10

Weefsels van het lot

De esoterische filosofie verwerpt als filosofisch onhoudbaar de in de westerse wereld heersende opvatting dat toeval of een samenloop van omstandigheden de oorzaak is van situaties of het milieu waarin wezens zich bevinden, of van de leidende impulsen die ze hebben en waaraan ze gehoor geven terwijl ze in hun omgeving leven. Een heelal waarin ook maar in enige mate blind toeval is, moet een heelal zijn dat op wetteloosheid is gebaseerd en niet op rede of denkvermogen. Wat men gewoonlijk toeval noemt, betreft alleen maar dat waarvan kennis of onderzoek nog niet voldoende aan het licht heeft gebracht dat het een schakel is in de keten van de universele veroorzaking.
    De natuur, of de universele kosmos, is een organisme, opgebouwd uit ontelbare kleinere wezens en entiteiten en dingen die ieder afzonderlijk eveneens een organisme zijn. De natuur kan dus worden gezien als een onbegrijpelijk groots kosmisch netwerk, waarin alles wat bestaat is verweven, omdat het een bestanddeel vormt van het kosmische geheel. De mens is, als zo’n kleiner individueel organisme, in alle eeuwigheid verweven met de hem omringende kosmische draden van het grote levensweb. Iedere gedachte die hij heeft, elke emotie die hij ervaart en iedere daad volgend op de impulsen die voortkomen uit deze gedachten en emoties vormen aldus een uiterst ingewikkeld weefsel van het lot dat de mens voortdurend om zich heen weeft en dat hij vanuit een bepaald gezichtspunt werkelijk zelf is.
    Maar dit is geen fatalisme, dat zegt dat de mens niet meer is dan een marionet of een willoos slachtoffer van een ondoorgrondelijk lot dat hem naar willekeur heen en weer slingert. Integendeel, de esoterische traditie leert dat de mens in het beginloze en eindeloze verloop van zijn lotsbestemming een wezen met een wil is. Hij maakt voort durend gebruik van wat hij aan vrije wil bezit. Zijn wil is vrij naar gelang van de graad die hij heeft bereikt om zich zelfbewust te herenigen met zijn monade, het zelf van zijn vele menselijke zelven die zich als wederbelichamingen manifesteren in de sferen waar hij doorheen gaat.
    Het spinnen van zulke weefsels van het lot waarin de mens zich voortdurend door uitoefening van zijn vrije wil hult, wordt aangeduid door de Sanskrietterm karma. De algemene strekking van die leer is waarschijnlijk nooit treffender weergegeven dan door H.P. Blavatsky in De Geheime Leer (1:709-10):

Wie in karma gelooft, moet in de lotsbestemming geloven die ieder mens van zijn geboorte tot zijn dood draad voor draad om zich heen weeft, zoals een spin haar web. Deze lotsbestemming wordt geleid, hetzij door de hemelse stem van de onzichtbare oervorm buiten ons, of door de ons meer vertrouwde astrale of innerlijke mens, die maar al te vaak de kwade genius is van het belichaamde wezen dat mens wordt genoemd. Deze beide stimuleren de uiterlijke mens, maar een van hen moet overwinnen; en vanaf het eerste begin van het onzichtbare gevecht treedt de strenge en onverbiddelijke wet van compensatie in werking en neemt haar loop, terwijl zij getrouw de wisselvalligheden van dat gevecht volgt. Wanneer de laatste draad is geweven en de mens als het ware is gewikkeld in het net van zijn eigen maaksel, wordt hij geheel beheerst door zijn zelf gemaakte lot. Het houdt hem dan vast als een onbeweeglijke schelp tegen de onwrikbare rots, of het voert hem weg als een veer in een wervelwind die door zijn eigen daden is ontstaan, en dit is KARMA.
    . . . hoe nauwer de vereniging tussen de sterfelijke weerspiegeling MENSen zijn hemelse OERVORM, des te minder gevaarlijk zijn de uiterlijke omstandigheden en de opeenvolgende reïncarnaties - waaraan Boeddha’s noch Christussen kunnen ontkomen. Dit is geen bijgeloof en het is allerminst fatalisme. Dit laatste betekent een blinde koers van de een of andere nog blindere kracht, en de mens heeft tijdens zijn verblijf op aarde een vrije wil. Hij kan het lot dat hem beheerst niet ontlopen, maar hij heeft de keus tussen twee paden die hem in die richting leiden . . . want er zijn uiter lijke en innerlijke omstandigheden die het bepalen van onze wil met betrekking tot onze daden beïnvloeden, en het ligt in onze macht het ene of het andere pad te volgen.

Het is duidelijk genoeg dat de wil van de mens vrijer is naarmate hij zich meer verenigt met de goddelijke oervorm in hem, die zijn eigen diepste monadische zelf is. Maar omdat ieder mens is gevormd tot één enkel wezen door het in harmonie samengaan van verschillende monadische entiteiten die zo zijn constitutie vormen en hem door hun voortdurende wisselwerking tot een samengesteld wezen maken, zal het duidelijk zijn dat de gewone mens of de fysiek-astrale mens als voertuig vaak het onbewuste of halfbewuste slachtoffer is van karmische oorzaken die in andere levens in gang zijn gezet; de tegenwoordige fysieke mens is zich daarvan totaal niet bewust; hij heeft dat helemaal niet gewild en is daardoor het ‘slachtoffer’.
    Zo komt het dat er in het lot van de mens zogenaamd ‘onverdiend lijden’ bestaat, want de gedachten en daden van anderen zijn onophoudelijk aan het werk om hetzelfde weefsel van het lot te helpen maken waarin iemand zelf is gewikkeld. Voortdurend zijn we bezig aan en van elkaar te geven en te nemen; daardoor zijn onze individuele weefsels van het lot zo nauw met elkaar verstrengeld. Maar, als we de redenen waarom een of andere tegenslag of lijden ons treft, tot de eerste bron van veroorzaking konden nagaan, zouden we helder inzien dat ook al het zogenaamde ‘onverdiende lijden’ in oorsprong een gevolg is van onze eigen gedachten, emoties of daden – reeds lang vergeten en uit ons bewustzijn verdwenen, maar net zo werkelijk actief als wanneer we het ons wel zouden herinneren. H.P. Blavatsky schrijft hierover:

De wegen van karma zouden ook niet ondoorgrondelijk zijn als de mensen gezamenlijk en in harmonie zouden handelen, in plaats van in verdeeldheid en strijd. E‚n deel van de mensheid noemt ze de duistere en ingewikkelde wegen van de voorzienigheid, terwijl een ander deel er de werking van een blind noodlot en een derde er alleen maar toeval in ziet, zonder leiding door goden of duivels. Onze onwetendheid over die wegen van karma zou ongetwijfeld verdwijnen, als wij deze slechts aan de juiste oorzaak zouden toeschrijven. Met de juiste kennis, of in ieder geval met de vaste overtuiging dat onze buren er evenmin naar streven om ons te benadelen, als wij de bedoeling zouden hebben om hen kwaad te doen, zou tweederde van het kwaad in de wereld in het niet verdwijnen. Als niemand zijn broeder kwaad deed, zou karma-Nemesis geen reden hebben tot handelen, en geen wapens om te gebruiken. De voortdurende aanwezigheid in ons midden van elementen van strijd en tegenstelling en de verdeling van rassen, volkeren, stammen, gemeenschappen en individuen in Kaïns en Abels, wolven en lammeren, zijn de voornaamste oorzaken van de ‘wegen van de voorzienigheid’. We vormen deze talrijke kronkelwegen van ons lot dagelijks met eigen handen, terwijl we ons verbeelden dat we een spoor volgen op de koninklijke hoofdweg van fatsoen en plicht, en klagen dan dat die wegen zo ingewikkeld en duister zijn. We zijn verbijsterd over het mysterie dat we zelf hebben gemaakt en over de raadsels van het leven die we maar niet oplossen, en we beschuldigen dan de grote sfinx dat ze ons ver slindt. Maar er is werkelijk geen ongeval in ons leven, geen ongeluksdag en geen tegenspoed, die niet kan worden herleid tot onze eigen daden in dit of in een ander leven . . .
    . . . Karma-Nemesis is niets anders dan het (geestelijke) dynamische gevolg van oorzaken die zijn voortgebracht en krachten die tot activiteit zijn gekomen door onze eigen daden. . .
    Een occultist of een filosoof zal niet spreken over de goedheid of wreedheid van de voorzienigheid, maar hij zal deze vereenzelvigen met karma-Nemesis en verkondigen dat zij niettemin de goeden beschermt en over hen waakt in dit, zowel als in toekomstige levens, en dat zij de boosdoener bestraft – ja, zelfs tot in zijn zevende wedergeboorte. Kortom, zó lang als de gevolgen van de door hem veroorzaakte verstoring van zelfs het kleinste atoom in de oneindige wereld van de harmonie niet volledig zijn vereffend. Want het enige gebod van karma – een eeuwig en onveranderlijk gebod – is volkomen harmonie, zowel in de wereld van de stof als in de wereld van de geest. Het is dus niet karma dat beloont of straft, maar wij belonen of straffen onszelf, al naar gelang wij met de natuur samenwerken en door middel van haar handelen, en ons houden aan de wetten waarop die harmonie berust, of – die wetten overtreden. - De Geheime Leer, 1:713-5

De meest strikte en onpartijdige rechtvaardigheid regeert de werelden, want ze is het resultaat van de Kosmische harmonie die alles doordringt en wordt alleen verbroken door uitoefening van de vrije wil van wezens die in hun onwetendheid vergeefs proberen dit kosmische evenwicht te verstoren. Het diepste hart van de univer sele natuur is mededogen of wat velen oneindige liefde noemen, en dat betekent oneindige harmonie.
    Doordat het grondbeginsel van deze Kosmische harmonie niet werd begrepen, is het filosofische denken over de aard en het wezen van de vrije wil in de mens in twee hoofdstromingen uiteengevallen. De ene school, die van de fatalisten, heeft hem ontkend, of de leden van deze school nu tot de klasse behoren die zich beroept op een almachtige alleenheerser die de mens zijn lot in het leven oplegt waaraan deze niet kan ontkomen, of tot de andere klasse: die van de volstrekte materialisten die in de mens geen vrije wil zien, maar hem slechts als een speelbal of een stuk wrakhout beschouwen, geheel onderworpen aan het starre determinisme van hun school - het resultaat van blind toeval.
    De andere school is die van de autonomisten, die uitgaan van een absoluut vrije wil; zij schijnen te denken dat de mens een volkomen onafhankelijk wezen met een wil is, en wat zijn wil betreft verschilt van het heelal waarin hij leeft, en dat hij dus onbeperkte vrijheid van handelen heeft.
    De esoterische filosofie wijst deze beide opvattingen af omdat ze niet op feiten berusten; ze stelt zich in het midden op: de wil van de mens is gedeeltelijk vrij en gedeeltelijk beperkt door de karmische gevolgen van zijn daden in het verleden; maar hij kan in steeds toenemende mate vrijheid van wil verwerven naarmate hij een steeds grotere hoeveelheid van de goddelijke kracht ontwikkelt die zich in de geestelijke wortel van zijn wezen bevindt en waardoor hij is verbonden met het kosmische bewustzijn, de kosmische wil.
    Als men bedenkt hoe groot de afstand is die de verschillende natuurrijken van elkaar scheiden is dit heel duidelijk. De monadische stralen die in zulke geweldig grote aantallen zijn samengevoegd of gegroepeerd tot de eenvoudige eenheid van gesteenten, en daardoor in denken en handelen gebonden en begrensd zijn, streven niettemin naar iets hogers en proberen uit het delfstoffenrijk op te klimmen tot de grotere mate van intelligentie en wil in het plantenrijk. Daar klimmen ze weer langzaam uit deze begrensde velden van het denken en van de wil naar de nog grotere mate van vrijheid en de ruimere mogelijkheid tot handelen die in het dierenrijk wordt geboden; de leden daarvan die over een eerste begin van denken en van vrije keuze beschikken, streven op hun beurt ernaar hun betrekkelijk beperkte gebied te verlaten en op te klimmen naar het mensenrijk, waar zelfbewust en door vrije wil geleid handelen samengaat met het gebruiken van een betrekkelijk vrije intelligentie.
    Alleen een oppervlakkige studie van karma kan iemand doen geloven dat de leer ervan ooit kan leiden tot een zelfzuchtige of wrede ontkenning van de rechten die onze medemensen eeuwig op ons hebben. Doordat we allemaal samen zijn verweven in ingewikkelde, gecompliceerde weefsels van het lot, mens met mens en deze met al het andere in het heelal, wordt het een vanzelfsprekende filosofische en religieuze grondregel dat wederzijdse hulp, het dragen van elkaars lasten en het zich onthouden van alle manieren van kwaaddoen in welke vorm dan ook, de eerste wet van onze eigen bestemming is. Juist op dit weefsel van met elkaar verstrengelde lotsbestemmingen berust onze opvatting dat ethiek niet zomaar op menselijke regels is gebaseerd, maar zijn grondslag in de oerwetten van het heelal heeft.
    Of we het nu willen of niet, we kunnen niet vermijden anderen ten goede of ten kwade te beïnvloeden. Als we door eigen keuze of door het uitoefenen van onze vrije wil anderen schade of nadeel berokkenen, treedt de majestueuze en nooit falende wet van kosmische rechtvaardigheid en mededogen onmiddellijk in werking, en in dit of een later leven zullen we de onvermijdelijke bestraffende gevolgen ondergaan. Dit is karma.
    In het leven van ieder individu is er daarom ‘geen ongeval, ongeluksdag of tegenspoed’, zoals H.P. Blavatsky in bovenstaande tekst zegt, die ons niet door eigen gedachten, gevoelens en daden in dit of een vroeger leven, overkomt. Er bestaat geen toeval in het heelal. Als ons iets kon overkomen waar we niet zelf op een of andere manier al of niet nauw bij betrokken waren of dat we niet zelf hebben veroorzaakt, dan zou er grove onrechtvaardigheid, willekeurige wreedheid bestaan, en aanleiding tot wanhoop zijn. We maken ons leven groots of armzalig door wat we zelf denken, voelen, willen en daarom doen. Alleen de fysieke mens met zijn menselijke ziel ondergaat vaak ‘onverdiende’ karmische vergelding voor wat het reïncarnerende ego in andere levens heeft gedaan; maar de natuur biedt voor dat ‘onverdiende’ lijden ruimschoots vergoeding in de devachanische intervallen tussen de levens, zoals H.P. Blavatsky terecht in De Sleutel tot de Theosofie zegt (blz. 149).
    Als iemand weigert een helpende hand uit te steken, is hij niets anders dan een halve duivel in menselijke gedaante, en de vergelding van de natuur zal hem door de eeuwen heen weten te vinden en de een of andere dag bereiken. Dan zal hij zeggen: ‘Waarom overkomt mij dit? Dat heb ik niet verdiend. Ik heb niets gedaan om dit lijden te verdienen.’
    In verband met de aard of het karakter van karma schrijft H.P. Blavatsky:

