|
19
Grote wijzen en de kosmische hiërarchie
Er is waarschijnlijk geen enkele lering van de esoterische
traditie die zo direct aanspreekt als het idee dat er nu in de wereld
grote wijzen of zieners bestaan. In het denken van de meeste mensen
is er een intuïtie dat er in de wereld mensen moeten zijn met een veel
verhevener geestelijk vermogen en veel verder ontwikkelde intellectuele
kracht dan gewone mensen. Zij die hierover voor het eerst horen, denken
onmiddellijk aan die schitterende figuren zoals Gautama de Boeddha,
Jezus de Syrische avatâra, Apollonius van Tiana, Lao-Tse, Krishña, Sankarâchârya,
enz., en bij velen is de eerste reactie: Als zulke grote figuren eerder
in de wereld hebben bestaan, waarom zouden ze dan niet opnieuw bestaan?
Wie zijn deze lichtende
figuren die, hoewel in het ene of andere ras geboren, feitelijk niet tot een bepaalde
menselijke groep behoren maar de kinderen van de mensheid zijn? Ze zijn in vroegere
tijden de gidsen en beschermers van de mensheid geweest en zijn nu de bijna onbekende
leiders en inspirators van de mensheid; en zij hebben al de grote wereldreligies,
filosofieën en wetenschappen gesticht. En zoals in vroegere eeuwen, vormen ze
een broederschap waarvan de gelederen van tijd tot tijd door hun edelste discipelen
of chela’s worden versterkt, wanneer deze door training en innerlijke groei geschikt
worden om zich bij de broederschap aan te sluiten. In de
theosofie worden deze grote figuren nu de oudere broeders genoemd, de meesters,
en misschien wel het meest aangeduid met het Sanskrietwoord mahâtma’s, dat ‘grote
zelven’ betekent, wat hen, althans filosofisch gezien, adequaat beschrijft.
Het geeft een enorme bemoediging en ook een spirituele en intellectuele stimulans
te weten dat de mensheid niet aan zijn lot wordt overgelaten om blindelings rond
te dolen langs de paden van het leven, zonder leiding en onderricht. Omdat het
universum bestaat uit hiërarchieën van belichaamd bewustzijn, van het goddelijke
omlaag naar het fysieke, moet men deze grote wijzen eenvoudig zien als de onvermijdelijke
vertegenwoordigers van de werkingen van de universele logoïsche wijsheid die overal
en in alles doordringt. Verder is het feit dat deze mahâtma’s mensen zijn, die
hun hoog spirituele en intellectuele status hebben bereikt door innerlijke groei,
een eeuwige bron van inspiratie voor gewone mensen, want we zien dadelijk dat
ieder mens die de Weg volgt precies dezelfde kansen heeft om te bereiken wat zij
hebben bereikt. Door deze verbazingwekkende weg trouw te volgen, niet ontmoedigd
door de vele fouten die onvermijdelijk zijn, en met een ontembare moed die door
niets kan worden afgeschrikt, worden mensen na verloop van tijd grote zieners
of mahâtma’s. Zijn ze dan goden? Kosmische geesten? Nee. Ze zijn mensen
die ‘één’ zijn geworden met hun eigen geestelijke natuur.
Deze wijzen worden soms de beschermmuur genoemd, want zij vormen in feite een
levende, geestelijke en intellectuele ‘muur’ om de mensheid te beschermen tegen
alle mogelijke onheilen die de mens zelf door onwetendheid en domheid niet kan
afwenden of tenietdoen. Toch is die bescherming altijd strikt in overeenstemming
met het heersende karma van de mensheid, waar zelfs de grote wijzen evenmin iets
tegen kunnen doen als tegen elke andere natuurwet. Ze zijn de volkomen loyale
dienaren van de universele moeder in haar spirituele, oorzakelijke functies. Ze
helpen de mensen, ze inspireren en beschermen hen wanneer ze maar kunnen, en op
zo’n manier als hun diepgaande kennis van de karmische keten van oorzaak en gevolg
waarin de mensheid verstrikt is geraakt het hun toestaat. Zodoende dienen ze de
mensheid waarboven ze als oudere broeders en gidsen staan.
‘Diamanten hart’ is een technische term uit de oude mysteriën die vaak wordt gebruikt
als men over deze mahâtma’s spreekt; en deze heeft zijn bijzondere en symbolische
betekenis, daar hij hun kristalheldere bewustzijn uitdrukt, dat alles in de wereld
weerkaatst: het weerkaatst de ellende in de wereld, het neemt de menselijke roep
om hulp in zich op en geeft die weer; het weerspiegelt even helder de opkomende
buddhische luister in het hart van elke worstelende mensenziel op aarde; maar
is toch even hard als diamant voor alle roepstemmen van de persoonlijkheid, en
in de eerste plaats van de eigen persoonlijke natuur van de mahâtma want
juist omdat zij mensen zijn hebben ze hun persoonlijke natuur, hoewel die bij
hen een gewillig en gehoorzaam werktuig is, en niet zoals bij de meeste mensen
de overheersende en wrede meester. Ze zijn broeders, mensen
met een groot hart, en voelen dus min of meer zoals mensen voelen, met een diep
begrip voor wat menselijke tekortkomingen zijn, en hebben daarom een menselijk
hart dat door mededogen wordt bewogen. Zij weten ook dat, als daartoe aanleiding
is, het nodig is krachtig op te treden en richting te geven; ze kennen de waarde
van een vriendelijke waarschuwing, misschien gegeven in woorden die streng schijnen
voor het zelfzuchtige persoonlijke hart van degene die de mahâtma probeert te
helpen.
De meesters bestaan in verschillende graden van hun
vorderingen en macht op de hiërarchische schaal, en staan toch als groep
of broederschap op de laagste trap van de verheven spirituele hiërarchie
van intelligenties die begint bij de mens bij de mahâtma’s
en eindigt bij de zonnegoden. In feite is deze hiërarchie even uitgebreid
als het melkwegstelsel, en strekt zich zelfs daarachter eeuwig uit.
. . . . . . . . .
