigenschappen zich gaan ontvouwen.

In deze vierde ronde zijn we bezig kama te evolueren; maar door de spirituele aspiratie die onze innerlijke natuur steeds aanwakkert, zijn miljoenen van deze levensgolf of mensheid vóór op hun medemensen. Omdat ze voorlopers zijn, evolueren ze sneller tijdens de toestanden na de dood en in de slaap, zodat er zelfs nu miljoenen mensen zijn die bijna vijfde-ronders zijn. Ze zijn de verder geëvolueerden, in wie de verstandelijke, de manasische delen, hoewel ze in de vierde ronde zijn, nu niettemin krachtig evolueren, maar onder vierde ronde-omstandigheden. Een heel merkwaardige en interessante gebeurtenis in de geschiedenis van de mens. Daarmee bedoel ik niet de geschiedenis van de volkeren maar de geschiedenis van het ego.

Heel zelden loopt een individu vooruit op de voorlopers en is in staat zesde-ronde-ervaringen door te maken, en deze bijzonder zeldzame gevallen betreffen de boeddha’s – hoewel dit tijdens de vierde ronde gebeurt. Hoewel deze vijfde-ronders mensen zijn die zelfs hier werkelijke vijfde-ronders zijn – ik bedoel zoals de levensgolf als geheel tijdens de vijfde ronde op deze bol zal zijn – zijn zij, omdat we nog in het kama-beginsel zijn, vijfde-ronders van de kama.

Het zou in zekere zin nauwkeuriger zijn om te zeggen dat deze vijfde-ronders vergelijkbaar zijn met de betrekkelijk volledig ontwikkelde individuen op bol E, zoals die individuen zullen zijn wanneer de levensgolf bol E bereikt tijdens deze vierde ronde. Dit is een antwoord op de vraag: ‘Indien er hier al vijfde-ronders zijn, wat zullen die vijfde-ronders dan doen als de vijfde ronde haar honderden miljoenen jaren te doorlopen heeft?’ Het antwoord is dat deze vijfde-ronders die ronde zullen binnengaan als hooggeëvolueerde en goed voorbereide studenten van het manasische deel dat dan krachtig evolueert. Ze zullen zelfs tijdens de vijfde ronde voorlopers worden van de zesde ronde, en dus de voorlopers zijn van het overgrote deel van de vijfde-ronders.

Dus zelfs de huidige vijfde-ronders zijn vijfde-ronders volgens het kama-beginsel. Wanneer ze in de vijfde ronde komen, als de levensgolf tijdens de vijfde ronde de bollen doorloopt, zullen ze toch essentieel vijfde-ronde-ervaringen moeten doormaken, maar ze zullen enorm worden geholpen en sneller vooruitgaan omdat ze de kamische vijfde-ronde-ervaringen hebben kunnen opdoen tijdens de vierde of kama-ronde. Daarom hebben we bijzonder ver geëvolueerde mensen onder ons, vijfde-ronders, mensen die we gewoonlijk genieën of hoogontwikkelde individuen noemen.

De gevorderde vijfde-ronders zijn de mahatma’s; de minder ver gevorderden zijn hun chela’s; de minst gevorderden zijn de bijzonder ver geëvolueerde mensen onder ons. Zonder theosofen te willen vleien, ben ik ervan overtuigd dat ware theosofen vijfde-ronders zijn, hoewel ze misschien nog maar pas aan de vijfde ronde beginnen. Ze zijn in hun bewustzijn in de vijfde ronde. De mahatma’s zijn vergevorderd in de vijfde ronde.

 

13 oktober 1936

Zevenvoudige elementen universeel

Vr. – Zijn de dhyani-boeddha’s of chohans die de leiders waren bij het bouwen van de aardketen en haar mensheid, niet de bestuurders van de zeven heilige planeten en hebben ze niet de hemelse bodhisattva’s voortgebracht die verantwoordelijk zijn voor de bollen van de aarde? Ze gaven ons onze zeven beginselen, en daarom moeten we bij de dood de buitenronden doorlopen langs de heilige planeten naar de zon – naar onze vadersterren, enz.