. . . we beschouwen het als de hoogste wet van het heelal, de bron, oorsprong, basis van alle andere wetten die in de hele natuur bestaan. Karma is de nooit falende wet die het gevolg aan de oorzaak aanpast, op de fysieke, mentale en geestelijke gebieden van het zijn. Daar geen enkele oorzaak, van de grootste tot de gering ste, van een kosmische verstoring tot aan een handbeweging, zonder het bijbehorende gevolg blijft, en daar het gelijke het gelijke voortbrengt, is karma die ongeziene en ongekende wet die ieder gevolg wijs, intelligent en rechtvaardig aan zijn oorzaak aanpast en naar de veroorzaker terugvoert. Hoewel zelf onkenbaar, is de werking waarneembaar.
    . . . Want hoewel we niet weten wat karma per se en in wezen is, weten we wel hoe het werkt, en we kunnen zijn werkwijze nauwkeurig bepalen en omschrijven. We kennen alleen niet zijn grond oorzaak, net zoals de moderne filosofie algemeen erkent dat de grondoorzaak van alles ‘onkenbaar’ is.
    – De Sleutel tot de Theosofie, blz. 185-6

Het leven is zelf het grote weefsel, geweven door levende wezens, ‘scheppers’ van die bijzondere draden die ieder in zijn eigen sfeer een bijdrage aan het geheel leveren. Juist die menigten levende wezens van uiteenlopende soorten spelen zo’n grote rol in het weefsel van het lot dat ieder mens rond zichzelf weeft. Die menigten wezens betreffen niet alleen die welke op onze kleine aarde bestaan, maar omvatten ook de vrijwel ontelbare reeksen zichtbare en onzichtbare hië ra rchieën die in het groot het kosmische weefsel weven. Het heelal is inderdaad vol geestelijke wezens of goden, de engelen en aarts engelen van de joden en christenen; de rishi’s en deva’s van de hindoes; de dhyâni-chohans en deva’s van de boeddhisten; of de theoi en dii van respectievelijk de oude Grieken en Romeinen. Het doet er helemaal niet toe welke naam wordt gegeven, zolang daarin het fundamentele denkbeeld ligt besloten dat die oorzakelijke intelligente en halfintelligente krachten de wortels en de hiërarchische structuur vormen van het noumenale en fenomenale heelal, en voor dat heelal alle oorzakelijke krachten en energieën leveren die het vullen, in beweging houden en stimuleren.
    Wij mensen zijn het kroost van deze innerlijke energie schenkende krachten, deze noumenale goden, die in allerlei graden van evolutionaire ontwikkeling bestaan. Daarom zijn ook wij in ons hoogste deel zulke goden – maar ‘gevallen goden’, gevallen in de materiële werelden; en daaruit en daardoorheen banen we ons langzaam een weg terug naar de goddelijke kosmische bron.
    Al deze veelsoortige hiërarchieën doen hun werk eeuwig onder leiding van de mysterieuze gewoonte van de natuur, of kracht, die wij karma noemen. Dit is een Sanskrietterm die ‘handeling’ of ‘werking’ betekent, en belichaamt ‘de leer van de gevolgen’ – of de universele ‘wet van oorzaak en gevolg’.
    Nergens vinden we iets anders dan deze hiërarchieën van wezens, deze bewustzijnen die tijdens het kosmische manvantara actief zijn, waarbij elk individu zijn eigen weefsel van het lot spint, en waarbij zijn energieën uit zijn eigen innerlijke wezen stromen en worden geleid door intelligentie die vanuit zijn eigen geestelijke en mentale brandpunten stroomt. De combinatie en wisselwerking van al deze intelligenties en willen veroorzaken de ongelijkheden die we om ons heen zien. Deze wisselwerking en in minder belangrijke gevallen het daaruit voortvloeiende botsen van willen is de oorsprong van al het kwaad in de wereld – van de supergoden via alle tussenliggende stadia omlaag tot aan de mens; het kwaad of de disharmonie die aan de dag treedt bij de dieren en in mindere mate bij de planten en delfstoffen is aan precies dezelfde oorzaak te wijten. Er zou geen kwaad of disharmonie op aarde zijn, wat de mensen betreft, als er geen conflicten bestonden tussen de willen van de mensen; met andere woorden, het verkeerde gebruik van dat goddelijke vermogen dat in ons werkt – onze relatief vrije wil.
    In antwoord op de vraag hoe het komt dat zielen in hun rondgang hun goddelijke oorsprong zijn vergeten, waardoor er verwarring en slechtheid ontstaat, merkt Plotinus op:

Het kwaad in zielen heeft zijn oorsprong in eigenzinnigheid van de zielen zelf en hun verlangen naar zelf-expressie dat leidt tot belichaming. In die valse vrijheid schiepen ze genoegen wat hen weer deed verlangen naar eigen bewegingen en handelwijzen, zodat zij zo, steeds verder passief afdrijvend, langs de paden van het kwade en verkeerde werden gevoerd en tenslotte zelfs alle herinnering aan hun oorspronkelijk thuis als stralen van het godde lijke verloren. . . . Zo vergeten de ronddwalende zielen zowel het goddelijke als hun eigen wezenlijk geestelijke aard.
    – Enneaden, V, i, 1

Er is wel beweerd dat de oorsprong en het standhouden van het kwaad in de wereld een onoplosbaar mysterie vormen. Wat is het kwaad eigenlijk? Wat is goed? Zijn dat op zichzelf staande dingen, of zijn het alleen maar toestanden waar entiteiten doorheen gaan? Het kwaad is disharmonie, want het is onvolkomenheid; en het goede is harmonie omdat het betrekkelijke volmaaktheid is. Het kwaad is niet een entiteit; het is geen kracht of energie die uit de kern van een of ander wezen te voorschijn komt, tenzij we het beperken tot het slecht doen door mensen. Abstract gesproken is het een toestand van een zich ontwikkelend wezen dat zich nog niet volledig in overeenstemming met de fundamentele wetten van de natuur heeft gebracht, en dus min of meer ingaat tegen de voortgaande evolutiestroom van het leven. Het kwaad kan ook worden genoemd: de handelwijze van iemand die de latente innerlijke godheid nog niet heeft ontwikkeld; de oorsprong ervan is daarom altijd terug te voeren tot een verkeerd gebruik van wil en intellect door een wezen dat zich tijdelijk door eigen onvolkomenheden in een toestand van disharmonie met zijn omgeving bevindt. In zijn De civitate Dei (Over de stad Gods), zegt Augustinus:

De wil wordt niet verdorven door lagere invloeden, maar de wil ontaardt door zijn mateloze begeerte naar lagere dingen.
    - XII, vi

Het goede en het kwade bestaan als toestanden niet los van elkaar. Er zouden in het heelal geen ‘slechte’ dingen kunnen bestaan als er geen ‘goede’ dingen waren die door het contrast tegen de slechte afsteken. Het kwaad wordt niet uit het niets geschapen. Het goede wordt niet uit het niets geschapen. Het eerste is disharmonie en het laatste harmonie. Het zijn daarom twee polen uit dezelfde oorzake lijke bron. Er kan niet zoiets als het kwaad bestaan los van onvolmaakte of disharmonische wezens; er is niet zo’n entiteit als het ‘kwade’ per se die los van entiteiten bestaat die relatief ‘slecht’ zijn.
    Paradoxaal gesproken is het kwade een toestand waar we doorheen gaan terwijl we groeien om ons te verbeteren. Dit betere is echter onvolmaakt en disharmonisch en daarom relatief ‘slecht’ voor iets dat nog grootser is, en zo voort ad infinitum. Het goede is niet geest. Het kwade is niet de tegenpool van geest, wat mensen stof noemen; dit zou namelijk erop neerkomen dat de materie in wezen slecht is, en dat is niet waar. Kwaad is onvolmaaktheid, geestelijk dan wel stoffelijk; het is wat onvolmaakt is en door een fase van groei naar iets beters gaat. Als dat stadium erg laag is, kunnen we met recht spreken van ‘verdorvenheid’. Als dat stadium van onvolmaaktheid slechts weinig lager dan het menselijke stadium is waarin we nu behoren te verkeren, spreken we terecht van gering kwaad.
    Het kwade, hoe afschuwelijk het ook is, is niettemin een gevolg van misbruik van de betrekkelijk vrije wil – een goddelijk vermogen – van de mens. Waarom sommigen er de voorkeur aan geven in een duivel te geloven die steeds op de loer ligt om argeloze mensen in de val te laten lopen, liever dan te geloven dat de mens door naar het goddelijke in hem te streven zelf kan ophouden het slechte te doen, is gewoon een van de vreemde psychologische problemen die zijn terug te voeren op het grillige denken van de lagere mens.
    Bovendien is het niet een lering van de esoterische filosofie dat mensen alleen goed worden door voor hun handelen opzettelijk het slechte te kiezen om daardoor te leren. Dat zou een soort duivelse leer zijn. Zich uit eigen keuze overgeven aan het kwade is een onfeilbare weg naar geestelijke en verstandelijke degeneratie, en wordt ‘het volgen van het pad van de maan’ genoemd, dat leidt tot een ‘verlies van de ziel’.
    Er is in het heelal geen ‘duivel’, die eeuwig actief zou zijn om het kwade in te fluisteren en tot gewetenloos handelen aan te zetten. Zo is er evenmin als tegenpool een god in het heelal die de schepper en ingever zou zijn van het goede en zou aansporen tot goed handelen. Materie is niet slecht per se, zoals sommige scholen in het verleden hebben beweerd; geest is niet goed per se. Geen van beide bezit die staat of toestand in absolute zin, en voor eeuwig. Een geestelijke entiteit ontwikkelt zich evengoed als een stoffelijk wezen. Maar juist omdat geest en de hiërarchieën van geestelijke wezens dichter bij de fun damen tele essentie en wetten van de natuur staan, zijn ze meer volmaakt, en natuurlijk minder ‘slecht’ dan materie en stoffelijke entiteiten die veel verder afstaan van het goddelijke hart van de natuur.
    Het kwaad per se is niet een entiteit die kan groeien of het goede per se kan worden – d.w.z. zich ontwikkelen tot een andere entiteit. Zo is ook lengte niet een entiteit, hoewel er lange dingen zijn; evenmin is er zoiets als diepte per se, hoewel er diepe dingen zijn. Lengte en diepte zijn abstracte toestanden. Hoe kan het kwade goddelijk worden? Hoe kan onvolmaaktheid volmaaktheid zijn? Hoe kan disharmonie harmonie zijn? Hoe kan haat liefde zijn? Het kwaad wordt nooit goddelijk, want het kwaad is niet iets dat groeit. Jeugd is niet een ding. Het is een fase waar een groeiende entiteit doorheen gaat. Domheid is niet een ding en wordt ook nooit intelligentie. Het is een onvolmaakt evolutiestadium. Alleen wezens of entiteiten ‘worden’.
    Deze misvatting dat het kwade na verloop van tijd het goede wordt, komt voort uit het denkbeeld dat de oorsprong van alles goed is, en dat daardoor het kwade weer wordt wat het eens was. Maar is het niet een wat krasse veronderstelling dat de oorsprong van alles goed is? Goed en kwaad zijn geheel en al menselijke termen en hebben daarom een menselijke inhoud. Het is zoals bij ethiek. De ethiek van een bewoner van de Zuidzee-eilanden is niet gelijk aan die van een Europeaan. Maar in elk van die gevallen is het toch een ‘ethiek’ voor de mens die haar volgt. Wat sommige mensen slecht noemen, vinden anderen misschien betrekkelijk goed. Conclusie: als we over het goddelijke spreken, zullen we dan aan dat wat voor ons onbegrijpelijk leven is de eigenschappen goed en kwaad toekennen, zoals wij die opvatten? Wie zou het grenzeloze leven zo durven te beperken? Het enige wat kan worden gezegd is dat uit het onbegrijpelijke hart van het Kosmische ZIJNde zaden vloeien van al wat is, waaronder de talloze menigten monadische individuen die terwijl ze door de Kosmische tijd-ruimte reizen vaak door ‘boze schaduwvormen’ gaan door verkeerde keuzen van hun wil en intelligentie.
    ‘God is liefde’ is gemakkelijk gezegd; maar zien we dan niet onmiddellijk in dat oneindige liefde ook wat slecht heet moet omvatten? Kan oneindige liefde ook maar het meest dwalende wezen dat oorspronkelijk uit haar eigen hart is voortgekomen, uit haar alom vattende oneindigheid uitsluiten? Oneindige liefde is oneindig mede dogen en deze omvat ook allen die dwalen en nooit iets goeds doen. Het heelal is vol met allerlei schepsels, in allerlei stadia van evolutie, maar het hart van het goddelijke omvat ze allemaal, want dit is hun ouder en hun bron; het is het uiteindelijke doel waarheen alles door ontelbare eeuwen evolueert op de pelgrimsreis terug naar Zichzelf.
    Wat is het goddelijke? Is het ‘een grote man daarboven’, zoals ongeletterde primitieve mensen denken? Een grote man daarboven die het goede maakt en het kwade duldt; die goede schepselen en slechte schepselen maakt? Als je zegt dat ‘God’ verantwoordelijk is voor een slecht en dwalend deel van de oneindigheid, hoe klein dat deel ook is; als je zegt dat ‘God’ zo’n entiteit heeft geschapen, dan stel je die denkbeeldige ‘God’ persoonlijk en eeuwig aansprakelijk voor alles wat het ongelukkige onverantwoordelijke schepsel voor altijd in de toekomst doet; want door die veronderstelling heeft de eeuwige en oneindige wijsheid immers de oneindigheid van de toekomst vooraf gezien en het schepsel ‘geschapen’ voor elke weg die het bestemd is te volgen. Is de veronderstelde ‘God’ in dat geval niet zelf de boosdoener?
    Lactantius citeert in ‘Over de toorn Gods’ Epicurus die het probleem van het kwaad op de volgende veelbetekenende manier brengt:

Of God wenst het kwaad uit deze wereld te verwijderen en kan dit niet, òf hij kan het maar wil het niet, òf kan het niet en wil het niet, òf kan het wel en wil het. Als hij het wil en niet kan is het onmacht, wat in tegenspraak is met de aard van God; als hij het kan en niet wil is het slechtheid en dat is niet minder in strijd met zijn aard; als hij het niet wil en niet kan is dit zowel slechtheid als onmacht; als hij het kan en wil (alleen deze voorwaarden passen bij God), waar komt dan het kwaad dat in de wereld bestaat vandaan? – hfst. xiii
    De vrome kerkvader is het daarmee natuurlijk niet eens. Zijn argumentatie tegen Epicurus is niet alleen zwak, maar gaat voorbij aan de hoofdzaak: wat is de oorsprong van het kwaad?
    In een van zijn brieven aan Hiëronymus zegt Augustinus met nadruk dat zelfs pasgeboren kinderen niet aan eeuwige verdoemenis kunnen ontkomen tenzij ze zijn gedoopt. Joodse rabbi’s verklaarden stoutweg dat alleen God de stichter van het kwaad is; ze wezen op bijbelpassages zoals Jesaja 45:7, waar de Hebreeuwse profeet schrijft: ‘Ik formeer het licht en schep de duisternis; ik maak de vrede en schep het kwaad.’
    Daarentegen verklaarde de hele beschaafde wereld, afgezien van joodse en christelijke bronnen, dat het kwaad voortkomt uit de onvolmaakte wezens zelf die weigeren hun wil en handelingen aan te passen aan de goddelijke wetten die in het heelal heersen. Hermes zegt bijvoorbeeld in de verhandeling de Krater: ‘Het kwaad komt niet van God, maar van onszelf die het verkiezen boven het goede.’
    Theosofen verwerpen eveneens de gedachte dat ‘God’ bepaalde menigten mensen voor het kwaad schept; of omgekeerd dat ‘God’ bepaalde andere groepen mensen voor het eeuwig goede schept. Beide denkbeelden zijn godslasterlijk; ze stellen de veronderstelde scheppende ‘god’ volledig en voor altijd verantwoordelijk; zo maken ze hem als ‘schepper’ ook tot de oorspronkelijke dader. Zo’n ‘god’, die oneindig wijs en oneindig machtig is, wist volgens deze theorie immers op het moment van de schepping alles wat zijn schepsel in alle eeuwigheid zou worden en doen, en heeft daarom doelbewust bepaalde mensen tot de eeuwige verdoemenis geschapen.
    Men moet niet denken dat deze woorden onredelijk zijn; daarom citeren we artikel 17 van de 39 artikelen van de anglicaanse Kerk die tijdens de conventie van 1562-3 werden vastgelegd; daarmee willen we niets tekort doen aan diegenen die ze misschien nog aannemen:

Voorbeschikking voor het leven is het eeuwigdurende doel van God waardoor hij (vóór de grondslagen van de wereld werden gelegd) blijvend door zijn voor ons geheime raadsbesluit heeft verordend degenen van vervloeking en verdoemenis te verlossen die hij in Christus van de mensheid heeft uitverkoren en hen door Christus tot eeuwige zaligmaking te brengen, als vaten ter ere gemaakt.

Dit 17de artikel is mild vergeleken met de leer van de verdoemenis in de geloofsbelijdenis van Westminster, die eveneens door een vergadering van Engelse godgeleerden in de periode 1643-49 werd geformuleerd. Verdoemenis is een technische term in de christelijke theologie en betekent de leerstelling dat ‘God sommigen heeft voorbestemd tot eeuwigdurende dood’. De geloofsbelijdenis werd grotendeels opgemaakt door predikanten met een sterk calvinistische inslag. In artikel III, 3, 4 staat het volgende:

Bij decreet van God, voor de openbaring van zijn heerlijkheid, zijn sommige mensen en engelen voorbestemd tot eeuwigdurend leven, en anderen voorbeschikt voor eeuwigdurende dood. Deze engelen en mensen, aldus voorbestemd en voorbeschikt, zijn in het bijzonder en onveranderlijk aangewezen; hun aantal is zo zeker en bepaald dat het niet vermeerderd noch verminderd kan worden.

Dit artikel is logisch genoeg mits men zijn intuïtie zoveel geweld kan aandoen dat men de kennelijke vooronderstellingen waar het op berust aanvaardt: een oneindige en eeuwige schepper van de wereld en van de mens, die zowel oneindige wijsheid als oneindige macht is. Het is duidelijk dat indien zo’n wezen kon bestaan, elk van zijn daden door eeuwige wijsheid en voorkennis zou worden geleid. Ieder geschapen wezen zou daarom zijn geschapen om precies en nauwkeurig te doen wat de eeuwige wijsheid heeft voorzien dat het zou doen en heeft geschapen om te doen. Vrije wil toeschrijven aan een dergelijke geschapen automaat is slechts de moeilijkheid ontwijken, en zou neerkomen op een uiterst onoprechte en verdorven kosmische schijnvertoning door een schepper.
    Genoemd artikel van deze geloofsbelijdenis van Westminster bevestigt uitdrukkelijk dat sommige mensen en engelen ‘voor bestemd zijn tot eeuwig leven’, en anderen ‘voorbeschikt tot eeuwigdurende dood’. Zo’n ‘God’ is eenvoudig een hersenschim in de ontaarde verbeelding van mensen met een verduisterd verstand, hoe oprecht ze het ook hebben gemeend.
    Als men hieraan de vooronderstelling toevoegt dat deze schepper oneindig en eeuwig goed is, houdt de logica op te bestaan – tenzij men verkiest zo’n kosmische ‘god’ als een kosmische ‘demon’ te beschouwen, en waarom zou men hem dan ‘oneindig goed’ noemen? Men kan zich slechts afvragen wanneer de leringen en onsterfelijke voorschriften van Christus, van wie het leven een blijvend voorbeeld van schoonheid, liefde en wijsheid is, zullen worden begrepen en nagevolgd; en wanneer de duistere en vaak afschuwelijke – want zo onmenselijke – hersenschimmen van de verbeelding van de middeleeuwers eens en voor altijd zullen worden verlaten. Dit soort gruwelen werden in de oudheid nooit onderwezen, toen de grote mysteriën de mensen niet alleen leerden hoe te leven, maar ook kennis lieten nemen van de geheimen van de universele natuur en van de inner lijke constitutie van de mens, zijn oorsprong en bestemming. Het was evenmin de leer van de avatâra Jezus.
    Er zijn hiërarchieën van geestelijke, halfgeestelijke en etherische wezens die de stoffelijke hiërarchieën bewonen, en deze zijn even veelsoortig als de andere hiërarchieën aan het geestelijke einde van de schaal. Er zijn inderdaad wezens van ‘geestelijke boosheid’, zoals ook Paulus van de christenen leerde in Efeziërs (6:12). Wat wordt er bedoeld met entiteiten die bestaan in een toestand van geestelijke boosheid? In het algemeen verwijst deze uitdrukking naar entiteiten die door hun onvolmaaktheid, gecombineerd met een beetje vrije wil, hoewel ze tot de geestelijke gebieden behoren, daar een zekere disharmonie teweegbrengen, en daarom zijn ze in die toestand slecht.
    Deze uitdrukking heeft meer in het bijzonder betrekking op wezens met een zekere intellectuele en psychische ontwikkeling, maar die bewust hebben gekozen om het pad van materie te volgen; anderzijds verwijst ze naar de zogeheten mâmo-chohans, zoals men ze in Tibet noemt. Dat zijn die duistere en geheimzinnige wezens die als groep karmische middelaars, regelaars of beschermers van de stoffelijke kant van het heelal zijn. De Heren van de duisternis, de mâmo-chohans, zijn als individuen monaden die reeds enige materiële ontwikkeling hadden vóór de tijd dat ze in dit kosmische manvantara hun pelgrimstocht door de lagere sferen begonnen om – in een ver verwijderde toekomst – mensen en later zelfbewuste goden van licht te worden. Ze werken of doen hun verrichtingen voortdurend overal om ons heen. Zij zijn het die de materiële werelden feitelijk hiërarchisch bijeenhouden. Niettemin werken de Heren van het licht door deze stoffelijke werelden; de Heren van het licht hullen zich in de materiële werelden met en in een lichaam. Het woord materieel, zoals hier gebruikt, wordt niet slechts beperkt tot onze fysieke sferen, maar omvat de voertuiglijke kant van het heelal, de substantiële kant, in tegenstelling tot de energiekant of geestelijke zijde – de uitgestrekte op elkaar inwerkende hiërarchieën van licht.
    Deze verschillende klassen van wezens van ‘geestelijke boosheid’ zijn in geen geval allemaal mâmo-chohans; er zijn ook entiteiten bij die veel verder zijn gevorderd dan zelfs de mensen, hoewel de meesten van hen tot hun tegenwoordige staat zijn opgeklommen vanuit het menselijke geslacht; door de verdorvenheid van hun geestelijke ontwikkeling verbinden ze zich in de meeste, misschien wel in alle gevallen weloverwogen met de mâmo-chohans en worden zo wat de mensen altijd vaag en intuïtief als de krachten van het kwaad hebben gezien. In feite zijn het geestelijke tovenaars die zich op aarde en in andere materiële sferen tot actieve middelaars voor het onontwik kelde materiële deel van het leven maken of deze zijn. Daarom zijn ze wat wij slechte invloeden noemen, afkomstig van de donkere zijde van de natuur. Ieder mens die opzettelijk en uit vrije wil een slechte daad verricht, omdat hij van dat slechte op zich houdt, is eigenlijk een instrument van en voor geestelijke verdorvenheid. Dat komt omdat hij dan geestelijke en intellectuele krachten gebruikt voor onheilige, slechte doeleinden. En dit is weer mogelijk doordat de mens in essentie een god is, en zijn wil in zijn hogere natuur boven alles staat – als hij maar wist hoe hij deze hier in de mensenwereld zou kunnen gebruiken; en zo kan hij met zijn wil geestelijke energieën aanwenden voor slechte doeleinden.
    Elke entiteit volgt overal zijn eigen pad van het lot; hij weeft zijn eigen web, niet alleen rond zichzelf, maar is zelf dat weefsel van het lot, want het is een weefsel van karakter, dus samengesteld uit een mengeling van krachten en substanties die tot zijn zevenvoudige (of tienvoudige) constitutie behoren. Hierin ligt de verklaring van hoe het kwaad of de slechtheid in de wereld ontstaat: door de ingewikkelde en eigenzinnige handelingen van grote aantallen individuen die hun betrekkelijk vrije wil en intelligentie gebruiken; en omdat deze onvolmaakte entiteiten door onwetendheid en hartstocht vaak een verkeerde keuze maken, ten nadele en tot schade van anderen om hen heen, brengt die botsing van willen de gecompliceerde verstrengeling van de draden van de vele weefsels van het lot tot stand.
    Deze uitleg stemt nauwkeurig overeen met de hele natuur; hij beantwoordt volledig aan het intuïtieve gevoel voor rechtvaardigheid dat wat ons leven ook beroert in onszelf ontstaat, en dat we onze eigen ouder en ons eigen kind zijn; want wat we nu zaaien, zullen we oogsten; en we oogsten wat we in dit of een ander leven hebben gezaaid en niets anders. Geen buiten ons staande God brengt ellende en ongeluk en vernietiging over ons; en een buiten ons staande God omringt ons evenmin met onverdiende vreugde en een gelukkige afloop van handelingen die we verrichten; want in beide gevallen zouden we dan niet zelf voor die toestanden verantwoordelijk zijn. We bouwen onszelf op; daarbij werken we samen met andere hiërarchieën om dat deel van het heelal op te bouwen waarin we ons bevinden.
    Elke kracht in het heelal doortrilt ons wezen en iedere substantie in het heelal heeft een evenredig aandeel gehad in het opbouwen van ons en heeft ons daardoor iets van zichzelf gegeven. Zo komt het dat alle oude mystieke scholen over de mens hebben gesproken als de microkosmos of ‘kleine wereld’, die delen in zich heeft van alles wat de universele ouder omvat en is. We zijn hier nu samen, omdat wij allen delen zijn van een alomvattend kosmisch bewustzijn en van het voertuig ervan, het ons omringende heelal. Daarom heeft het verbruik van een bepaalde hoeveelheid van de eigen aangeboren energie door een entiteit ook onmiddellijk invloed op de omringende natuur, die daar op haar beurt automatisch op reageert. Deze reactie kan echter dadelijk komen, of kan zelfs eonenlang op zich laten wachten; maar op een bepaald moment zal de reactie zeker plaatshebben omdat ze onvermijdelijk is bepaald door de factoren die in dit verband een rol spelen.
    De leer dat wij allen deel zijn van een groter wezen moet men niet verkeerd opvatten als fatalisme. Fatalisme is het denkbeeld dat de mens en alle andere entiteiten, waar dan ook, blindelings voort gedreven stofdeeltjes zijn van een zielloos kosmisch mechaniek, bestuurd door een overheersende kracht: ongericht, zonder ziel, die een zinloos ronddwalen met zich meebrengt, die nergens vandaan komt en geen enkel duidelijk doel heeft. Dit is het fatalisme van de oude materialistische school – gelukkig nu een praktisch verlaten geloof. Het andere fatalistische gezichtspunt is dat de mensen, en al het andere in het heelal, marionetten zijn van een ondoorgrondelijke kosmische kracht, die waarschijnlijk intelligentie en wil bezit, en als het ware die eigenschappen gebruikt om de kosmische fantasie van de schepping tot stand te brengen; daarin heeft alleen die kracht zelf echt het vermogen van een eigen keuze. Er is maar weinig verschil tussen die twee scholen, behalve dat in de ene namen worden ge geven die in de andere niet worden gebruikt.
    Een theosoof kan het ‘determinisme’ van het oude materialisme niet aanvaarden, noch het ‘indeterminisme’ van de moderne wetenschappelijke scholen; en evenmin de verschillende soorten fatalisme die onder filosofen en religieuze fanatici in verschillende tijden hebben geheerst. Deze voldoen geen van alle aan de behoeften van het verstandelijke vermogen van de mens, of aan de intuïtieve ingevingen van zijn geest of de aspiraties van zijn ziel; ze beantwoorden ook niet aan zijn aangeboren morele besef. ‘Toeval’ en ‘kismet’ schenken geen voldoening; hoewel men in deze beide gezichtspunten een vage voorstelling van de kosmische werkelijkheid herkent – die nooit falende, onpersoonlijke werking van de natuur – KARMA.
    Iedere handeling die een wezen verricht, en iedere gedachte of emotie die het voelt, waar dan ook, is een gevolg dat is gekoppeld aan een voorafgaande oorzaak – dat in elk van de gevallen ontstaat in de keten van veroorzaking in het wezen van een levende entiteit. Bovendien zijn heelallen, zonnestelsels, nevelvlekken, kometen, planeten, kosmische geesten, mensen, elementalen, levensatomen, materie, niet alleen een voortvloeisel van het voorafgaande en individuele complex van karmische oorzaken van ieder van deze. Elk schept voor zichzelf voortdurend nieuwe karmische oorzaken, uit zichzelf of in samenhang met alle andere wezens.