In China was het eens de gewoonte de menselijke menigte in drie klassen te verdelen:
lagere mensen, gewone mensen en hogere mensen. De hogere mensen zijn de wereldleraren,
die zo verheven waren dat vele soorten legenden zich om hun levens hebben geweven,
die soms vermeldden dat hemelse geesten of engelen of lagere goden (de legenden
verschillen al naar het volk waarin deze Groten verschenen) hun ontvangenis of
hun geboorte op aarde vol verwondering aankondigden; of dat zwanen een lieflijke
melodie zongen, en de komst van een goddelijk wezen aankondigden; soms werd gezegd
dat heel de natuur bij hun komst van vreugde trilde, terwijl de grote moeder van
de mensen zelf, de machtige aarde, in de hevigheid van haar gevoel door middel
van aardbevingen in beweging kwam. Men zegt dat ze tijdens hun leven soms werden
verleid door boze machten en dat ze aan deze verleidingen weerstand hebben geboden;
maar in alle gevallen brachten ze hun leven op aarde door met werken van weldadigheid,
en verkondigden aan hun medemensen een verheven leer, en vóór hun heengaan naar
innerlijke werelden trainden ze discipelen om hen op te volgen in het verspreiden
van de vreugdevolle boodschappen die opnieuw aan de wereld waren gegeven.
Ook vertellen legenden ons soms hoe zij ‘doden opwekten’, misdadigers tot inzicht
brachten, zieken genazen, vertroosting gaven aan mensen in nood of die overmand
waren door verdriet, en de wreker en de wreedaard van hun actie deden afzien;
en tenslotte hoe ze op verschillende ‘miraculeuze’ wijzen uit dit leven heengingen,
in sommige gevallen werd zelfs de zon van haar licht beroofd, zodat duisternis
op aarde neerdaalde, of er was een hevige aardbeving. Hoe
interessant deze legenden misschien ook zijn, zulke ideeën zijn meestal nadelig,
omdat ze het denken afleiden van de essentiële leringen van deze grote figuren.
Toch is het niet anders dan rechtvaardig in het voorbijgaan op te merken dat er
waarschijnlijk aan de meeste zo niet al deze legendarische verhalen een of ander
verkeerd begrepen en daarom verdraaid natuurfeit ten grondslag ligt, een verkeerd
begrepen of halfvergeten traditionele herinnering aan gebeurtenissen die door
latere denkers scheef werden voorgesteld zonder nauwkeurige gelijkenis met de
werkelijkheid. Maar afgezien hiervan hebben deze legenden werkelijk waarde, als
we rekening houden met de enorme indruk die door deze grote figuren op het denken
van opeenvolgende generaties is gemaakt, en die ligt in het getuigenis dat de
legenden afleggen van hun verheven geestelijke status.
Er wordt hier niet gepleit voor het werkelijke bestaan
van ‘wonderen’, en evenmin beweerd dat de verschillende legendarische
mythen die rond de levens van deze grote wijzen zijn ontstaan als historische
gebeurtenissen moeten worden opgevat. Er zijn geen ‘wonderen’, noch
zijn die er ooit geweest, als men met dit woord het tot stand brengen
van verwonderlijke dingen bedoelt die tegen de wetten van de natuur
ingaan, of door middel van het tijdelijke opheffen van een van de wetten
van het heelal. Aan de andere kant zijn er zeer zeker een groot aantal
mysteries en nog volkomen onbekende natuurkrachten: krachten en mysteries
die niettemin in vroegere eeuwen aan de broederschap bekend waren, en
die tegenwoordig eveneens relatief volledig bekend zijn aan de mahâtmas
en meesters.
De geest van de mens kan wonderen verrichten op het gebied van de fysieke stof,
omdat hij identiek en daarom één is met het spirituele heelal; en hierdoor kan
de verlichte en geoefende wil van de mens zowel innerlijk als uiterlijk op de
natuur inwerken en haar in gekozen richtingen tot activiteit aansporen. Ook de
gewone mens verricht wonderen, en doet dat dagelijks. Vestig zijn aandacht op
enkele dingen die om hem heen gebeuren. Ga naar de muur van uw kamer en druk op
een knop. En dadelijk is het appartement helder verlicht! Spreek in de microfoon
en uw stem wordt ogenblikkelijk op een afstand van duizenden kilometers gehoord.
Maar hier is helemaal geen sprake van een wonder. Dit alles is een intelligent
gebruik van de krachten en substanties van het heelal door mensen die hebben ontdekt
hoe ze dit moeten doen; en op een veel ruimer en verhevener gebied is dit precies
wat Jezus de Christus deed, wat Gautama de Boeddha en vele anderen deden, aan
wie wonderen worden toegeschreven.
Neem het geval van Apollonius van Tiana, die volgens
getuigenis van velen in zijn tijd eveneens wonderen verrichtte; kennelijk
wekte hij doden op, verscheen hij aan het hof van de keizer in Rome,
en op dezelfde middag verscheen hij in Puteoli, in Italië, drie dagen
reizen van Rome. Dit laatste ‘wonder’ was eenvoudig de projectie in
lichamelijke vorm van een mâyâvirûpa, een gedachtevorm die tijdelijk
door de adept wordt geschapen. Volgens het leven van Apollonius van
Tiana, zoals dat op grond van authentieke documenten en overlevering
door Flavius Philostratus in de derde eeuw n.Chr. is beschreven, werd
Apollonius geboren in het jaar 4 v.Chr., en was dus een tijdgenoot van
Jezus, als we de christelijke chronologie accepteren. Er zijn in Philostratus’
Leven van Apollonius veel dingen die een bijzondere en merkwaardige
overeenkomst vertonen met soortgelijke voorvallen die over Jezus worden
verteld.
In alle delen van de wereld zijn er algemeen voorkomende
verhalen geweest waarin werd gezegd dat de wijze zijn leven veel langer
kan laten duren dan dat van de gemiddelde mens. Maar dit is geen ‘wonder’.