GdeP – De vraag is heel interessant en intuïtief, maar erg ingewikkeld. We moeten nooit vergeten dat de zeven beginselen van een individu, hetzij een mens of een ander wezen, niet aan hem worden gegeven. Als dat zo was, zou men kunnen vragen: wat blijft er van een individu over als alles wat hij is hem slechts wordt gegeven vanuit verschillende bronnen? We zijn – of zoals gewoonlijk wordt gezegd, we hebben – de zeven beginselen; we zijn ze omdat we onlosmakelijke delen zijn van het heelal, dat zevenvoudig is. Daarom zijn wijzelf entiteiten met zeven beginselen. Evenals in een klein kind de beginselen zich steeds meer gaan manifesteren naarmate het ouder wordt, zo groeien wij mensen tot een steeds verdere verruiming van ons zevenvoudige wezen naarmate we door de eeuwen heen evolueren. Wat er gebeurt is dat de omringende natuur – de omringende hiërarchieën en de verschillende hiërarchieën van dhyani-boeddha’s of planetaire bestuurders of wie al niet – ons helpen, ons aanmoedigen en ons als het ware voeden. Maar wijzelf zijn individuen, omdat we samenstellende, onlosmakelijke delen van het heelal zijn. De gestelde vraag bevat niettemin een stevige grond van occulte waarheid, want alles wat we zijn ontlenen we juist aan de ons omringende natuur, en aldus zijn we samenstellende, onlosmakelijke delen ervan. Dus kunnen we in zekere zin zeggen dat, hoewel we in wezen en in de eeuwigheid monadische essenties met een zevenvoudig karakter zijn, we toch de verschillende delen van onze zevenvoudige constitutie aan deze verschillende dhyanische hiërarchieën ontlenen, die als onze bronnen fungeren.

Hetzelfde geldt voor een planeetketen, een zonneketen of een melkwegstelsel. Iedere eenheid is een zevenledig of twaalfledig individu, afhankelijk van hoe we tellen; maar de omringende invloeden en krachten moedigen ons aan, helpen ons, voeden ons als het ware door hun levensenergieën, en stellen ons op die manier samen. Dus is het heel juist om te zeggen dat de bollen van een keten of de ketens in een zonnestelsel worden opgebouwd en beschermd, gekoesterd en ‘gevoed’ – laten we onze eigen planeetketen als een concreet voorbeeld nemen – door de bestuurders van de andere planeetketens. Die andere bestuurders doen dat door een voortdurende uitwisseling van invloeden, van energie, van substanties, of van levensatomen. Maar iedere keten afzonderlijk is zevenledig of twaalfledig.

Evenzo zijn de verschillende dhyani-chohans en dhyani-boeddha’s van een keten wezenlijke delen van de hiërarchie van die keten, vanaf de hoogste afdalend door al de verschillende graden van de hiërarchie van onze eigen planeetketen. Neem onze bol D als een concreet voorbeeld. Omdat hij een onderdeel is van de aardketen, bestaat zijn voornaamste bron van invloeden of van leven, afgezien van zijn eigen bron van vitaliteit, uit de andere bollen van onze keten, en ligt zijn oorsprong in onze eigen ketenbestuurder en de hiërarch van onze keten en al de ondergeschikte krachten die onder die bestuurder vallen. Maar iedere andere planeetketen in het zonnestelsel helpt bij het opbouwen en ‘voeden’ van onze bol D, zoals iedere andere planeetketen in ons zonnestelsel onze hele keten helpt opbouwen. Wij beantwoorden dat op precies dezelfde manier door van onze levensessentie als keten, en als bol D, te geven aan alle andere planeetketens en bollen van ons zonnestelsel. Er is dus een voortdurende uitwisseling, een onderling verbonden zijn, een zich vermengen van levensenergieën. Zo is de hiërarch van onze eigen planeetketen de top of de hyparxis van de hiërarchie van onze planeetketen, dat wil zeggen we staan onder het toezicht van onze eigen planeetbestuurder en van de ondergeschikte ketenbestuurder van onze bol D. Een hiërarchie van ondergeschikte intelligenties is constant aan het werk, elk voor alle andere.