Wat doet die oorzaken ontstaan die in de weefsels van het lot werkzaam zijn en deze vormen? De veroorzaking had nooit een ‘begin’. Elke oorzaak in de keten van veroorzaking die zich van eeuwigheid tot eeuwigheid uitstrekt, is slechts het gevolg van een voorafgaande oorzaak, die op haar beurt slechts een gevolg is van een daaraan voorafgaande oorzaak, enz., ad infinitum; en evenzo, wanneer we kijken naar wat we de toekomst noemen, brengt elke oorzaak haar gevolg voort dat ogenblikkelijk een ‘nieuwe’ oorzaak wordt, op haar beurt gevolgd door een resultaat, ad infinitum.
    Dit betekent niet dat karma en zijn werking in de tijd puur mechanisch en zielloos is. Alle karma van welke soort, klasse of graad ook, wordt in essentie bestuurd en beheerst en dus geleid door kosmisch bewustzijn; en ten tweede door de menigten met elkaar verbonden hiërarchieën die ieder op eigen niveau en manier bewust zijn en de ruimte vormen. Karma is in wezen niet alleen een ‘functie’ van bewustzijn, maar is bewustzijn zelf in actie. Het menselijk verstand met zijn onvolmaakte ontwikkeling en daardoor onvermijdelijk beperkte gezichtsveld kan de bewegingen van het kosmische bewustzijn niet volgen, want dit beweegt met een enorm grote amplitude; het verstand van de mens kan zich het kosmische bewustzijn dat in de kosmische ruimte bestaat op z’n best voorstellen als een ogenschijnlijk onveranderlijke en onbegrijpelijk rustige oeverloze zee.
    Het is te vergelijken met de bewoner van een uiterst klein deeltje van het menselijk lichaam voor wie het tijdsverloop tussen twee hartslagen van de mens bijna een eeuwigheid lijkt; de zevenmaal tien hartslagen in een minuut zouden voor hem een onvoorstelbaar geringe snelheid hebben en een tijd in beslag nemen die eindeloos zou schijnen.
    De waarheid is echter dat het kosmische bewustzijn tijdens het kosmische manvantara en eigenlijk ook gedurende de kosmische pralaya onophoudelijk in beweging is; maar omdat de kosmische ruimte is opgedeeld in afzonderlijke hiërarchieën die werelden en gebieden vormen – en deze zijn op hun beurt te verdelen in nog kleinere entiteiten – kunnen we inzien dat naarmate die amplituden van beweging of grootheden in de ruimte kleiner worden, tenslotte het stadium wordt bereikt dat de menselijke intelligentie die kosmisch kleinere groepen en hun bewegingen begint te zien. Eerst zijn daar de verschillende melkwegstelsels die families in de ruimte vormen, dan een afzonderlijk melkwegstelsel, dan de sterrengroepen, dan een zonnestelsel, dan een planeet – zo kunnen we in gedachte langs de schaal afdalen en vervolgens inzien hoe het kleine in een telkens groter bereik is opgenomen; en het kleine omvat bereiken met steeds kleinere omvang, tot aan het oneindig kleine.
    Door dit alles heen is karma voortdurend actief; en men moet bedenken dat ieder puntje in de kosmische ruimte of in het kosmische bewustzijn kan worden beschouwd als een monadisch centrum dat zelf deelneemt aan de karmisch kosmische taak. Elke entiteit, groot of klein, werkt op eigen schaal mee in de bereiken van karmische actie en is daardoor een instrument van deze mysterieuze en voor ons ondoorgrondelijke werking van het wezen van de natuur zelf die we de ‘wet’ van karma noemen – in alle eeuwigheid bestuurd door een onuitsprekelijk denkvermogen.
    Laten we ter illustratie weer de mens nemen, een samengesteld wezen. Zijn hoogste delen zijn zuiver goddelijk, zuiver bewustzijn, daarom puur denkvermogen, pure wil en kracht. Omdat hij die eigenschappen tot een eenheid heeft samengebracht en daardoor een individu is, samengesteld uit kracht en substantie, en niet alleen in wisselwerking staat met de buitenwereld, maar naar buiten optreedt en daar gevolgen van ondervindt, is hij een ‘acteur’ – iemand die handelingen verricht, want zijn hart is deze centrale goddelijke denkvermogen-wil-energie, die kosmisch gesproken door de aard ervan eeuwig actief en aan het werk is. Deze goddelijke denkvermogen-wil-kracht is steeds bezig te proberen haar transcendente vermogens naar buiten te brengen door de sluiers van de materie heen die haar in de mens, zoals in alle andere wezens, omhullen.
    Soms wordt gezegd dat dit fundamentele en hoogste kosmische zelf in het hart van de dingen ‘boven karma’ staat, hoewel het toch de bron van al het mogelijke karma is, en dus natuurlijk zijn eigen karma heeft dat we als goddelijk kunnen omschrijven. Daarom wordt het nooit beïnvloed door zulk lager karma omdat dit goddelijke wezen zelf de fundamentele actieve bewustzijn-denkvermogen-substantie van het heelal kan worden genoemd. Het is de oorzakelijke harmonie van dat heelal, en van alle wezens en dingen die daarin zijn besloten, en daarom is het de wortel en bron van alle werkingen van de natuur: de wortel van karma zelf. Het zou buitengewoon moeilijk zijn precies aan te geven wat karma is, want het is en omvat het diepste kosmische mysterie - de aard en de werking van het essentiële wezen van kosmische bewustzijn-denkvermogen-substantie-kracht.
    Omdat het onophoudelijk door alle gemanifesteerde differentiaties heen werkt, sluit het alle onvolmaakte uitingen daarvan in zich. Maar alleen deze differentiaties werken onvolmaakt. Natuurlijk kan alleen wat eerst is geïnvolueerd daarna evolueren - evolutie of ontvouwing volgt op involutie of naar binnen vouwen – en wat door eigen aard de volstrekte volmaaktheid of goddelijke eenheid van het heelal is, is de oorzakelijke wortel van alle zogenaamde werkingen van de natuur – de ‘natuurwetten’. Zo zien we waarom dit goddelijke deel van de samengestelde constitutie van de mens oorzakelijk onaangetast blijft door de lagere werkingen van de natuur die niettemin de eigen uit stromingen ervan zijn, behalve dan dat deze bestemd zijn om in toekomstige eonen daarnaar terug te keren.
    Wanneer dit hoogste bewustzijn van een mens zijn eigen transcendente vermogens op die manier tot uitdrukking kan brengen, dan hebben we vrije wil. Naarmate de mens innerlijke en transcendente vermogens ontwikkelt, bezit hij ook in steeds ruimere mate het vermogen van vrije keuze, vrije handeling, vrije wil. Want vrije wil is één aspect of energie van de altijd onverbroken draad van bewustzijn-denkvermogen-substantie-kracht die ons met de grenzeloze on eindigheid verbindt. Geen mens heeft een van het heelal losstaande vrije wil, want dit zou betekenen dat hij buiten het heelal staat. Afhankelijk van zijn individuele ontwikkeling heeft een mens een zekere mate van vrije wil omdat zijn diepste kern letterlijk de oneindigheid is, of wat de vedische wijzen DATnoemden. Zijn vrije wil is daarom het element of beginsel dat hem met de diepste kern van de kosmos verbindt, want zijn diepste ZELFis identiek met het hart van parabrahman.
    De vrije wil neemt daarom in kracht en vrijheid toe naarmate de mens verder komt op de lichtende boog aan de bewustzijnskant van het heelal; en vrije wil neemt in kracht en vrijheid af naarmate de mens zich terugtrekt uit de bewustzijnszijde door steeds verdere afdaling of ‘val’ in de absolute materie, die tenslotte kan worden omschreven als gekristalliseerde of passieve monaden die als het ware volkomen automatisch meebewegen met de eigen werkingen van de natuur op dat gebied.