Het is eenvoudig de praktische toepassing van een ruimere kennis van
de feiten van de natuur die, samen met wijsheid die in het leven wordt
toegepast, de wijze in staat stelt de duur van zijn leven te verlengen
en dat naar vrije keuze; maar men kan zich afvragen of het de meeste
van deze grote figuren ooit wat kon schelen om gedurende een ongewoon
lange periode in hetzelfde lichaam te leven. Als we bedenken dat zij,
wanneer ze dat willen, ook een nieuw en jong menselijk voertuig kunnen
binnengaan als hun dat geschikt lijkt en dat het werk waarmee ze bezig
zijn zal bevorderen, dan schijnt er weinig reden te zijn waarom ze de
voorkeur eraan zouden geven om in één bepaald fysiek lichaam te blijven,
dat door de jaren belast is geworden.
Er komt in de evolutie van een hogere mens inderdaad een tijd waarin hij zo’n
punt van spirituele kracht en actieve wilskracht heeft bereikt, dat hij tot op
zekere hoogte de natuurkrachten kan beheersen, zodat hij binnen bepaalde grenzen
de tijd van de fysieke ontbinding kan uitstellen, waardoor hij driemaal zo lang
in één lichaam kan blijven als de gewone mens. Het doet
er voor een mahâtma of wijze weinig toe wat de leeftijd van zijn lichaam is, want
door de volledige uitoefening van zijn krachten werkt hij feitelijk in het zelfbewuste
brandpunt van zijn bewustzijnsstroom door middel van een mâyâvi-lichaam, dat ogenblikkelijk
en altijd reageert op de opdrachten van zijn geest. Met de term ‘mâyâvi-lichaam’
of ‘illusielichaam’, wordt beslist niet bedoeld dat het lichaam niet bestaat;
het bestaat wèl. Er wordt hier, technisch gesproken, niet naar het mâyâvirûpa
verwezen maar naar het feit dat het fysieke lichaam volkomen ondergeschikt is
aan de zelfbewuste kern van de innerlijke constitutie, zodat het fysieke lichaam
zelf, terwijl het geheel het uiterlijk en de eigenschappen van het gewone fysieke
lichaam heeft, toch een fysiek lichaam van ongewone soort is, op grond van de
ongewone spirituele en psychische stromen die het doordringen en dus inwerken
op de atomen waaruit het is samen gesteld. Hierdoor wijkt zelfs het fysieke lichaam
van een mahâtma toch iets af van een gewoon lichaam, en dus is het niet wat het
‘schijnt’ te zijn, en daarom wordt het in zekere zin een ‘mâyâvi-’ of illusielichaam
genoemd. De zaak is niet gemakkelijk te beschrijven.
Verder, terwijl het lichaam van zo’n groot mens een
lichaam van vlees is, kan toch elk normaal fysiek lichaam alleen blijven
leven zolang zijn eigen bron van inherente prâña of levenskracht niet
is uitgeput. De meesters echter kunnen door occulte methoden ‘hetzelfde’
lichaam meer dan honderd jaar houden, of mogelijk zelfs driehonderd
jaar. Maar dit vermogen om een fysiek lichaam langer goed gezond en
in leven te houden dan wat zijn normale levensduur zou zijn, is relatief
gezien een kleinigheid, en het is heel waarschijnlijk dat heel weinigen
van hen zich daarom bekommeren. Een van de redenen is dat ze niet ervan
houden om de psychovitale kracht die uit de innerlijke natuur vloeit
te verbruiken om een heel oud lichaam in goede conditie te houden. Ze
hebben een veel grotere en hogere macht om naar goeddunken een versleten
lichaam te verlaten en een ander fysiek voertuig binnen te gaan, nieuw
en krachtig uit handen van de natuur, wat onvergelijkelijk veel minder
verbruik van psychospirituele energie vereist om het gezond en fit te
houden; en door zo het ene na het andere lichaam aan te nemen, zetten
ze bijna zonder onderbreking van hun individuele bewustzijn het verheven
werk voort waaraan ze hun levens volledig hebben gewijd.
Het naar vrije keuze van de adept aannemen van het
ene fysieke lichaam na het andere verwijst natuurlijk alleen naar die
gevallen waarin de mahâtma’s deze methode van voortgezet individueel
bestaan op het gebied van de aarde verkiezen. Er is een andere en veel
verhevener methode om hun individuele bestaan voort te zetten, en dit
is door als nirmâñakâya’s in de astrale gebieden van de aarde te blijven.
Een nirmâñakâya is iemand die een volledige mens is die alle delen van
zijn constitutie verenigd en in actieve vorm heeft behalve het fysieke
lichaam met zijn levenskracht en het lingasarîra. Als nirmâñakâya kan
de adept eeuw na eeuw in de volheid van al zijn krachten leven en, als
hij dat wenst, in nauwe relatie met alle aardse zaken. Hij en degenen
die met hem in dezelfde bestaanstoestand verkeren, houden zich als onzichtbare
en toch voortdurend actieve spirituele en intellectuele ‘krachten’ bezig
met wat er in de wereld gebeurt, waarbij ze voortdurend individuen stimuleren
die gereed of voorbereid zijn om die spirituele en intellectuele aanmoediging
te ontvangen. Ze zijn daarom in de nirmâñakâya-toestand leden van de
beschermmuur die de mensheid van eeuw tot eeuw omringt, en haar beschermt
tegen kosmische gevaren waarvan de gewone mens niets weet, en van het
bestaan waarvan hij zich niet bewust is, maar die inderdaad heel reëel
zijn. Ze werken ook als beschermers en inspirators van iedere edele
zaak of beweging waarvan het werk naar hun oordeel ten goede zal komen
aan het welzijn van allen.
. . . . . . . . .
Augustinus, de christelijke kerkvader, beschrijft
een wonder als iets dat ingaat tegen de natuur zoals die ons bekend
is; maar Thomas van Aquino, een van de grote theologen van de Latijnse
Kerk, bereikt de uiterste grens van orthodoxe christelijke verklaringen
als hij zegt dat wonderen gebeurtenissen zijn ‘buiten de natuur’; en
‘boven en tegen de natuur’. Deze laatste ideeën heersten sinds de tweede
of derde eeuw bijna algemeen in het christendom, en waren ‘orthodoxe’
overtuigingen van de knapste christelijke geestelijken, en ook van de
leken. Maar de ideeën van de christelijke theologen die nog min of meer
vasthouden aan de theorie van het verrichten van wonderen, zijn de laatste
tijd min of meer teruggekeerd tot de inzichten waaraan vroegere christelijke
schrijvers over deze kwesties, die geloofden zoals Augustinus, vasthielden.