Het was voor mij bijzonder interessant om te luisteren naar het stenografisch verslag van deze prettige oude bijeenkomsten die we vroeger samen hebben gehouden. Een van de gedachten die bij me opkwam toen ik luisterde naar wat er werd opgelezen was: Wat zijn we allen sinds die tijd in begrip vooruitgegaan! We zijn ons nu goed bewust van de moeilijkheden – waar we toen voor stonden – om de lastige onderwerpen van de leer te begrijpen. Ik betwijfel sterk of er nu dezelfde vragen zouden worden gesteld, want ons begrip is gegroeid. We zien heel wat overbodige elementen in sommige van de vragen die we hebben horen oplezen. We begrijpen de leringen beter, we hebben er meer greep op.

 

25 april 1939

Het atmische bewustzijn

Het bewustzijn dat de monade op iedere bol, en daarom op al de verschillende bollen, ervaart is svabhavisch voor die bol. Toch staat daarboven en daarachter in waardigheid en in svabhavisch bewustzijn het bewustzijn van de atman dat universeel is; en dit bewustzijn kan op elk van de bollen door de monaden worden bereikt. Het is het hoogste bewustzijn van alle.

Dus, hoewel we tijdens onze lange evolutietocht naar volmaking door deze verschillende bol-bewustzijnen heen moeten, met andere woorden als monaden de respectieve bewustzijnsstralen die bij iedere bol horen moeten ontwikkelen en vervolmaken, is er op elke bol en op elk moment altijd het atmische bewustzijn dat we intuïtief kunnen aanvoelen, en dat bepaalde uitzonderlijke individuen zelfs belichamen. Dit is het hoogste bewustzijn, niet alleen van onze eigen individuele monade, maar van de keten.

De grote spirituele leringen van de meesters van wijsheid in alle tijden hebben juist hierop de nadruk gelegd. Verenig u met uw Vader in de Hemel, met andere woorden met de atman. Dan zult u onuitsprekelijke vrede krijgen, onuitsprekelijke wijsheid ervaren, bewustzijnsgebieden betreden die zich over de hele melkweg uitstrekken. Ieder kan daar nu op bol D mee beginnen, op bol E, op bol F; en op de hogere bollen neemt ons vermogen om dat te doen alleen maar toe.

Maar het is ons recht, onze plicht dat nu te doen, zoals het dat ook zal zijn op de hoogste van de bollen, en het verwonderlijke is dat we het nu kunnen doen. Het is een vreemde paradox: hoewel we, om een volledige afronding van ons monadische bewustzijn te verkrijgen, in de loop van de evolutie verplicht zijn door iedere bol van de keten heen te gaan, telkens weer, gedurende elke ketenronde, kan elke monade die zelfbewustzijn heeft bereikt toch op ieder ogenblik, op elke bol, zelfbewust beginnen het atmische bewustzijn te ontwikkelen.

 

13 oktober 1936

Verloren zielen en ‘mislukten’

Verloren zielen zijn die ego’s bij wie de schakel met het hogere deel van hun respectieve constitutie is verbroken. Omdat dus niets hen meer verbindt met het hogere deel van hun constitutie, zinken ze weg, vallen ze tenslotte in de afgrond; ze gaan naar de achtste sfeer, naar de planeet van de dood. En omdat het de egoïsche ziel is die dit doet, spreken we van verloren zielen.

Nu zal ik ons denken tot aan de grenzen van diepere leringen brengen, en ik moet met zeer grote reserve spreken; dus let niet al te zeer op mijn woorden, maar probeer mijn bedoeling te begrijpen. Verloren zielen zijn wat de meesters en HPB bij verschillende gelegenheden ‘mislukten’ noemden. Over deze verloren zielen is gezegd dat ze worden vernietigd; bij andere gelegenheden dat ze worden weggevaagd, of dat ze wegzinken in de afgrond of de achtste sfeer. Deze woorden laten u zien dat deze verloren zielen alleen worden vernietigd of weggevaagd voorzover het dit kosmische gebied betreft. Ze zijn mislukten die naar een lager kosmisch gebied wegzinken. Het woord ‘vernietigen’, ‘weggevaagd’, betekent niet dat ze letterlijk worden vernietigd zodat er helemaal niets overblijft. Ze worden op dit gebied vernietigd, van dit gebied weggevaagd. Hun schakel met hun vroegere hogere natuur op en in deze hiërarchie is verbroken. Ze dalen als ‘mislukten’ af naar een lagere hiërarchie.