Wie de literatuur van de oudheid heeft bestudeerd, vooral die van het oosten en de min of meer moderne commentaren erop, is ongetwijfeld opmerkingen tegengekomen dat als iemand de staat of toestand van meesterschap heeft bereikt, hij dan ‘boven karma’, boven karmische reactie staat en dus buiten bereik daarvan is gekomen. Zulke beweringen moeten met veel reserve worden beschouwd. Het is volkomen waar dat een mens inderdaad een zo hoog peil van geestelijke evolutie kan bereiken, dat hij daardoor, natuurlijk op zijn eigen gebied, een rechtstreekse en zelfbewuste medewerker van die kosmische wetten wordt; en men kan dan van hem zeggen dat hij ‘boven karma’ staat, voor zover de term karma hier betrekking heeft op zijn eigen ontwikkeling, karakter en activiteiten als mens – hoe hoog het stadium ook is dat hij heeft bereikt.
    Maar het is even waar dat het universele karma van het kosmische bestaan de uiteindelijke achtergrond voor de werking van het karma van het individu is, want ieder individu is innig verbonden met het kosmische zijn – met het heelal. De hoogste god in de hoogste hemel is evenzeer onderworpen aan het universele karma als het nietigste miertje dat een hoopje zand opklimt alleen om er weer af te tuimelen.
    Een mens of een ander wezen, welk hoog stadium van evolutionaire ontwikkeling hij ook heeft bereikt, stijgt uit boven de invloed van de karmische werking in de hiërarchie waartoe hij behoort, wanneer hij volledig één is geworden met het hoogste deel van die hië rarchie. Voor het ogenblik is die verheven mens bijna goddelijk geworden, omdat hij zich met de goddelijk-geestelijke delen van zijn eigen hiërarchie heeft verbonden; en omdat alle activiteiten van zijn natuur in volkomen harmonie en overeenstemming zijn met die hië rarchie, staat hij boven het stadium waarin hij onder de invloed of ‘heerschappij’ komt van het algemene karmische werkterrein in die hiërarchie. Daarom heeft dat hiërarchische karma geen macht meer over hem, want in die hiërarchie is hij een meester van het leven daarvan geworden, omdat hij een vertegenwoordiger van de meest innerlijke impulsen en opdrachten ervan is. Zijn denken en bewustzijn zijn in de glinsterende zee opgegaan.
    Omdat er in het grenzeloze Al ontelbaar veel hiërarchieën zijn, is de speciale hiërarchie waarin hij nu een meester van het leven is, toch slechts een van de menigten andere hiërarchieën – sommige veel lager en andere veel hoger. Vergeleken met het grenzeloze Al krimpt zijn eigen hiërarchie, hoe groot die ook is, als het ware ineen tot de afmeting van niet meer dan een mathematisch punt en wordt eenvoudig een samengesteld hiërarchisch atoom in de velden van het univer sele leven. Naarmate de evolutie van zo’n entiteit voortgaat, komt de tijd om zijn eigen hiërarchie te verlaten voor ruimere sferen in het kosmische leven, waarin hij zich dan op de laagste trede bevindt van een nieuwe kosmische grootte op de levensladder, en komt dan onmiddellijk onder het ‘bestuur’ van het meeromvattende karma van die nog verhevener hiërarchische sfeer.
    De wil van de mens is daarom op elk moment gedeeltelijk geketend en ten dele vrij - de ‘vrijheid’ neemt gestaag toe naargelang het evoluerende individu meer één wordt met de godheid in zijn kern, zijn eigen hogere zelf, dat ook de bron van het bewustzijn of denkvermogen is dat zijn wil tot actie brengt.
    De bron van vrije wil zetelt dus in de geest van een wezen, in zijn innerlijke geestelijke zon, en openbaart zich altijd door middel van de etherische sluiers van zijn zevenvoudige constitutie. Hoe verder de entiteit is geëvolueerd, hoe groter de vrijheid van zijn wil, dus van zijn zelf gekozen handelingen. Vrije wil is een van de vermogens van de constitutie van de mens en is daarom aangeboren. Het is een goddelijke kwaliteit, in oorsprong een werkelijk goddelijke eigenschap. Al werken alle krachten van de kosmos van alle kanten voortdurend op hem in, met evenveel kracht tijdens het leven op aarde als in de perioden vóór de geboorte en na de dood, toch bezit hij zijn deel van een door hem ontwikkelde vrije wil, waarmee hij zijn lot kan bepalen zoals hij dat wenst, ten goede of ten kwade voor zichzelf en zijn medemensen.
    Wat is dit een schitterend beeld, als we bedenken dat hoewel wij als individu samenstellende factoren in het machtige geheel zijn, toch geen enkel van die individuen een automaat of willoze marionet van een ondoorgrondelijk noodlot is; maar dat ieder individu door zijn deelname aan het bestaan van de kosmische essentie voor eeuwig zijn eigen stukje van die kosmische essentie heeft; daardoor is het een wezen met vrije wil voor zover het door zelf uitgedachte pogingen die wil heeft vrijgemaakt. Zo weeft het zijn eigen weefsel van het lot om zich heen, dat het in feite zelf is.
    Zo blijkt karma te behoren tot de tijdeloosheid en essentie van het heelal zelf; en elk individu dat door de vele sferen van het heelal rondgaat is niet alleen bezig zijn eigen individuele karma te maken door zijn individuele weefsel van het lot te weven, maar helpt als instrument eveneens bij het weven van het karmische weefsel waarmee het heelal zelf zich bezighoudt.
    Bij het bestuderen van deze zaken zijn we al te geneigd om onder de psychische invloed van de kosmische mahâmâyâ te raken, de wereldillusie die we zelf helpen vormen, en door die psychische neiging komen we gemakkelijk tot een beperkte visie van de dingen in plaats van ons te verheffen tot de vrije ruimten van ons innerlijke geestelijke wezen om daar waarheid uit de eerste hand te leren kennen – kosmische werkelijkheid. Als illustratie hiervan kan men bijvoorbeeld onze volledige ondergeschiktheid aan het begrip tijd nemen, die we verdelen in verleden, heden en toekomst; als we daarentegen de werkelijke feiten in deze zaak konden erkennen, zouden we onmiddellijk inzien dat deze verdeling van de tijd slechts illusoire voorstellingen van de kosmische mahâmâyâ zijn, en dat er geen verleden, heden en toekomst als bestaande werkelijkheden zijn, alleen maar een eeuwig NU.
    Is karma dan zelf een aspect van deze wereldillusie – voor ons zo werkelijk omdat we ons erin bevinden en delen in het karakter ervan, maar toch zo onwerkelijk vanuit het standpunt van de Werkelijkheid? Of moeten we niet meer overeenkomstig de waarheid zeggen dat karma de substantie en essentie van de werkelijkheid zelf heeft en daarom de werkelijke oorzaak is van de kosmische illusie? Het lijkt duidelijk dat als karma de kosmische oorzaak van de wereldillusie is, en dus ook van alle kleinere mâyâ’s die ons als evoluerende individuen omhullen, het zowel voorafgaat aan die wereldillusie of kosmische mahâmâyâ als dat het deze voortbrengt en niettemin erin is verwikkeld.
    Het is een grote vergissing te veronderstellen dat het verleden ooit gescheiden kan zijn van het heden of de toekomst; deze verwarring wordt veroorzaakt door de illusie van tijd die we hebben gecreëerd. Voor ons die in zekere zin schepselen van mâyâ zijn, is tijd erg werkelijk; het is daarom heel juist om kennis te nemen van het verleden en de toekomst in hun relatie tot het heden. Maar het is verkeerd een van de drie te beschouwen als onafhankelijk of losgekoppeld van de andere twee, want de drie zijn in werkelijkheid fundamenteel één.
    Karma is noch noodlot noch toevallige activiteit, maar is geworteld in het ondenkbare, en behoort tot de essentie van het kosmische denkvermogen en is dus zelf een functie van het kosmische denk vermogen. We kunnen het kosmische lotsbestemming noemen; we kunnen het noodzakelijkheid noemen, mits we aan dit woord geen verkeerde eigenschap van blinde onafwendbaarheid toeschrijven. De oude Grieken begrepen deze opvatting van een noodzaak of onwrikbaar lot heel goed – beschouwd onder de naam Adrasteia of Nemesis. De betekenis ervan was in essentie als volgt: Als iemand tarwe of gerst zaait, zal hij zeker niet haver, maïs of een andere graansoort oogsten; hij zal alleen oogsten wat hij heeft gezaaid.
    Hesiodus, de grote Griekse dichter en filosoof, zong dat er drie zogeheten ‘schikgodinnen’ waren: Verleden, Heden en Toekomst; en evenals andere Grieken gaf hij aan die drie aspecten van het karmische lot de volgende namen, voorgesteld als godheden: Lachesis die heerste over het verleden, wat voor ieder mens wilde zeggen alles wat hij had gedacht, gevoeld, was geweest en alles wat hij had gedaan. Het woord Lachesis komt van een Griekse wortel met de betekenis ‘tot stand komen’.
    De tweede godheid stelde het lot of de noodzaak van het heden voor en werd Klotho genoemd, van een Grieks woord dat ‘spinnen’ betekent – het lot dat een mens in het heden bezig is voor zichzelf te spinnen; met andere woorden, hij is nu bezig het web van zijn toekomstig lot te spinnen.
    De derde godheid was Atropos, een samengesteld Grieks woord met de betekenis ‘dat wat niet voorkomen of afgewenteld kan worden’ – het toekomstige lot, gebaseerd op het tegenwoordige weven, een web dat op zijn beurt is geweven overeenkomstig de manier van denken en handelen in het verleden.
    Het verleden heeft de mens gemaakt tot wat hij nu is; en in overeenstemming met dat verleden spint hij nu in het heden het weefsel van zichzelf, en het weefsel dat nu wordt gesponnen zal dat tot gevolg hebben wat in de toekomst niet kan worden afgewend of tegengehouden en daardoor noodzakelijkheid of lot wordt; dat wat de mens zal oogsten als vrucht van zijn eigen gedachten, gevoelens en daden – zijn eigen zielen- en lichaamsoogst van de toekomst. Deze keten van veroorzaking en gevolgen is de weg die we in het verleden zijn gegaan; en de weg die we in de toekomst zullen gaan zal geheel afhangen van wat we nu voor onszelf maken. Wat is de toekomst eigenlijk? Is het iets dat voor ons in het vooruitzicht ligt? Nee; het is wat we het ‘verleden’ noemen; want strikt genomen bestaat er niets dan een eeuwig NU- een andere manier om te zeggen: een functioneren van de essentie van kosmisch bewustzijn.
    We zijn voortdurend bezig het karma van iedereen die we kennen te veranderen; omdat geen enkel mens ooit voor zichzelf alleen kan leven. We zijn verantwoordelijk voor elkaar. Telkens als iemand op straat iemand anders voorbijloopt, beïnvloedt de een het denken van de ander een klein beetje. Ieder heeft misschien de richting waarin de ander eerst wandelde veranderd. Die verandering kan ertoe hebben geleid dat een van hen een auto-ongeluk kreeg. Omgekeerd kan door het elkaar op straat passeren iemand een andere weg kiezen waardoor hem mogelijk een ongeluk bespaard blijft.
    Alles vormt een schakel in een keten van veroorzaking, en ieder individu, hoog of laag, moet bij het maken daarvan zijn eigen rol spelen en heeft daarom op elke andere eenheid of individu een krachtige of zwakke invloed. Sommigen doen dit bijna automatisch en anderen min of meer met zelfbewust geleide wil; maar hoe het ook gebeurt, bewustzijn en wil staan er steeds achter. Deze actie en onderlinge beïnvloeding van individuen brengt gedurende de grote manvantarische cyclus de gecompliceerde situaties en omstandigheden tot stand waarin elk zich ontwikkelend individu zich op ieder moment in tijd en ruimte bevindt.
    Als daden, die gevolgen hebben voor anderen, voortkomen uit of worden ingegeven door onpersoonlijke gedachten en wil ten bate van anderen en voor het algemeen welzijn, veroorzaken die handelingen en de daaruit voortvloeiende gevolgen ‘goed karma’. Voor degene die zulke daden verricht, zijn de consequenties van zulke daden vaak heilzaam; in het ongunstigste geval brengen ze een goedaardig soort wat men kan omschrijven als ‘relatief slecht karma’ voort – het ‘slechte’ of onaangename is een gevolg van het feit dat geen enkel mens alwijs of volkomen goed is, en zijn aan die daden voorafgaande oordeel kan dus gebrekkig zijn want beperkt, en weifelend door zwakte van de wil.
    Toch zou een mens nooit moeten aarzelen om te handelen, en krachtig op te treden ter wille van anderen, waar en wanneer die hulp nodig is, vooral in de gevallen dat er om hulp wordt gevraagd. Het is zijn dure plicht dat naar beste vermogen te doen en volgens zijn beste oordeel en inzicht. Wanneer hulp nodig blijkt, zal alleen een morele en verstandelijke lafaard nalaten hulp te bieden of zich met ijskoude onverschilligheid afwenden. De weigering om hulp te verlenen zal onmiddellijk een keten van karmische gevolgen veroorzaken die hem op een dag zullen achterhalen en hem treffen in directe verhouding tot de oorzakelijke situaties die ze deden ontstaan.
    Op precies dezelfde manier werkt of reageert karma op mensen die zelf ten opzichte van anderen handelen uit persoonlijk gewin, of uit zelfzuchtige motieven proberen hun wil aan anderen op te leggen. Het motief bepaalt in beide gevallen of er ‘goed’ of ‘slecht’ karma wordt gemaakt.
    Evenals het voor een mens een morele en natuurlijke plicht is anderen altijd en onder alle omstandigheden onpersoonlijk en onzelfzuchtig te helpen, zo is het ook zijn plicht zich te onthouden van handelingen die zelfzuchtig en in eigen voordeel zijn. In het eerste geval is er een motief dat in wezen goddelijk is; in het andere geval spelen er motieven die we kunnen bestempelen als in wezen diabolisch. Wanneer we anderen nadelig beïnvloeden, ontstaan die vaak voorkomende gevallen van ‘onverdiend lijden’ – het onverdiende leed van hen die zo de karmische ‘slachtoffers’ zijn van zelfzuchtige daden van anderen. Niettemin is karma en de manier waarop het werkt – zowel in de natuur als in de gecompliceerde betrekkingen waarin individuen zijn verwikkeld - altijd tot een of andere oorzakelijke oorsprong in henzelf terug te voeren. Karma wordt veroorzaakt en ondergaan door de oorspronkelijke dader, en niet anders.
    Iets doen met de opzettelijke bedoeling macht uit te oefenen over de wil van iemand anders is altijd verkeerd. Bewust eropuit zijn zich te bemoeien met het karma van iemand anders zou het beoefenen zijn van wat nu algemeen ‘zwarte magie’ wordt genoemd, en dit is zelfs het geval als het motief oorspronkelijk goed was. Iedereen zou inderdaad alles moeten doen wat in zijn vermogen ligt om te voorkomen dat iemand bewust kwaad doet, en ook moeten proberen hem op het goede pad te brengen: niet door de ander zijn wil op te leggen, maar door lering en voorbeeld. Maar als het denken van de ander niet daarop reageert op grond van zijn eigen innerlijke impulsen en kennis omdat hij de morele waarde ervan inziet; met andere woorden, als de ander niet uit eigen keuze reageert maar doordat iemand anders hem zijn wil oplegt – zoals een hypnotiseur doet – dan is dit inderdaad diabolisch, en we kunnen dit zonder meer als zwarte magie aanmerken.
    Wanneer iemand erg van een ander houdt, kan hij dan zijn vriend niet toekomstig verdriet besparen door het karma van zijn vriend op zich te nemen? Die vraag is zuiver theoretisch, want alles welbeschouwd is het karma van de vriend die vriend zelf; in het algemeen zal het antwoord dus nadrukkelijk ontkennend luiden. Niettemin bestaat er een mogelijkheid, eigenlijk niet om het karma van de vriend op zich te nemen, maar om door middel van een op dit doel gerichte krachtige wil en hoogstaande intelligentie een bepaald deel, groot of klein, van de gevolgen te dragen die bij een normale loop van de natuur zwaar of misschien verpletterend op die vriend zouden neerkomen. In zo’n situatie zit het geheim in het heel nauw verbinden van zijn eigen leven met het leven van degene die men zo hoopt te helpen het zware karma te dragen of uit te putten; maar voor degene die probeert zo’n edele daad te verrichten, vloeit daaruit onontkoombaar ‘nieuw karma’ voort, dat degene die de last op zich neemt zo voor zichzelf schept.
    Op die manier is het mogelijk zich in het karma van iemand anders te verwikkelen, en het is in ieder geval vol leed of gevaar voor degene die het probeert. In feite doen mensen het voortdurend blindelings, vaak uit zelfzuchtige of onedele motieven; maar er zijn gevallen, betrekkelijk talrijk, waarin iemand dit doet met een min of meer open oog voor de gevaarlijke consequenties die eruit kunnen voortvloeien. Als die wijze van handelen alleen gebeurt terwille van degene die men zo wenst te helpen, dan is het motief onpersoonlijk en hoogstaand; de karmische gevolgen die eruit voortvloeien zijn dan in geen geval gekleurd door een ondertoon van zelfzucht in de oorzaak. Waar die edele en altruïstische daden worden verricht ter wille van al wat leeft, zijn ze als van een boeddha of een christus. Het is echter een werkwijze vol gevaar voor iemand die niet de wijsheid en het grote onderscheidingsvermogen van een boeddha of een christus bezit. Maar in al die gevallen is het motief heilig en draagt daarom te zijner tijd altijd bij aan het veredelen, sterker maken en louteren van het karakter en intellect en de morele natuur van hen die zo handelen.
    Een van de edelste leringen van de esoterische filosofie betreft het bestaan en de aard van het werk van boeddha’s van mededogen. Er wordt ons verteld over hun volslagen zelfopoffering ter wille van de wereld; hoe ze weloverwogen misschien wel voor eeuwen hun eigen evolutionaire vooruitgang opgeven om in de wereld van de mensen terug te keren voor meedogende hulp. Niet alleen wijzen ze door hun voorschriften en hun voorbeeld het pad naar de goden, maar ze leven en werken werkelijk onder de mensen. Evenals de dhyâni-chohans van mededogen in hun eigen sfeer, dalen ze uit hun oneindige medelijden naar ons gebied af en brengen misschien wel vele levens door in deze sfeer van relatieve geestelijke duisternis.
    Deze handelwijze van die grote wezens is in alle gevallen vrijwillig en dus zelfgekozen; toch kan hun verzaking van individuele vooruitgang in één opzicht karmisch worden genoemd. Maar dit betekent niet een verlaging van hun hoge geestelijke status, en het leidt evenmin tot het verlies van een karmische compensatie die op zekere tijd in de toekomst onfeilbaar hun deel zal zijn. Terwijl hun handelwijze vrijwillig is, doen ze het ter wille van alles wat leeft; en omdat dit overeenkomt met de aard van het goddelijke, zullen de eruit voortvloeiende gevolgen overeenkomstig zijn. De christelijke kerk heeft haar leer van het plaatsvervangend lijden aan deze bron ontleend, hoewel die volkomen verkeerd werd uitgelegd. Maar in dit christe lijke dogma zit volgens de esoterische filosofie geen wezenlijke waarheid, want zoals het eeuwenlang in die kerk is opgevat, druist het lijnrecht in tegen het grondbeginsel in de wet van karma en doet dit geweld aan – namelijk dat geen mens geheel of gedeeltelijk kan ontsnappen aan de karmische vruchten of consequenties van zijn daden, die op hun beurt uit zijn gedachten en gevoelens zijn voortgekomen.
    Zoals vele en misschien wel alle fundamentele leerstukken van het christendom, is het ontstaan uit een volkomen verkeerd uitgelegde lering van de wijsheidsreligie van de oudheid; zulke verkeerde interpretaties zijn echter, omdat ze misvormd zijn, veel gevaarlijker dan duidelijk onware filosofische of religieuze bespiegelingen.
    Ieder mens kan altijd wegen en middelen vinden om degenen te helpen van wie hij houdt en ook hen die nog niet zijn liefde hebben opgewekt maar evengoed behoefte aan zijn meedogende hulp kunnen hebben. Dit kan hij doen zonder hun vrije wil als individu aan te tasten. We hebben niet het recht om geestelijk, verstandelijk, psychisch of fysiek te proberen de vrije wil of vrijheid van handelen van een ander te beheersen. Stel u eens even voor dat het mogelijk zou zijn de last van iemand over te nemen, misschien door de richting van zijn eigen wil te beïnvloeden - bij een dergelijke poging die eigenlijk onmogelijk kan lukken, bemoeien we ons doelbewust met de eigen keuze of vrije wil van die ander; in plaats van hem een dienst te bewijzen, brengen we hem daardoor in feite nadeel toe. We verzwakken totaal zijn karakter in plaats van onpersoonlijk en indirect te han delen; door dit laatstgenoemde ontvangt hij hulp voor zijn moeilijk heden en ook wordt zijn karakter versterkt; dit bereidt hem beter voor op het dragen van zijn eigen karmische last zoals een mens dat behoort te doen.
    Mededogen is de fundamentele wet van de natuur. Zoals H.P. Blavatsky zegt in De Stem van de Stilte:

Help de natuur en werk met haar mee; en de natuur zal u als een van haar scheppers beschouwen en voor u neerbuigen.
    - blz. 13

Iemand die passief blijft wanneer een ander in moeilijkheden verkeert, koud en onverschillig kreten van ellende of pijn aanhoort zonder een vinger uit te steken om het leed te verzachten, handelt regelrecht tegen de fundamentele wet van de natuur in en laadt zo een zware last van karmische verantwoordelijkheid op zich; en de natuur zal deze bij het herstellen van de harmonie onfeilbaar op hem verhalen tot de laatste cent van zijn schuld.
    Het is een totale verdraaiing van de leer van karma dat omdat een mens onheil treft of zich in een ellendige toestand bevindt, hij daarom zonder hulp en troost moet worden gelaten op grond van het onjuiste en harteloze idee dat hij ‘alleen maar zijn karmisch verdiende loon uitwerkt’. Dit is een onmenselijke gedachte en gaat lijnrecht in tegen alle leringen van de grote zieners en wijzen. In De Stem van de Stilte, een van de mooiste devotionele werken ooit verschenen, vinden we deze betekenisvolle woorden:

Door het niet-verrichten van een barmhartige daad, verricht men een daad die neerkomt op een doodzonde. – blz. 28

Opzettelijk en moedwillig nalaten van handelen, wanneer het verrichten van een daad van barmhartigheid menselijkerwijs wordt verlangd, gaat zo lijnrecht in tegen de structurele en fundamentele processen van de natuur, dat hij zich daardoor tijdelijk tot een centrum van verzet tegen de natuurkrachten maakt; en zo brengt hij voor zichzelf een stroom karmische gevolgen op gang die net zo krachtig en duidelijk op hem zullen reageren als wanneer hij zelf uit eigen wil en weloverwogen een slechte daad zou hebben verricht.
    Boeddha, Christus, en andere grote figuren hebben ons in ondubbelzinnige bewoordingen de leer van onze ethische verantwoor delijkheid voor alle anderen nagelaten. Onbaatzuchtig handelen en dienstbaarheid vol mededogen leert ons hoe we snel de rijkdommen van ons eigen hart en denken kunnen ontdekken; en hoe we de gevoeliger delen van onze geestelijke en intellectuele vermogens het snelst kunnen ontwikkelen. Welwillendheid die uitmondt in weldadig handelen ten dienste van anderen kan terecht worden omschreven als de koninklijke weg van het discipelschap:

Laat uw ziel het oor lenen aan elke kreet van smart, zoals de lotus zijn hart opent om het morgenlicht in te drinken.
    Laat niet de felle zon één traan van smart drogen vóór u die zelf van het gezicht van iemand die lijdt heeft afgewist.
    Maar laat elke brandende menselijke traan uw hart raken en daar blijven bestaan en wis hem nooit af voordat het leed dat hem deed vloeien is weggenomen. – De Stem van de Stilte, blz. 12

Verwikkeld in eigen persoonlijke en puur zelfzuchtige zaken door het leven gaan is niet zo moeilijk, maar de consequenties van zo’n manier van leven vormen een bittere pil om te slikken. Die levenswijze doet het karakter verschrompelen, maakt het slecht, omdat het gebied van handelen hoe langer hoe meer wordt begrensd en tot één plaats beperkt. De mens kan nu eenmaal niet voor zichzelf alleen leven; als hij dit probeert te doen, stuit hij niet alleen op de wetten van de natuur maar ook op door mensen opgestelde wetten. Wakker de verbeeldingskracht van zo iemand aan, en hij zal algauw inzien dat ware geestelijke, verstandelijke en ook maatschappelijke samenwerking voor het algemeen welzijn de werkelijke taak voor de mens is. Iemand is groot voor zover hij erin slaagt deze te volbrengen, en zwak en onwaardig naargelang hij probeert zich van zijn medemensen af te zonderen. Door gebrek aan geestelijke verbeeldingskracht worden mensen zelfzuchtig, waardoor ze in hun verblinding en onwetendheid het linkerpad gaan volgen, de weg van het eigenbelang; vrijwel altijd ten koste van het welzijn van anderen.
    Grote figuren beginnen aan grote ondernemingen omdat hun visie groot is; kleine mensen proberen als gevolg van onwetendheid en beperkte visie zich in een eigen hoekje af te zonderen om daar in onwaardig isolement voor zichzelf te leven. De natuur zal dit niet lang toelaten. Kijk naar het heelal om ons heen. Is er één zon, of is er ook maar een enkel atoom dat voor zichzelf alleen kan leven? Wanneer een afzonderlijk element probeert zijn eigen zelfzuchtig pad te volgen, komen alle andere elementen in het heelal daartegen in het geweer; door de geweldige kosmische druk wordt het geleidelijk aan gedwongen in de orde en harmonie van het heelal terug te keren. Iemand die met de natuur meewerkt, die voor harmonie, mededogen en broederschap werkt, heeft de hele evolutiestroom van de natuur mee; de mens die voor haat of persoonlijk gewin werkt, die zijn zwakke wil tegen de zich ontwikkelende rivier van levens inzet, krijgt de druk van het onmetelijke gewicht van de hele natuur tegen zich.
    Er is niets dat het verstand zo verlamt en de geest zo verblindt als te blijven stilstaan bij zijn eigen beperkte persoonlijke vermogens. Daarin ligt geen geluk of vrede of wijsheid. Wanneer mensen dit pad volgen, komen er conflicten, pijn en leed uit voort. Toch is het vooral door pijn, leed en vervelende conflicten en strijd dat de mensen op zoek gaan naar de door de zon beschenen wegen van wijsheid en vrede. Pijn en lijden zijn dus vermomde engelen – de groeipijnen van toekomstig succes. Ze prikkelen ons verstand, wekken ons slapend en vaak kille hart, en leren ons zo om mededogen met anderen te hebben.

Voor alles wat een mens doet is hij zelf verantwoordelijk, maar hij beïnvloedt ook andere individuen sterk daardoor; vaak op zo’n ondoorgrondelijke en mysterieuze manier dat de oorspronkelijke karmische oorzaak waardoor zulke beïnvloede individuen met de oorspronkelijke handelende persoon in contact kwam, heel moeilijk is te achterhalen. De oorspronkelijke oorzaken van het kruisen van de draden van de verschillende weefsels van twee individuen liggen vaak in het verre karmische verleden van beiden, in het vorige leven of, wat waarschijnlijker is, in een ander voorafgaand leven. Door onze gedachten en gevoelens en de als daden daaruit voortvloeiende gevolgen brengen we anderen dus vreugde. Op precies dezelfde manier brengen we hen pijn en verdriet waarvoor ze slechts indirect en passief verantwoordelijk zijn; zo brengen we hen ‘onverdiend lijden’ – en daarvoor zal de karmische wet ons strikt verantwoordelijk houden, maar wel in verhouding tot de omvang van onze fouten of het kwaad dat we doen.
    Er bestaat inderdaad zoiets als ‘onverdiend lijden’, maar die uitdrukking moet in geen geval worden opgevat als ‘onrechtvaardig lij den’, en evenmin moet men denken dat zulk ‘onverdiend lijden’ geen karmische oorzaak in de handelende persoon en zijn slachtoffer heeft.
    Wat wij met ons onvolmaakt ontwikkelde verstand en gebrek aan inzicht ‘onverdiend lijden’ noemen, is slechts een ondergeschikt aspect van de meer fundamentele wet van karma: onwrikbare kosmische rechtvaardigheid geleid door kosmische wijsheid, en gedurende de hele eeuwigheid actief. Het zou verkeerd zijn te veronderstellen dat het ‘tegenwoordige’ karma van een mens onafhankelijk kan zijn van zijn verleden - wat hetzelfde is als te zeggen: van zijn vroegere karma; zeer nauw hiermee verbonden is het andere idee dat de toekomst – hoewel die voor ons mensen kennelijk op het verleden en het heden is gebaseerd – vanuit het Kosmische gezichtspunt identiek is met het eeuwige NU.
    H.P. Blavatsky schreef over het onderwerp ‘onverdiend lijden’ in De Sleutel tot de Theosofie:

Onze filosofie leert dat karmische straffen het ego pas in zijn volgende incarnatie bereiken. Na de dood ontvangt hij alleen de beloning voor het in zijn laatste incarnatie doorstane onverdiende lijden. . . . Sommige theosofen hebben bezwaar gemaakt tegen deze zin, maar de woorden zijn die van de meester, en de betekenis die aan het woord ‘onverdiend’ wordt gehecht, is als hier boven vermeld. . . . de essentiële gedachte was dat mensen vaak lijden door de gevolgen van daden die anderen verrichten, welke gevolgen dus strikt genomen niet tot hun eigen karma behoren – en voor dat lijden verdienen zij natuurlijk compensatie. . . . De hele straf na de dood bestaat daarom, zelfs voor de materialist, uit het ontbreken van enige beloning en het zich absoluut niet bewust zijn van geluk en rust. Karma is het kroost van het aardse ego, de gevolgen van de daden, de vruchten van de boom die de voor iedereen zichtbare objectieve persoonlijkheid is, en ook de vruchten van alle gedachten en zelfs motieven van het geestelijke ‘ik’; maar karma is ook de tedere moeder die de wonden heelt die ze in het afgelopen leven heeft toegebracht, vóór ze dit ego weer doet lijden door hem nieuwe toe te brengen. Men kan wel zeggen dat er geen mentaal of fysiek lijden in het leven van een sterveling bestaat dat niet de rechtstreekse vrucht en het gevolg is van een fout in een vorig bestaan; daar hij er anderzijds in zijn tegenwoordige leven niet de minste herinnering aan bewaart en vindt dat hij zo’n straf niet verdient, en dus meent dat hij niet door eigen schuld lijdt, is dat alleen al voldoende de menselijke ziel recht te geven op de meest volledige troost, rust en geluk in zijn post mortale bestaan.
    . . . Op het plechtige ogenblik van de dood ziet ieder mens, zelfs als de dood plotseling intreedt, zijn hele afgelopen leven tot in de kleinste bijzonderheden aan zich voorbijgaan. . . . Maar dat ogenblik is voldoende on hem de hele keten van oorzaken te laten zien die tijdens zijn leven hebben gewerkt. Hij ziet en begrijpt zichzelf nu zoals hij is, niet geflatteerd, en vrij van eigenwaan. Hij leest zijn leven en blijft als toeschouwer omlaag zien in de arena die hij verlaat; hij voelt en weet de rechtvaardigheid van al het lijden dat hij heeft doorgemaakt. – blz. 149-50
    . . . Door te reïncarneren zal hij al die andere ego’s om zich heen verzamelen die direct of indirect of zelfs onbewust door toedoen van de vorige persoonlijkheid hebben geleden. Nemesis plaatst ze op het pad van de nieuwe mens, die de oude . . . verbergt.
    – blz. 130-1

Vraag: Maar al dat kwaad dat min of meer zonder onderscheid op de grote massa van de mensen schijnt neer te komen, is toch niet werkelijk verdiend en INDIVIDUEELkarma?
    Theos.: Nee, het kan niet zo precies in zijn gevolgen worden afgebakend, dat de omgeving en de bepaalde levensomstandig heden waarin een mens zich bevindt, uitsluitend het vergeldende karma zijn dat hij in een vorig leven heeft veroorzaakt. Wij moeten niet uit het oog verliezen dat elk atoom is onderworpen aan de algemene wet die het hele lichaam beheerst waartoe het behoort; en hier komen we op het bredere vlak van de karmische wet. Ziet u niet in dat het totaal van ieder individueel karma, het karma wordt van het volk waar die individuen toe behoren, en dat het totaal van elk nationaal karma dat van de wereld wordt? . . . het is op deze brede basis van onderlinge menselijke afhankelijkheid dat de wet van karma rechtvaardig en onverstoord werkt.
    – blz. 186-7

Als we nu De Mahatma Brieven aan A.P. Sinnett opslaan, vinden we de volgende korte verwijzing naar hetzelfde onderwerp:

. . . ‘de adept wordt, hij wordt niet gemaakt’, is letterlijk waar. Daar ieder van ons de schepper en voortbrenger van de oorzaken is die tot deze of gene resultaten leiden, hebben we slechts te oogsten wat we hebben gezaaid. Onze chela’s worden alleen geholpen als ze geen schuld hebben aan de oorzaken die hen in moeilijkheden brengen; wanneer zulke oorzaken worden verwekt door vreemde invloeden van buitenaf. Het leven en de strijd om het adeptschap zouden te gemakkelijk zijn, als er achter ons allen opruimers kwamen om de gevolgen te verwijderen die we door onze eigen onbezonnenheid en aanmatiging in het leven hebben geroepen. - blz. 343

De leraar wijst erop dat zelfs de chela’s, die chela’s zijn als gevolg van voorgaande karmische oorzaken, worden geholpen wanneer ze ‘onschuldig’ zijn aan de oorzaken die tot moeilijkheden aanleiding geven. Dat komt omdat chela’s als het ware een nieuwe wereld binnengaan, in een nieuwe sfeer van krachten komen, allemaal gevaarlijk en sommige verschrikkelijk, waarbij deze chela’s in zekere zin als kleine kinderen zijn die ‘vreemde invloeden van buitenaf’ die hen belagen niet met succes kunnen weerstaan en afweren. Het is net als met een klein kind. Vrijwel hulpeloos wordt het in een nieuwe wereld geboren; het heeft leiding en steun nodig van zijn ouders; maar als het kind een vinger in het vuur steekt, komen er brandwonden op die vinger en de onschuld van het kind biedt daarvoor geen bescherming. Om zulke ongelukken te voorkomen waken de ouders over hem.
    Voor chela’s gaat de vergelijking volledig op. Ze worden geboren in een nieuwe wereld waarin de krachten en invloeden ‘vreemd’ zijn en ‘van buitenaf’ komen, en zijn vrijwel hulpeloos en niet in staat zich voldoende te beschermen; daarom worden ze zorgvuldig bewaakt en geleid tot ze aan de nieuwe wereld gewend raken. Als de chela echter de waarschuwingen van de meester in de wind slaat en opzettelijk vinger in het vuur steekt’, of moedwillig met de angstwekkende krachten en bewoners van de nieuwe wereld experimenteert, dan moet hij de consequenties daarvan aanvaarden.
    Er bestaat wel ‘onverdiend lijden’ in de betekenis van het lijden van de onvolmaakte persoonlijke mens in de reeks omstandigheden in één leven waarvan die ‘persoon’, de ‘nieuwe mens’ in dit leven, niet zelfbewust weet dat hij die heeft veroorzaakt, en dus hevig lijdt door de ogenschijnlijk niet veroorzaakte maar niettemin karmische gebeurtenissen die hem overkomen.
    Het bovenstaande zegt voldoende over de werking of het ‘verloop’ van de karmische wet in het klein. Als we ons nu bezighouden met de algemene uiteenzetting van de wet, die alles omvat en dus ook het kleinere verloop dat ‘onverdiend lijden’ wordt genoemd, kan deze niet beter worden geformuleerd dan met de eigen woorden van H.P. Blavatsky in De Geheime Leer (2:343-4):

. . . Karma-Nemesis, of de wet van de vergelding. . . . Deze wet, of die nu bewust of onbewust werkt, beschikt niets en niemand iets vóór. Zij bestaat werkelijk van en in eeuwigheid, want zij is de EEUWIGHEIDzelf; en omdat geen handeling kan samenvallen met de eeuwigheid, kan men niet zeggen dat zij handelt, want zij is de HANDELINGzelf. Iemand verdrinkt niet door de golf, maar door de persoonlijke daad van deze ongelukkige, die weloverwogen handelt en zich blootstelt aan de onpersoonlijke werking van de wetten die de bewegingen van de oceaan beheersen. Karma schept niets en beraamt niet. De mens maakt plannen en schept oorzaken en de karmische wet past de gevolgen erbij aan. Deze aanpassing is geen handeling, maar universele harmonie, die er steeds toe neigt om naar de oorspronkelijke toestand terug te keren, zoals een tak die te sterk wordt neergebogen, met overeenkomstige kracht terugspringt. Als de arm, die probeerde deze uit de natuurlijke stand te buigen, wordt ontwricht, moeten we dan zeggen dat de tak onze arm brak, of dat onze eigen dwaasheid ons dit ongeluk heeft bezorgd? . . . KARMAis een absolute en eeuwige wet in de gemanifesteerde wereld; . . . want karma is één met het Onkenbare, waarvan het met zijn gevolgen in de wereld van de verschijnselen een aspect is.

De moeilijkheid zit in het onbewuste idee dat de meesters en H.P. Blavatsky zich, al dan niet bewust, schuldig maakten aan ‘tegenstrijdigheden’. Dit is niet het geval; er zijn geen tegenstrijdigheden, maar we hebben hier echte paradoxen. Alles wat een individu overkomt is karmisch; maar omdat dit individu voortdurend evolueert en daardoor zijn karakter verandert, en dus ook zijn lot, treffen de geringe of ernstige gevolgen de ‘latere’ of ‘nieuwe’ mens wanneer de karmische vergelding niet onmiddellijk komt – wat zelden gebeurt; als ruimere incarnatie of belichaming van de zielenkrachten van de hogere natuur kan van deze mens dus terecht en naar waarheid worden gezegd dat hij ‘onverdiend lijden’ ondergaat; maar het is niettemin karmische vergelding.
    Karma wordt vaak door zijn mysterieuze en ondoorgrondelijke werkingen uitgeput door via het reïncarnerende ego een zuivering van laatstgenoemde tot stand te brengen; de ongelukkige ‘nieuwe mens’ – een kind-straal van het reïncarnerende ego – moet die echter als ‘onverdiend’ lijden ondergaan. Zijn compensatie is het lange, hoewel illusoire, geluk in devachan.
    Niets kan ons treffen als we niet zelf op een of andere manier, op een of andere tijd of plaats, zo hebben gehandeld dat we de slapende of actieve krachten van de natuur hebben opgewekt; die reageren daarna vroeg of laat op ons, precies in verhouding tot de oorzaak die in onszelf is ontstaan. Tot de oorsprong teruggevoerd is karma daarom het gevolg van de actie van onze eigen vrije wil. Het wezen met vrije wil denkt, voelt of handelt, en zet zo een onafwendbare reeks gevolgen in gang die, omdat we essentieel één zijn met het heelal, op een of andere dag als karmische gevolgen naar ons terugvloeien. Indien we als entiteiten met een vrije wil die natuurkrachten niet in werking hadden gezet, zouden ze ons nooit hebben kunnen treffen. Ik drink bijvoorbeeld opzettelijk vergif en sterf. Ik gebruikte mijn betrekkelijk vrije wil om die misdaad tegenover mijzelf te begaan; een deel van de gevolgen – de fysieke dood – komt snel erna. Maar hieraan zijn andere consequenties verbonden; want door te besluiten om zelfmoord te plegen, bega ik een misdaad die in strijd is met de bedoeling van de natuur. Daarom zijn er zowel morele beginselen bij betrokken als fysieke, geestelijke en verstandelijke oorzaken die door mijn daad in beweging zijn gezet. Ik heb mijn karakter verzwakt door bang te zijn om het leven en de omstandigheden die ikzelf heb veroorzaakt onder ogen te zien. Daar ik één ben met het heelal, zullen de trillingen die eruit ontstaan mij vroeg of laat weten te vinden; dan zal ik als consequentie de resultaten van mijn daad, die niet onmiddellijk werden uitgewerkt toen die daad werd begaan, als deel van mijn toekomstige karma ondergaan.
    Door toe te geven aan de slechte impuls om zelfmoord te plegen, verzwak ik mijn wil – dit is een van de ethische en psychische resultaten. In plaats van de moeilijkheden onder ogen te zien, draai ik ze de rug toe. Ik ben een lafaard en dood mijzelf. Mijn denkvermogen zou sterker zijn geworden en mijn innerlijke kracht zou zijn toege nomen als ik was blijven leven en de moeilijkheden moedig onder ogen had gezien.

Karma is niet iets buiten ons, in de zin van losstaand van onze innerlijke essentie. Voor zover het een individu betreft is de kosmische karmische wet altijd latent zolang ze niet tot actie wordt gebracht door gedachten, gevoelens en daaruit voortvloeiende daden van het indi vidu zelf. Door de eindeloze tijd heen weeft ieder mens de structuur van zijn eigen wezen. Daarom is hij zelf zijn eigen weefsel van het lot.
    We hebben ontelbare levens gehad vóór dit leven; en niemand heeft ooit in een vroeger leven alle oorzaken die toen in beweging zijn gezet kunnen uitwerken, of alle karmische zaden die toen werden gezaaid tot rijpheid kunnen brengen; juist door die vergaarde schat aan karma moeten we steeds weer het ene na het andere leven leiden om die oorzaken uit te werken. In het algemeen kan karma in twee hoofdklassen worden verdeeld: karma ontstaan in het verleden dat zich nu begint uit te werken, en karma dat wordt verzameld of pas in de toekomst zal worden uitgewerkt. De klasse van het karma dat nu begint uit te werken kunnen we ‘rijp’ noemen; de technische term daarvoor in het Sanskriet is p/arb.D (prârabdha), dat wat begint; de klasse van karma dat wordt gemaakt en in de toekomst zal worden uitgewerkt kunnen we ‘onrijp’ noemen en in het Sanskriet is de technische term daarvoor siêt (sañchita).
    Het reïncarnerende ego heeft zijn inherente vermogen van relatief vrije wil of het vermogen om te kiezen; alvorens zich opnieuw te belichamen heeft het dus de mogelijkheid, geleid door de goddelijk-geestelijke monade in zich, om die samenkomende karmische oorzaken uit te kiezen die hij in het leven dat dan begint het beste als karmische gevolgen kan uitwerken. Dit vermogen om te kiezen bij het begin van een nieuwe geboorte op aarde is hetzelfde als ieder normaal mens tijdens zijn hele incarnatie gebruikt wanneer hij van dag tot dag, van jaar tot jaar, de handelwijze kiest die volgens hem de voorkeur verdient; misschien zijn er duizend miljoen verschillende mogelijkheden die hij elk moment had kunnen kiezen. We hebben een oneindig aantal karmische ervaringen achter ons; wanneer een leven begint, als we op het toneel verschijnen om onze nieuwe rol te spelen, doen we dat stipt volgens het karmische deel dat we uit het boek van ons dan wakker geworden inzicht en herinnering hebben gekozen. Niet gekozen karmische oorzaken zullen we bij een volgende gelegenheid moeten kiezen of belichamen als we in een toekomstig leven een nieuwe loopbaan op aarde beginnen. Steevast zijn er in elk leven op aarde bepaalde omstandigheden die tot een bepaalde selectie en een daaruit voortvloeiend pad van actie leiden dat voor ons ligt. Dit voert ons naar bepaalde beschavingen en bepaalde families en het wakende en wachtende hogere zelf overziet het gehele terrein van onze keus. Het enige verschil tussen een mens die een keuze maakt en het hogere zelf is dat het hogere zelf een vooruitziende en achteruitziende blik heeft, die vergeleken met het onderscheidingsvermogen van de geïncarneerde mens onvergelijkelijk veel krachtiger en betrouwbaarder is.
    Karma heeft echter geen invloed op de krankzinnigen, de geestelijk gehandicapten of de zwakzinnigen, behalve een zuiver fysiek karma; als bijvoorbeeld een zwakzinnige een vinger in het vuur steekt, moet hij wel een brandwond oplopen. Maar alle andere soorten karma hebben geen greep op individuen die in zulke gevallen niet beschikken over het gewone geestelijke en mentale vermogen om te kiezen en te handelen. Als de individuele wil niet-werkzaam is en niet het vermogen heeft om verstandelijk onderscheid te maken en te kiezen, is er in die gevallen geen echt toekomstig karmisch resultaat. Niettemin heeft vroeger niet-uitgewerkt karma natuurlijk de zwak zinnigen en anderen in een fysiek bestaan gebracht; een bepaalde hoeveelheid daaruit resulterend fysiek karma moet in zulke incarnaties wel worden afgewerkt. Het is allemaal het gevolg van fouten en verkeerde handelingen in een vorig leven of in vroegere levens.
    Wanneer bijvoorbeeld een incarnatie als zwakzinnige is afgelopen, zal de wachtende monade – want tijdens zo’n incarnatie kan de monade met recht als wachtend worden beschouwd – dit bijzondere aspect of deel van de verzamelde karmische oogst, hebben uitgewerkt; de volgende incarnatie van de monade zal vermoedelijk min of meer normaal zijn, hoewel waarschijnlijk op een lage trap van de menselijke schaal. De toestand van een zwakzinnige lijkt op die van een dier. Een dier maakt geen noemenswaardig geestelijk, verstandelijk, moreel of psychisch karma, want het gebruikt geen speciaal, of menselijk, sterk vermogen van wil, oordeel, onderscheid of keuze; daarom is een dier relatief ontoerekenbaar. Een zwakzinnige is eveneens relatief, zoal niet helemaal, ontoerekenbaar. Maar evenals karma de geboorte van een dier veroorzaakt, zo brengt karma ook de geboorte van een zwakzinnige, geestelijk gehandicapte of krankzinnige teweeg. Wil karma uitwerking hebben op het lot van een mens, dan moet deze de vermogens van vrije wil en keuze gebruiken, en daarmee voortdurend positief en doelgericht handelen.
    Alles draagt vrucht wanneer de gelegenheid voor manifestatie zich voordoet, in dit of een volgend leven: de gedachten die we denken, de emoties waardoor we ons laten beheersen, en onze daden die daar een gevolg van zijn; dan komen ze te voorschijn, een kolkende stroom van energieën – latente krachten die we in ons hebben ontwikkeld en die we tezamen ons karakter noemen. Wanneer de omgeving gereed is, manifesteert ons karakter zich dienovereenkomstig, ten goede of ten kwade. Zo boeten we tenslotte voor onze wandaden tegenover anderen en feitelijk ook tegen onszelf; in de loop van de tijd en van het lot voltrekt zich door dit alles een versterking en ontwikkeling van het wezen van ons karakter, naar een grootsere en steeds ruimere bestemming.
    In De Geheime Leer (1:714) zegt H.P. Blavatsky:

Maar er is werkelijk geen ongeval in ons leven, geen ongeluksdag en geen tegenspoed, die niet kan worden herleid tot onze eigen daden in dit of in een ander leven. Als men de wetten van harmonie overtreedt of, zoals een theosofische schrijver het uitdrukt, ‘de wetten van het leven’, moet men erop zijn voorbereid tot de chaos te vervallen die men zelf heeft voortgebracht.

Omdat de aard van de weefsels van het lot waarin we allen zijn verwikkeld zo buitengewoon gecompliceerd is, beïnvloeden we elkaar en reageren we op elkaar; we lijden echter vaak stilzwijgend en om zo te zeggen onterecht, want we hebben geen bewuste herinnering van de oorzaken die aan ons leed ten grondslag liggen. Maar omdat er nieuwe stromen van geestelijke energie in ons zijn gekomen, hoe zwak die misschien ook zijn, heeft ons karakter een verbetering ondergaan, en daardoor hebben we sterk het gevoel dat het leed en de pijn die we ondergaan ‘onverdiend’ zijn – en dat zijn ze inderdaad voor de ‘nieuwe mens’ die we in de latere incarnatie zijn geworden. Niet deze ‘nieuwe mens’ heeft de slechte daden verricht, heeft het zelfzuchtige, misschien onwaardige leven van de ‘oude mens’ geleefd; het lijden dat over de ‘nieuwe mens’ van dit leven komt, die een veranderd karakter en edeler geestelijke impulsen met een ruimer verstandelijk inzicht heeft, is dus strikt genomen voor die ‘nieuwe mens’ niet zijn karma. Het is evenwel strikte karmische gerechtigheid volgend op de oorzakelijke daden van de ‘oude mens’ van vroeger die er nu niet meer is omdat hij de ‘nieuwe mens’ is geworden.
    Een voorbeeld kan dit verduidelijken: Een jongeman begaat een misdaad als hij twintig jaar is. Hij slaagt erin die verborgen te houden. Naarmate hij ouder wordt, verandert zijn leven aanmerkelijk ten goede doordat zijn reïncarnerende ego een voortdurend groeiende stroom van de eigen monadische wijsheid en intelligentie in zijn hersenverstand laat vloeien; als hij zestig is staat hij in zijn omgeving niet alleen bekend als een goed mens, maar als een achtenswaardige burger, een toegewijde en trouwe vader en vriend, in het algemeen een voorbeeld van een rechtschapen man. Dit komt doordat zijn ‘ziel’ meer volledig is geïncarneerd.
    Door een karmische oorzaak wordt zijn misdaad bekend als hij zestig jaar is. Al het dierbare om hem heen ziet hij ineenstorten. Zijn reputatie staat op het spel. Vrienden en familie worden ernstig erdoor getroffen, en zelf ondergaat hij de kwellingen van een verdoemde. Men herinnert zich het geval van Jean Valjean in Les Mis‚rables van Victor Hugo. Vraag: is deze man van zestig verantwoordelijk voor de misdaad van de onberekenbare knaap van twintig? Volgens de wetten van de mensen wel. De esoterische tradie zegt: niet helemaal; want hier ondergaat de ‘nieuwe mens’ ‘onverdiend lijden’ voor de fout van de ongelukkige, onnadenkende ‘oude mens’ van twintig. Waar het hier om gaat is dat de man van zestig niet dezelfde is als de man van twintig, al is het reïncarnerende ego van geboorte tot de dood wel hetzelfde, en het ondergaat dus karmisch gesproken, de vergelding door het lijden dat door de man van twintig werd veroorzaakt.
    Laten we nu het voorbeeld toepassen op het reïncarnerende ego tijdens zijn doortocht door verschillende geboorten. In een vroeger leven heeft de ‘mens’ van dat leven een misdaad begaan; de karmische oorzaken ervan bestaan nog steeds; laten we zeggen in de vierde reïncarnatie daarna constateert de ‘nieuwe mens’ van de vierde wedergeboorte dat hij onverklaarbaar lijdt door daden van anderen, zonder daarvoor een oorzakelijke rechtvaardiging te zien. Zijn lijden in dit vierde leven is voor deze ‘nieuwe mens’ inderdaad ‘onverdiend’; maar het reïncarnerende ego is de zetel van de oorspronke lijke oorzaken van de ‘oude mens’; hoewel dus de ‘nieuwe mens’ lijdt door onverdiende moeilijkheden en pijn, zien we dat de oorzaken verscheidene levens eerder op grote schaal zijn gelegd.
    Neem bijvoorbeeld een mahâtma die het karmische resultaat is van de ‘oude mens’ van levens uit een ver verleden. Moet deze ‘nieuwe mens’ in het huidige leven enig lijden ondergaan als gevolg van karmische consequenties van verkeerde daden van de ‘oude mens’ van lang geleden? Kunnen we zeggen dat de mahâtma zo’n portie karmische vergelding heeft ‘verdiend’ die hij nu in de onein dige rechtvaardigheid van de natuur bezig is uit te werken? Beslist niet; niettemin is deze karmisch; en toch heeft de mahâtma de dwaas heden en slechtheden van zijn karmische ouder uit een ver verleden, de ‘oude mens’ van vroeger, niet begaan.
    Dit voorbeeld is overdreven voor wat betreft het als ‘onverdiend lijden’ ondergaan door de mahâtma van die lagere reacties van het karmische lot die voor de meeste mensen zo gewoon zijn; maar niet overdreven of zelfs te zwak uitgedrukt als we de onverdiende enorme last van karmische verantwoordelijkheid in aanmerking nemen die de hele hiërarchie van mededogen, geleid door de boeddha’s van mededogen, welbewust op zich neemt voor het welzijn van de wereld.
    We moeten natuurlijk ook hier deze verheven keus toeschrijven aan de geestelijke en intellectuele training van deze Groten, die zich over veel vroegere levens uitstrekt en een gevolg is van de verza melde karmische ‘verdienste’ uit talrijke kleine keuzen die in die vroe gere levens zijn gemaakt om zich met de lichtzijde van de natuur te verbinden. Zo is deze binding van een grote ziel aan de karmische verantwoordelijkheid, misschien wel gedurende vele levens en herhaalde incarnaties voor het welzijn van de mensheid, karmisch van oorsprong. Toch is het ‘onverdiend’ in de zin dat verlies van alle individuele vooruitgang voor de mahâtma terwille van de mensheid niet het gevolg is van een fout of gebrek in zijn karakter, maar alleen van de verheven instincten van oneindig mededogen. Hier zien we duidelijk het verschil tussen de pratyekaboeddha’s en de boeddha’s van mededogen.

Er zijn verschillende soorten karma. Er is bijvoorbeeld ons eigen individuele karma, en ons familiekarma; ons nationale karma en het karma van onze aardbol; evenzo is er het karma dat onze planeet als lid van de familie van het zonnestelsel treft. Het zonnestelsel is onderdeel van ons thuis-heelal, de melkweg genoemd, enz., ad infinitum – een prachtig geheel van actie en interactie.
    Hier zien we wat wordt bedoeld met ‘gedeeltelijk onverdiend karma’. Iemands individuele karma leidt hem ertoe op een bepaald moment in een bepaald land te incarneren; daardoor wordt hij onderworpen aan alle ingewikkelde omstandigheden en incidentele gebeurtenissen van het volk waarvan hij deel uitmaakt. Zo wordt hij in een bredere stroom van het lot en van actie gebracht dan misschien zijn karma of lot zou zijn geweest indien zijn individuele karma anders was geweest en hem naar een ander volk had geleid. Hij wordt dus meegevoerd door de stroom van omstandigheden – hoewel toch in laatste instantie als gevolg van zijn eigen zaaien van karmische oorzaken in het verleden – samen met het karma van het volk waartoe hij nu behoort. Een overstroming of hongersnood treft het huis of de streek waar hij woont. Een vloedgolf overspoelt het land en twintigduizend mensen verdrinken. Of een aardbeving verwoest een stad en duizenden mensen komen om bij die ramp. In elk van die gevallen heeft de mens die zich in zo’n omgeving bevindt, zich daar geplaatst als resultaat van vroeger karmisch handelen in dit of in een vorig leven.
    Juist omdat het heelal een verzameling van letterlijk ontelbare weefsels van het lot is, is het samengesteld uit uitgestrekte, op elkaar inwerkende, met elkaar verstrengelde kleine en grote hiërarchieën, waarbij iedere hiërarchie zelf een individu is; maar deze zijn alle karmisch betrokken bij en opgenomen in de overziel van het heelal – in dit geval ons eigen thuis-heelal – en daarom zijn alle in laatste instantie karmisch ondergeschikt en gehoorzaam aan de fundamentele svabhâva, de karakteristieke kosmische ‘wet’ of het weefsel van ‘wetten’ van die overziel. Ieder van ons is daarom in zijn diepste essentie identiek met de overziel van het heelal, dat wil zeggen met de fundamentele essentie van het heelal. Oorsprong en bestemming ervan zijn gelijk aan die van ons en de ‘wetten’ ervan zijn onze wetten. We zijn dus bewuste of onbewuste medewerkers van het heelal; daarbij beschikt ieder van ons over zijn eigen hoeveelheid vrije wil, en toch zijn we allemaal onderworpen aan het grootse bereik van zijn harmonie en zijn kosmische impulsen die voortkomen uit de grondtoon en diepe essentie van ons gemeenschappelijk zijn.
    Het uiterlijke of natuuraspect van karma is dus altijd een verheven en gewoonlijk overheersend functioneren van de overziel die van binnenuit door alles heen werkt, en ook van buitenaf op ons inwerkt. Want we zijn eeuwig en innig verbonden en staan in contact met alle andere wezens. ‘Onverdiend karma’ komt dus voort uit de inwerking op ons van krachten en wezens van de wereld waarin we leven; en op grotere schaal uit de inwerking van krachten en wezens van het ons omringende heelal.
    Geheel volgens het hiërarchische plan leven we binnen het vitale en etherische, en ook het psychische, intellectuele en geeste lijke levensbestaan van veel grotere wezens dan wij; door dat feit moeten we hen tot op zekere hoogte slaafs volgen in hun eigen verstrek kende kosmische gedachten en daden, net zoals de levens atomen van mijn lichaam de opdrachten van mijn persoonlijke wil moeten volgen; ze moeten dus met mij meegaan als ik naar een ander deel van de wereld ga. De levensatomen in mijn lichaam hebben hierin geen keus. Maar dit is in geen geval fatalisme. Al brengt dit in het leven vaak heel wat ‘onverdiend lijden’ teweeg, toch zal het individuele ego in devachan feilloos de juiste karmische vergoeding ontvangen voor beproevingen die het in het pas afgesloten leven heeft ondervonden.
    Omdat de mens een samengesteld wezen is, werkt de bundel krachten en substanties waaruit hij bestaat en waaruit zijn constitutie is gevormd, vaak tijdelijk niet harmonisch, wat in veel gevallen onverdiend lijden kan worden genoemd.
    Hieraan dacht de schrijver van de uitspraak die in de christelijke leer is te vinden en op het volgende neerkomt: ‘Ik doe de dingen niet die ik behoor te doen, maar ik doe de dingen die ik niet behoor te doen. Heer, geef mij gezondheid’ (Romeinen, hfst. vii-viii). Deze woorden geven ook de kern weer van het christus-mysterie. Het is inderdaad erg subtiel; een ander voorbeeld kan misschien ertoe bijdragen dat de gedachte duidelijker wordt: In de mens is een geestelijke entiteit die we de innerlijke boeddha of immanente christus kunnen noemen. In de mens is eveneens een menselijke entiteit, de menselijke ziel. Het christus-wezen dat door het menselijke heenwerkt brengt de menselijke entiteit soms in situaties van pijn en lijden (zodat het menselijke deel daardoor kan leren), die de menselijke entiteit, gedeeltelijk bewust en voor een deel onbewust, niettemin heeft helpen teweegbrengen door zijn onzelfzuchtige toewijding en onpersoonlijk verlangen om te groeien; maar hij heeft die niet zelfbewust gekozen. In veel gevallen zijn de consequenties voor de zuiver menselijke entiteit onverdiend; toch had het deze menselijke entiteit niet kunnen overkomen, zelfs niet als de immanente christus of de innerlijke boeddha door haar heen zou werken, als de menselijke entiteit zich niet, als een kind dat in het duister rondtast, op de plaats had gebracht van een middelaar of overbrenger van de geestelijke impulsen die de altijd waak zame en onfeilbare karmische wet activeren. Van beide kanten is er sprake van karma. Sommige mensen die slechts één kant van deze vergelijking zien, zullen ‘onverdiend’ zeggen, want de menselijke entiteit lijdt omdat de god door haar heen werkt. Anderen die alleen de andere kant zien, zullen zeggen: nee, ten volle ‘verdiend’ omdat het menselijke deel zelf tot actie overging. De oplossing van dit subtiele probleem ligt in het samenbrengen van beide gezichtspunten – om te ontdekken dat het slechts twee kanten van dezelfde munt zijn.
    Laten we nu het voorbeeld omdraaien dat ten grondslag ligt aan het christelijke theologische stelsel dat vrijwel vanaf de dood van de avatâra Jezus zo vreselijk verkeerd is begrepen: Door zijn zwakheden, zijn opzettelijk verkiezen van het kwade en van het onvolkomen goede doet de mens de immanente christus, of de innerlijke boeddha in zich, voortdurend lijden; daardoor ondergaat deze ‘onverdiend’ lijden en pijn. In zijn onuitsprekelijke schoonheid en verlangen naar het grotere welzijn van de mens handelt de innerlijke boeddha of immanente christus niettemin welbewust als reddingsplank ten gunste van het onvolmaakte menselijke instrument waar hij op toeziet en waar hij doorheen werkt.
    Beide mysterieuze en wonderbaarlijke processen zijn voortdurend in ons aan de gang; dit is nog een reden waarom ons karma zo ingewikkeld is en waarom een filosoof van de ene school, die maar een glimp licht opvangt, terwijl er talrijke stralen zijn, van fatalisme spreekt; en een filosoof uit een andere school, die maar één facet van het licht ziet, spreekt van volkomen vrije wil en een bijna inactieve kosmische wet. Beide hebben ongelijk, en toch hebben beide tot op zekere hoogte gelijk. Een mens is meer dan alleen zijn onvolmaakt menselijke wil en intelligentie, want hij is een samengesteld wezen. Als innerlijke kern van zijn wezen werkt de vrije, majestueuze kracht van de âtman van Brahmâ door hem heen; hierdoor beschikt hij over een relatief volmaakte vrije wil en wijsheid, beide van kosmische aard.
    De woorden ‘onverdiend’ en ‘verdiend’ moeten daarom niet te letterlijk worden genomen. De meesters en H.P. Blavatsky onderwezen de leer van karma vanuit het boeddhistische standpunt omdat deze daar misschien het beste is uitgewerkt. De boeddhistische leer zegt dat elke mens ieder moment van zijn bestaan slechts het karmische resultaat van alle voorafgaande momenten is. Bovendien brengt elk moment en ieder nieuw leven op aarde een ‘nieuwe mens’ voort met ‘nieuwe’ groei van intelligentie, wil, onderscheidingsvermogen, geweten en bewustzijn; zodoende is elk nieuw leven op aarde een ‘nieuwe mens’ die verschilt van de ‘oude mens’ van het voorgaande leven op aarde, maar toch het karmische product van dat vorige leven en voorafgaande levens op aarde. Zo komt het dat een mens elk ogenblik tijdens de lange reeks belichamingen precies het karma van alle voorgaande belichamingen is; daarom is de mens ieder moment van zijn lange pelgrimstocht zijn eigen karma.
    In de woorden van de Heer Boeddha, neergelegd in het oude boeddhistische geschrift het Dhammapada:

Alles wat we zijn is het gevolg van wat we hebben gedacht: het heeft zijn grondslag in onze gedachten, het bestaat uit onze gedachten. Als iemand spreekt of handelt met een boze gedachte, wordt hij door pijn achtervolgd zoals het wiel de voet van de os volgt die de wagen trekt.
    Alles wat we zijn is het gevolg van wat we hebben gedacht: het heeft zijn grondslag in onze gedachten, het bestaat uit onze ge dachten. Als iemand spreekt of handelt met een zuivere gedachte, volgt het geluk hem, zoals een schaduw die hem nooit verlaat.
    – I:1-2

Wanneer iemand door een lawine wordt begraven, roept een onwetende direct: Wat een droevige en onverdiende dood! Dat is waar vanuit het standpunt van het lichaam, want dit lichaam heeft dit niet veroorzaakt. Maar het reïncarnerende ego bracht – als een keten van onontkoombare karmische oorzaken en gevolgen die door en vanaf alle voorgaande levens loopt - dat lichaam ertoe op die plaats en die tijd te wandelen. Het ego is in zijn eigen sfeer vrijwel almachtig voorzover het deze fysieke sfeer van manifestatie betreft, en bracht zo karmisch de dood van zijn eigen lichaam teweeg.
    Dit voorbeeld moet men echter niet verkeerd opvatten, namelijk dat het reïncarnerende ego er behagen in zou scheppen een lichaam te doden door middel waarvan het werkt; die verkeerde opvatting zou niet alleen belachelijk zijn, maar – wat veel erger is – immoreel. De geestelijke monade die door het reïncarnerende ego heen werkt is een dienaar van de kosmische wet, een instrument van de mysteri euze en ingewikkelde werkingen ervan, en handelt strikt volgens wat uiteindelijk het beste is voor alles binnen haar werkterrein. Op dezelfde manier kan zelfs een gewoon mens het uit eigen verkiezing nood zakelijk achten dat bij hem een arm of been wordt geamputeerd.

Karma is geen fatalisme, want wat een mens overkomt is op elk ogenblik het strikte karmische resultaat van wat het reïncarnerende ego in dit of een vorig leven of vorige levens zelf heeft gekozen. Karmische aantrekking heeft ons naar deze omgeving gevoerd. We kunnen ons lijden werkelijk ‘onverdiend’ noemen, omdat de huidige incarnatie, de tegenwoordige astrale monade, het niet zelf heeft teweeggebracht; maar het reïncarnerende ego heeft de oorzaken oorspronkelijk in werking gezet en het ego tot geboorte op aarde gebracht in deze nieuwe omgeving. Wat wij ook doormaken in dit leven is daarom in laatste instantie karmisch, omdat we het zelf zijn. Als het niet ons karma was, zouden we deze pijn of dit genoegen niet kunnen ervaren.
    Wanneer we onze eigen innerlijke spirituele krachten en vermogens van binnenuit hebben ontwikkeld, zodat ze in ons leven werkzaam zijn en onze zelfbewuste wil worden, zullen we het edelste deel van onze toekomstige bestemming hebben bereikt – althans voor dit manvantara. Want dan zullen we één zijn geworden met het heelal waarin we ons bewegen, leven en ons bestaan hebben. Maar houden we daar stil? Nee, want er liggen steeds weer nieuwe gebieden van de lotsbestemming daar voorbij, gehuld in het magische licht van de toekomst dat een nog grotere glorie verbergt dan het hoogste wat we ons kunnen voorstellen. De weefsels van het lot zijn tezamen het heelal zelf, en hebben dus dezelfde oorsprong; ze hebben een identieke bestemming en zijn er in wezen één mee. Ze verlenen aan het heelal, dat zich door evolutie uitbreidt, de onbeschrijflijke schoonheid van het zich altijd ontvouwende kosmische leven.


De Esoterische Traditie, blz. 249-92

©2001 Theosophical University Press Agency, Den Haag