17

De circulaties in de kosmos

In de voorafgaande hoofdstukken is veel te denken gegeven ter verklaring van enkele van de fundamentele leringen van de esoterische filosofie over de samenstelling van de mens en zijn omzwervingen, maar tot nog toe weinig over het zonnestelsel waarin wij als evoluerende wezens onze woonplaats en cyclussen van manvantarische activiteit hebben.
    Astronomie zoals ze tegenwoordig wordt opgevat is niet meer dan een studie van de huid van de natuur, van haar buitenkant, wat wij het fysieke heelal noemen. Astronomie of astrologie – om haar de oude naam te geven waarmee de prachtige leringen die in het woord besloten liggen in de oudheid werden aangeduid – omvatte toen onvergelijkelijk diepere en veel verhevener gebieden van kennis dan nu bekend zijn of waarvan het bestaan door zelfs de meest intuïtieve adepten van de astronomie misschien wordt vermoed. Astrologie was oorspronkelijk een veelomvattende en verheven wetenschap van de hemellichamen aan de ene kant en van de innerlijke en oorzakelijke zijden van de natuur aan de andere kant. Terwijl de moderne kennis van de astronomie zich beperkt tot studies van de hemellichamen als fysieke entiteiten, van hun afstanden, hun verhoudingen in de ruimte en de kosmogonie, hun chemische samenstelling, bewegingen en dergelijke, beschouwde de oude astrologie elk hemellichaam als een levend wezen, een ‘animal’ in de Latijnse betekenis van het woord, en had bovendien het besef dat elk ervan in de sterrenruimte – met uitzondering van de alleen maar ronddrijvende deeltjes van de ruimte zoals meteoren, sterrenstof, enz., – de woonplaats was van een spiritueel of goddelijk wezen.
    Giordano Bruno, een neoplatonist die eeuwen te laat werd geboren, herhaalde dezelfde archaïsche leer:

Het is niet redelijk te geloven dat er in de natuur iets is zonder ziel, leven, gevoel of organische structuur. . . . Op grond van dit oneindige al, vol schoonheid en grootsheid, van de uitgestrekte werelden die om ons heen draaien tot het fonkelende stof van de sterren daarbuiten, moeten we concluderen dat ze een oneindig aantal wezens voorstellen, een grote menigte, waarvan elk in eigen mate van ontwikkeling, de pracht en de voortreffelijkheid van goddelijke harmonie weerspiegelt.
    Alles in de natuur leeft. De hemellichamen zijn bezielde wezens. Alles aan de oppervlakte van de aarde en onder de aarde heeft in zekere mate en in overeenstemming met zijn staat, de gave van gevoel; de steen voelt op een wijze die de mens niet kan omschrijven.

De oude astrologen-ingewijden, die deze opvatting hadden over het heelal dat voor hen er maar één was in een Kosmische hiërarchie van vele soortgelijke heelallen, verspreid over de gebieden van het grenzeloze, zagen daarom dat alle delen van de natuur elkaar beïnvloeden en op elkaar inwerken, zodat elk hemellichaam volgens hen werd beïnvloed door alle andere hemellichamen. Dit feit van het onderling verbonden zijn van intelligentie en bewustzijn maar ook van etherische en fysieke invloeden, was de basisgedachte in de oude astrologische wetenschap.
    De moderne astrologie is slechts een heel zwakke echo van haar eens machtige ouder. Archaïsche astrologie was een van de voornaamste gebieden van studie van de oude wijsheid; terwijl de moderne astrologie, hoewel ze door een niet gering aantal intelligente mannen en vrouwen wordt beoefend, tegenwoordig in het gunstigste geval als een pseudowetenschap wordt geminacht, en in het slechtste geval, en in de ogen van veel onnadenkende mensen als een nauwelijks fatsoenlijk middel om in een levensonderhoud te voorzien. Deze stand van zaken is grotendeels aan haarzelf te wijten, en dat geldt ook voor de astrologie die zo algemeen werd bestudeerd en openlijk beoefend in de dagen van verval van het Romeinse Rijk. Dat kwam doordat alle ideeën van de ware astrologie waren vergeten, en zowel in Rome als in onze tijd ontaardde ze in slechts een stelsel van waarzeggerij, van het ‘lezen van de toekomst’ – vaak tot gevaar van hen die de beoefenaars raadpleegden. De wetten die Rome op verschillende tijden uitvaardigde tegen het beoefenen van astrologie en tegen de ‘Chaldeeërs’, zoals men hen noemde, laten duidelijk zien hoever de ware astrologie was gezonken. Toch wil dit niet zeggen dat er in het Romeinse Rijk geen oprechte waarheidlievende en zelfs succesvolle beoefenaars waren van het astrologisch voorspellen, want we weten dat die er waren, zoals ze er ook nu zijn.
    Maar dit alles terzijde, hoewel het laat zien dat er zelfs in de astrologische waarzeggerij heel wat zit; anders zou ze nooit de schijnbare eerbied hebben verkregen die mannen en vrouwen haar door de eeuwen heen min of meer met tegenzin hebben bewezen.
    De archaïsche astrologie onderwees niet alleen wat nu astronomie wordt genoemd, maar behandelde ook de innerlijke en uiterlijke aard van de kosmos als een organische entiteit. Ze schetste de oorsprong, de verblijfplaatsen en de postmortale bestemming van alle rondzwervende monaden wanneer deze door de sferen gaan langs de mystieke maar toch heel werkelijke paden die de circulaties in de kosmos worden genoemd. Ze onderwees de karakteristieke eigenschappen en werkingen van de krachten en invloeden die de ene planeet op de andere uitoefent, en de zon op de planeten, en de sterren op de sterren; ze onderwees de aard en ook het ontstaan van de zonnestelsels; ze beschreef hoe de manen van verschillende planeten manen zijn geworden, en wat hun functie is in de huishouding van de respectieve planeetketens; ze onderwees de aard van de onzichtbare en etherische werelden, sferen en gebieden van het zonnestelsel; ze deelde mee wat de zon is als een levend wezen en als de woonplaats van een zonnegodheid; ze leerde over de aard van de vele planeetketens die de planetaire familie van de zon vormen, en over de aard en de karakteristieke eigenschappen van de bollen die deze verschillende planeetketens samenstellen; ze onderwees de rondgangen en reizen van de monaden in en door de bollen van de planeetketens, en dat er verschillende soorten omzwervingen langs de circulaties in de kosmos zijn, waarbij sommige alleen tot de planeetketen behoren waarvan de monade op dat ogenblik een bewoner is, en noemde deze de binnenronden; en ze onderwees ook over die andere ruimere omzwervingen die zich uitstrekken tot bepaalde andere planeet ketens; aan die omzwervingen werd de naam buitenronden gegeven – dit alles onderwees zij en nog veel meer.
    Wanneer de moderne astrologie dit alles zou onderwijzen, en wanneer ze dit onafgebroken had gedaan vanaf de tijd van haar oorspronkelijke glorie, dan zou ze nu algemeen worden gerespecteerd. In plaats daarvan is ze slechts een stelsel geworden dat tracht voorspellingen te doen, waarin zelfs haar meest nadenkende en bedreven beoefenaars een knieval maken voor de wisselende denkbeelden van de moderne astronomie, en nauwelijks uiting durven geven aan hun innerlijke intuïties uit angst het weinige publieke respect dat ze nog hebben te verliezen.
    Een van de grootste verliezen die de astrologie op haar tocht van verheven wetenschap tot de zwakke en vervallen kunst die ze in onze tijd is, heeft geleden, was dat van de geheimen van esoterische berekening. Het is waar dat de astrologische kunst bij het trekken van horoscopen en het berekenen van astronomische tijden op bescheiden schaal van min of meer eenvoudige wiskunde gebruikmaakt, maar dit is op zijn best slechts het exoterische kleed van de oude esoterische kennis van tijdsperioden en van wat ze betekenen wanneer ze worden toegepast op de cyclische bestemming van wezens, hetzij het zonnestelsel, de zon, de maan, de planeten, of wezens van andere klassen zoals de mens.
    Juist omdat de processen van de natuur worden bestuurd door kosmische intelligentie die voortkomt uit de oorspronkelijke kosmische ideatie, en omdat de intelligente ideatie door haar aard in harmonieën werkt, of wat op hetzelfde neerkomt, volgens wiskundige processen, daarom gebeurt alles wat in het zonneheelal plaatsvindt overeenkomstig de hoeveelheid of hoeveelheden materie of tijd. Vandaar dat kwantitatieve verhoudingen overal in het zonnestelsel de overhand hebben, zowel wat de lichamen als wat de tijdscyclussen betreft. De geheime getallen die eonen geleden door titanische spirituele intellecten zijn ontdekt, en die aan de wortel liggen van de psychische of substantiële werkingen van de universele natuur, zijn door Pythagoras belichaamd in zijn tetraktis, waarvan het embleem als volgt wordt weergegeven:
Deze stippen symboliseren de geboorte van de monade of het enkelvoudige punt, van de eerste duade, dan de triade, dan het viertal, waardoor de reeks wordt: 1, 2, 3, 4: en hun som is 10. De 10 vertegenwoordigt het hele lichaam van universele manifestatie, afgeleid van de primordiale monade, en ervan afhangend op de manier zoals in het bovenstaande embleem.
    De getallen die in de esoterische berekening sinds onheuglijke tijden worden gebruikt zijn de 2, 3, 4, of omgekeerd, de 4, 3, 2, belichaamd in dit embleem als in een geregelde volgorde afgeleid van de oorspronkelijke monade, wanneer deze haar kosmische processen van manifestatie begint, en zij in een layacentrum bestaat of daar tijdelijk doorheen gaat.
    Deze getallen, 4, 3, 2, zijn belangrijk omdat ze de kwantitatieve verhoudingen als numerieke factoren van het hele zonnestelsel, en naar alle waarschijnlijkheid ook van de omringende melkweg, doordringen en leiden. Niet alleen vormen ze de kwantitatieve processen van alles wat de natuur voortbrengt, maar ze zijn de sleutels waardoor de meeste van de geheimen van de natuur kunnen worden bloot gelegd – en dit alles gebeurt juist omdat de natuur strikt volgens wiskundige beginselen is opgebouwd die hun oorsprong hebben in de kosmische ideatie.
    Zoals H.P. Blavatsky in De Geheime Leer (2:79-80) schreef:

Het heilige karakter van de cyclus van 4320 met daaraan toegevoegde nullen ligt in het feit dat de cijfers waaruit het getal bestaat, afzonderlijk genomen of samen voorkomend in verschillende combinaties, elk een symbool zijn van de grootste mysteriën in de Natuur. Inderdaad, of men de 4 afzonderlijk neemt, of de 3 op zichzelf, of beide samen die 7 vormen, dan wel de drie opgeteld die 9 opleveren, al deze cijfers hebben hun toepassing bij de meest heilige en occulte zaken, en geven de werkingen van de Natuur weer in haar eeuwig periodieke verschijnselen. Het zijn voortdurend terugkerende cijfers die zich nooit vergissen en die aan hem die de geheimen van de Natuur bestudeert, een werkelijk goddelijk stelsel onthullen, een intelligent plan in de kosmogonie, dat voert tot natuurlijke kosmische indelingen van tijden, seizoenen, onzichtbare invloeden, sterrenkundige verschijnselen, met hun actie en reactie op de aardse en zelfs op de morele natuur; op geboorte, dood en groei, en op gezondheid en ziekte. Al deze natuurlijke gebeurtenissen berusten op en hangen af van cyclische processen in de Kosmos zelf, die periodieke krachten voortbrengen die, van buitenaf werkend, invloed uitoefenen op de aarde en alles wat erop leeft en ademt, van het begin tot het einde van elk manvantara. Oorzaken en gevolgen zijn esoterisch, exoterisch, en om zo te zeggen endexoterisch.

Deze zelfde getallen 4, 3, 2 zijn in de oude documenten van Chaldea en Hindoestan te vinden als grondslag voor de berekening van alle tijdsperioden. In India zijn ze sinds ontelbare eeuwen met de nodige toegevoegde nullen de respectieve lengten van de verschillende yuga’s of tijdperken.
    Het universum is niet alleen een organische entiteit waarvan elk deel spiritueel en intellectueel, magnetisch en ook fysiek reageert op elk ander deel, maar de buitenkant van de natuur is slechts het kleed van innerlijke en onzichtbare werelden en sferen; en daarom is het hele zonnestelsel niet wat het schijnt te zijn – leegte, maar het is in elke betekenis van het woord een plenum, een pleroma, zoals de oude gnostici leerden. Met andere woorden, het zonnestelsel is niet alleen maar ‘leegte’ met de zon en een paar door de ‘lege ruimte’ om haar heen wentelende planeten, maar het is vast in de zin van geheel gevuld met substanties en krachten in vele graden en stadia van activiteit die alle op elkaar inwerken en zich vermengen en zo een levende entiteit samenstellen. Deze opvatting van het zonnestelsel als een organisme dat zowel zichtbare als onzichtbare delen bevat, laat ons zien waarom en hoe de krachten of emanaties tussen de lichamen van het zonnestelsel onderling in feite worden overgebracht, en daar onder zijn ook de tientallen andere planeten die we niet kunnen waarnemen omdat ze zich op andere gebieden van het zonnestelsel bevinden.
    Juist door dit plenum, hetzij in onze eigen planeetketen of in het hele zonnestelsel, vliegt de menselijke monade heen, wanneer ze op haar tochten na de dood de circulaties in de kosmos volgt, die we het netwerk van zenuwen kunnen noemen dat het hele zonnestelsel tot één geheel verbindt; of we kunnen zeggen dat deze circulaties de kanalen zijn waarlangs de levensstromen naar alle delen van het rijk van de zon worden overgebracht, zoals de slagaderen en aderen in het menselijk lichaam de voertuigen of wegen voor het bloed of de levensvloeistof van het lichaam zijn.
    Het volgende citaat uit Vergilius illustreert hoe algemeen bekend dat idee was. In verband met de eed van geheimhouding moest de leer in min of meer figuurlijke taal worden verkondigd, maar de lezer moet proberen de innerlijke betekenis te achterhalen. Vergilius schreef:

Ze hebben gezegd dat bijen een deel hebben van de goddelijke geest en van de aetherische stromen die eruit voortvloeien; dat de godheid de hele aarde doordringt, de uitgestrektheid van de oceaan, en de diepten van de hemel; dat daarom de zwermen, de kudden, de mensen en alle klassen van dieren individueel uit de tere levensstroom putten; dat verder alle wezens na hun ontbinding hier tot de goddelijke bron terugkeren; dat de dood nergens bestaat; maar dat zij bewust en levend naar de hogere hemel opstijgen, ieder naar zijn ster (of sterrenbeeld).
Georgica (De landbouw), IV, vs. 220-7

Nu ligt er in de bovenstaande regels een wereld van esoterische lering. In de eerste plaats is het duidelijk dat Vergilius en praktisch alle grote geesten van de oudheid de hele natuur als levend beschouwden, en dat ze in haar myriaden families en gebieden een uitgebreid organisme vormt. Deze gedachte doet onmiddellijk de volkomen belachelijke bewering teniet die zo vaak door latere christelijke schrijvers wordt gedaan dat de Ouden – gewoonlijk van Griekenland en Rome – geen filosofische opvatting hadden over een spirituele voortzetting van bewustzijn na de dood. Geen bewering zou meer van de feiten kunnen afwijken.
    Verder is het duidelijk dat Vergilius laat zien dat het bewustzijn dat na de dood voortduurt niet het gewone zelfbewustzijn van de mens was, maar het geestelijke of monadische bewustzijn. Vergilius spreekt als een voorbeeld van de ingewijden van zijn tijd als hij zegt dat na de ontbinding ‘alle wezens terugkeren naar het goddelijke’, en dat ‘bewust en levend’ doen; want kennelijk zinkt het onvolmaakte menselijke verstand of het zelfbewustzijn in de tijdelijke vergetelheid van de devachanische slaap omdat het door zijn onvoldoende evolutionaire ontwikkeling volkomen ongeschikt is om zich weer te verenigen met de godheid.
    Tenslotte verwijst Vergilius naar bijen, en het zou lichtvaardig lijken te zeggen dat het uitkiezen van bijen om iets in het bijzonder te vermelden, alleen een poëtische gril was; er zijn namelijk andere uitspraken van schrijvers uit de oudheid die eveneens naar bijen verwijzen – en dit zowel in Rome als in Griekenland – als een naam die werd gebruikt voor discipelen. In Griekenland was melissai of bijen een titel die werd gegeven aan priesteressen die bepaalde diepzinnige functies moesten vervullen; terwijl door sommige oude schrijvers vaak werd gesproken over ‘honing’ of ‘honingdauw’ als symbool voor wijsheid. Zoals bijen nectar uit bloemen vergaren en deze tot honing verwerken, zo vergaren mensen kennis uit het leven en verwerken deze spiritueel en mentaal tot wijsheid. Dit doet ons denken aan de ‘ambrosia’ en ‘nectar’ waarmee de goden zich voeden. Kennelijk had Vergilius oog voor deze mysterieleer, en koos daarom vooral bijen uit die ‘een deel van de goddelijke geest en aetherische stromen daaruit’ bezaten.
    Enkele regels verder vertelt Vergilius een verhaal over hoe ‘bijen’ kunnen ontstaan uit het karkas van een jonge stier. Dit heeft heel wat spot opgewekt onder de betweters van deze tijd; toch toont enige kennis van de oude dierenmythologie duidelijk waarnaar Vergilius verwees. Zoals het paard een embleem was van de zon of de zonnekrachten, zo werden de stier en de koe universeel als symbolen van de maan beschouwd en van de zeer mysterieuze invloeden die de maan in de natuur en op aarde in het algemeen uitoefent, zowel als van de plaats van haar functies en van haar werkingen in de ervaringen van de neofiet die de vreselijke inwijdingsbeproevingen ondergaat. Ook wordt men herinnerd aan de bekende afbeelding waarvan men aanneemt dat ze Mithras voorstelt die de stier doodt – een verzameling esoterische toespelingen met een diepe betekenis. We zien hier wat Vergilius met ‘bijen’ bedoelde die ontstaan uit de overwonnen stier – de neofiet die heerst over de verschrikkelijke invloeden van de maan na ‘de maan te hebben gedood’ en eruit oprijst als een ‘bij’. Verbum sapienti.
    Wat gebeurt er met de monade – het essentiële zelf van ons – en waar is zij na de gebeurtenis die we de dood noemen? De monade kan na de dood binnen een bepaald begrensd gebied van de ruimte overal zijn, en dat is in elk van de gevallen afhankelijk van de wegen die ze langs de circulaties volgt; het toppunt of de hyparxis ligt feitelijk in de sterrensferen, of liever in één enkele sterrensfeer, want haar natuurlijke thuis is in een begrensd deel van het spirituele gebied van het heelal. De monade is een ademtocht van zuivere geest; ze is in essentie een bewustzijnscentrum, eeuwig van aard; en ze ervaart tijdens ons manvantara of zolang ons heelal blijft bestaan nooit zelf de dood of de ontbinding, omdat ze per se essentieel bewustzijn-substantie is. De monade is niet samengesteld, zoals ons lichaam. Ze is een brandpunt van zuivere geest, van homogene substantie. De dood is slechts ontbinding van samengestelde dingen, zoals Gautama-Boeddha zijn discipelen in zijn laatste boodschap vertelde.
    De monade is niet de mens; ze is niet de ziel; want noch de mens noch de ziel kan op enige wijze als zuivere geest of zuiver bewustzijn worden beschouwd. De monade is niettemin de uiteindelijke bron van al wat wij als individuen zijn. Ieder van ons is zijn eigen essentiële of spirituele monade. De monade is als een geestelijke zon aan de wortel van ons wezen, die vanaf het begin tot het einde van onze grote manvantarische periode voortdurend stromen intelligentie en levenssubstantie uitgiet, die door hun op elkaar inwerkende energieën de verschillende brandpunten van bewustzijn voortbrengen, die om zo te zeggen de kinderen van de oudermonade zijn.

Om de reizen van de monade langs de wegen van het heelal, of het door haar volgen van de circulaties in de kosmos, te begrijpen is het nodig iets te weten over het bewustzijnsbereik van elk van de verschillende ego’s of zielen waaruit de mens is samengesteld. De goddelijke monadische vonk van de constitutie van de mens strekt zich in zijn zelfbewustzijn en activiteit uit over het galactische heelal, ons thuis-heelal – alles wat binnen de door de melkweg omsloten zone ligt, niet alleen in het fysieke deel. De monade is en bestaat in haar functioneren op de geestelijk-goddelijke gebieden van de melkweg, en daarom ligt haar bereik meer in het bijzonder in de innerlijke en onzichtbare werelden, maar ze is vooral actief in haar eigen sfeer of gebied waar zij thuis is en dat goddelijk is. Aan dit goddelijke gebied hangen het spirituele en het intellectuele, het astrale en het fysieke, in een regelmatige reeks als juwelen aan een ketting. Deze goddelijke vlam is onvoorwaardelijk onsterfelijk zolang ons galactische thuisheelal blijft bestaan, en aan het einde ervan gaat de monade verder naar nog hogere supergoddelijke gebieden van Kosmisch bewustzijn. Hier verblijft ze tot het galactische heelal opnieuw in manifestatie verschijnt, uit zijn voorafgaande galactische verschijningen - terwijl het tegenwoordige de karmische vrucht is van zijn vroegere manvantarische manifestaties.
    De spirituele monade, een uitstraling van de goddelijke monade, strekt zich uit over ons zonnestelsel, en blijft bestaan zolang het zonnestelsel bestaat; en wanneer de periode van manvantarische manifestatie van het zonnestelsel eindigt, gaat de spirituele monade op haar beurt naar hogere gebieden van de abstracte spirituele ruimte, en naar een bewustzijnstoestand die we paranirvâña kunnen noemen – of super-nirvâña – waar ze blijft tot het zonnestelsel na de lange zonnepralaya weer te voorschijn komt voor een nieuw zonnemanvantara of nieuwe periode van activiteit in manifestatie.
    Het hogere ego of de geestelijke ziel, die het werkelijke reïncarnerende of zich wederbelichamende ego is en een straal is van de geestelijke monade, strekt zich in bewustzijn en functionele activiteit uit over de zeven bollen of subplaneten van onze planeetketen: dat wil zeggen, de keten van onze planeet, waarvan onze aarde het fysieke voertuig is en de vierde of laagste van de zeven bollen die deze keten samenstellen. Dit hogere ego bestaat even lang als de planeetketen zelf, en aan het einde van deze levensperiode van de keten gaat het hogere ego naar zijn nirvâña, en blijft in deze toestand van abstract bewustzijn tot de keten na de ketenpralaya opnieuw verschijnt. In deze wederbelichaming van onze planeetketen in de etherische en materiële gebieden van het zonnestelsel komt het hogere ego dat nu ver is geëvolueerd ten opzichte van zijn vroegere ‘zelf’, tot zelfbewuste functionele activiteit; en het doet dit als een individu van een van de hoogste klassen van de menigte dhyân-chohans van wie het lot onafscheidelijk is verbonden met de keten waarin het leeft en werkt.
    De menselijke monade of het menselijke ego, dat een straal is van het hogere ego, blijft gedurende één incarnatie van een mens bestaan, en strekt zich uit over de gebieden van het gewone menselijke bewustzijn. Aan het einde van dit leven op aarde gaat zijn meer spirituele essentie in devachan en blijft daar tot de tijd nadert voor zijn volgende reïncarnatie op aarde, dat wil zeggen, tot de volgende keer dat de innerlijke mens weer in een fysiek lichaam op deze bol verschijnt.
    Dit zijn de vier basisdelen van de samengestelde constitutie van de mens: (a) de goddelijke monade, waarvan het bewustzijnsgebied en de functionele activiteit zich over en in de melkweg uitstrekken; (b) haar straal, de spirituele monade, waarvan het gebied van zelf bewustzijn en de functionele activiteit zich in en door het zonnestelsel bevinden; (c) de hogere of spirituele ziel, de straal van de spirituele monade, waarvan het gebied van zelfbewustzijn en de functionele activiteit zich in en door de bollen van de planeetketen bevinden; en tenslotte (d) het menselijke ego, de straal van de spirituele ziel, waarvan het zelf bewustzijn en de functionele activiteit tot onze aarde behoren en één enkele incarnatie lang duren.
    Het gebruik van het werkwoord ‘duren’ of ‘voortduren’ betekent niet dat de entiteit wordt vernietigd wanneer haar periode van activiteit voorbij is, maar alleen dat ze aan het einde van zo’n periode overgaat naar innerlijke en spirituele gebieden om er te herstellen, waaruit ze na verloop van tijd in de rondgang van de eeuwen weer te voorschijn komt om een nieuwe levensperiode op hogere gebieden te beginnen.
    Elk van deze vier fundamentele monaden van de menselijke constitutie is een straal van de monade die er juist boven staat, en is zelf een zich ontwikkelende entiteit. We hebben dus vier evolutielijnen die ‘gelijktijdig’ worden gevolgd door de menselijke constitutie die wordt beschouwd als een samengestelde eenheid: het goddelijke, het geestelijke, het mânasische of egoïsche, en het menselijke. Hieraan moet het fysieke lichaam worden toegevoegd dat in een heel werkelijke zin de ‘ziel’ of drager is van alle andere elementen van de constitutie wanneer de mens is geïncarneerd, en zo evolueert het menselijk lichaam zelf langzaam, door de onophoudelijke geestelijke, intellectueel-psychische en astrale drang daarbinnen die het voorwaarts stuwt op het evolutiepad.
    Hetzelfde universele plan van perioden van manifestatie gevolgd door perioden van zich terugtrekken om te rusten waaraan de monade is onderworpen, werkt in het hele universum; want er is één algemene gedragslijn in de universele natuur die door ieder samenstellend deel ervan wordt gevolgd. De reden hiervan is de fundamen tele werking van de kosmische ideatie die zo het kosmische plan vastlegt, en dat geldt zowel in het algemeen als voor details. Een monade is dus niet alleen een afspiegeling van het geheel, zoals Leibniz leerde, maar iedere monade moet de kosmische processen en werkingen volgen die hun oorsprong vinden in de kosmische ideatie.
    Ieder hemellichaam, hetzij een planeet of een zon, volgt juist omdat het het voertuig van een monade is, herhaaldelijk dezelfde gedragslijnen in afwisselend perioden van manifestatie en van het zich terugtrekken naar innerlijke gebieden. Het zonnestelsel als geheel manifesteert zich in de zichtbare sferen en wanneer zijn levens periode in de kosmische manifestatie voorbij is, ‘sterft’ het, en zijn innerlijke beginselen worden teruggetrokken naar meer spirituele gebieden, om er in paranirvâñische toestanden te rusten totdat voor dat zonnestelsel bij het wentelen van het kosmische levenswiel de tijd komt om opnieuw als de wederbelichaming van een zonnestelsel te voorschijn te komen – een kosmische feniks, wedergeboren uit de as van zijn karmische verleden. Dit proces van herhaalde wederbelichaming en herhaalde terugtrekking van groepen entiteiten die door karmische bestemming tot eenheden zijn verbonden, of van een individu daarvan, gaat van eeuwigheid tot eeuwigheid door hoewel na ieder van die kosmische pralaya’s het stelsel of het individu weer te voorschijn komt om een nieuwe levensperiode door te maken, maar op gebieden van het grenzeloze die wat hoger liggen dan de gebieden waar het tevoren zijn bestaan had.
    Onze planeetketen heeft evenals zijn kind, de mens, een zevenvoudige samenstelling en bestaat uit zeven bollen waarvan de aarde voor ons de enige zichtbare en tastbare is, en de andere zes bollen zijn onzichtbaar en ontastbaar omdat ze etherischer zijn dan onze stoffelijke aarde en op ‘hogere’ kosmische gebieden bestaan, en daarom kunnen onze zintuigen er geen kennis van nemen. Onze fysieke zintuigen en de respectieve organen waardoor ze werken, zijn alleen ontwikkeld om krachten en substanties te kennen op de kosmische gebieden waarop onze lichamen leven.
    De andere zes bollen van onze planeetketen zijn echter niet de andere zes beginselen van onze fysieke aardbol, want elk van de zeven bollen van onze planeetketen is een volledig zevenvoudig individu, omdat ieder van de zeven bollen evenals de mens zijn eigen zeven beginselen heeft. Deze zeven bol-individuen vormen samen wat een planeetketen wordt genoemd.
    Er is niettemin een zekere analogie, en vanuit één gezichtspunt inderdaad een zeer sterke, tussen de zeven bollen van een planeet keten en de zeven beginselen van een bol, omdat elk van de zeven bollen van de planeetketen meehelpt de samenstelling van elke afzonderlijke bol te vormen, waarbij elk bijdraagt aan alle andere, en alle dragen bij aan elk afzonderlijk. De analogie met de zevenvou dige constitutie van de mens is ook sterk, want zoals er in de mens zeven beginselen zijn waarin zeven monaden of monadische centra werkzaam zijn, waarbij de een op de ander inwerkt, en die in verschillende stadia van evolutionaire ontplooiing verkeren, zo zijn de zeven bollen van een planeetketen ieder afzonderlijk voor te stellen als een bol-monade, waarbij de zeven bollen zich dus verenigen om de zevenvoudige constitutie van de planeetketen voort te brengen.
    Ondanks die analogieën is elk van de bollen van een planeetketen toch in en op zichzelf een individuele eenheid, en daarom heeft elk daarvan zijn eigen zeven beginselen.
    Tenslotte wordt de situatie nog moeilijker gemaakt, omdat de ‘zeven beginselen’, of ze nu betrekking hebben op bollen of op een individuele eenheid zoals de mens, de gemanifesteerde delen van de constitutie zijn, terwijl er eigenlijk twaalf bollen in een planeetketen zijn, en ook tien (of twaalf) beginselen in de constitutie van een mens. Omdat de hoogste vijf bollen van een planeetketen op kosmische gebieden bestaan die bijna onmogelijk zijn te bevatten, worden de hoogste delen – of het nu bollen of menselijke beginselen zijn die tot de ‘ongemanifesteerde’ delen van een volledige entiteit behoren – gewoonlijk weggelaten.

Vanaf het ogenblik van de dood van een mens, gedurende de postmortale perioden en tijdens het volgende leven tot opnieuw de fysieke dood intreedt, is de monade altijd volledig zelfbewust in haar eigen verheven sfeer. Nadat het postmortale bestaan voor de mens is begonnen, gaat de monade bovendien van sfeer tot sfeer, en doorloopt opnieuw haar ronden op haar eindeloze zwerftochten tijdens het manvantara. Ze gaat de sferen door, niet alleen omdat ze in al deze thuis is en daarom door haar eigen magnetische aantrekking en impulsen erheen wordt getrokken, maar ook omdat zijzelf dat wil, want vrije wil is iets goddelijks en is een ingeboren en niet te scheiden eigenschap van haarzelf.
    Plotinus schrijft in zijn Enneaden over één aspect van de postmortale bestemming van de menselijke monade, waarbij hij tegelijk de karakteristieke functies van de spirituele monade goed in het oog houdt. Het volgende is een parafrase van deze moeilijke passage:

Onze zielen hebben hun respectieve bestemming overeenkomstig hun verschillende vermogens en krachten, en wanneer zij van dit leven zijn bevrijd, zal iedere ziel in een hemellichaam (of planeet) wonen, passend bij en in overeenstemming met de aard en de vermogens die als geheel het karakteristieke beginsel van de individualiteit van elke ziel vormen.
    Werkelijk bevrijde zielen zijn zij die boven de boeien van de persoonlijkheid zijn uitgestegen, en dus boven de noodlottige gebeurtenissen in het leven op aarde en alles wat tot de materiële wereld behoort. - ‘Onze Beschermengel’, III, iv, 5

In de tweede alinea wordt verwezen naar wat de esoterische traditie ‘bevrijde monaden’, jîvanmukta’s, noemt.
    Laten we onze aandacht nu richten op de weg die de monade door de ‘zeven heilige planeten’ van de Ouden volgt – heilig genoemd omdat ze zo nauw zijn verbonden met onze aarde, haar oorsprong, haar bestemming en haar mensheid, dat zelfs de uiterlijke betrekkingen die ze met de aarde en de mensen hebben alleen in de mysteriën volledig werden onderwezen. Deze zeven heilige sferen van de Ouden zijn de zeven hemellichamen die in hun astronomische en mystieke werken werden vermeld. Ongetwijfeld kenden de Ouden andere ‘planeten’ van ons zonnestelsel dan de zeven heilige, maar alleen deze zeven werden heilig genoemd omdat de lotsverbondenheid met onze aarde juist in dat zonnestelsel haar oorsprong had waarvan het huidige zonnestelsel de karmische vrucht is. Hun namen zijn Saturnus, Jupiter, Mars, Venus, Mercurius, zon en maan. Wat zon en maan betreft, deze waren plaatsvervangers van twee andere planeten die de huidige astronomie niet kent. Vanuit één gezichtspunt is dit juist, maar vanuit een ander gezichtspunt waren ze geen plaatsvervangers, en daarom werden ze ‘planeten’ genoemd, omdat ze deel uitmaakten van een zevenvoudige keten, een keten van zeven ‘schakels’, waarbij elke schakel een planeet is, waardoorheen de monade opwaarts gaat op haar kosmische reis, en waarlangs ze terugkeert wanneer de nieuwe reïncarnatie van het hogere ego weer op aarde moet plaatsvinden.
    Er zijn vele en diepzinnige mysteries betreffende de maan. Onze satelliet, die de dichters als een bleke nachtgodin hebben geprezen en als de inspirator van menselijke genegenheid – waarbij ze helemaal niet begrijpen welke rol ze speelt - staat in nauw verband met alles wat op aarde gebeurt, niet alleen als middelaar, maar vaak als directe oorzaak van wat plaatsheeft. Deze opmerking heeft niet alleen betrekking op meteorologische verschijnselen, maar ook op de verschillende wortelrassen en vele andere dingen, zoals het fysieke en zelfs morele welzijn van mensen.
    Haar invloed is tweeledig: nu eens positief dan weer negatief. We kunnen begrijpen waarom bijvoorbeeld de Romeinen haar òf Deus Lunus, de maangod, òf Dea Luna, de maangodin, noemden.
    Haar invloed op aarde is inderdaad zo groot, en gewoonlijk zo verderfelijk, ondanks het feit dat de emanaties van de maan zoveel invloed hebben op zulke dingen als groei, dat de geheimen van de maan in de esoterische scholen altijd heel zorgvuldig zijn bewaakt en tegelijkertijd de geheimen zijn die als eerste heel nauwkeurig werden verklaard als voorzorg en waarschuwing aan leerlingen die aan een geestelijke training werden onderworpen.
    De maan stond ooit veel dichter bij de aarde dan nu, en was ook heel wat groter. Sindsdien heeft ze zich geleidelijk van de aarde verwijderd, hoewel uiterst langzaam, en geleidelijk ontbindt ze zich in haar samenstellende levensatomen. Voordat de aarde haar zevende ronde zal hebben bereikt, zal onze maan geheel zijn verdwenen, omdat de processen van moleculair en atomair verval gestaag voortgaan.
    De planeten zijn de ‘zeven sferen’ van de Ouden die hun namen gaven aan de dagen van de week; en voor de archeologie en de studie van de oudheid is het heel interessant dat deze overal de namen zijn van de dagen van de week, waar de week in zeven dagen werd ingedeeld: in oude Europese landen maar ook in Babylonië, Perzië, Assyrië en Hindoestan.
    Gedurende de zwerftocht van de monade door de zeven heilige planeten moet de monade noodzakelijkerwijs die paden of kanalen van de minste weerstand volgen die de circulaties in de kosmos worden genoemd. Deze circulaties in de kosmos zijn werkelijke communicatielijnen van punt tot punt of tussen hemellichaam en hemellichaam. Deze circulaties zijn in de innerlijke huishouding van de zichtbare en onzichtbare werelden van het heelal even werkelijk als de zenuwen en de bloedvaten in het fysieke lichaam; en zoals deze laatste dienen als kanalen of paden voor de overdracht van intellectuele, psychische en zenuwimpulsen zowel als van het levensfluïdum of het bloed, zo dienen op precies analoge wijze de circulaties in de kosmos als kanalen of paden die worden gevolgd door de op- en neergaande rivieren van levens, die zijn samengesteld uit de nooit eindigende stroom van rondzwervende entiteiten van alle klassen overal in het universum.
    Het spreekt vanzelf dat zoals lichaamsweefsel volkomen is doordrongen van een overvloed aan zenuw- en bloedvitaliteit, het structurele raamwerk van het heelal naar analogie eveneens geheel is doordrongen van levensessenties. In feite is het universum een uitgestrekt organisme, in al zijn delen vol leven, en van het hoogste tot het laagste overgoten met vitaliteit, terwijl alles in het universele lichaam aldus wordt gedrenkt in de levensessentie en ook is doordrongen van kosmische intelligentie. Al de verschillende verschijnselen van de universele natuur zijn dus direct terug te voeren tot hun spirituele, intellectuele, psychische en astraal-vitale oorzaken in het kosmische organisme, en tot deze verschijnselen behoren zowel de zogenaamde natuurkrachten als alle substanties en soorten materie - de zeven op elkaar inwerkende en zich vermengende prakriti’s – die we als belichaamde intelligenties overal om ons heen zien werken en functioneren.
    Neem als voorbeeld de zwaartekracht, waarvan de oorzaak aan de wetenschap nog niet bekend is, en waarover sinds de tijd van Newton heel wat is geschreven. Maar wat is zwaartekracht? We kunnen erkennen dat Newton en de wetenschappers die hem opvolgden, volkomen gelijk hebben als ze vaststellen dat ze een kracht is die overal in het heelal werkzaam is, en invloed heeft op alle stof; en dat de zwaartekracht kan worden uitgedrukt als het product van de massa’s van twee of meer lichamen en omgekeerd evenredig is aan het kwa draat van de afstand tussen die lichamen. Maar deze vaststelling van de zogenaamde wet van de zwaartekracht is alleen een beschrijving van haar werking en is op geen enkele manier een verklaring van wat ze op zichzelf is.
    De esoterische filosofie verklaart dat wat we zwaartekracht noemen of de werking van de aantrekking tussen lichamen – kennelijk overal in de grenzeloze ruimte – in de oorzakelijke essentie of het zelf ervan, levend kosmisch magnetisme is: het uitvloeien van kosmische levenskracht uit het hart van de hemellichamen. Toch staat zelfs het atoom evenzeer onder de invloed van deze kosmische levenskracht als de macrokosmische lichamen die hun weg door de velden van de oneindige ruimte vinden. Deze levenselektriciteit of dit levensmagnetisme in de kosmische structuur trekt naar alle richtingen aan, en verenigt aldus alle dingen in het uitgestrekte lichaam van de kosmos. Verder zal eens worden ontdekt dat deze kosmische magnetische levenskracht evenzeer een sterk element van afstoting bevat als een van aantrekking; en dat achter al haar uiterlijke werkingen, de onvergelijkelijk veel krachtiger beginselen van het innerlijke heelal liggen die dus overal onfeilbaar leiding geven aan zijn activiteiten.
    In zijn verhandeling Tegen Celsus verwijst Origenes naar de ladder van Jakob die van de aarde naar de hemel reikt, en waarlangs ‘engelen’ voortdurend op en neer gingen:

Celsus beweert, evenals Plato, dat het pad van de zielen van de aarde naar de hemel en van de hemel naar de aarde door de zeven planeten gaat. . . .
    Celsus zegt dat dit een heilig leerstuk is van de mithraïsten van Perzië, en in symbolische vorm in de mysteriën van de god Mithras wordt voorgesteld. In die mysteriën, zegt Celsus, hadden de mithraïsten verschillende symbolen die de zeven planeten voorstellen, zowel als de sferen van de zogenaamde vaste sterren, en ook de weg die de zielen door deze acht sferen namen. De symbolische voorstelling was deze: Zij gebruikten een ladder waarvan men zich voorstelde dat ze van de aarde tot in de hemelen reikte; deze ladder was verdeeld in zeven treden of stadia en op elk ervan was een ingangs- en uitgangspoort. En aan het bovenste eind van de ladder was een achtste poort die zonder twijfel de doorgang naar en uit de sferen van de sterren weergaf.
- Bk. VI, hfst. xxi, xxii

Het mithraïsme was een belangrijk geloof in de tijd van het vroege christendom, en was zelfs in zijn wijdste verbreiding een van de religies die het meest getrouw waren aan enkele van de vroege mysterieleringen die sinds onheuglijke tijden in het Midden en Verre Oosten in omloop waren. De Mithras-religie had in de derde eeuw zo’n ontwikkelingstrap bereikt dat ze nagenoeg de heersende staatsreligie werd van het toen uitgestrekte Romeinse Rijk. Ze had in haar leer en in bepaalde vormen werkelijk zoveel dat overeenkwam met het vroege christendom, dat dit feit door schrijvers van die tijd, zowel christelijke als heidense, werd besproken. Maar het christendom kreeg tenslotte als heersende religieuze stelsel in Europa de overhand over het mithraïsme, en de hoofdreden van het christelijke succes schijnt te zijn dat, hoewel aanvankelijk door het keizerlijke hof aan het mithraïsme de voorkeur werd gegeven, er in de formele manier waarop het zich aan het publiek presenteerde een zeer ernstige psychologische fout school. In wezen was het een mystieke religie voor mannen, zoals de moderne vrijmetselarij is; en bovendien doet elke religie van een ceremonieel of formeel type zoals het christendom altijd een groter emotioneel beroep op het volk in het algemeen.
    Het Mithras-stelsel had zeven graden van inwijding, overeenkomend met de zeven trappen van waardigheid in de Mithras-broederschap. De laagste werd corax of raaf genoemd, en gaf de graad van dienaar aan; de tweede graad van inwijding was de cryphius of de occulte en gaf een neofiet aan; de derde was miles of soldaat, wat een werker betekent; de vierde werd leo of leeuw genoemd, en bij deze graad begonnen de diepere en meer mystieke leringen; de vijfde graad werd perses, de Pers, genoemd en betekende de mens; de zesde werd heliodromus genoemd, de koerier of boodschapper van de zon; de zevende en laatste graad werd pater of vader genoemd, en betekende de toestand van een volledig ingewijde of het meesterschap.
    De verschillende leringen, openbare en geheime, die in het Mithraïsme liggen besloten, kunnen op veel plaatsen in de literatuur van de oudheid worden gevonden, hoewel het waar is dat elke Griekse of Romeinse School zijn eigen manier had om de algemene waarheden van de natuur te onderwijzen. Om een voorbeeld te geven: Macrobius, de Grieks-Romeinse schrijver, behandelt het ‘opstijgen’ en ‘afdalen’ van de monade door de sferen in zowel zijn Saturnalia als zijn Commentaar op het Visioen van Scipio. Hoewel Macrobius de waarheid zei in wat hij schreef, kon hij op grond van de eed van geheimhouding die hij bij zijn inwijding had afgelegd, niet alles zeggen wat hij had kunnen zeggen.
    Het is interessant te zien hoe goed de geheimen van de mysteriën zelfs in zo’n laat en gedegenereerd tijdperk als dat waarin Macrobius leefde werden bewaard, want hoewel niet bekend is wanneer hij zijn werken schreef, is het vrij duidelijk uit de getuigenis van zijn geschriften dat hij na het begin van de christelijke jaartelling heeft geleefd en misschien zelfs in de derde en vierde eeuw. Zo universeel werd deze geheimhouding geëerbiedigd, niet alleen individueel maar ook door de verschillende Griekse en Romeinse staten zelf, dat men zelfs nu met al de opmerkelijk verfijnde middelen voor kritisch onderzoek waarover de wetenschappers beschikken, moet vaststellen dat bijna niets van de werkelijke inhoud van de oude mysteriën bekend is, afgezien van het feit van hun bestaan en dat ze een enorme en wijd verspreide invloed hadden op het politieke en sociale leven in de oudheid, en dat van iedere neofiet vóór zijn inwijding de eed van geheimhouding werd geëist. Eeuwenlang was men erop gespitst vast te stellen wat de leringen waren die in de mysteriën werden onderwezen; maar tegenwoordig kan niemand zeggen welke deze leringen waren.
    Wat de mysteriën van de oudheid ook waren, en welke ook de daar onderwezen leringen waren, we weten dat ze alom diep werden gerespecteerd, en dat de grootste figuren die de oudheid heeft voortgebracht tot de gelederen behoorden van hen die in meerdere of mindere mate de verschillende graden van inwijding hadden doorlopen. Door de stilzwijgendheid over de leringen die in de mysteriën werden onderwezen, hebben de huidige wetenschappers deze overblijfselen van de mystieke geschriften van de oudheid consequent volkomen verkeerd geïnterpreteerd.

Laten we terugkeren tot de circulaties in de kosmos: de monade – die door de dood van de mens is bevrijd, en in de schoot waarvan de menselijke ziel al wat er edel en verheven in haarzelf was, heeft gelegd – begint aan haar verbazingwekkende postmortale avontuur. Deze reis van de monade omvat het tijdelijke verblijf of de rondgang in ieder van de zeven heilige planeten, in regelmatige volgorde, volgens tevoren bepaalde paden die nauwkeurig de wegen volgen van de kosmische krachten of energieën – de circulaties in de kosmos.
    Geen monade staat in haar postmortale omzwervingen ‘op zichzelf’, omdat iedere monade alleen die vaste kanalen van vitale onderlinge communicatie kan volgen die er tussen de hemellichamen van het zonnestelsel bestaan. Want iedere hemelbol, of het nu een zon, een planeet of een atoom betreft, heeft in zijn binnenste een layacentrum of punt van individueel onderling contact, dat het individuele pad van communicatie vormt met het aangrenzende en eropvolgende innerlijke gebied of wereld, naar boven of naar beneden.
    Door deze layacentra kan de laagste of dichtste stof van een bepaald hoger gebied of hogere wereld neerwaarts gaan naar het aangrenzende lagere gebied en zich zo op dit lagere gebied manifesteren als de meest etherische kracht of krachten ervan – en deze staat of staan gelijk met hoog etherische substantie of materie. Op dezelfde wijze kan onze meest etherische kracht of substantie door deze layacentra gaan naar het volgende en hogere gebied. Wat voor ons het meest etherische want hoogste is, komt wanneer het door zo’n layacentrum gaat in en wordt één met de meest dichte substantie van het volgende en hogere gebied. Zo wordt de doortocht van het ene gebied naar het andere of van de ene wereld naar de andere volbracht, niet alleen na de dood, maar zelfs tijdens het leven.
    Wanneer de monade de volgende planeet in de reeks bereikt, nadat ze deze zevenvoudige aardketen heeft verlaten, maakt of vormt ze een straal of uitstraling van zichzelf tijdens haar passage door zo’n planeetketen – een psychomentaal organisme of ‘ziel’ die zich tijdelijk belichaamt in een overeenkomstig geschikt lichaam aldaar, van hetzij spirituele, etherische, astrale of fysieke aard. Deze door de monade uitgezonden straal die thuishoort op de planeet waarop ze zich manifesteert, doorloopt haar verschillende cyclische perioden van leven en ervaring tot ze aan het eind komt van haar cyclische levensduur, waarop ze op haar beurt wordt teruggetrokken in de schoot van de monade, waar ze rust in haar devachan. Intussen komen de hogere beginselen die aan de fundamentele monade hangen opnieuw vrij om verder te gaan naar weer een andere planeet, waarheen ze door de psychomagnetische karmische aantrekkingen van hun eigen substantie worden overgebracht, en langs wegen die voor hen in de circulaties in de kosmos zijn vastgesteld.
    Zo zong Oliver Wendell Holmes in The Chambered Nautilus:

Bouw voor uzelf nog grootser woningen, o mijn ziel,
    Want seizoenen rollen snel voort!
    Verlaat uw laaggewelfd verleden!

Wanneer de monade aldus haar cyclische levensperiode op deze planeet heeft volbracht, gaat ze naar de volgende planeet in de reeks, waar ze de algemene loop van haar evolutionaire activiteit herhaalt; en zo werkt de monade door en op elk van de zeven heilige planeten, totdat ze tenslotte de laatste van de zeven bereikt, waarna de monade die zo haar buitencyclus heeft volbracht, na verloop van tijd naar de psychomagnetische lijn van aantrekking wordt getrokken die haar via de circulaties in de kosmos naar de planeetketen van de aarde terugdrijft.
    De hier gegeven leer heeft betrekking op wat de buitenronden worden genoemd, niet te verwarren met de binnenronden, omdat de laatstgenoemde alleen met de reizen van de monaden in de zeven (of twaalf) bollen van elke planeetketen afzonderlijk te maken hebben – bijvoorbeeld onze eigen aardketen. De moeilijkheid een schets te geven van de lering over de twee soorten ronden ligt ten eerste in het feit dat de binnen- en de buitenronden analoog aan elkaar verlopen. Een andere moeilijkheid is dat de postmortale tocht van de monade van de mens noodzakelijk langs dezelfde lijnen of omzwervingen gaat die de monade gedurende de loop van de buitenronden volgt, maar ze doet dit in onvergelijkelijk veel kortere tijd, en stopt alleen maar tijdelijk in de verschillende planetaire ‘stations’.
    De term ‘buitenronden’ kan daarom op twee dingen slaan: ten eerste op de grote buitenronde, die de hele periode van een zonnemanvantara omvat, gedurende welke de spirituele monade in elke planeetketen verblijf houdt; en ten tweede op het feit dat haar postmortale reis haar ook naar ieder van de zeven planeetketens brengt, maar in dit laatste geval duurt haar oponthoud in elke individuele keten maar betrekkelijk korte tijd, en het uitzenden van haar verschillende stralen die tot ieder van de respectieve planeten behoren is eveneens slechts tijdelijk. We kunnen dit de lagere of kleine buitenronde noemen. Met andere woorden, de buitenronden hebben te maken met de tocht van de spirituele monade van de ene planeet keten naar de andere, en dit zeven keer, en in het zonnestelsel zijn deze zeven planeetketens de zeven heilige planeten van de Ouden; de binnenronden hebben betrekking op het verblijf van een monade in één van deze planeetketens en tijdens dit planetaire ketenmanvantara maakt de monade haar eonenlange reis door de zeven (of twaalf) bollen van die planeetketen.
    Het doel van de postmortale tocht van de monade door de verschillende planeetketens is dat ze zich op elk van die planeetketens kan bevrijden van het bekleedsel of voertuig dat bij de levensessentie van zo’n planeetketen hoort. Alleen zo kan de monade zich ontdoen van het ene na het andere omhulsel waarin ze zich heeft gewikkeld tijdens haar lange evolutiereis; en wanneer ze zich aldus van alle zeven ‘omhulsels’ heeft bevrijd, is ze – omdat ze vrij is en in haar zuivere en ‘niet omhulde’ staat – gereed om haar eigen geestelijke thuis, waaruit ze is voortgekomen, binnen te gaan. Wanneer de terugreis naar de planeetketen van de aarde begint, gaat de monade door al diezelfde zeven planeten heen, maar in een volgorde omgekeerd aan die waardoor ze door deze was opgeklommen; en in elke planeet die ze bezoekt, pakt ze de levensatomen die de omhulsels vormen weer op die ze eerder in ieder van de zeven planeten respectievelijk had afgelegd of afgeworpen, en bekleedt zich opnieuw daarmee. Zo ontdoet ze zich op haar reis naar boven, naar spirituele vrijheid, van haar bekleed selen; en op haar reis terug naar de lagere sferen van manifestatie kleedt ze zich opnieuw in haar oude levensatomen, en is dan gereed en in staat de karmische gevolgen uit te werken die tot later waren uitgesteld toen de dood de mens in zijn vorige leven op aarde overviel.
    De monade ontwikkelt daar dan een reeks tijdelijke belichamingen van het bijbehorende spirituele ego op elk zo’n planeetketen. Deze procedure heeft plaats op elk van de zeven heilige planeten, totdat de omcirkelende kleinere buitenronde door de monade haar terugbrengt naar onze planeetketen aarde waar ze voortgaat om op onze planeetketen te doen wat ze op de andere planeetketens heeft gedaan. Maar omdat de monade van een mens op dit moment is ‘vastgehecht’ aan de planeetketen aarde, is haar verblijf in deze keten onmetelijk langer dan haar tijdelijke oponthoud op de zeven heilige planeten tijdens haar postmortale pelgrimstocht. Het zich wederbelichamende ego dat zich heeft ontwikkeld in deze planeetketen aarde is het ego of de ziel die bij deze keten hoort, omdat het het geschikte en passende voertuig is door middel waarvan de spirituele monade zich op de bollen van onze planeetketen tot uitdrukking kan brengen.
    De spirituele monade, het brandpunt van de goddelijke monade, haalt op elk van de zeven heilige planeten een nieuwe oogst aan zielenervaringen binnen, en elk zo’n oogst is het geheel van ervaringen tijdens de belichaming dat door de spirituele monade is verkregen – de ervaringen die in hun essentiële kenmerken van substantie en energie tot elke respectieve planeet behoren. Hoe zou de spirituele monade anders enige oogst kunnen binnenhalen als er geen schakels waren tussen haar en de verschillende planeetketens? Het zich wederbelichamende ego dat door de monade op elk van die planeetketens is ontwikkeld, is één van deze tussenschakels. De monade evolueert dus op haar eigen evolutiepad door de sferen, en draagt haar last van individueel bewustzijn met zich mee – en elke straal of individu houdt de verschillende gevolgen vast van elke incarnatie op aarde of van belichamingen op andere planeten.
    De reizen van de spirituele monade door de sferen hebben verschillende oorzaken, een van de belangrijkste ervan is dat ‘soort zoekt soort’. De monade stijgt dus op door de sferen omdat met elke stap opwaarts de aantrekking tot nog hogere en nog spiritueler sferen steeds sterker wordt. Wanneer ze de hoogste sfeer bereikt waar haar eigen innerlijke impulsen en aspiraties haar naartoe drijven – deze aspiraties zijn juist de resultaten van de opgehoopte spirituele en intellectuele gedachten en gevoelens van de menselijke entiteit tijdens de incarnatie – blijft de monade daar een poos voordat ze een begin maakt met haar wederafdaling door dezelfde sferen die ze tevoren was doorgereisd. Met andere woorden, er is geen kracht van buitenaf die de evoluerende monade ertoe aanzet of dwingt om deze evolutieweg te gaan, anders dan haar ingeboren aantrekkingen tot deze of tot een andere hogere wereld of gebied, die na de dood actief worden, en door het weefsel van de eigen essentie van de monade tijdens het verblijf van de mens op aarde worden opgewekt.
    Verder keert de monade op haar schreden terug omdat de aantrekkingen en noodzakelijke innerlijke aspiraties nu hun energieën hebben uitgeput; en de latente zaden van het spirituele denken en voelen die in vorige levens op aarde in de monade waren opgeslagen, beginnen nu, omdat ze in de materiële sfeer zijn ontstaan, de monade naar beneden te trekken totdat het zich wederbelichamende ego, de straal van de monade, in zijn drang naar de aarde te gaan gelegenheid vindt om zijn eigen incarnerende straal in de karmisch geschikte menselijke zaadkiem te projecteren die zal groeien om het lichaam te worden van de pasgeboren baby.
    Ieder kosmisch gebied of iedere kosmische sfeer of planeet verschaft zijn eigen passende lichamen waarin de menigten monaden die rondzwerven langs de circulaties in de kosmos zich tot uitdrukking kunnen brengen, en daarom kan geen enkel van die lichamen het gebied of de sfeer waartoe het behoort verlaten. Dus, zoals de dood het afwerpen van lichamen betekent, zo is de geboorte het weer aannemen van dergelijke voertuigen. Al dergelijke voertuigen worden uit levensatomen opgebouwd, de meeste ervan zijn voor elk individu zijn eigen psychospirituele kroost, omdat de monade zich op die manier in haar eigen levende uitstromingen wikkelt, die haar omhulsels of overbrengers vormen om zich tot uitdrukking te brengen. Hieruit volgt dat al deze menigten levensatomen op de verschillende gebieden van de menselijke constitutie karmisch en voor altijd nauw zijn verbonden met de spirituele monade, hun oorspronkelijke ouder; en wanneer de monade aan het eind van haar lange postmortale tocht naar de aarde terugkeert, trekt ze dezelfde levensatomen weer tot zich die ze vroeger had afgeworpen, en vormt dus met hun hulp voor zichzelf nieuwe voertuigen of lichamen. Men zou dus bijna kunnen zeggen dat het zich wederbelichamende ego werkelijk ‘weder opstaat’ of weer leeft in de oude lichamen, intellectueel, psychisch, astraal en fysiek, die het in zijn laatste leven op aarde als een volledig belichaamde mens heeft gehad. Dit veelzeggende feit is de esoterische verklaring van de leer van de christelijke kerk over de ‘wederopstanding van het vlees’.
    Op haar ronde door de sferen tijdens haar interplanetaire pelgrimstocht bereikt de monade tenslotte de spiritueel-magnetische ‘atmosfeer’ van de planeetketen aarde. Op dit tijdstip en punt in de ruimte begint het vroegere zich wederbelichamende ego – dat tot dan toe tijdens zijn lange devachan in de schoot van de spirituele monade sliep – te voelen dat oude herinneringen, vroegere aantrekkingen en instincten weer gaan toevloeien; en, onbewust door deze aangedreven, probeert het de psychomagnetische contacten te vernieuwen met zijn vroegere sferen, de bollen van onze planeetketen aarde. Vage herinneringen van de vroegere taferelen op aarde beginnen als een panorama door het gebied van zijn bewustzijn te trekken; en terwijl de tijd verstrijkt worden deze impulsen steeds sterker, naarmate de monade afdaalt, totdat het zich wederbelichamende ego tenslotte naar onze aardbol wordt aangetrokken, en gereed is voor zijn wedergeboorte.
    Het is duidelijk dat de oorzaak van de reïncarnatie op aarde ‘dorst’ is naar het materiële bestaan, een aangeleerde gewoonte – in India trishñâ genoemd, een Sanskrietwoord dat een ‘vurig verlangen naar’ betekent. Deze ‘dorst’ is een samengestelde instinctieve gewoonte, bestaande uit gevoelens van liefde en haat, en uit magnetische aantrekkingen tot de menigten levensatomen die de constitutie van de mens samenstellen, zowel zichtbaar als onzichtbaar, en uit allerlei soorten verlangens; al deze verzamelen zich gedurende de verschillende levensperioden op aarde in de menselijke ziel en zijn denken, en kunnen kortweg de ‘gedachtebezinksels’ worden genoemd. Dit zijn emotionele, mentale en psychische neigingen die alle aan de bestemming van de reïncarnerende entiteit energie zullen geven totdat de evolutie het bewustzijn van de mens tenslotte als een individueel wezen naar hogere gebieden of sferen brengt.
    De ‘afdaling’ van het zich wederbelichamende ego tot incarnatie heeft plaats door de verschillende gebieden van de planeetketen aarde, waarbij ieder volgend gebied materiëler is; en dus is er een natuurlijke ‘afdaling’ van het zich wederbelichamende ego door de bollen van de neergaande boog van deze planeetketen; en in ieder van die bollen is er een tijdelijk verblijf dat ten doel heeft de geschikte levensatomen weer te verzamelen die vroeger door de monade waren afgeworpen tijdens haar weg omhoog, en deze levensatomen hebben op hun beurt eeuwenlang rondgezworven. Geen stap op de reis kan worden overgeslagen – ze moet door ieder tussengebied of wereld gaan om de kloof tussen de innerlijke werelden en onze fysieke aarde te overbruggen. Men wordt herinnerd aan het oude Latijnse spreekwoord: Natura non facit saltum, ‘De natuur maakt geen sprongen’.
    De levensatomen die het zich wederbelichamende ego in dit stadium van zijn neerdaling naar de aarde weer in zijn constitutie opneemt, wachten feitelijk op bollen A, B, en C omdat ze tot de drie gebieden behoren die door het ego op zijn weg omhoog eerder werden doorlopen, en de gebieden zijn waar het ego ze had afgeworpen. Op deze manier bouwt het zich wederbelichamende ego voor zichzelf opnieuw een constitutie van zeven beginselen; deze beginselen zijn echter identiek aan de constitutie van de mens in het voorafgaande leven op aarde, op grond van de weer bijeengebrachte levensatomen die het zo weer in zich heeft opgenomen. Door dit opnieuw in zijn eigen gestel opnemen van de levensatomen die in het vorige leven op aarde werden gebruikt, wordt het reïncarnerende ego in alle opzichten praktisch dezelfde mens als tevoren, maar verbeterd door de lessen die zijn geleerd op de onzichtbare en meer spirituele bollen van onze planeetketen aarde; en, tenslotte maar niet het minst door de absorptie van de ervaringen van het voorafgaande leven op aarde, en deze spirituele assimilatie of verwerking vond plaats terwijl het ego in devachan droomde in de schoot van de monade.
    Zoals Plotinus schreef:

Elke ‘ziel’, ieder in overeenstemming met haar eigen karakter, volgt een onontkoombare en overheersende wet die drijft tot dat waartoe haar neigingen (of karakter) haar aanzetten, en dit is het type (of beeld) van haar constitutie en voorkeur. Geen kracht of god van buitenaf veroordeelt haar tot de passende belichaming. Iedere ‘ziel’ heeft haar eigen vastgestelde uur, en wanneer dit uur aanbreekt, valt ze en treedt in het lichaam dat aldus geschikt voor haar is, gehoorzamend aan de instinctieve drang. Zo vinden de gelijken elkaar. De een daalt nu af, maar de ander later.
- Enneaden, ‘Over de ziel’, IV, iii, 13

Welke conclusies moeten we trekken uit de leringen die tot nu toe zijn gegeven? Ten eerste dat zij die achterblijven geen verdriet hoeven te hebben over wat er met hun dierbaren na de dood gebeurt. Voor alles wordt heel mooi gezorgd door de grote moeder, de natuur. Wanneer de dood komt, betekent dat een verlossing, een veel ruimer leven, een onuitsprekelijk verbazingwekkend avontuur. Het betekent het gaan langs de circulaties in de kosmos naar andere woningen in het heelal – langs die wegen die vanaf het begin van het manvantara zijn gevolgd door de monaden uit alle vorige manvantarische tijd, gedurende het verloop van hun schitterende pelgrimstochten.
    De tweede conclusie is dat er niet voor ieder mens die op aarde wordt geboren een nieuwe ziel wordt ‘geschapen’, maar dat iedere menselijke ziel eenvoudig een reïncarnatie is van een menselijk ego dat sinds eeuwen en eeuwen geleden zich heeft geïncarneerd. Wij zijn inderdaad de Ouden. Het oude theologische idee dat ‘God almachtig’ een menselijke ziel schiep voor iedere nieuwe baby impliceert een goddelijke verantwoordelijkheid; christelijke theologen beginnen nu in te zien dat dit een vergissing is. Verder is de menselijke familie als een monadische groep een kleinere hiërarchie of menigte van zielen, waarvan maar ongeveer een honderdste deel wordt vertegenwoordigd door de mensen die op een bepaald moment op aarde leven. Miljoenen en miljoenen doorlopen de ronden van de innerlijke werelden.
    Een derde conclusie is dat het hele werk van de evolutie erop is gericht het zelfbewuste deel van ons steeds meer volledig zelfbewust te doen worden van de hogere delen van onze constitutie. De mens is in zijn diepste essentie een goddelijke monade, onvoorwaardelijk onsterfelijk, en heeft een werking en een actief zelfbewustzijn met een kosmisch bereik. Als een zevenvoudige entiteit omvat zijn constitutie zowel wilskracht als intelligentie, waarmee hij voor zichzelf een verheven bestemming kan scheppen – en als hij dat wil een zelfbewuste god kan worden. Hij is bestemd om in ver in de toekomst liggende eonen zijn zelfbewustzijn te verbinden met zijn ‘overschaduwende’ spirituele monade; en de bestemming van de monade is om in een ontzaglijk verre toekomst één te worden met haar ouder, de godde lijke monade, dat wil zeggen, haar zelfbewustzijn te verbinden met deze goddelijke monadische vlam; en vanaf die tijd zelfbewust als een hogere god deel te hebben aan het grote Kosmische werk van het galactische heelal.


De Esoterische Traditie, blz. 479-503

©2001 Theosophical University Press Agency, Den Haag