In een van de brieven van de meester zult u een veelbetekenende passage vinden waarin de edele leraar ons vertelt dat sommige wezens die hun evolutie op onze planeetketen beginnen, mislukten zijn uit hogere gebieden. In feite zijn ze verloren zielen uit hogere sferen. Voor ons zijn ze geestelijke wezens.

Er zijn ‘mislukten’ – er moeten ‘mislukten’ zijn – zowel in de etherische rassen van de vele klassen van dhyan-chohans of deva’s als onder de mensen. Maar omdat deze mislukten toch te ver zijn gevorderd en vergeestelijkt om uit hun dhyan-chohanschap te worden teruggestoten in de maalstroom van een nieuwe oerevolutie door de lagere rijken heen, gebeurt er het volgende. Als er een nieuw zonnestelsel moet worden ontwikkeld, worden deze dhyan-chohans (denk aan de hindoeallegorie van de gevallen deva’s, door Siva in Andarah geslingerd, aan wie door parabrahman wordt toegestaan te denken dat het een tussentoestand is, waar ze zich door een reeks wedergeboorten in die sfeer op een hogere toestand – een nieuwe regeneratie – kunnen voorbereiden) vóór de elementalen door de stroom meegevoerd, en blijven als een latente of inactieve geestelijke kracht in de aura van de wordende wereld van een nieuw stelsel totdat het stadium van menselijke evolutie is bereikt. Dan heeft karma hen ingehaald en zullen ze de bittere beker van vergelding tot de laatste druppel moeten ledigen. Ze worden dan een actieve kracht en vermengen zich met de elementalen, of verder gevorderde wezens uit het zuivere dierenrijk om langzamerhand het volledige mensentype te ontwikkelen. Bij deze vermenging verliezen ze hun hoge intelligentie en spiritualiteit van het devaschap om deze aan het einde van de zevende ring in de zevende ronde te herwinnen.
    – De Mahatma Brieven, blz. 95

Let erop hoe vol betekenis de uitdrukking is die u mij zo vaak hoort gebruiken, dat de mens een samengestelde entiteit is; dat hij niet, zoals velen dachten dat hij was, een ziel en een lichaam is zoals de christenen leren; maar dat in zijn constitutie, of we deze nu als zevenledig of twaalfledig beschouwen, er een aantal verschillende monaden, ego’s, zielen zijn. Wanneer zo’n ziel of monade of ego het antaskarana verbreekt dat het verbindt met de hogere delen van zijn tegenwoordige constitutie, dan is er niets om het omhoog te houden, en zinkt het weg in de absolute stof en wordt uiteindelijk vernietigd voorzover het deze hiërarchie betreft, voorzover het die constitutie betreft; het verzinkt naar de daaronder liggende hiërarchie. Zo’n wezen is een verloren ziel, een mislukte.

De eerste planeet waar het ego in verzinkt wordt technisch de planeet van de dood genoemd. Deze planeet wordt ook de afgrond genoemd, en met andere namen aangeduid zoals de achtste sfeer – deze sfeer hoort niet bij onze eigen zevenvoudige planeetketen, maar ze is een planeet van een keten lager dan die van ons; en omdat het ego omlaaggaat, noemt men dit het verzinken in de afgrond. Dit zijn alleen manieren om de gedachte te verwoorden; en ik herhaal dat die verloren zielen mislukten zijn bij ons, in onze keten, op onze bol. Zij komen in de lagere – wel, ik geloof dat ik genoeg heb gezegd. Maar heeft u de gedachte begrepen dat deze verloren zielen niet absoluut worden weggevaagd in de letterlijke zin dat er niets van overblijft? Ze worden vernietigd of weggevaagd voorzover het onze keten betreft. Omdat onze bol D de laagste is, heeft dat mislukken voor de keten op deze bol plaats. Die mislukten of verloren zielen zinken weg naar de keten beneden ons.