Wetenschappers en filosofen van deze tijd verwerpen
de mogelijkheid van ‘wonderen’; en houden vast aan de overtuiging dat
de natuur een uitgestrekt terrein is van tot nu toe onverklaarde, want
onbekende, krachten. Af en toe hadden de wetenschappers en filosofen
van meer dan een eeuw geleden inzichten die in zekere opzichten
dit standpunt benaderden. We noemen de bioloog Bonnet, de fysioloog
en botanist Haller, de wiskundige Euler, alle met de Zwitserse nationaliteit,
en de Duitse theoloog prof. Schmid. Mensen zoals zij veronderstelden
dat ‘wonderen in de natuur zelf reeds bestonden of er waren ingeplant.
Deze kiemen van wonderen bestaan altijd naast andere kiemen van werkingen
van de natuur in een soort omhulsel, zoals geheime veren in een mechaniek,
en komen te voorschijn wanneer de omstandigheden daarvoor geschikt zijn.’
Deze vreemde manier van uitdrukken laat zien hoezeer deze denkers nog
onder de invloed stonden van het christelijke theologische denken, maar
afgezien daarvan is men zich ervan bewust dat er een beetje waarheid
ligt in het weergegeven idee: dat ‘wonderen’ alleen de uitdrukking zijn
van onbekende krachten of mogelijkheden in de natuur zelf. Dit idee
nadert dicht tot de inzichten van mystici zoals Jérôme
Cardan en Paracelsus, die een onzichtbare wereld, of een reeks ervan,
onderwezen die binnen de buitenste sfeer bestaan: ‘Naast of liever achter
de zichtbare wereld is een onzichtbare wereld, die op bepaalde plekken
in de onze doorbreekt’ (Dorner, System of Christian Doctrine)
wanneer de omstandigheden ervoor geschikt zijn dat die gebeurtenissen
plaatsvinden.
Een andere vroeg-christelijke
kerkvader, Chrysostomus, onderwees dat ‘wonderen alleen geschikt zijn voor grove,
luie geesten; mensen met gezond verstand hebben er geen behoefte aan; en vaak
brengen ze ongewenste vermoedens met zich mee’. Tenslotte
kan men een interessante veroordeling van het hele gedoe met wonderen vinden in
de joodse literatuur in de Talmoed (Bâbâ-Mezîahh): Op die
dag beantwoordde rabbi Eli‘ezer ben Orcanaz al de vele vragen die hem waren gesteld,
maar omdat men oordeelde dat zijn argumenten minder sterk waren dan zijn uitspraken,
weigerden de schriftgeleerden die aanwezig waren zijn antwoorden te aanvaarden
en verwierpen ze zijn conclusies. R. Eli’ezer zei toen tot hen: ‘Mijn leer is
juist, en deze johannesbroodboom hier zal bewijzen hoe juist mijn conclusies zijn.’
Gehoorzamend aan het bevel van R. Eli’ezer verhief zich de johannesbroodboom uit
de grond en verplantte zich naar honderd el verderop. Maar de rabbi’s schudden
hun hoofd en zeiden: ‘De johannesbroodboom bewijst volstrekt niets’. ‘Wat!’ zei
R. Eli’ezer ‘u verzet zich tegen zo overtuigend bewijs van mijn kracht? Laat dan
deze beek terugvloeien en daardoor van de waarheid van mijn leer getuigen.’ Onmiddellijk
vloeide de beek gehoorzamend aan R. Eli’ezers bevel terug naar haar bron. Maar
weer schudden de rabbi’s hun hoofd en zeiden: ‘De beek bewijst volstrekt niets’.
‘Wat’, zei R. Eli’ezer, ‘u begrijpt de kracht niet die ik gebruik, en toch gelooft
u niet in de leer die ik onderwijs!’ Weer schudden de rabbi’s hun hoofd en merkten
op: ‘De rabbi’s moeten begrijpen vóór zij geloven’. Daarop zei R. Eli’ezer: ‘Zult
u geloven wat ik zeg, als de muren van dit huis van studie op mijn bevel neervallen?’
Toen begonnen de muren van het gebouw, hem gehoorzamend, te vallen, waarop rabbi
Joshua’ uitriep: ‘Met welk recht verstoren deze muren onze bespreking?’ De muren
hielden op te vallen, ter ere van rabbi Joshua’, maar kwamen ter ere van Rabbi
Eli’ezer niet terug in hun rechtopstaande positie. De Talmoed
merkt sarcastisch op dat ze nog steeds overhellen.
Toen riep R. Eli’ezer in toorn ontstoken uit: ‘Laat nu om
u te beschamen, daar u mij dwingt dit te doen, een stem uit de hemel
gehoord worden!’ Ogenblikkelijk werd de Bath-Qôl, de stem uit de hemel
gehoord, die van hoog in de lucht zei: ‘Al bent u met velen, wat bent
u vergeleken met R. Eli’ezer? Wat zijn al uw meningen tezamen waard
vergeleken met de zijne? Wanneer hij eenmaal heeft gesproken, moet zijn
mening worden aanvaard.’ Toen stond rabbi Joshua’ op en zei: ‘Er staat
geschreven: ‘de Wet is niet in de hemel’ (Deut., 30:12), ‘ze
is in uw mond en in uw hart’ (Deut., 30:14). Ze is ook in uw
verstand, want er staat geschreven: ‘Ik heb u vrijheid gelaten te kiezen
tussen leven en dood, en goed en kwaad’ (Deut., 30:15, 19), en
dit weet u allen; want als u de Heer liefheeft en zijn stem gehoorzaamt,
die de stem is waarmee hij binnenin u spreekt, zult u geluk en waarheid
vinden. Waarom brengt R. Eli’ezer dan een johannesbroodboom, een beek,
een muur en een stem in het debat om die geschillen bij te leggen en
die vraagstukken op te lossen? Verder, wat is de onvermijdelijke conclusie
die uit hun werkingen kan worden getrokken, behalve dat zij die de wetten
van de natuur hebben bestudeerd de volle omvang van de werkingen van
de natuur hebben misverstaan, wat alleen betekent dat wij voortaan moeten
toegeven dat in bepaalde gegeven omstandigheden een johannesbroodboom
zichzelf kan ontwor telen en zich dan naar honderd el verder kan overbrengen;
dat onder zekere voorwaarden een beek tot haar bron kan terug vloeien;
dat in bepaalde omstandigheden muren gehoorzamen aan bevelen zoals ijzer
aan een magneet; en dat onder bepaalde omstandigheden stemmen uit de
hemel leringen geven? Dus, welk mogelijk verband is er tussen de aldus
waargenomen feiten van de natuur enerzijds en de leringen van rabbi
Eli’ezer? Welk verband, zeg ik, is er tussen de wortels van een johannesbroodboom,
een beek, muurstenen, en stemmen uit de lucht enerzijds en logica anderzijds?
Ongetwijfeld zijn deze wonderen buitengewoon en hebben ons met verbazing
vervuld; maar zich over dingen verbazen is niet het beantwoorden van
vragen, en wat wij vragen zijn werkelijke argumenten, niet alleen verschijnselen.
Wanneer dus rabbi Eli’ezer ons zal hebben bewezen dat johannesbroodbomen,
beken, muren en onbekende stemmen ons door hun vreemde handelingen argumenten
geven die in waarde die verheven rede evenaren die de Eeuwige in ons
heeft gelegd om ons als gids te dienen bij het uitoefenen van onze vrije
wil: dan en alleen dan zullen we zulke getuigenissen gebruiken en zullen
we het aantal ervan waarderen, en het nut van hun verklaringen. . .
.
‘Nee, rabbi Eli’ezer, het
is vergeefse moeite om bij uw bewijs van zulke zaken zich tot onze fysieke zintuigen
te richten; deze kunnen ons bedriegen; en als ze bevestigen wat onze rede ontkent
en wat ons bewustzijn verwerpt, moeten wij het bewijs van onze bedrieglijke en
zwakke zintuigen verwerpen en alleen luisteren naar onze rede, verlicht door ons
geweten.’ Enkele tot voorzichtigheid manende woorden over de manier
waarop de Groten moeten worden beschouwd: Ze zijn geen goden, noch Kosmische geesten,
noch ontlichaamde geesten van mensen die zijn gestorven, maar ze zijn mensen zoals
alle andere mensen, maar veel verhevener; geboren zoals alle mensen worden geboren,
en zelf de leerlingen van anderen die nog groter zijn dan zij. Ze zijn geen ‘wonderdoeners’
in welke betekenis van het woord ook, noch werken ze ooit op een of andere manier
tegen de wetten van de natuur, maar absoluut hand in hand met haar, en zo bevorderen
ze het enorme kosmische werk, waarmee al de hiërarchieën van licht bezig zijn.
H.P. Blavatsky zegt in De Stem van de Stilte: Help de natuur
en werk met haar mee; en de natuur zal u beschouwen als een van haar scheppers
en voor u neerbuigen.
blz. 13
Geen onderzoeker van de geschiedenis van de mensheid twijfelt
aan het bestaan van tenminste enige leden van de grote broederschap,
wat hij ook mag denken van de legenden die het werkelijke karakter van
deze zeer verheven mensen voor ons bijna hebben verborgen. Mensen zoals
Gautama de Boeddha, Lao-Tse, Jezus de avatâra, Apollonius van Tiana,
en anderen van wie iedereen tenminste de naam kent. Ook schieten ons
de namen van vijf mensen uit Griekenland te binnen, die legendarisch
worden genoemd. We weten alleen dat hun invloed zo groot was dat ze
zelfs in de tijd van Plato, toen hun namen al legendarisch waren, het
hele religieuze en filosofische denken van de Griekse wereld hadden
veranderd, en hun leringen vormden de basis van de schitterendste Europese
beschaving die ooit in historische tijden heeft bestaan. Hun namen waren
Olen, Orpheus, Musaeus, Pamphos en Philemon inderdaad een glorieuze
groep.
Naarmate onze mensheid voorwaarts gaat,
zullen die figuren weer steeds vaker verschijnen. En de grote figuren van de toekomst
zullen niet altijd verschillen van die uit het verleden, omdat dezelfde figuren
regelmatig weer geïncarneerd op aarde verschijnen; daar komt bij dat de gelederen
van de broederschap in aantal toenemen omdat discipelen en chela’s, van verschillende
rang, van de mahâtma’s evolueren tot de staat van hun huidige leraren. Er ligt
een grote natuurlijke waarheid in dit feit want wat met de een gebeurt, kan met
ieder mens gebeuren als hij maar aan de juiste voorwaarden voldoet. Er zijn geen
onoverschrijdbare grenzen die de evolutionaire groei van zielen beperken, geen
belemmeringen in de natuur die ze niet kunnen passeren.
De grote denkers en dichters van de mensheid hebben in alle eeuwen intuïtief deze
feiten aangevoeld, die de zich verheffende geest van intuïtieve mensen in taal
hebben vastgelegd; en men kan zeggen dat allen in hun werk van ‘openbaring’ min
of meer onder de directe inspiratie en leiding stonden van een of ander lid van
de broederschap. Parels van wijsheid kunnen bijna overal worden gevonden, want
de meesters zijn mensen die handelen zonder aanzien des persoons; ze zoeken niet
alleen naar spiritueel en intel lectueel genie en moedigen het als zodanig aan,
maar meer in het bijzonder naar de ontluikende spiritualiteit van de mensen, waar
deze stralen van de buddhische luister ook worden ontdekt.
Als voorbeeld vindt men in de School van de Transcendentalisten in New England
enkele werkelijk grote figuren zoals Emerson en zelfs Thoreau, die veel inspiraties
en ingevingen hadden van de waarheid. Emerson zingt in zijn ‘Fragments on Nature
and Life’: Van hoog naar hogere velden
Ontwikkelt zich de schaal van krachten,
Op hun paarden de helden,
In hun sferen de machten.
En verder: De weidse eeuwigheid
Meet haar plannen zelden uit,
En een eon is toebedeeld
Voor elke kwaliteit en part
Van het vele eenheden rijke
En vele kamers tellende hart.
De tijd, de ruimte en de zich vermengende
bewustzijnen brengen de bestaande wezens en dingen voort; en een eon, de Kosmische
eon, laat vele dingen uit zijn vruchtbare schoot te voorschijn komen het
‘hart’, zoals Emerson terecht zegt, dat hier het onzichtbare centrum of de kern
van Kosmische dingen betekent. Inderdaad, de spirituele monade heeft vele kamers,
vol van de kwellende herinneringen aan haar vroegere levens.
De grote broederschap is geen willekeurige instelling, niet een kunstmatige organisatie
die de meesters zelf in verschillende eeuwen in de wereld hebben gevormd, maar
deze broederschap is slechts één schakel in een onmetelijke kosmische keten van
wezens die de Grieken de Gouden Keten van Hermes of de Hermetische Keten noemden,
en die de esoterische filosofie de hiërarchie van licht of van mededogen noemt.
Met andere woorden, de meesters zijn schakels of hun broederschap vormt
een schakel in deze Gouden Keten van Hermes, en dus zien we dat hun positie
en hun werk in de wereld een natuurlijk onderdeel is van de kosmische structuur.
Zoals er lager dan de mens families van wezens zijn die op verschillende sporten
van de ladder van het leven bestaan, zo zijn er boven de mensheid andere wezens
op verder gevorderde niveaus van evolutionaire ontwikkeling dan waar de mens zich
nu bevindt. Als we de mens plaatsen als de hoogst bekende entiteit op aarde, zien
we als we teruggaan langs de neergaande schaal dat onze aandacht verschuift van
het meer individuele en bijzondere naar eenheden of samengestelde gehelen.
Er is gezegd dat geen twee bladeren in een bos volkomen gelijk zijn; want als
dat zo was, zouden ze niet twee bladeren maar hetzelfde blad zijn. Met hoeveel
meer overtuiging kan men dit opmerken over zo’n hoog geïndividualiseerd wezen
als de mens! Het is de onbetwiste neiging in de levende dingen van de natuur om
tot individueel bestaan te komen en weg van de volmaakte leefgemeenschap van de
laagste vormen van dierlijk leven, en van het eenvoudige één-zijn van de rotsen.
Maar dan beschouwt men het onderwerp alleen van zijn materiële kant. Als we de
psychische, mentale en spirituele eigenschappen en functies van
de menselijke soort bestuderen, naast vele andere dingen die niet in de laagste
bestaansvormen waarneembaar zijn, zien we de ‘strijd’ om plicht te verzoenen met
verlangen, recht met macht, kennis en kracht met abstracte en concrete rechtvaardigheid.
Feitelijk is deze ‘strijd’ min of meer denkbeeldig
zover het de inherente wetten en processen van de natuur betreft; want
het hele terrein van deze ‘strijd’ is in het geval van de mens veeleer
de onophoudelijke menselijke poging om te groeien, een poging waardoor,
gedeeltelijk omdat zijn constitutie samengesteld is, de mens in oorlog
met zichzelf schijnt te zijn. De poging ligt dus bij het individu zelf,
en zo’n ‘strijd’ om de belemmeringen van de groei weg te nemen komt
slechts in geringe mate voort uit de betrekkingen van de mens met de
omringende sfeer van omstandigheden of van de natuur of zelfs
met zijn medemensen, ondanks de kennelijke strijd van de mens met zijn
medemensen die door heel de ons bekende geschiedenis van de mensheid
maar al te goed waarneembaar schijnt te zijn. Bedoeld wordt dat de verscheidenheid
van belangen die zich in de menselijke betrekkingen voordoet, heel denkbeeldig
en kunstmatig is en niet werkelijk is ontstaan uit een innerlijk spiritueel
of biologisch conflict tussen de ene en de andere mens.
Als de mensen maar konden inzien dat hun belangen fundamenteel dezelfde zijn,
en dat ieder mens het meest wordt gediend als hijzelf de belangen van zijn medemensen
dient, dan zou de zogenaamde strijd van mens tegen mens automatisch ophouden,
en we zouden een hemel op aarde hebben vergeleken met de verschrikkelijke sociale
conflicten die in ons huidige tijdperk van materialistische zelfzucht ons allen
zo kwellen. Want deze onenigheid, strijd en conflicten tussen de ene en de andere
mens zijn niet gebaseerd op de natuur noch op de omringende omstandigheden, maar
op de dwaasheid en zelfzucht van de mens. Hier wordt verwezen naar een oude verfoeilijke
theorie in de biologie van onze recente voorvaderen dat de mens wordt geboren
om in vijandschap te leven met zijn medemensen, en dat evolutie wordt bereikt
door conflicten, en dat de ‘survival of the fittest’ (het overleven van de sterkste)
tot stand komt doordat macht heerst boven recht. In deze tijd begint ieder denkend
mens te beseffen dat dit alles volkomen onjuist is, en volstrekt geen ‘wet’ van
de natuur, maar een oppervlakkigheid in de gevolgtrekking die ontstaat uit een
onzinnige verkeerde uitleg, niet alleen van de natuur zelf, maar ook van de eigen
constitutie en karakteristieke eigenschappen van de mens.
De zogenaamde ‘strijd’ is eenvoudig de werking van veel factoren in de eigen constitutie
van het individu, die helaas vaak in een strijd met elkaar zijn verwikkeld, omdat
de mensen te lui of te dom zijn om zelf na te denken. Daarom ligt de strijd of
het conflict in het eigen denken van de mens; en omdat alle mensen dit conflict
hebben want alle mensen zijn wat hun evolutie betreft onontwikkeld
verbeelden ze zich dat de strijd of het conflict in de natuur bestaat, buiten
henzelf alsof de mensen zelf geen onafscheidelijke delen van de natuur
zouden zijn! Terwijl we de levensladder beklimmen, is de groei
of liever de progressieve ontplooiing van individualiteit of van geïndividuali
seerde wezens zelfs hier op aarde waarneembaar. Het betrekkelijk volmaakte één-zijn
van de rotsen gaat langzaam over in de groei van individualiteit die zwak waarneembaar
wordt in de leefgemeenschap van het hogere rijk van de planten; en als we de plantenwereld
verlaten en de beelden volgen van de evolutie zoals deze opklimt naar het dierenrijk,
constateren we dat de neiging tot individualisatie snel toeneemt. Als we het mensenrijk
bereiken, dat in de esoterische filosofie als een geheel afzonderlijk rijk wordt
beschouwd, op grond van de typisch menselijke eigenschappen die de mensen scherp
van de dieren onderscheiden, vinden we dat het opklimmen tot individualisatie
heeft geleid tot het verschijnen van karakteristiek afzonderlijke individuen.
Tijdens deze trapsgewijze bestijging van de evolutieladder gaat in de hogere rijken
niets van waarde verloren dat er in de lagere rijken was, maar wat er ook van
waarde is in de lagere rijken wordt in het mensenrijk omgezet in grotere waarden
plus wat de mensen bezitten aan nieuwe en waardevolle eigenschappen en vermogens
die in de lagere rijken ongetwijfeld latent zijn, maar nog niet tot uitdrukking
zijn gekomen. De evolutionaire neiging in de mens, die met
het voorbijgaan van iedere eeuw sterker en meer waarneembaar zal worden, is zich
te verenigen met zijn medemensen. Alle grondslagen van ware ethiek berusten op
deze neiging die zelf een uiting is in de menselijke constitutie van de wet van
harmonie die inherent is aan de universele natuur. De verschillen
tussen de wezens op de diverse sporten van de evolutieladder bewijzen onder andere
dat in de individuen langzaam maar zeker steeds edeler eigenschappen en kenmerken
gaan functioneren. En toch als we stadium voor stadium vergelijken, hoe enorm
groot zijn dan de verschillen die het hoogste van het laagste, de mens van de
steen, of de mens van de vis scheiden. Overal zien we beweging om ons heen: in
de levens, in de emoties, in de instincten en impulsen van de lagere wezens en
dingen, dezelfde krachten die ons eigen hart stimuleren en ons tot handeling aan
zetten: liefde, genegenheid, angst, hartstocht, sympathie, herinnering, haat en
nog vele andere. En toch, zover het onze moeder aarde betreft, staat de mens boven
alles wat lager dan hij staat. Maar als hij in de andere richting kijkt, is hij
zich vagelijk ervan bewust dat er boven hem wezens moeten zijn die veel verhevener
zijn dan hij. Tenzij we beweren dat de menselijke soort
het hoogste evolu tionaire product is dat de natuur in alle vroegere eeuwen kon
voortbrengen, zijn we verplicht te erkennen dat er wezens hoger dan de mens bestaan,
of we iets over hen weten of niet; en dat als zulke wezens hoger dan de mens niet
zouden bestaan, de geleidelijk opklimmende schaal van wezens lager dan de mens,
die als bewijs van de opwaarts gerichte pogingen van de natuur een gestage stijging
laat zien, dan een onregelmatigheid zou gaan vertonen. Als
we volgen wat de grote wijzen en zieners van alle vroegere eeuwen ons leerden,
kunnen we deze schaal in zeven (of tien) stadia van evolutionaire ontwikkeling
verdelen:
| a. Eerste elementalenrijk: |
Etherisch en heel fluïdisch van aard, met betrekkelijk
ongemanifesteerde en niet geïndividualiseerde monadische lichaampjes
of eenheden, met een gemeenschappelijk levend organisch bestaan.
|
| b. Tweede elementalenrijk: |
Scheiding in druppels van bijna afzonderlijke entiteiten
die niettemin verenigd bij elkaar worden gehouden door een en dezelfde
levensstroom. |
| c. Derde elementalenrijk: |
Wezens, nog meer afzonderlijk, hoewel nog samengehouden
door en functionerend in een gemeenschappelijk levend organisch
bestaan. |
| 1. Het mineralenrijk: |
Half geïndividualiseerde lichaampjes of deeltjes,
die in organische eenheid functioneren. Eenvoudig één-zijn als een
lichaam. |
| 2. Het plantenrijk: |
Eenvoudige leefgemeenschap. De drang tot individualisatie
neemt toe. |
| 3. Het dierenrijk: |
Beginnend ontstaan van afzonderlijke
geïndividualiseerde eenheden. |
| 4. Het mensenrijk: |
Ontluiking van de individualiteit. Ontstaan van gemeenschappelijk
of algemeen bewustzijn. |
| 5. De Groten: |
Volgroeide individualiteit. Zelfbewust besef van
een verenigend algemeen en onderliggend bewustzijn. |
| 6. Halfgoddelijke wezens of lagere goden:
|
Volmaakte individualiteit die zonder te verzwakken
opgaat in het algemene onderliggende bewustzijn. Beginnend ontstaan
van kosmisch bewustzijn. |
| 7. Goden: |
Het zich bewust gaan beseffen van kosmisch bewustzijn,
zonder verlies van een vervolmaakte onpersoonlijke individualiteit. |
De tabel is
natuurlijk slechts een poging, maar is niettemin zo nauwkeurig mogelijk. Het verstand
is vol ontzag als het nadenkt over het bereik van bewuste, halfbewuste en zelfbewuste
entiteiten in deze hiërarchie. Het zou werkelijk een onverklaarbare afwijking
in de natuur zijn als de mens het hoogst mogelijke stadium van bewustzijn was
dat de Kosmos tot nog toe in de eeuwigheid heeft kunnen voortbrengen. We moeten
wel gaan beseffen dat het essentiële verschil tussen de mens en de wezens lager
dan hij ligt in het zelfbewuste denkvermogen van de mens, dat de bijzondere schakel
is die ons met de hogere gebieden en werelden van kosmisch zijn verbindt
de brug waarover het bewustzijn heen en weer gaat tussen materie en geest. Als
we de lagere wezens bestuderen, gaan we inzien dat ook zij een eigen soort denkvermogen
hebben, bewustzijnscentra, maar toch niet van bewustzijn van zichzelf zoals de
mens dat heeft. Hier in de mens is de vereniging van een
ander en hoger gebied van zijn met dit gebied van zijn. Het intellectuele
en het spirituele en psychisch-materiële hebben een vereniging tot stand gebracht,
en het resultaat is de mens met zeven beginselen. Hemel en aarde hebben
elkaar gekust, zoals de Ouden het eigenaardig uitdrukten, en hun nakomelingschap
is de mensheid. Niemand kan zo blind zijn dat hij niet de
kennelijk onoverbrugbare kloof ziet die het zelfbewuste denkvermogen van de mens
scheidt van het rechtstreeks ontvankelijke denken van de lagere wezens. De mens
kan werkelijk een god worden genoemd, op gesloten in een tabernakel het
psychomateriële raamwerk van zijn lagere natuur. De grootste les
die we uit dit alles kunnen trekken is die van fundamentele eenheid, van niet
te scheiden belangen, en van onverbrekelijke natuurlijke banden die ons verenigen
met al wat is. Niemand van ons kan alleen vooruitgaan of zijn pelgrimstocht
vervolgen. We nemen, verbonden met alle delen van onze constitutie, ontelbare
menigten lagere wezens met ons mee, want we zijn allen, collectief en individueel,
verzamelingen lagere wezens, precies zoals de mensheid door onverbrekelijke banden
is verenigd met onze spirituele kosmische meerderen. We moeten allen samen voorwaarts
gaan, en dat hebben we in het verleden altijd gedaan; en in alle nog komende tijden
zullen we verenigd voortgaan als een grote kosmische rivier van levens.
Zo vormen de grote wijzen of meesters een stadium of graad op de evolutieladder,
juist boven de mensen met een gemiddelde ontwikkeling. Er zijn andere nog grotere
wezens op de levensladder, die de leraren van deze grote wijzen zijn en die verder
geëvolueerde mensen zijn dan de grote wijzen zelf. Hoger zelfs dan deze zijn weer
anderen die nog verder zijn geëvolueerd, die met recht menselijke goden kunnen
worden genoemd; ze zijn de beheerders van de natuur, de bestuurders van onze eigen
planeet aarde. Boven en hoger dan deze menselijke goden leeft of liever bestaat
wat in de esoterische filosofie technisch de ‘stille wachter’ van onze bol wordt
genoemd, die dus de spirituele hiërarch ervan is. Dit wonderlijke
wezen, deze stille wachter, behoort tot de klasse van geestelijke superieuren
die dhyâni-boeddha’s worden genoemd. Onderling verbonden in het levende zijn en
bewustzijn van deze dhyâni-boeddha zijn ontelbare stralen, die in een veelvuldigheid
uit hem stromen. Deze kind-stralen die uit het levende zijn en bewustzijn of het
wezenlijke hart van dit wonderlijke wezen stromen, zijn menselijke ego’s. Dit
wonderlijke wezen zelf wordt de altijd levende menselijke waringin genoemd, omdat
hij uit zichzelf takken of ranken van de geest uitzendt, die naar beneden reiken,
naar het substantiële weefsel van het universum waarin hij leeft, om daar wortel
te schieten; en omdat ze, terwijl ze uit het levende bewustzijn van het wonderlijke
wezen voortkomen, zelf waringins worden, die op hun beurt opgroeien, en na verloop
van tijd door de cyclussen van eeuwen heen verheven spiritualiteit bereiken; en
dan zenden ook zij nieuwe ranken als stralen uit, die wortelschieten in het substantiële
weefsel van het heelal en aldus nieuwe stammen opbouwen en zo groeit de
wonder lijke mystieke levensboom door tijd en ruimte. De
altijd levende menselijke waringin is het toppunt van de hië rarchie van adepten
van onze planeetketen; deze hiërarchie werd voor het eerst in deze vierde ronde
op onze aardbol gevormd, kort vóór het midden van de periode van het derde wortelras.
Dit was het karmische moment voor het verschijnen van deze hiërarchie, omdat de
jonge mensheid toen zelfbewust begon te worden, en door groei en ontwikkeling
gereed werd om het spirituele en intellectuele licht te ontvangen en te begrijpen.
En nu een mysterie: Iedere ingewijde die tot inwijding komt en deze met succes
doorstaat, komt voort uit de innerlijke essentie van het wonderlijke wezen, de
dhyâni-boeddha van deze vierde ronde. Inwijdingen tijdens de vijfde ronde op elke
bol van onze planeet keten zullen hun oorzaak hebben in de activiteiten van de
dhyâni-boeddha van de vijfde ronde; en zij die de tests en beproevingen ondergaan
van de inwijdingscyclus die er dan zal zijn, zullen onder het toezicht staan van
en verbonden zijn met de dhyâni-boeddha van de vijfde ronde, precies zoals de
dhyâni-boeddha van de huidige vierde ronde dezelfde betrekkelijke plaats inneemt
en dezelfde relatieve functies voor initianten in deze vierde ronde vervult. Evenzo
zullen de zesde en zevende ronden, voorzover het inwijdingen betreft, op precies
dezelfde wijze zijn verbonden met de respectieve dhyâni-boeddha’s van ieder ervan.
Er zijn in feite vele van die wonderlijke wezens, vele
stille wachters, als een mystieke ladder van licht in een opklimmende reeks van
spirituele en intellectuele grootsheid. Deze wonderlijke wezens zijn zelf kind-waringins
van een nog grotere waringin die het onzichtbare hart is van het zonnestelsel,
de goddelijke hyparxis van vader zon. De altijd levende menselijke spirituele
waringin die in het derde tijdvak uit een ‘verheven gebied’ neerdaalde, zoals
H.P. Blavatsky in De Geheime Leer (1:235) zegt, is een groot spiritueel
wezen, dat op aarde de leider is van de broederschap van adepten.
Men kan zeggen dat dit wonderlijke wezen als een ‘bezoeker’ naar ons aardse gebied
kwam, en hier leefde in wat voor hem eens de onderwereld was van zijn eigen hoge
gebied; het leefde enige tijd op aarde onder de vroege mensheid, eerst als de
grootste, primordiale, spirituele leraar en gids van de mensheid die er toen was;
en uit hem en uit zijn werk en zijn verlichtende tegenwoordigheid werd oorspronkelijk
de broederschap van de mahâtma’s gevormd, en het staat nog steeds aan het hoofd
van deze broederschap, een wezen, zelf Eén, en toch in functie en in essentie
velen.
|