We raken hier een diepzinnige leer aan, maar ik kan me werkelijk niet voorstellen hoe het onderwerp goed kan worden begrepen zonder deze extra straal licht erop te werpen. We hebben voortdurend te maken met deze moeilijkheid. Onze leringen zijn zo verbazingwekkend dat u om een volkomen begrip van de eenvoudigste van onze leringen te hebben een meester zou moeten zijn. Maar we kunnen allemaal verschillende graden van inzicht hebben in een lering, ieder van ons overeenkomstig zijn begrip en zijn innerlijke ontwikkeling.

Deze laatste gedachte, dit feit in de occulte leer, zou ons moeten leren bescheiden te zijn in wat we zeggen over onze theosofische waarheden. Voorzover we weten, kunnen we een lering in een van onze standaardboeken lezen, en denken dat we die hebben begrepen; en ongetwijfeld hebben we dat tot op zekere hoogte. Maar laat niemand van ons denken dat we er alles van weten. Bijna zeker is er heel wat meer te weten dat niet in het boek staat, maar dat u op een dag kunt weten wanneer u verder komt.

Deze verloren zielen, die we op een andere manier kunnen beschrijven als monaden die te zwaar belast zijn met stof om in onze keten te kunnen blijven, verzinken dus als mislukten in de afgrond, waarin ze aan een nieuwe evolutiecyclus beginnen op de manier van de mislukten over wie de meester spreekt – mislukten uit een hogere keten die naar de onze komen – die deze keten helpen opbouwen en leiding geven aan de evolutie van wezens die lager staan dan wij.

Een werkelijk bijzonder en toch heel betekenisvol feit dat men in gedachten dient te houden is dat we in onze keten datgene ‘kwaad’ noemen wat hier niet in harmonie is. KT zei altijd dat er zelfs in de meest ontaarde mens een vonkje goddelijkheid is, wat slechts een andere formulering is van de verheven waarheid dat de verloren zielen, de mislukten, de gevallen monaden, hier niet in harmonie met ons zijn, en daarom bewerkers van het kwaad zijn. Ze kunnen hier niet leven, de atmosfeer is voor hen te ijl en te etherisch om er te kunnen ademen. Maar door aantrekking vallen ze naar hun eigen woonplaats, lager dan de onze, waar ze in feite bewerkers van het goede kunnen worden. Is dat niet een vreemde paradox? Denk nu niet dat de lagere keten een en al slecht is zoals wij dat op onze keten ervaren. Het kwaad houdt een disharmonie in op de plek waar u bent. Het betekent krom, verdraaid, misvormd zijn – niet in harmonie met waar u zich bevindt maar een dissonant.

Alles in het heelal komt tenslotte voort uit het goddelijke. Hoe staat het dan met het kwaad? Ziet u de toepassing van deze gedachte juist hier? Kwaad is disharmonie. Wanneer twee dingen niet in harmonie zijn, zijn ze voor elkaar het kwaad, en met recht. Als twee dingen zich verenigen in harmonie en onderlinge sympathie – en bedenk wat sympathie betekent, het Latijnse woord is compassie – gericht op één doel, één gedachte, één gevoel, dan heeft u harmonie en schoonheid, sympathie en rechtvaardigheid. Voor deze twee of meer entiteiten zijn de dingen dan niet langer verdraaid of misvormd. Dan zijn de dingen zoals ze moeten zijn. Maar als diezelfde entiteit in een heel andere omgeving wordt geplaatst, ergens in het heelal, zou ze zeer disharmonisch kunnen zijn en daarom op die plaats een bewerker van het kwaad.

U heeft ook gehoord dat de meesters in hetzelfde verband hebben gezegd dat de beschermmuur de mensheid behoedt tegen onheil waarvan ze zich niet bewust is. Wat is dit onheil? Het bestaat eenvoudig uit entiteiten en machten en invloeden en krachten die, als ze onze menselijke sfeer zouden binnendringen, onheil over ons zouden uitstorten, omdat ze niet met ons in harmonie zijn, hoewel ze op zichzelf even goed zijn als wij. In hun eigen sferen, in hun eigen landen, zijn ze evenmin kwaad als wij dat hier zijn. Als een mens bijvoorbeeld naar een andere planeet zou kunnen gaan, zou hij daar een bewerker van het kwaad kunnen zijn, omdat hij de harmonische verhoudingen op die andere planeet zou verstoren. Hij zou als een demon kunnen worden beschouwd, en in zekere zin zou hij daar een demon zijn omdat hij niet in harmonie is met, niet is afgestemd op, de nieuwe omgeving. Dus moet de beschermmuur op zo’n hypothetische planeet haar beschermen tegen de invloed van binnenkomende monaden. Wij zouden daar dan slecht zijn, niet omdat we in essentie slecht zijn, maar omdat we in die nieuwe omgeving disharmonie zouden brengen. We zouden daar uit de toon vallen.

Pas die gedachte toe op deze mislukten: ze konden bij ons niet slagen. Ze vallen hier uit de toon. Dat hebben ze bewezen. Wat voor inspanningen ze zich misschien ook hebben getroost, daaruit blijkt slechts de fundamentele essentie van het goddelijke in hen; maar ze konden hier niet in harmonie zijn, en hun hevige verlangens gingen uit naar andere sferen. Ze werden daarheen aangetrokken en daarheen daalden ze af. Natuurlijk zullen ze zich in latere evolutionaire tijdperken uit deze lagere sferen opwerken en door een verandering van substantie en gevoel en energie zullen ze weer opklimmen naar waar wij nu zijn en dan verder oprukken.

Ik heb me vaak afgevraagd hoe dikwijls u en ik als menselijke monaden in het verleden misschien zulke mislukten zijn geweest, vóór we de ring-verder-niet passeerden, er voorbij gingen en ons thuis en vertrouwd gingen voelen waar we nu zijn, zodat we hier goed kunnen zijn, omdat we hier in harmonie kunnen zijn – banden hebben met wat hier is, er sympathie en mededogen voor voelen. De wereld, het heelal, is vol mysteries van allerlei soort. Zo ziet u nóg een reden voor de leer van de grote wijzen dat we zelfs tegen de slechte mens geen haat moeten koesteren. We zouden een hart vol mededogen moeten hebben, en een begrijpende geest. We zouden medelijden moeten tonen, nooit veroordelen, nooit oordelen. Veroordeel het kwaad, de verstorende invloed, de tweedracht, de verdraaiingen, omdat die verkeerd zijn, omdat ze disharmonie betekenen. Maar veroordeel niet de ongelukkige monade die zich in een verkeerde omgeving bevindt. Ik hoop dat ik dit zeer subtiele en moeilijke punt duidelijk heb gemaakt.

 

27 juni 1937

Verlies van de ziel: een dubbele tragedie

‘Wat is de innerlijke god van dat wat wegzinkt naar de achtste sfeer?’ Het antwoord is eenvoudig, als u zich de lering herinnert dat alles in het heelal, elk wezen als entiteit, zelfs een atoom, in zijn hart het goddelijke heeft. Aham asmi parabrahma: in mijn diepste innerlijk ben ik parabrahman – de innerlijke god van de hoogste god in het heelal, en van elke mislukte die afdaalt naar de achtste sfeer, in de afgrond, die naar de planeet van de dood gaat – noem het zoals u wilt.

De tragedie van dit verlies van de ziel is tweeledig. Het is een tragedie voor de zevenvoudige constitutie van de entiteit, bijvoorbeeld een mens, omdat het een gewelddadig uiteengaan betreft van de bovenste triade en het lagere viertal, van de ziel en haar geest. HPB gebruikt de uitdrukking ‘verloren ziel’ omdat het een verloren menselijke ziel is. Deze is het die naar de hiërarchie of planeetketen onder de onze afdaalt; hier is ze een mislukte, maar daar in feite een geestelijk wezen – een gedachte die u duidelijk zal worden wanneer u beseft dat onze keten zich op hogere kosmische gebieden bevindt dan de keten die direct onder de onze ligt.

Zowel de bovenste triade als het lagere viertal bestaan uit monaden: de goddelijke, de geestelijke, de menselijke of psychische, de dierlijke, de astraal-vitale en de vitaal-fysieke monade. Zelfs het lichaam zou niet als een entiteit kunnen bestaan tenzij het de uitdrukking was van een aanhoudende kracht die een monade is in een van de laagste monadische graden van evolutie.

Wanneer deze scheiding plaatsvindt, ten gevolge van het verlies van de ziel, moet de hogere triade van die constitutie van de mens zoals hij vroeger was, eeuwen tijd verliezen om een nieuw lager viertal te evolueren opdat ze zich weer als een mens kan manifesteren, zoals ze dat vroeger heeft gedaan. Dat is een tragedie door het tijdverlies en het wachten dat de hogere triade moet verduren. Evenzo is het een tragedie voor het lagere viertal dat naar lagere kosmische gebieden wegzinkt, omdat het daarna vanuit zichzelf een nieuwe hogere triade moet evolueren, tot uitdrukking moet laten komen, opdat het opnieuw een samengestelde zevenvoudige entiteit zal kunnen worden, zoals het was vóór het verlies van de ziel op aarde plaatsvond. Met andere woorden, het moet zijn innerlijke god in zijn leven op de lagere kosmische gebieden openbaren, anders gezegd in de planeet van de dood, of in de keten beneden de onze. Dus is het een dubbele tragedie.

De gedachte kan misschien als volgt worden geïllustreerd: Stel u voor dat het bij ons mensen de gewoonte was om leden van onze menselijke familie die zich niet wensen te houden aan de wetten die door de mensen zijn vastgesteld, weg te sturen om als hoofd van primitieve stammen te dienen. Ze hebben het voordeel verloren van samenwerking met hun medemensen met vergelijkbare intellectuele kracht, vergelijkbare geestelijke verlangens, en min of meer vergelijkbare evolutionaire ontwikkeling. Dat is een verschrikkelijk verlies voor een mens van wie het denkvermogen is ontwaakt. Aan de andere kant komen ze als hogere wezens, als leiders, naar de primitieve stammen over wie ze zijn aangesteld. Dat illustreert wat er gebeurt met de wezens die hier mislukten zijn, en die als geestelijke wezens komen op de keten lager dan de onze. Er zijn wezens onder ons die mislukt waren in de keten boven ons. Maar wij beschouwen hen als god-mensen. U ziet dat de natuur overal consequent te werk gaat.

Ik zou de zaak anders kunnen stellen. Een monade ontwikkelt een egoïteit of ego om zichzelf op een gebied tot uitdrukking te brengen en er te leren. Dit ego emaneert op zijn beurt zijn aurische atmosfeer om contact te krijgen met de levensatomen van dat gebied. Deze aurische atmosfeer van het ego is wat wij de ziel noemen. Het is juist deze egoïsche aurische atmosfeer of menselijke ziel, niet het menselijke ego, die wordt vernietigd, vermalen in het laboratorium van de natuur, omdat ze nutteloos is in de keten beneden de onze, waarheen het ego verzinkt wanneer het een verloren ziel wordt. Ze is alleen hier van nut op het eigen gebied van die levensatomen die de menselijke ziel samenstelden.

U ziet nu waarom er is gezegd dat de verloren ziel tot stukjes wordt vermalen, vernietigd, verstrooid in het laboratorium van de natuur. Die ziel was haar schakel met de hogere triade en haar schakel in de andere richting met de lagere delen van het lagere viertal: het astrale lichaam en het fysieke lichaam, de mens op aarde. De leer van de verloren ziel is in feite heel eenvoudig, maar omdat ze grenst aan een hogere lering die noodzakelijkerwijs geheim moeten worden gehouden, zijn alleen wenken gegeven. Maar deze wenken hebben het denken, de verbeelding, zo gestimuleerd dat we instinctief voelen dat er meer achter deze leer van de verloren ziel zit dan is meegedeeld.

 


Dialogen van G. de Purucker, blz. 922-51

© 2005  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag