20

Pneumatologie en psychologie:
mysteries over de innerlijke aard
van de mens

De mysteries over de verschillende monaden in de constitutie van de mens zijn heel diepzinnig, en in praktisch alle literatuur uit de oudheid is veel meer aandacht besteed aan het tussenliggende deel van de mens dan aan de andere monadische centra of brandpunten van bewustzijn die hem tot de volledige zevenvoudige (of tienvoudige) entiteit maken die hij is. In het christendom is weinig aandacht besteed aan de samengestelde aard van de mens, en alle christelijke theologen schijnen er tevreden mee te zijn de mens te beschouwen als een samenstel van drie basiselementen: geest, ziel en lichaam. Zelfs op dit punt is vanaf de vroegste tijden van het christendom verwarring geweest over het onderscheid tussen de ‘geest’ en de ‘ziel’ van de mens; en de meeste theologen schijnen deze termen als bijna synoniem te hebben beschouwd.
    Toch schijnt er weinig twijfel aan te bestaan dat onmiddellijk na de dood van Jezus de avatâra, en gedurende een onbepaald aantal jaren daarna, er in het denken van christelijke schrijvers een duidelijk onderscheid werd gemaakt tussen ‘geest’ en ‘ziel’. In deze eerste jaren van het christelijke tijdperk zag men de ‘geest’ bijna als iets goddelijks: een ‘kind van god’; de ‘ziel’ werd vaak psyche genoemd, en van dit Griekse woord is de term ‘psychologie’ afgeleid. Bovendien kan men in het Nieuwe Testament lezen over een ‘natuurlijk lichaam’, over een ‘psychisch lichaam’ en over een ‘geestelijk lichaam’. Het is opmerkelijk dat het Nieuwe Testament ook spreekt over de psyche als ‘demonisch’ of ‘duivels’; niet dat de psyche de karakteristieke vorm van duivels of demonen was, maar dat in tegenstelling tot de geest in het binnenste van ieder mens, de psyche of ‘ziel’ zo onvolmaakt was dat men erover sprak als ‘duivels’.
    Dit onderscheid tussen geest en ziel werd in het filosofische en religieuze denken van de mensheid overal gemaakt, en de grote wijzen hebben altijd geleerd dat juist omdat de individuele mens een integrerend deel van het heelal is, hij in zijn constitutie precies kopieert wat moeder natuur, zijn ouder, zelf in zich heeft en is. Ze onderwezen dat het heelal, de macrokosmos, en de mens, de microkosmos, samengestelde wezens zijn die bestaan uit een uiterlijk fysiek voertuig, het lichaam genoemd, en innerlijke machten en vermogens met hun respectieve innerlijke voertuigen waardoor ze zichzelf tot uitdrukking brengen, en die in het geval van de mens de Gouden Keten vormen van het goddelijke omlaag door het zielendeel naar de astrale en fysieke voertuigen. Het ‘zielendeel’ is het tussenliggende deel van de constitutie van de mens, vaak de ‘menselijke ziel’ genoemd, dat overeenkomt met wat in het heelal de ‘overziel’ is – om een term van Emerson te gebruiken.
    De zeven beginselen waaruit de mens is samengesteld worden in de theosofische literatuur gewoonlijk als volgt opgesomd:

 

 

DE GODDELIJKE

MONADE

 

1. Âtman, het essentiële zelf: Zuiver bewustzijn per se. Het essentiële of fundamentele beginsel of element of vermogen in ons dat aan ons (en ook aan ieder ander wezen of iedere andere entiteit) onze kennis geeft of gewaarwordend bewustzijn van zuivere zelfheid. Dit is niet het ego.*
    *De âtman is het ‘ik ben’ of de essentie van het zelf in elk individu, terwijl het ego, het ‘ik ben ik’, een ondergeschikt vermogen is; want het is de weerkaatsing of het terugslaan van het bewustzijn van het essentiële zelf op zichzelf. Het ego schijnt bij een eerste onderzoek misschien het hogere te zijn, maar dit is een oppervlakkig inzicht in het vraagstuk, omdat zonder het ‘ik ben’ het ‘ik ben ik’ niet bestaat; want het ‘ik ben’ is eeuwig en is ongeacht of er een ‘ik ben ik’ is om het te weerspiegelen of niet. Om een beeldspraak te gebruiken, het ‘ik ben’ is het zonlicht of de zonnestraal; wanneer dit wordt weerspiegeld vanaf de maan wordt het het maanlicht of een lager soort licht.
2. Buddhi: Het vermogen of geestelijk orgaan dat zich als intuďtie, begrip, oordeel, onderscheidingsvermogen, enz., manifesteert. Ze is de onafscheidelijke sluier of het kleed van de âtman.
3. Manas: Dit is het centrum of orgaan van het egobewustzijn in de mens (en in elke andere halfzelf bewuste entiteit); en is daarom de zetel of voortbrengende oorzaak van het ‘ik ben ik’.
4. Kâma: Het orgaan of de zetel van de vitale psycho- elektrische impulsen, verlangens, aspiraties, beschouwd in hun energetische aspecten, en daarom de elementaire of drijvende kracht in de menselijke constitutie. Omdat elk van de zeven beginselen zelf zevenvoudig is, is er zowel een goddelijk en geestelijk kâma als een grof emotioneel kâma, met alle tussenliggende stadia.
5. Prâńa: Of leven; maar nauwkeuriger de elektromagneische sluier of het ‘elektrische veld’ dat zich in het menselijke individu als levenskracht manifesteert.
6. Lingasarîra: Het astrale of modellichaam, iets etherischer dan het fysieke lichaam; het astrale raamwerk waaromheen het fysieke lichaam is gebouwd, atoom voor atoom, en waaruit het zich ontwikkelt naarmate de groei vordert.
7. sthűlasarîra: Het fysieke lichaam. Dit is strikt gesproken helemaal geen werkelijk ‘beginsel’ of elementaire substantie, maar doet dienst als de gemeenschappelijke ‘drager’ van heel de innerlijke constitutie van de mens tijdens een leven op aarde.

Omdat de mens een microkosmos van de macrokosmos is, zou men de zeven beginselen of elementen op het heelal zelf kunnen toepassen. Het enige bezwaar daartegen is dat deze zeven beginselen sinds onheuglijke tijden alleen zijn gebruikt voor de constitutie van microkosmische entiteiten zoals de mens. Bovendien moet deze zevenvoudige lijst zo worden opgevat dat ze de constitutie van de mens eerder beschrijft als een samenstel van elementen of beginselen, dan als de knopen of brandpunten van verschillende monadische bewustzijnen.
    De volgende lijst geeft de beginselen van het heelal met de termen uit de verschillende oude denkscholen:

Parabrahman-műlaprakriti
Aműlaműla (wortelloze wortel)
Het grenzeloze
Eyn suph (‘zonder grenzen’)
De oneindigheid van ruimte en tijd

1. Paramâtman, brahman-pradhâna, kosmische monade: De monas monadum van Pythagoras en de filosofen uit de oudheid. Het hoogste monadische zelf van elke kosmische hiërarchie. De wortel van waaruit de zes andere beginselen of elementen van het heelal achtereenvolgens voortvloeien, elk evoluerend en zich ontvouwend uit het eraan voorafgaande. De eerste of ongemanifesteerde logos.
2. Âlaya; âdi-buddhi of mahâbuddhi of kosmische buddhi; âkâsa of pradhâna; de wortel of essentie van mahat; anima mundi, kosmische aether: De zetel of oorsprong van de kosmische ziel; de bron van elke intelligente orde, regelmaat, en alle ‘wetten’ in het universum of de hiërarchie. De tweede of halfgemanifesteerde logos.
3. Mahat of kosmisch denkvermogen, intelligentie, bewustzijn: De bron of het centrum van alle monadische individualiteiten in de hiërarchie; geďndividualiseerde intelligentie, denkvermogen, bewustzijn, in tegenstelling tot die van het universum zoals in no. 2 hierboven. De derde of zogenaamde ‘scheppende’ logos. De gemanifesteerde purusha-prakriti.
4. Kosmische kâma: De ‘begeerte’ in de Rig-Veda. Deze begeerte is zuiver onpersoonlijk uni verseel mededogen; de bron van de kos mische aandrijvende energieën van het heelal, die de levende intelligente elektrische impulsen ervan omvat. De schoot van fohat, beschouwd als de beweging veroorzakende en toch intelligent geleide kracht of krachten van het hiërarchische universum.
5. Kosmische jîva of kosmische levenskracht: Het kosmische psycho-elektromagnetische veld; de bron van de kosmische levenskracht die alle wezens en dingen in de hiërarchie doordringt en waaraan al deze individuen hun respectieve prâńa’s ontlenen.
6. Astrale licht: kosmische ether: Het laagste actief werkende aspect van de anima mundi van no. 2 hierboven. Het is in de kosmische hiërarchie wat het lingasarîra is in het menselijk lichaam*.
*Het astrale licht is zoals H.P. Blavatsky het treffend omschrijft in haar Theosophical Glossary: ‘het onzichtbare gebied dat onze bol omringt, zoals het elke andere omringt, en als het tweede beginsel van de Kosmos (het derde is het leven, waarvan het het voertuig is) overeenkomt met het linga sarîra of het astraal dubbel in de mens. Een subtiele essentie die alleen voor een helderziend oog zichtbaar is, en het op een na laagste (het laagste is de aarde) van de zeven âkâsische of Kosmische beginselen.’
    Het astrale licht is het grote reservoir zowel als de smeltkroes waarin alle emanaties van de aarde, psychisch, moreel of fysiek, worden opge nomen, en na er talloze etherische alchemistische veranderingen te hebben ondergaan, weer naar de aarde worden teruggekaatst (of naar elke andere bol in de hiërarchie), waardoor ze epidemische ziekten veroor zaken, of deze laatste nu fysiek, psychisch of moreel zijn. Ook is het de zetel van alle kwalijke emanaties die de aarde uitstraalt. Daarom vindt men ook in het astrale licht de lagere graden en stadia van de kâmaloka.]
7. sthűlasarîra: Het fysieke heelal – het uiterlijke kleed of lichaam van de zes meer etherische element-beginselen.

Men moet goed begrijpen dat al deze elementen of beginselen van de mens en het heelal elkaar doordringen. De verschillende punten op de lijsten worden alleen voor het gemak boven elkaar geplaatst, en dit gebeurt uitsluitend om een toenemende graad van ijlheid aan te geven van het onderste naar de top.
    Verder, wanneer we beginnen bij het hoogste of meest spirituele, dan vloeit ieder beginsel of element voort vanuit het onmiddellijk erboven gelegen element. Dus no. 1 ontwikkelt of ontvouwt no. 2, die dus niet alleen zijn eigen individuele karakteristiek of svabhâva bezit, maar eveneens iets van de svabhâva of karakteristieke eigenschap van zijn ouder heeft; evenzo wordt no. 3 geëmaneerd uit no. 2 en bevat dus in zijn groeiende complexiteit en differentiatie niet alleen zijn eigen individualiteit of svabhâva, maar ook de respectieve svabhâva’s van no. 2 en no. 1; en zo gaat het de lijst langs tot no. 7, dat de gedifferentieerde ‘drager’ of ‘manifesteerder’ is van alle zes andere. Het is bovendien goed te bedenken dat de hogere steeds meer verzwakt worden hoe verder het proces van ontvouwing vordert omlaag naar de materiële sferen.
    Elk van deze verschillende niveaus van het hoogste tot het fysieke is zelf zevenvoudig (of tienvoudig). Met andere woorden, elk van de bewustzijnscentra of monadische knopen of brandpunten van de mens heeft zijn overheersende of svâbhâvische karakteristieke eigenschappen, die het onderscheiden van de svâbhâvische kenmerken van alle andere.
    Als we de zeven kleuren van het zonnespectrum gebruiken als illustratie, kunnen we zeggen dat elk van die monaden van de constitutie van een mens haar overheersende kleur heeft, hoewel ze tegelijkertijd alle andere kleuren bevat van het pneumatologisch- psychologische spectrum. Manas bijvoorbeeld bevat alle zeven kleuren van de hele constitutie van de mens, maar de karakteristieke kleur ervan is manas-manas, of manas per se. Evenzo heeft kâma alle zeven kleuren of krachten in zich: hij heeft zijn âtman, zijn buddhi, zijn manas, en de andere beginselen, maar zijn svâbhâvische of essentiële karakteristieke eigenschap is kâma-kâma. Daarom kan de âtman, de uiteindelijke bron van het wezen van de mens uit zichzelf alle andere verschillend ‘gekleurde’ element-beginselen emaneren.

De mens is daarom opgebouwd uit elementen die aan het kosmische reservoir worden onttrokken. Toch kan vanuit een ander gezichtspunt de mens worden beschouwd als iets anders dan alleen een ‘bundel kosmische energieën’. Hij is feitelijk een reeks bewustzijnscentra of monaden. Er is bijvoorbeeld een goddelijke monade, een spirituele monade en een intellectuele monade of agnishvâtta; er is ook een psychische monade, die de mens is zoals hij nu is; een dierlijke monade; en zelfs de laagste triade – prâńa, lingasarîra en sthűla sarîra – belichaamt wat men een astraal-fysieke monade zou kunnen noemen.
    Een eenvoudige illustratie kan deze gedachte verduidelijken. De zon zendt allerlei soorten stralen uit. Een van deze stralen komt, bijvoorbeeld, in een verduisterde kamer die we de materiële wereld kunnen noemen, waar hij verschijnt als een lichtstraal. Laat dit licht door een prisma vallen en u krijgt de zeven prismatische kleuren; elk van deze stralen is in feite een licht met een eigen kleur; toch vormen de zeven samen de constitutie van de zonnestraal. Elk van deze prismatische stralen heeft zijn oorsprong in zijn eigen zonnemonade; precies zoals er in de constitutie van de mens de verschillende monaden zijn die alle samenwerken, zo werken de zeven prismatische stralen samen om de zonnestraal te vormen. De oorsprong van de straal is de innerlijke god of zonnegodheid die uit zichzelf de zeven monadenkinderen of zeven prismatische stralen uitzendt. Laten we zeggen dat een van deze zeven stralen van de zonnestraal de hoogste is, de uitvloeiing van zijn goddelijke monade. Een andere is de straal die uit zijn spirituele monade voortkomt; weer een andere is een straal die uit zijn intellectuele monade voortkomt; enz., langs de schaal naar beneden.
    Hier zien we dan dat we zeven monaden hebben die zich verenigen om op dit gebied een gemanifesteerd wezen te vormen, en alle zeven komen voort uit het hart van hun gemeenschappelijke vader-monade, of de innerlijke god van de straal. Toch is het ‘hart’ van elk van deze monaden-kinderen op haar eigen gebied een godheid en daarom een vader-monade. Zoals Jakob Böhme, die door H.P. Blavatsky een ‘troetelkind van de nirmâńakâya’s’ werd genoemd, zegt:

Want het boek waarin al de mysteriën staan, is de mens zelf: hijzelf is het boek van het Zijn van alle wezens, want hij is de gelijkenis van de godheid. Het grote geheim ligt in hem; het onthullen ervan behoort uitsluitend aan de goddelijke geest.
Negende brief

Zo onderwees ook de eenvoudige schoenmaker uit Görlitz die aan het eind van de zestiende eeuw leefde, dat de mens slechts een kopie in het klein is van de macrokosmos.
    Men moet het zich niet zó voorstellen dat de zeven beginselen één ding zijn, en de monaden iets anders dat door de zeven beginselen heen werkt. Vanuit één gezichtspunt bestuderen we de ‘stof’ waaruit het universum (en daarom de mens) is opgebouwd, vanuit een ander gezichtspunt vestigen we de aandacht op het heelal (of de mens) als een uitgestrekt aggregaat van individuen. Niet alleen zijn de zeven beginselen de zevenvoudige ‘stof’ van het heelal, maar het hogere deel van elke stof is zijn bewustzijnskant, terwijl het lagere deel de lichaamskant is, door middel waarvan zijn eigen bewustzijn zich tot uitdrukking brengt. Dus is iedere monade, ieder bewustzijnscentrum, zevenvoudig: ieder heeft haar âtman, buddhi, manas – en zo langs de schaal naar beneden. sthűlasarîra, bijvoorbeeld, betekent niet noodzakelijk een fysiek lichaam; het betekent een substantieel lichaam, grof lichaam, van welk gebied ook, fysiek, geestelijk of goddelijk.
    Elk punt in de oneindigheid is een bewustzijnscentrum, daarom is ieder punt in de oneindigheid een monade, opgebouwd uit zeven soorten stof, de zeven element-beginselen van het heelal.
    Laten we nu zien hoe de classificatie van de constitutie van de mens in zeven beginselen of zeven monadische centra overeenkomt met de verdeling in drie delen die ons meer vertrouwd is (zie figuur hieronder):

HOOGSTE DUADE:
âtman
buddhi
} geest Het essentiële of geestelijke zelf. Dit zelf, de eeuwigdurende wortel van de constitutie van de mens, heeft op zijn eigen gebied een ononderbroken actief bestaan gedurende de hele lengte van het galactische mahâmanvantara. De goddelijk-geestelijke monade, onvoorwaardelijk onsterfelijk tijdens de galactische periode; de bron van waaruit in opeenvolgende stappen alle lagere delen van de constitutie van de mens vloeien.
 
TUSSENLIGGENDE DUADE:
manas
kâma
} ziel De zetel van het menselijke ego, dat tweevoudig is: bestaande uit ten eerste het hogere deel dat opwaarts streeft en dat in wezen het reďncarnerende ego is; en ten tweede een lager deel dat naar beneden wordt aangetrokken naar de gebieden van materieel bestaan, en dat is het gewone menselijke ego. Kort na de dood wordt het reďncarnerende ego aangetrokken tot de hoogste duade; en het lagere deel valt uiteen en is sterfelijk.
 
LAGERE TRIADE:
prâńa
lingasarîra
sthűlasarîra
} lichaam In elk opzicht sterfelijk; niet wat betreft de levensatomen ervan, maar als een triadisch voertuig van vitaal-astrale en fysieke krachten en substanties.
 

Men ziet dat de hoogste duade de zetel is van de karakteristieke spirituele individualiteit, en deze karakteristieke individualiteit is de svabhâva van een wezen. Hoewel zijn levensperiode even lang duurt als het mahâmanvantara van het galactische heelal, houdt dit toch niet zijn definitieve vernietiging in. Wanneer de melkweg zelf het einde van zijn manvantarische activiteit zal hebben bereikt, zal deze in zijn galactische pralaya verzinken, en alles wat erin is met zich meenemen, goden, monaden en atomen, die dan uit hun zuiver gemanifesteerde of gedifferentieerde bestaan worden gerukt als droge bladeren door de herfstwinden. En deze zullen alle weer verschijnen als de pralaya van die melkweg voorbij is, en dan weer een nieuwe cyclus van galactische manifestatie zal brengen, maar op een ietwat hoger gebied.
    We merken op dat de tussenliggende duade de zetel is van het gewone menselijke bewustzijn dat een tweevoudig wezen is, bestaande uit een geestelijk aspirerend deel, gewoonlijk het reďncarnerende ego of hogere manas genoemd; en een lager deel dat zwaar is belast met emotionele, psychische en astrale psychomagnetische eigenschappen en dus sterk tot materiële zaken wordt aangetrokken. Dit lagere deel is dus de knoop of het brandpunt van bewustzijn die zich als het gewone menselijke ego tot uitdrukking brengt -onvoorwaardelijk sterfelijk, omdat er niets in is van een werkelijk spiritueel karakter dat zichzelf door naar boven te streven kan opwerken tot vereniging met het hogere deel. Juist hier zien we de reden voor de waarschuwingen van alle grote leraren om de zetel van het bewustzijn van de mens uit dit gewone menselijke gebied te verheffen naar het meer geestelijke deel van de tussenliggende duade, zodat het een deel kan worden van het weefsel van het zich wederbelichamende ego, en zo zijn betrekkelijke ‘onsterfelijkheid’ kan bereiken. Het is hierin dat door zelfbeheersing, zelfonderzoek, en soortgelijke morele oefening de eerste stappen naar het meesterschap worden gezet. De mahâtma is hij die na een aantal levens erin is geslaagd om zijn lagere ‘ziel’ zodanig te verheffen dat deze ‘één’ wordt met zijn geestelijke natuur. Wanneer dit wordt bereikt, wordt hij een spirituele mens op aarde; in zijn grotere volmaking daarvan een mens-god. Hij kan dan naar eigen wil van het ene lichaam naar het andere overstappen, en zijn grote werk als lid van de broederschap ononder broken voortzetten.
    Wat de drie elementen die de lagere triade vormen betreft, ze zijn als een geheel beschouwd onvoorwaardelijk sterfelijk; hoewel de respectieve zaadelementen van elk daarvan, ontleend aan de kosmische reservoirs van de natuur, op zichzelf en als kosmische beginselen beschouwd, per se onsterfelijk zijn – tenminste in hun spirituele essentie. Zelfs het sthűlasarîra, of de fysiek atomaire hiërarchie van het menselijk lichaam, bestaat uit kosmische elementen, die op hun beurt uit atomaire entiteiten zijn opgebouwd die, hoewel individueel onderhevig aan verbijsterend snelle veranderingen en wederbelichamingen, niettemin als entiteiten een langere levensduur hebben dan het fysieke lichaam als geheel dat zij tijdelijk en gezamenlijk vormen.
    Het zou interessant kunnen zijn te zeggen dat elk van de organen van het menselijk lichaam de vertegenwoordiger is van een deel van zijn samengestelde innerlijke constitutie. Met andere woorden, elk van de monadische centra of brandpunten van bewustzijn in de mens heeft zijn eigen ermee overeenkomende orgaan in het fysieke lichaam, en elk van die organen werkt zoveel mogelijk in overeenstemming met de karakteristieke of typerende activiteit van zijn innerlijke en onzichtbare oorzaak. Het hart, de hersenen, de lever, de milt, enz., is ieder op zichzelf de uitdrukking op het fysieke gebied van een overeenkomstig bewustzijnscentrum in de onzichtbare constitutie van de zevenvoudige mens.
    De stralende ster in het diagram is de goddelijk-spirituele schakel met de kosmos en kan worden beschouwd als de ‘wortel’ gevormd uit de drie beginselen of spirituele elementen, waarvan men in één opzicht nauwelijks kan zeggen dat ze boven de âtman staan, maar die de meest glorieuze oorsprong van de âtman zijn, hier weergegeven door het symbool van een ‘ster’ van stralend licht, met in zijn kern een driehoek van stippellijnen die zijn triadische goddelijk-geestelijke wortel weergeeft.


 .    .    .  


    In het westen is ware psychologie een praktisch onbekend terrein van kennis, hoewel ‘psychologie’ in de laatste vijftig tot honderd jaar werkelijk een woord is geworden waarbij men zweert. Wat daarbij zo jammer is, is dat westerse psychologie weinig meer is dan een onderzoek van de lagere delen van het denken en voelen van de mens, en gewoonlijk grenst aan wat men de hogere aspecten van de fysiologie kan noemen. Alle hogere delen van de constitutie van de mens schijnen te worden gezien als bijproducten van de menselijke psyche die daarom weinig werkelijkheid zouden hebben. Maar precies het tegenovergestelde is waar; want juist de spirituele en hogere intellectuele eigenschappen en functies zijn de werkelijke basis of wortel van de mens, en na hun doortocht door de psyche van de menselijke constitutie veroorzaakt hun zwakke weerspiegeling in het brein en het zenuwstelsel de wonderlijke verscheidenheid van verschijnselen die de mens vertoont – in het bijzonder wanneer het lichaam min of meer ziek is of gebrekkig functioneert.
    Het is nogal dwaas dat verzwakte constituties als maatstaf worden gebruikt voor studies van de menselijke psyche. De waarheid over de psyche van de mens moet worden gezocht in de normale mens voor zover zo’n norm kan worden gevonden.
    Wat is tenslotte de psyche van de mens? De oude Griekse en Latijnse stoďcijnen hebben haar verklaard door althans stilzwijgend te verwijzen naar een van de vroege leringen van de Griekse mysteriën waarin staat dat de menselijke ziel – psyche genoemd, van het Griekse psychô ‘afkoelen’ – zo werd genoemd omdat het lagere deel van de menselijke ‘ziel’ door de slaaf te worden van lagere verlokkingen, in de diepten van de koude stof verzonk en dus haar innerlijke geestelijke vuur verloor. Haar omzwervingen door de lagere gebieden van materie bracht haar steeds verder af, tenminste voor eeuwen, van het centrale vuur dat de kosmos doortrilt.
    Deze tussenliggende psychische sluier van bewustzijn verduistert onze menselijke visie. Maar naarmate we erin slagen om binnen en achter deze sluier te gaan des te edeler worden we, en wordt ons verstandelijk vermogen groter en doordringender, wordt ons geestelijke inzicht helderder, werkt onze intuďtie sneller, en worden de impulsen uit ons hart dat opspringt in sympathie en liefde voor al wat is, verhevener.
    Als we nu alle eigenschappen en kwaliteiten van de lagere tussennatuur van de mens onder de term psyche rangschikken, zouden we evenzo al de edelste eigenschappen en kwaliteiten door een ander even veelzeggend woord moeten samenvatten, en misschien kan geen beter woord worden gevonden dan wanneer we ons wenden tot het Grieks, waaraan het woord psychologie is ontleend, en de zetel van deze hogere functies van de constitutie van de mens beschrijven in samenhang met het woord pneumatologie. Eens zullen de wetenschappers beseffen dat het westen slechts velden van onderzoek heropent, betreffende de mens en zijn aard en karakteristieke eigenschappen, die in andere delen van de wereld een heel oud verhaal zijn, zoals bijvoorbeeld in India, waar de hele constitutie van de mens sinds onheuglijke tijden is bestudeerd.
    Zoals William Kingsland het uitdrukt in zijn The Great Pyramid in Fact and in Theory:

De werkelijke aard van de mens, zo is in alle eeuwen onderwezen, is één met dat ene absolute wortelbeginsel dat het heelal IS. Met andere woorden, hij is in de kern een spiritueel wezen, hoewel nu de grote meerderheid van de mensen al sinds eeuwen tijdelijk niet alleen het bewustzijn van de werkelijkheid van zijn spirituele eenheid heeft verloren, maar ook de kennis dat ze ooit heeft bestaan. – II, 123-4

Dit grote spirituele feit is de grondslag van elk stelsel, religieus of filosofisch, van de oude wereld; en de filosofische en religieuze stelsels van de Europese beschavingen, oude en moderne, zijn meer of minder waardevol naarmate ze de nadruk leggen op deze meest verheven spirituele waarheid.
    Als de theosofische beweging niets anders deed dan het westen opnieuw bewust te maken van een gemeenschappelijke oorsprong van alle mensen, zou ze inderdaad de hoogste lof en dankbaarheid van de mensheid verdienen.
    We hebben dus het beeld vóór ons van de constitutie van de mens als een drievoudige entiteit: ten eerste, een hoogste beginsel van onvoorstelbare luister, de bloem van lange eeuwen van evolutie; ten tweede, het tussendeel, eveneens een product van eeuwen van evolutie, maar nog onvolmaakt, en daarom nog min of meer onderworpen aan de wisselwerking van de verschillende krachten die zich in de etherische substantie eromheen bevinden; ten derde, het vitaal-astraal-fysieke element. Toch is zelfs deze triade, hoewel als een samengestelde structuur sterfelijk, zelf de emanatie van haar eigen monadische centrum, het laagste in de menselijke constitutie.


 .    .    .  


    Het is een heel oude leer die tot op zekere hoogte nu door de psychologie is bevestigd dat, terwijl de beginselen van de constitutie van de mens instinctief samenwerken, het toch af en toe voorkomt dat één van de twee hogere duaden als het ware wordt ontwricht of relatief gezien niet functioneert, en dit zonder de dood van de menselijke entiteit te veroorzaken.
    Het is natuurlijk duidelijk dat wanneer een absolute scheiding tussen de lagere triade en de twee hogere duaden plaatsvindt, de dood daarop volgt. De fysieke dood lijkt misschien op een proces van verlies van vermogens en kracht voor hen die niet gewend zijn filosofisch te denken, of die aannemen dat de mens als een volledige zevenvoudige entiteit tijdens het leven het typische voorbeeld is van een wezen dat één bewustzijn heeft. In feite is juist het tegenovergestelde waar. Iedere toename van het aantal beginselen waaruit een entiteit is samengesteld, betekent een daarmee overeenkomstige vermindering van vrijheid van spirituele vermogens en macht, en daarom zelfs van leven, omdat elk toegevoegd substantie-beginsel de spiritueel-intellectuele straal uit de hoogste duade als een sluier omsluit, en daardoor het transcendente licht verduistert dat altijd via de hoogste duade uit het hart van de monade stroomt. De fysieke dood betekent dus een grotere vrijheid, een bevrijding, voor de hogere delen van de mens.
    Laten we echter het onderwerp van de fysieke dood nu terzijde leggen, in welk geval de hoogste en de tussenliggende duade nog enige tijd verbonden blijven in de kâmaloka van het astrale licht, en aandacht schenken aan die bijzondere gevallen waarin ňf de ene ňf de andere van de twee hogere duaden in meerdere of mindere mate ontwricht of inactief wordt. Laten we eerst het geval nemen dat de hoogste duade de tussenliggende duade loslaat die tijdens het leven is verbonden met de lagere triade. Wanneer het ontwrichten of loslaten van de hoogste duade gedeeltelijk is, ontvangen de tussenliggende duade verenigd met de lagere triade in mindere mate de spiritueel-intellectuele invloeden van boven. Zulke gevallen zijn buitengewoon talrijk, en worden ‘zielloze’ wezens genoemd.
    Er is nog een andere klasse van wezens die technisch ‘zielloos’ worden genoemd, omdat ze een lichaam en een samengestelde menselijke constitutie kozen om door middel daarvan op aarde te werken als dit noodzakelijk werd, maar van wie het evolutionaire peil veel hoger staat dan dat van gewone mensen. H.P. Blavatsky zinspeelt hierop in De Geheime Leer (1:262vn):

De mogelijkheid dat de ‘ziel’ (d.w.z. het eeuwige geestelijke ego) in de ongeziene werelden woont, terwijl haar lichaam op aarde blijft leven, is een bij uitstek occulte leer, vooral in de Chinese en boeddhistische filosofie. Zie ‘Isis Ontsluierd, 1:602 (Engelse uitgave) voor een verdere toelichting. Er zijn veel zielloze mensen onder ons, want dit komt voor zowel bij verdorven materialisten als bij personen ‘die toenemen in heiligheid en nooit terugkeren’. (Zie aldaar en ook ‘Isis’, 2:369, Engelse uitgave.)

Deze bijzondere klasse van zielloze mensen zijn zij die hun karma uit het verleden bijna hebben uitgewerkt en gestaag spiritueel vooruitgaan in de spirituele gebieden, maar intussen op aarde als het ware een onbezield lichaam hebben. En ze gebruiken dit onbezielde lichaam alleen wanneer ze dat willen, af en toe, voor speciaal en buitengewoon werk. De zich ontwikkelende entiteit vliegt, om zo te zeggen, wanneer ze verkiest door zo’n lichaam te werken, in haar bewustzijn terug naar de fysieke gebieden, manifesteert zich daar voor korte tijd, en keert dan terug naar haar eigen sferen. Daarom houdt ze het fysieke lichaam alleen in stand voor speciale doeleinden, en is het feitelijk een zielloos persoon, hoewel het doet wat nodig is om in leven en gezond te blijven; het is volkomen onschuldig, en doet niet het minste kwaad. De gedachte is dat de monade uit zichzelf een straal zendt om te incarneren en op aarde een lichaam te hebben voor haar eigen karmische doeleinden. De monade zelf evolueert in de spirituele en intellectuele rijken; en dan wanneer het noodzakelijk wordt, verlicht ze het fysieke lichaam, bezielt het, doet het vereiste werk, en vertrekt weer; maar het lichaam blijft leven.
    Wanneer er een volkomen scheiding tussen de hoogste duade en de tussenliggende duade en lagere triade plaatsvindt, dan ondergaan de verenigde delen die achterblijven een werkelijk verschrikkelijk lot; want dit is het geval van een ‘verloren ziel’ – dit heeft betrekking op de menselijke ziel. Deze toestand ontstaat als een climax van een lange tijd van aanhoudende niet-spiritualiteit in een reeks levens. Als een mens een volkomen slecht leven heeft geleid, vol haat, verslaafd aan onwaardige hartstochten en ondeugden, dan is er niets dat de spirituele ziel bij de dood met zich mee kan nemen naar devachan, en zo’n menselijke ziel reďncarneert daarop bijna onmiddellijk, maar in een lagere toestand en in een meer onvolmaakt menselijk lichaam dan tevoren.
    Stel u een aantal van zulke levens voor, nutteloos vanuit het standpunt van de spirituele natuur of de hoogste duade. Dan zal tenslotte de tijd aanbreken dat de zevenvoudige constitutie uiteenvalt doordat de hoogste duade zich eruit terugtrekt. In dat geval blijft de ‘verloren ziel’ reďncarneren zonder tussenliggende postmortale periode totdat de resterende voorraad energie die in zo’n ‘verloren’ wezen ligt uitgeput raakt, waarna de levensatomen worden verspreid; en in dat geval valt dat wat er van de entiteit overblijft eenvoudig uiteen en incarneert daarna natuurlijk niet meer. De menselijke ziel is verhongerd, ja verschrompeld tot een niet-zijn.
    Een zekere tijd na het ‘verlies’ van de ‘ziel’, en voordat de ontaarde entiteit volkomen in haar levensatomen is opgelost, volgt het nog overgebleven deel van de vroegere mens – en dat deel heeft volkomen beestachtige eigenschappen – de gati of ‘weg’ van de dieren, op grond van de overheersende beestachtige instincten en lusten die het naar de schoot van dieren trekken. Met andere woorden, dat bezinksel van de entiteit dat overblijft zoekt in die schoot belichaming waarheen het zeer sterk wordt aangetrokken, en dat zijn dierenlichamen.
    Het bovenstaande is maar één aspect van de zeer verkeerd begrepen leer van de transmigratie; want met nadruk moet worden gezegd dat geen menselijke ziel ooit de schoot van een dier binnengaat. Ja, juist vóór de ontbinding van het bezinksel van de snel ontbindende entiteit verlaat ze ook het dierenrijk en wordt snel belichaamd in de plantenwereld. In mijn Occulte Woordentolk staat bij ‘zielloze wezens’ het volgende over iemand die een ‘verloren ziel’ is:

Hij zal de ‘gemakkelijke afdaling’ voortzetten, van de ene menselijke geboorte naar een lagere menselijke geboorte overgaan, en dan naar een nog lagere, totdat tenslotte de ontaarde astrale monade – alles wat van het eens menselijke wezen overblijft – zelfs het lichaam kan betreden van een of ander dier waartoe ze zich voelt aangetrokken (en dit is één aspect van de leer van de ‘transmigratie’ die in het westen zo slecht is begrepen); sommige gaan misschien tenslotte zelfs over naar planten en zullen uiteindelijk verdwijnen. De astrale monade zal dan zijn uitgewist.

Maar tijdens het proces van ontaarding en verval blijft er altijd de mogelijkheid dat het ongelukkige wezen dat naar beneden afglijdt door de christos of hoogste duade wordt verlost; want, als er zelfs maar één enkele spirituele aspiratie in de zich ontbindende mense lijke ziel kan worden opgewekt, heeft ze ogenblikkelijk de kans zich te hechten aan de geestelijke straal van boven, en te beginnen weer opwaarts te gaan. Zo’n dood van de ziel vindt niet volledig plaats zolang er de geringste kans blijft bestaan op zo’n geestelijke aspiratie of verlangen. We ontmoeten voortdurend mensen die zich aan hartstocht, on deugd, zelfzucht, enz., hebben overgegeven; in hen is de mense lijke ziel stervend, maar is alleen volledig dood – of ‘verloren’ – wanneer de degeneratie zover is gegaan dat de menselijke ziel volledig verdierlijkt en verdorven is geworden; en dit komt – gelukkig voor de mensheid – inderdaad heel zelden voor!


 .    .    .  


    Het is volgens oude legenden en verhalen niet alleen een mogelijkheid, maar werkelijk een vaak voorkomende gebeurtenis voor de menselijke ziel om tijdelijk gedeeltelijk te zijn gescheiden van het vitaal-astraal-fysieke voertuig. De hoogste duade blijft natuurlijk tot op zekere hoogte het toezicht houden op het tussendeel dat tijdelijk losstaat van de lagere triade; en hierdoor is het lichaam nog voorzien van leven, naar alle schijn nog een normale, levende menselijke entiteit, die nog steeds, maar in mindere mate, de stroom van spiritueel-intellectuele individualiteit ontvangt die voortkomt uit de twee hogere duaden.
    De fysieke mens leeft; en voor zover fysieke ogen hem kunnen zien, is hij naar alle schijn precies wat hij tevoren was; de mens denkt nog, doet zijn werk, blijft doorgaan met zijn dagelijkse bezigheden, maar in werkelijkheid is hij tijdelijk een spiritueel en psychisch gehandicapte. Maar als deze ontwrichting volkomen zou zijn, dan had ze de dood en ontbinding van de lagere triade veroorzaakt.
    De bijna-‘afwezigheid’ of tijdelijke ‘verwijdering’ van het psychische gestel van een mens, uit de rest van zijn constitutie, is zo gewoon dat het bijna iedereen overkomt.
    Het meest algemene geval waarin dit zich voordoet is dat van de slaap. Tijdens de slaap is de persoonlijke mens afwezig; met andere woorden, hij manifesteert zich niet via het fysieke brein; en deze tijdelijke ‘verwijdering’ van de tussenliggende of gewone menselijke natuur is de uiteindelijke oorzaak van de slaap. Het lichaam slaapt omdat de persoonlijke mens niet langer daar is.
    Een ander geval is dat van de trance, een woord dat vaak wordt misbruikt door populaire schrijvers over zogenaamde paranormale verschijnselen. De medische jaarboeken bewijzen dat trances even gewoon zijn voor de mensen als zwarte bessen in het juiste seizoen. Een mens is in een soort trancetoestand als hij verstrooid is, want zijn geest is dan niet langer ‘aanwezig’. Een mens verkeert in een kleinere trance wanneer hij zich niet bewust is van de omringende omstandigheden of diep in gedachten is verzonken.
    Een mens is eveneens in een trance wanneer hij dwaselijk heeft toegestaan het slachtoffer te worden van de praktijken van een hypnotiseur; en iedereen die mannen en vrouwen heeft gezien die in een toestand van hypnose verkeerden, zal beseffen hoe gevaarlijk en verkeerd die praktijken zijn.
    In al deze gevallen is de oorzaak van die toestand dat het psychomentale gestel van de mens automatisch of met geweld van zijn normale plaats is verdrongen; en er rest alleen het levende menselijke lichaam met zijn onvolkomen functionerende hersencellen en zenuwstelsel, waarop tijdens het leven de karakteristieke eigenschappen van het individu zijn afgedrukt.
    Een ander geval van ontwrichting of ‘afwezigheid’ van de tussennatuur is dat waartoe de verschillende graden van krankzinnigheid behoren. Een mens is krankzinnig omdat zijn tussennatuur ‘afwezig’ is, hetzij gedeeltelijk hetzij betrekkelijk volkomen, of in gevallen van hevige krankzinnigheid relatief volledig is ontwricht. De meeste gevallen van geboren zwakzinnigen zijn reďncarnaties van ongeluk kige ‘menselijke zielen’ die de zelfbewuste schakel hebben verloren met het spiritueel-intellectuele deel van hun constitutie, en die daarom nog enige tijd zijn blijven ‘doordraaien’ als mensen omdat de tussenliggende machinerie nog niet is ‘uitgeput’. De meeste zwakzinnig geborenen zijn zielen die nog niet ‘verloren’ zijn, maar in vorige levens de ‘facilis descensus averno’ van Vergilius zijn gegaan, de ‘gemakkelijke afdaling’.
    Toch zijn er uitzonderingen: er zijn gevallen van zwakzinnig geborenen die toestanden betreffen van slechts tijdelijke verduistering van het spiritueel-intellectuele deel, en zodra de toestand van karmische ‘straf’ is doorgemaakt, wordt de entiteit weer een min of meer normaal mens. Geen man of vrouw is tegenwoordig wijs genoeg om onderscheid te maken tussen de ziel op het neergaande pad die als geboren zwakzinnige in het leven komt, en die andere gevallen waarin een stoornis of beschadiging, van psychische of fysieke aard, de toestand van zwakzinnigheid kan hebben veroorzaakt. Zo’n letsel kan zowel vóór de geboorte als daarna plaatshebben. Het zou ethisch gezien zuiver moord zijn om euthanasie op zulke ongelukkige gehandicapte mensen goed te keuren – want ze zijn nog volledig mens.
    Zulke gevallen van ‘ontwrichting’ zijn in geen geval identiek met die van ‘verloren zielen’. Bij ‘verloren zielen’ is geen sprake van een ontwrichting van de tussenliggende duade, maar van het zich terugtrekken van de hoogste duade.
    We hebben gesproken over bepaalde abnormale of subnormale toestanden van de tussennatuur; en het is misschien goed nu die abnormale toestanden van de tussennatuur te bespreken, die niet abnormaal zijn in de zin van lager dan de norm maar van boven de norm, of bovennormaal. Terwijl de subnormale gevallen alle worden veroorzaakt door de inactiviteit van de spirituele natuur, worden de bovennormale gevallen veroorzaakt door de versterking in de mens van de activiteit van de hoogste duade – of wat op hetzelfde neerkomt, de bovennormale gevallen zijn die waarin de spirituele natuur in hoge of minder hoge mate in de mens overheerst.
    In gevallen van meer dan normale activiteit van de hoogste duade, is het tussenliggende of mentaal-psychische deel van de mens op zijn gebied overeenkomstig hoog ontwikkeld, omdat het doorschijnend is geworden voor en een gewillig voertuig van de stroom van spiritueel-goddelijk bewustzijn die door haar heen stroomt vanuit de spirituele ziel, het actief individuele deel van de monadische essentie. Dan domineert de monade in de mens, en wordt in zijn functies niet gehinderd door de zelfverzekerdheid en de karaktersterkte van het tussendeel, en evenmin wordt ze geheel in beslag genomen door de individualiteit van de ziel-entiteit wanneer de spiritueel-goddelijke stroom van monadisch bewustzijn erdoorheen vloeit naar het persoonlijke bewustzijn van de mens. Ja juist het tegengestelde hiervan heeft plaats; want de tussennatuur is in hoge mate één geworden met de stroom van de monadische essentie, waardoor dat prachtige wonder van de mensheid wordt voortgebracht: een mens in min of meer nauwe vereniging met de god binnenin hem.
    Een van de meest algemene feiten in het leven is de invloed die het ene verstand op het andere uitoefent, want het menselijke psychische gestel is bijzonder ontvankelijk voor suggestie, en in extreme gevallen voor beheersing van buitenaf. Welnu laten we, in plaats van zo’n invloed van buiten die het psychisch gestel van de mens beďnvloedt, deze invloed vervangen door de transcendente geestelijke stroom van bewustzijn die uit het eigen spirituele zelf of de innerlijke godheid van het individu stroomt. Hier hebben we wat het hele evolutieproces probeert tot stand te brengen - de vereniging van het louter menselijke individu met zijn eigen innerlijke god. Tot nu toe zijn zulke gevallen inderdaad zeldzaam. Zulke halfgoden of mensgoden zijn de geestelijke en intellectuele voorlopers van wat de hele mensheid tenslotte in ver in de toekomst liggende tijden bestemd is te worden.
    Wanneer zo’n zelfbewuste ontvankelijkheid van de zielennatuur praktisch volmaakt wordt, dan kunnen de mensen zeggen: ‘Zie, een geďncarneerde boeddha!’ ‘Zie! een geďncarneerde christus!’ Zo’n halfgod is in alle eeuwen naar waarheid beschreven als een geďncarneerde godheid, omdat de straal van de kosmische logos in betrekkelijke zuiverheid en kracht door hem heen werkt, en daarom de goddelijke wil en het goddelijke bewustzijn manifesteert. Van zo’n grote figuur die één is geworden met de innerlijke godheid, voor zover het ons eigen zonneheelal betreft, kan worden gezegd dat hij alwetend is geworden, omdat zijn bewustzijn zich naar welgevallen uitstrekt over de gebieden van het universum. Ze zijn belichaamde dhyâni-chohans die worden beschouwd als spiritueel-intellectuele monadische stralen. Natuurlijk verschillen zelfs zij onderling in niveau van evolutionaire groei, waarbij sommigen veel verder zijn gevorderd dan anderen.
    Noodzakelijkerwijs zijn er maar weinig van deze grote figuren en ze komen met grote tussenpozen voor; en de mysteries die op hen betrekking hebben zijn zowel vreemd als wonderbaarlijk. In het Nieuwe Testament wordt de episode in de Hof van Gethsemane beschreven, waar Jezus tegen zijn discipelen zou hebben gezegd:

Mijn ziel is zeer bedroefd, tot stervens toe. Blijf hier en waak met mij. En hij ging een weinig verder, en wierp zich ter aarde en bad . . . en zei: ‘Abba, Vader, als het mogelijk zou zijn, neem deze beker van mij weg. Niettemin niet wat ik wil maar wat U wilt’.
Marcus, 14:34-6

Hier in dit geval kan men de ware en gewillige overgave zien van de individuele menselijke wil aan de wil van de innerlijke heersende spirituele godheid; en men hoeft zich slechts tot de geschiedenis van vele van de grote wereldleraren te wenden, om te beseffen dat wat ook hun individuele geschiedenissen mogen zijn zoals wij die hebben aangenomen, dezelfde toestand van volkomen gewillige berusting van het menselijke individu in de opdrachten van de innerlijke god ook in hun leven wordt gevonden.
    Dit toont de wonderlijke psychische toestand van geestelijke ontwikkeling die de Groten hebben bereikt, die hen tot zeer getrouwe middelaars maken van de innerlijke godheid. Want de spirituele monade in de constitutie van de mens is in feite de ‘vader’ of ouder van zijn hele wezen. Ieder van de Groten is dus niet alleen het menselijke voertuig maar ook en tegelijkertijd de menselijke uitdrukking van zijn eigen innerlijke god. Het is waar dat ieder mens een belichaamde godheid is, maar alleen bij een enkeling is deze individuele innerlijke god in staat zichzelf tot uitdrukking te brengen.
    Ook de menselijke natuur van de Groten voelt soms, zo wordt er gezegd, de ontzaglijke last van hun deel van het Kosmische werk. Deze menselijke natuur, hoe geëvolueerd ze ook is, is geestelijk gesproken niettemin lager dan het spirituele monadische zelf, en daarom heeft ze af en toe rust en verademing nodig.
    Het geval van Jezus*, de Christus genoemd, is wat betreft het psychologische mysterie gelijk aan wat plaatsheeft in de gevallen van andere Groten die de vreselijke beproevingen van een hoge inwijding ondergaan. Waarschijnlijk is er nooit in de geschiedenis van de wereld enige grote spirituele beweging van start gegaan die niet tegelijkertijd de volkomen zelfovergave in zich sloot van de verkondiger of boodschapper – een zelfovergave die echter in alle gevallen vreugdevol is geweest; want de boodschappers hebben altijd geweten wat hun werk is, tenminste in grote lijnen, en hebben ook altijd geweten hoe ver heven en prachtig deelname in dit werk is.
    Het zou nu duidelijk moeten zijn wat werd bedoeld met een tijde lijke scheiding of ‘afwezigheid’ van het psychische deel van de constitutie van de mens wanneer dit plaatsvindt met de toestemming en gewillige deelname van het individu: een handeling die altijd gebeurt opdat de dominerende geestelijk-goddelijke en noëtische energieën van het hogere zelf tijdelijk naar buiten kunnen vloeien in het bewustzijn van de normale mens, niet gekleurd door het tussendeel van de mens, door zijn eigen egoďsche bewustzijnscentrum. Als dit verbazingwekkende mysterie plaatsheeft, dan is de mens tijdelijk volledig verbonden met zijn hogere zelf, en wordt hij het fysieke voertuig voor de overdracht van leringen en voorschriften over de grootste mysteries van de natuur, en van de meest verheven geestelijke waarheden.

[*Bovendien is het hele verhaal van Jezus, zoals het in de vorm van de zogenaamde canonieke evangeliën is gegeven, een mythos in de Griekse betekenis van dit woord; dat wil zeggen, het is een mysterieverhaal, niet zozeer een beschrijving van een historische persoon die Jezus heette, ofschoon er werkelijk zo’n avatâra leefde, als wel een uiteenzetting, verhuld en versluierd door esoterische allegorie en symbool, van verschillende episoden van de inwijdingscyclus zoals die episoden in Klein-Azië werden begrepen en gevolgd. Verschillende gebeurtenissen en mythische mysterieriten zijn rond de figuur van de grote Palestijnse ingewijde gegroepeerd; maar als men geschikte aanpassingen maakt voor de verschillen in de symbolische allegorie en veranderingen van de namen en omstandigheden, dan is zo’n mysterieverhaal evengoed van toepassing op elke grote wereldleraar als op Jezus, om wie dit bijzondere mysterieverhaal uit Palestina of Klein-Azië werd opgebouwd als een zinnebeeldige figuur. Het mooie nieuwtestamentische verhaal is in de spirituele geschiedenis van de wereld niet uniek in haar beschrijving van een menselijke figuur die is bekleed met halfmenselijke goddelijkheid, en daarom is Jezus, de christos genoemd, niet een unieke en enige wereldleraar.]

Mensen zijn in drie algemene klassen te verdelen waarin de tussenliggende of psychische natuur meer of minder doorschijnend is voor het innerlijke licht. De eerste klasse omvat de grote meerderheid van de mensen; de mensen in de tweede klasse zijn gering in aantal; en in de derde klasse zijn zeer weinigen en ze verschijnen alleen op cyclische momenten onder de mensen. Laten we ze als volgt opsommen: I. gewone mannen en vrouwen in wie de psychische natuur matig doorschijnend is voor het licht en de macht van de innerlijke god; II. boodschappers en discipelen van de wijzen, en de wijzen zelf, in wie ze in hogere mate doorschijnend is; III. avatâra’s, zij in wie het innerlijke licht volkomen doorschijnt.
    Klasse I. Omdat het tussenliggende deel van de mens maar onvolmaakt is ontwikkeld, en dus alleen matig doorschijnend is voor het hemelse licht van de spirituele monade, daarom is dit deel onderhevig aan vele verstoringen en ook verschillende onvolkomenheden van zijn werking die de stroom van spiritueel bewustzijn die emaneert uit het innerlijke essentiële zelf belemmeren.
    Men noemt het geweten, of de stem van het geweten, gewoonlijk een onfeilbare gids, en deze intuďtieve erkenning van de rol die het geweten in het leven van de mens speelt bevat inderdaad veel waarheid. Toch kan men de stem van het geweten niet beschouwen als een nooit falende en volkomen betrouwbare gids, omdat ze, hoewel deze ‘stem’ oorspronkelijk emaneert uit de spirituele monade en daarom een uitdrukking is van de wijsheid van het hoogste in ons, alleen kan functioneren wanneer ze door de zware sluiers van het onvolkomen psychische voertuig heendringt, en daarom kunnen haar spirituele influisteringen ons vaak niet bereiken. Nauwkeuriger gezegd, het geweten is werkelijk de verzamelde wijsheid en kennis die in alle voorgaande levens werd verkregen, en daarom is het, hoewel het uit zijn spirituele bron emaneert, natuurlijk niet volkomen onfeilbaar. Niettemin is het een veilige en zekere gids voor de mens om te volgen voor zover de mens in staat is de waarschuwende ingevingen ervan te horen.
    Als onze tussennatuur volledig zou zijn ontwikkeld, als wij en onze innerlijke bewustzijnslagen doordringbaar waren voor de stralen van de spirituele zon in ons, dan zou er geen verduistering zijn van dat bovenaardse licht, en ons geweten zou inderdaad een werkelijk onfeilbare gids zijn omdat het de stem van de spirituele ziel zelf zou zijn. De Groten zijn zulke betrekkelijk volmaakte wezens geworden, en daaruit volgt dat ze min of meer voortdurend de verbinding met de godheid in hen ervaren; ieder van hen kent zijn innerlijke god en dus is de innerlijke stem altijd duidelijk en onmiskenbaar en dus een onfeilbare gids.
    Tegenwoordig beschouwt de gewone mens de intuďties van waarheid en de vaak stille impulsen die uit de geest vanbinnen tot hem komen als niet veel meer dan fantasievolle verbeelding. Hij beseft niet dat deze intuďties afkomstig zijn van de lichtende godheid in hemzelf; en zijn hele opvoeding vanaf zijn kindertijd was zodanig dat hij eerder intens naar buiten is gericht dan dat hij de bespiegeling of het begrip van zijn innerlijke zelf combineert met het naar buiten zien of het onderzoek van het hem omringende heelal. De gewone mens weet niet dat deze aanmaningen en waarschuwingen de stem van het spirituele in hem zijn die zijn gewone bewustzijn min of meer duidelijk bereikt. Toch vormt de ‘stem’ voor iemand die zelfs maar één keer deze ware innerlijke inwijding heeft ervaren, een verbluffend contrast met de doffe stemmen van de lagere natuur, die vaak een beroep doen op het grove en ruwe in ons.
    Plato bespreekt dit onderwerp in zijn Phaedo (§ 79):

Hebben we niet al lang geleden gezegd dat wanneer de ziel het lichaam als een werktuig gebruikt om zich gewaar te worden: dat is als ze het zintuig van het gezicht of het gehoor, of zelfs een van de andere zintuigen gebruikt – want als we zeggen dat we waarnemen door het lichaam, bedoelen we waarnemen door de zintuigen – hebben we niet gezegd, herhaal ik, dat de ziel dan door middel van de lichamelijke aantrekking van nature wordt gezogen naar de wereld van veranderende en wisselende tonelen, en daarom doolt en verward is: dat de wereld om haar heen wentelt en dat zij dan zolang ze onder de invloed van de zintuigen is, gelijk een dronkaard is?
    Zo is het, Socrates.
    Toch, wanneer ze weer tot zichzelf komt, denkt ze helder na; en dan komt ze van nature in een zuivere wereld, en in het altijddurende, en het onsterfelijke en onveranderlijke, die alle haar eigen aard zijn; en met deze leeft ze eeuwig, wanneer ze zichzelf is en niet ergens anders heen getrokken of gehinderd wordt; dan doolt ze niet langer; en als ze in harmonie is met het onveranderlijke, is zijzelf onveranderlijk. Wordt deze staat van de ziel niet wijsheid genoemd?
    Dat heeft u goed gezegd, Socrates, en het is heel juist.

De stem van het geweten wordt gewoonlijk als slechts een ethische waarschuwing beschouwd, maar dit is onjuist en deze gedachte is alleen ontstaan omdat de mensen meer gewend zijn te zoeken naar ethische leiding dan naar inspiratie of intuďtieve leiding van binnenuit. De waarheid is dat wat gewoonlijk genie of inspiratie of intuďtie wordt genoemd, uit de ene spirituele bron van het hogere zelf afkomstig is, waaruit eveneens het geweten voortkomt. Een genie is een mens die door een gelukkig karmisch lot in staat is om (gewoonlijk zonder dat hij dat zelf weet) te putten uit het onmetelijke reservoir van de wijsheid die in vroegere levens is verzameld, en die als impulsen zijn breinverstand binnenstroomt of misschien als een stroom van intuďtieve gewaarwordingen en geďnspireerde gedachten.
    Einstein formuleerde het als volgt:

Ik geloof in intuďtie en inspiratie. Soms voel ik duidelijk dat ik gelijk heb, hoewel ik niet weet waarom. . . . Ze is strikt gesproken een wezenlijke factor bij het wetenschappelijk onderzoek.

Wanneer wetenschappers zelfbewust de bron van inspiratie en intuďtie in ieder van hen leren kennen, zullen ze beginnen te putten uit de onfeilbare bron van wijsheid en leiding in hun werk; en van dolers in gebieden van speculatie en vaak van twijfel, zullen ze werkelijke illuminati worden.
    Als de mens leert zijn psychische natuur ondergeschikt te maken aan het licht van boven, zal hij werkelijk worden geďnspireerd. Ook moet rekening worden gehouden met de altijd aanwezige drang die is geworteld in de god in ons, wanneer deze ons probeert te leiden langs de kronkelige wegen van het leven, om zijn ‘lagere zelf’, het menselijke individu, te verheffen, tot uiteindelijk de zelfbewuste eenheid met zichzelf wordt bereikt. Wanneer de innerlijke god zich aldus van zijn hoogten neerbuigt en zijn lagere broeder-geest aanraakt, gaat er ogenblikkelijk van de god een spiritueel-elektrisch vuur over naar het wezen van degene die daardoor goddelijk wordt beroerd. Wanneer dit gebeurt, heeft het individu tenslotte het pad gevonden, omdat hij zichzelf heeft gevonden. De grote wijzen en zieners van de mensheid hebben door de eeuwen heen hun medemensen geleerd het pad te betreden – het stille, smalle, rustige, eindeloze pad – dat naar de goden zelf voert.

Klasse II: Die van de boodschappers en gevorderde leerlingen van de wijzen, en in haar hoogste graden de mahâtma’s zelf. Deze klasse van mannen en vrouwen staat op een heel ander niveau dan dat van klasse I waarin de ontwrichting van het psychische gestel grotendeels onvrijwillig is, en vaak zonder meer een kwelling. In deze tweede klasse is de ‘afwezigheid’ of ontkoppeling van het psychische gestel een zeldzaam verschijnsel; wanneer ze voorkomt is ze geheel vrijwillig en het vindt alleen plaats wanneer het individu haar verlangt voor een edel doel dat de hele mensheid ten goede komt.
    Door training en inwijding functioneren de spirituele wil en het bewustzijn van deze individuen vrijelijk, en kunnen het psychische gestel zo beheersen dat het tijdelijk wordt opzijgezet, opdat de stroom van bewustzijn die voortvloeit uit de spirituele monade direct en zonder tussenkomst het gewone menselijke bewustzijn kan binnengaan. Wanneer dit gebeurt, wordt de mens praktisch een geďncarneerde god, een boeddha, een christus. Zijn bewustzijn heeft tijdelijk een universeel bereik en hij is alwetend – tenminste zover het ons zonnestelsel betreft. Boeddhisten spreken over deze toestand als die van de ‘innerlijke boeddha’, christelijke mystici als die van de ‘immanente christus’; in de hindoefilosofie spreekt men erover als de ‘luister van het brahman in het hart’.
    Hier ligt een subtiel punt van de psychologie waarop moet worden gewezen. Bij alle hogere vertegenwoordigers van deze klasse II wordt de svâbhâvische kwaliteit of de egoďsche individualiteit van de tussennatuur niet geheel vernietigd.
    Er zijn in werkelijkheid twee verschillende dingen aan de hand. Ten eerste hebben we de gevallen waarin de tussennatuur van hoogontwikkelde mensen of mahâtma’s enige tijd opzij kunnen worden gezet, zelfs voor de hele incarnatie, en altijd met als doel om op aarde een manifestatie teweeg te brengen van een zuiver goddelijke macht die ongekleurd is door een menselijke tussennatuur; en toch wordt ook hier, opdat de goddelijke macht direct op het breinverstand van de mens kan inwerken, de kloof die tussen de twee bestaat overbrugd door een hoog vergeestelijkt psychisch gestel of een tussennatuur van een boeddha. Dit is technisch gesproken het geval van een avatâra.
    Ten tweede zijn er gevallen van hoogontwikkelde individuen van wie de hele constitutie op een spiritueel niveau is gebracht en van wie het tussenliggende psychische gestel volledig samenwerkt met de geestelijke stroom die van bovenaf daarin neerdaalt. Dit zijn de boeddha’s en bodhisattva’s en de hogere klassen van de mahâtma’s. Ze zijn met andere woorden de hoogst ontwikkelde mensen die op een of ander moment op aarde verschijnen, en in wie er geen ontwrichting of opzijzetten van het psychische gestel is, omdat het laatstgenoemde door evolutie volkomen is afgestemd op de innerlijke god. Zij zijn de voorlopers van wat de hele mensheid zal worden wanneer ze vanuit een alleen maar mens zijn zal zijn overgegaan in de toestand van dhyân-chohanschap.
    De lezer zou moeten proberen deze twee onderklassen van klasse II duidelijk voor ogen te houden. De boeddha’s evolueren tot een hoge staat; de avatâra’s worden ‘geschapen’.
    Al het bovenstaande kan de gewone onderzoeker heel vreemd en vaag schijnen, en dit alleen omdat hij weinig weet over deze verbazingwekkende mysteries in de pneumatologie, zowel als in de werkelijke psychologie van de oude wijsheid. Iedere wereldleraar is door zijn volgelingen of leerlingen verlicht genoemd; zodat er over hen is opgetekend dat hun gezicht en lichaam een glans uitstraalden; en inderdaad hebben de oude Grieken in gesluierde taal uitgedrukt dat zulke verschijningen van godheden bekende feiten waren, en dat vooral tijdens en na de inwijding zo’n omringende glorie werd opgemerkt.
    Gewoonlijk kwam deze verlichting door tenminste een tijdelijke identificatie van de tussennatuur van de mens met zijn eigen spirituele zelf; maar soms – en deze gevallen zijn relatief gesproken uiterst zeldzaam – gebeurde het omdat een groot en verheven mens (die behoorde tot klasse II) het kanaal werd voor de tijdelijke manifestatie van een hemelse macht, wanneer de mens werd vervuld van de heerlijkheid van een overstralende godheid.
    Om de zaak iets duidelijker te maken: de eerstgenoemde gevallen zijn die waarin de neofiet tijdelijk wordt bekleed met de spirituele en intellectuele en vitale uitstroming uit de innerlijke god, en dit komt voor bij de hogere graden van inwijding; terwijl de laatstgenoemde gevallen, die relatief uiterst zeldzaam zijn, die zijn waarin het individu van de hogere rangen van klasse II zichzelf, misschien voor de duur van een mensenleven, opoffert om het volkomen gewillige menselijke voertuig te worden teneinde een goddelijke invloed in de wereld te brengen en daarin een goddelijk werk te verrichten.
    Het geheim ligt in de zielennatuur, ook wel het tussenliggende deel of psychische gestel genoemd. Met het nodige voorbehoud voor de gevallen van een avatâra, worden alle andere gevallen waarop is gezinspeeld, mogelijk gemaakt door het volkomen stil worden, of het in harmonie komen met de spirituele monade, van de steeds actieve en impulsieve menselijke ziel die zich uit als het psychische gestel. Dit is een orgaan dat, hoe nuttig het voor dagelijkse aangelegenheden ook is, op grond van zijn koortsachtige en ongedurige activiteiten, de grootste hindernis is om de kalmerende en verfijnende spirituele invloeden afkomstig uit de spirituele natuur in zich op te nemen. Daarom is de gedachte zeer zeker niet dat de psychische natuur de constitutie, zelfs maar tijdelijk, verlaat, want zo’n handeling zou in een meer diepe slaap of diepe trance resulteren; maar in plaats daarvan is de bedoeling dat deze psychische natuur wordt geoefend om volkomen stil te zijn, zo doorschijnend als een bergmeertje dat de stralen van de gouden zon opvangt en weerkaatst. In feite verschilt de toestand in beginsel niet van wat in mindere mate bij iemand gebeurt wanneer hij zich in de stemming voelt om een nieuwe en verhelderende gedachte in zich op te nemen.

Klasse III is die van de avatâra’s. Het grote verschil dat de avatâra’s van de individuen uit klasse II en ook klasse I onderscheidt, ligt in het volgende feit: In de gevallen van de avatâra’s is er geen karmisch natuurlijk persoonlijk tussenliggend of psychisch voertuig dat van henzelf is en uit vroegere levens op aarde komt; ja, hun tussenliggende deel dat de psychische schakel vormt tussen de geest en het vitaal-astrale-fysieke lichaam, komt bij hen ergens anders vandaan. Met andere woorden de avatâra’s zijn menselijke individuen, die ieder een goddelijke straal belichamen, die geen vroegere incarnaties in een leven op aarde hadden en geen toekomstige incarnaties zullen hebben. Ze zijn wezens met buitengewoon spirituele, intellectuele en psychische vermogens die geen vroeger karma hebben en geen toekomstig karma zullen hebben, want hun verschijnen onder de mensen is uniek; en dit komt omdat ze niet de wederbelichaming zijn van een menselijke ziel zoals alle andere mensen zijn. Hoewel ze mensen zijn omdat ze werken door een menselijk lichaam dat op de gewone wijze is ontstaan, hebben ze, of liever zijn ze, als menselijke individuen feitelijk geen eigen ‘menselijke ziel’, maar zijn ‘geschapen’ door een hoogste inspanning van goddelijke witte magie. Hun verschijning, of liever het feit dat ze worden voortgebracht onder de mensen heeft uitdrukkelijk als doel om de spirituele invloed van een goddelijke straal in de geschiedenis van de mens tot stand te brengen. Om dit te bereiken wordt het psychische gestel tijdelijk ‘gegeven’ aan wat wordt voortgebracht om het noodzakelijke tussenvoertuig of de ‘drager’ te verschaffen tussen het astraal-vitaal-fysieke lichaam en de straal uit de wachtende godheid.
    Het woord ‘avatâra’ is een samengesteld Sanskrietwoord en kan worden vertaald met ‘neerdaling’, en betekent het neerdalen van een hemelse straal in de lagere gebieden, of wat op hetzelfde neerkomt, van een geďndividualiseerd samenstel van spirituele kracht-substantie – een goddelijk of hemels wezen – met als doel een menselijk voertuig te overschaduwen en te verlichten, gedurende de tijd dat zo’n verbinding tussen ‘hemel en aarde’ van een godheid met de stof geen karmische verbindende psychische schakel bezit tussen de geestelijke straal en het fysieke lichaam; met andere woorden, geen menselijke ziel heeft die in dat lichaam wordt geboren en karmisch bestemd was de innerlijke meester van dat lichaam te zijn.
    In de psychische of menselijke schakel in de avatâra wordt voorzien door het vrijwillige binnengaan in het ongeboren kind (en op een later tijdstip gevolgd door de overschaduwing door de hemelse macht) van het psychische beginsel van een wezen dat de staat van het boeddhaschap heeft bereikt, en dat op die manier de constitutie van de avatâra volledig maakt. Dit alles is een mysterie, in de oude Griekse betekenis van het woord, groter zelfs dan de mysteries die bij elk individu van klasse II behoren.
    Het kan interessant zijn enkele avatâra’s uit de ons bekende geschiedenis te noemen, waardoor de lezer zijn eigen oordeel kan vormen over de respectieve plaats die ieder in de avatârische hiërarchie innam. Sankarâchârya uit India kan als voorbeeld worden genoemd van een ware avatâra. Hij leefde een paar generaties na het heengaan van Gautama de Boeddha. Sankarâchârya werd in Zuid-India geboren, en van zijn vroegste kindertijd tot de dag van zijn dood gaf hij blijk van transcendente vermogens op spiritueel en intellectueel gebied. Hij was een van de bekendste hervormers van de orthodoxe Indische religieuze filosofie, en de stichter van de Advaita-school van de Vedânta, die ook nu nog de meest algemeen gevolgde school van het hindoeďsme is – en misschien ook de meest spirituele.
    Als we alle legenden of mythen buiten beschouwing laten, zijn de voornaamste feiten over de aard van een avatâra en zijn komst naar het gebied van de geschiedenis van de mens misschien als volgt samen te vatten: (a) de avatâra is samengesteld uit drie delen, van duidelijk verschillende afkomst, maar verenigd om een avatârisch wezen te vormen. Er is, ten eerste, het geestelijk-goddelijke deel; ten tweede, de geleende tussen- of ‘zielennatuur’; ten derde, een karmisch zuiver menselijk astraal-vitaal-fysiek voertuig; (b) de avatâra is een voortbrengsel teweeggebracht op bepaalde cyclische momenten in de geschiedenis van de mens met het uitdrukkelijke doel een directe en onbelemmerde spirituele invloed in menselijke aangelegenheden te brengen; (c) de avatâra heeft geen karma; en is dus geen karmisch product in de zin van een reďncarnatie van een zich wederbelichamend ego, en daarom heeft hij als individu geen verleden en zal geen toekomst hebben. Het spiritueel-goddelijke deel dat uit de hemel ‘neerdaalt’ heeft natuurlijk geen menselijk karma, omdat deze straal geen menselijke oorsprong heeft, en dus is er geen individueel of raskarma dat hem naar de menselijke sfeer aantrekt. Toch wordt het verschijnen van een avatâra door karma van kosmische aard bepaald – of, misschien beter, van wereld-aard, ‘wereld’ hier gebruikt in de betekenis van deze bol van onze planeetketen.
    Een ander voorbeeld van een avatâra is Jezus; en zoals allen van zijn klasse, had hij geen louter menselijk karma, behalve misschien in de zeer beperkte zin waarin het fysieke lichaam zijn eigen karmische eigenschappen kan hebben die echter van korte duur waren. De esoterische filosofie verklaart dat het psychische of ‘geleende’ deel van Jezus de avatâra bijna zeker dezelfde psychische entiteit was die het tussenliggende menselijke deel van de voorafgaande avatâra, Sankarâchârya, had verschaft; en bovendien dat deze zelfde tussenliggende entiteit die in beide gevallen was ‘geleend’, direct is te herleiden tot Gautama Boeddha. Een kritisch onderzoek van de leringen van zowel Sankarâchârya als Jezus zal tekenen van intellectuele identiteit in deze twee avatâra’s aan het licht brengen. Ongetwijfeld had ieder zijn eigen avatârische werk te doen en ieder deed dat op grootse wijze. Hoewel er verschillen zijn, geven de punten van sterke overeenkomst, de identieke intellectuele atmosfeer in beide gevallen te denken.


 .    .    .  


    Er zijn ook wat men ‘kleinere avatâra’s’ zou kunnen noemen. Voorbeelden daarvan zijn wat in de theosofie boodschappers worden genoemd, dat zijn individuen die door de grote broederschap zijn uitgekozen om de wereld in te gaan als hun vertegenwoordigers om een bepaald werk te verrichten onder de mensen. Zulke kleinere avatâra’s worden terecht zo genoemd, omdat het psychische gestel of psychomentale wezen van deze personen wordt getraind om af en toe vrijwillig terzijde te treden om zijn eigen natuurlijke plaats te laten innemen door de geprojecteerde wil en intelligentie van een van de grote leraren, die dus tijdelijk een ‘psychisch gestel’ wordt dat in de overigens normale constitutie van de boodschapper werkt. Ze zijn ‘kleiner’ omdat alleen het psychische gestel van zo’n boodschapper identiek is met de gevallen van de ware avatâra; maar toch hebben ze deel aan het avatârische karakter op grond van het feit dat het psychisch gestel dat in de boodschapper werkt soms niet zijn eigen is, maar in die gevallen om zo te zeggen de ‘stem’ of het ‘denken’ van de leraar is. In andere opzichten wordt de constitutie van de boodschapper niet beďnvloed en bestaat uit de innerlijke geestelijke monade en het astraal-vitaal-fysieke deel, die beide zoals gewoonlijk functioneren. Juist omdat de boodschapper bij deze gelegenheden van innerlijke ‘inspiratie’ door zijn leraar wordt vervuld met het heilige geestelijke vuur van een grotere ziel, is de boodschapper de facto een soort avatâra.
    Neem als voorbeeld het geval van de hoofdstichtster van The Theosophical Society, H.P. Blavatsky. Gewoonlijk was zij zichzelf in elke betekenis van het woord, en in het volle bezit van al de vermogens en eigenschappen van haar normale constitutie, in hoge mate getraind als die was. Maar soms werkte het veel grotere intellect van de leraar door haar heen, en drukte zich af op haar brein-verstand – en dan sprak ze als een profetes, als het oude orakel van Delphi; en er waren tijden dat ze – omdat ze een training had ondergaan – door de hoogste inspanning van haar wil haar eigen psychomentale natuur kon verbinden met de innerlijke straal uit haar eigen spirituele monade, en het effect was soortgelijk maar niet identiek met het andere geval van ‘inspiratie’. H.P. Blavatsky zelf maakte gewoonlijk onderscheid tussen deze twee delen van zichzelf, bijvoorbeeld tussen wat ze ‘H.P.B.’ noemde en ‘H.P. Blavatsky’.
    Bovendien ‘woonde’, om wat zijzelf soms ‘de astrale telegraaf’ noemde te vormen, een bepaald deel van haar tussenliggende constitutie vanaf het begin van haar openbare werk, en zelfs daarvoor, gescheiden van het lokale raamwerk van haar constitutie, waarbij dit gedeelte in feite bij de leraren was en door hen heel zorgvuldig werd beschermd tegen letsel of invloeden van buitenaf. Veel mensen hebben zich verwonderd over wat zij de tegenstrijdigheden van haar karakter noemden, die zeker bestonden, maar grotendeels op grond van dit feit.
    Het geval van H.P. Blavatsky illustreert ook het scherpe onderscheid dat in de esoterische filosofie wordt gemaakt tussen alleen maar een medium (een hulpeloos werktuig van grillige astrale krachten), en een middelaar, een zelfbewuste tussenschakel tussen de broederschap en het merendeel van de mensen.
    Een middelaar of overbrenger is dus een hoogontwikkeld en speciaal getraind mens, en staat veraf van het medium dat een gewoon mens is met een min of meer ontwricht psychisch gestel, het gewoonlijk onbewuste slachtoffer van bijna iedere astrale stroom van energie die misschien toevallig naar hem toestroomt.
    Middelaars of boodschappers lijden in geen enkel opzicht aan het zichzelf blootstellen aan psychische invloeden of de slaafse onderwerping aan de wil van een ander, en elk van die omstandigheden zou het individu ongeschikt maken om een middelaar te zijn. Wat de broederschap boven alles verlangt, is de versterking van de hogere elementen in de constitutie van alle mensen. Dit geldt in het bijzonder voor de middelaars en boodschappers die de broederschap zelf uitkiest om van tijd tot tijd hun werk in de wereld te doen.


 .    .    .  


    In de Katha-Upanishad komt een treffende passage voor die het spirituele zelf beschrijft als het hart van de dingen, en vooral ook van de mens:

Het kennende zelf wordt niet geboren, noch sterft het ooit; uit geen enkel ding is het ooit voortgekomen, want alle dingen ontstaan eruit. Deze Oude van Dagen is ongeboren, eeuwig, altijddurend; het wordt nooit gedood, hoewel het lichaam wordt gedood.
    Als de doder denkt dat hij doodt, of als de gedode denkt dat hij is gedood, dan begrijpt geen van beiden het; want in werkelijkheid doodt de een niet, noch wordt de ander gedood.
    Het zelf, kleiner dan het kleinste, groter dan het grootste, ligt verborgen in de kern van ieder wezen. De mens die vrij is van verlangens en vrij van verdriet, ziet de majesteit van het zelf door de rust van het denkvermogen en de zintuigen.
    Die mens gaat, hoewel hij stilzit, toch ver; hoewel hij neerligt, reist hij waarheen hij wil. . . .
    De wijze die het zelf kent als lichaamloos in alle lichamen, en onveranderlijk te midden van veranderlijke dingen, als het meest verhevene van alles, en alomtegenwoordig, treurt nooit.
    Het zelf kan niet worden bereikt door de heilige geschriften, noch door denken alleen, noch door veel geleerdheid. Wie door het zelf wordt gekozen als behorende tot dat zelf, door hem wordt het zelf gekend. Het zelf kiest hem als behorende tot dat zelf.
– 2:18-23

De gedachte is hier dat de mens die zijn eigen persoonlijke ego laat opgaan in het universele zelf of de paramâtman, bewust is van ‘onsterfelijkheid’ zelfs tijdens zijn leven, want hij is één geworden met het universele bewustzijn.
    Vervolgens zegt dezelfde Upanishad:

Het, het zelf, het individu van de individuen, dat volkomen wakker is terwijl wij slapen en het ene mooie droombeeld na het andere maken, dat is inderdaad het licht, dat is brahman; alleen dat wordt onsterfelijk genoemd. Alle werelden liggen in Het besloten, en daarboven is geen boven. Het is het onzichtbare universum.
– 5:8

De gedachte hierin is dat dit kosmische zelf niet alleen de onsterfelijke bron van ons meest innerlijke zijn is, maar de essentie van ons eigen spirituele bewustzijn. Daar komen we vandaan; we zijn in alle eeuwigheid als individuen onafscheidelijke delen ervan. Dit universele zelf woont in het hart van elke man en elke vrouw en fluistert: ‘ik ben’; wat ons belet om het te begrijpen is de tussenliggende psychische natuur, het menselijke ego, dat niet zegt ‘ik ben’, maar het egoďstische ‘ik ben ik ben ik’. Zodra deze lagere stem wordt gehoord, verliest men het spirituele bewustzijn van universaliteit, en wisselt men het in voor het persoonlijke, beperkte, egoďsche gevoel; en omdat dit met ons allen gebeurt, is het resultaat het conflict tussen de belangen van de mensen, in plaats van de herkenning van ons gemeenschappelijke spirituele zelf.
    Maar op grond van het bovenstaande moet men niet denken dat het ‘ik ben ik’ bewustzijn tot aanzijn komt om tenslotte als iets onwaardigs te gronde te gaan; zo’n opvatting van het evolutiewerk zou schandelijk zijn. Er wacht dit menselijke ego een verheven bestemming indien het zijn evolutionaire loopbaan met succes doorloopt, en dat houdt in dat het zelf tot een vereniging moet komen met het universele binnenin zich. Het werken van de materiële neigingen in ons vormt in feite een cursus in ervaring en groei in spirituele macht, mits de materiële neigingen niet worden gedood maar naar boven gericht, en dat hun energieën worden omgezet in geest, in plaats van omlaag en zich identificeren met de stof.
    De natuur van de mens ontstaat uit de spirituele monade, zoals het universum op al zijn zichtbare en onzichtbare gebieden de evolu tionaire ontvouwing is van wat emaneert uit zijn pneumatologische top of kosmische hiërarch. De leer van de stoďcijnen over zo’n ont vouwing door emanatie van het heelal uit de kosmische goddelijke monade is praktisch identiek met de leer van de esoterische filosofie. Het voornaamste in deze leer is dat men aanneemt dat de kosmische goddelijke monade als bron of wortel van het heelal in zichzelf als latente kiemzaden of element-beginselen de hiërarchische gebieden en families van entiteiten bevat die in de loop van het opbouwen van het heelal later daaruit voortkomen. Bovendien heeft elke daaropvolgende fase van ontvouwing door emanatie haar eigen svabhâva als haar overheersende energie-substantie, en evenzo bevat ze niet alleen de uitvloeiingen van een eerder geëvolueerd gebied, maar ook de kiemzaden van haar eigen nageslacht.
    Dus uit de kosmische goddelijke monade emaneert eerst de kosmische spirituele monade, die niet alleen haar eigen bijzondere karakteristiek of individualiteit belichaamt maar ook de stroom uit haar ouder, de kosmische goddelijke monade; vervolgens vloeit uit de kosmische spirituele monade de kosmische intellectuele monade of mahat voort, die in zichzelf niet alleen haar eigen individuele svabhâva heeft maar ook de twee karakteristieke eigenschappen die erin stromen uit haar ouder, de kosmische spirituele monade, en uit haar grootouder, de kosmische goddelijke monade, en ook zijn daarin de kiemzaden van de overblijvende vier hiërarchieën die eruit emaneren in een regelmatige periodieke volgorde, en aldus de onzichtbare en zichtbare structuur van de uitgestrekte kosmische entiteit opbouwen.
    Dit schematische diagram kan de zaak misschien iets verduidelijken voor hen die in hun denken door figuren worden geholpen:

A (A, b, c, d, e, f, g)
B (a1, B1, c1, d1, e1, f1, g1)
C (a2, b2, C2, d2, e2, f2, g2)
D (a3, b3, c3, D3, e3, f3, g3)
E (a4, b4, c4, d4, E4, f4, g4)
F (a5, b5, c5, d5, e5, F5, g5)
G (a6, b6, c6, d6, e6, f6, G6)

De vetgedrukte hoofdletters stellen de zeven element-beginselen van het heelal voor, of als we de hiërarchische constitutie van de entiteit beschouwen, dan stellen de hoofdletters de verschillende brandpunten of knopen van bewustzijn voor – anders gezegd de verschillende monadische centra. Vervolgens wordt in de regels van letters die respectievelijk op elk van de hoofdletters volgen, de svabhâva van elk evolutiestadium door een kleine hoofdletter aangeduid, die de volkomen gelijkheid aangeeft van de svabhâva van dit stadium met de bron waaruit ze voortkomt; de cursieve letters stellen de kiemzaden voor van daaropvolgende hiërarchieën die in de ouder latent liggen; en deze nemen regelmatig af totdat G of het fysieke gebied wordt bereikt, wanneer alle latente kiem-essenties min of meer tot manifestatie zijn gebracht. De erboven geschreven getallen zijn alleen toegevoegd als hulpmiddel en betekenen niet ‘machten’ zoals in de wiskunde.
    Het idee van deze kosmische ‘opeenvolging uit de godheid’ betekent niet dat het laagste kosmische gebied, G, hoger staat dan het goddelijke gebied A, alleen omdat het fysieke gebied G de ontvouwen en laatste uitdrukking is van de hiërarchie, want deze opvatting zou absurd zijn. Het diagram zegt ons alleen dat het fysieke gebied de gemeenschappelijke drager is van alle elementen en beginselen van de kosmische hiërarch die eraan zijn voorafgegaan.
    Een van de belangrijkste punten van deze leer van evolutie door emanatie is dat ieder gebied van de neergaande reeks zelf zevenvoudig is, en daarom een kopie in het klein van het zevenvoudige heelal, of, anders gezegd, zodra het zevenvoudige heelal is ontplooid, is ieder lager gebied in zijn eigen zevenvoudige natuur een spiegel van de zevenvoudige natuur van de goddelijke monade waarvan het de afstammeling is.
    Laten we deze leer toepassen op de mens; elk van zijn element-beginselen, of wat op hetzelfde neerkomt elk van zijn verschillende monaden, is zelf zevenvoudig hoewel het is afgeleid van de goddelijke monade in de mens – de âtmische monade. Dus ter illustratie, het manas in de mens is zevenvoudig en kan als volgt worden weergegeven:

manas - (âtman-manas, buddhi-manas, manas-manas,
kâma-manas, prâńa-manas, lingasarîra-manas,
sthűlasarîra-manas)

De vooruitgang door evolutie en de ontvouwing door emanatie van de monade op haar zwerftochten door tijd en ruimte bestaat dus uit twee verschillende stadia: (a) het ontvouwen van binnen naar buiten, gedurende de eerste helft van het kosmische manvantara van het gemanifesteerde heelal, waarbij elke graad of elk stadium omlaag het voortbrengsel is van de graad die er onmiddellijk boven staat; en (b) dat van een omgekeerde volgorde of tegenovergesteld proces gedurende de tweede helft van de kosmische tijdsperiode, waarin alles weer wordt verzameld of geďnvolueerd, zodat de materiële sferen die de laatste ontvouwing waren tijdens het eerste deel van de kosmische tijdsperiode de eerste zijn die in het omgekeerde proces worden ingewikkeld.
    Het lagere bewustzijn van de mens moet zichzelf eerst met zijn spirituele monade verbinden, en dan aan het eind van het kosmische manvantara zich opnieuw verenigen met het universele bewustzijn; maar eeuwen vóór deze laatste voltooiing in een bepaald kosmisch manvantara zullen er menigten wezens zijn die eens mensen waren, en die door het verheffen van de tussennatuur tot vereniging met de spirituele natuur, belichaamde dhyâni-chohans zullen worden. Naar gelang zij zelfbewuste vereniging met het kosmische zelf zullen bereiken, in die mate zal het universele leven door hen heen werken, juist zoals de atmosfeer van onze aarde overal wordt doordrongen met kosmische elektriciteit.
    Hoe moet deze vereniging met de innerlijke god tot stand worden gebracht? Bernard van Clairvaux, een mysticus uit de Middeleeuwen, zegt het aldus:

Zichzelf als het ware verliezen, alsof u zelf niet bestond, en in het geheel geen bewustzijn hebben van uzelf – uzelf leegmaken tot er bijna niets is overgebleven – dat is de hemelse gemeenschap. . . . Dit te bereiken betekent het goddelijke, God, te worden.

Als we ons konden ‘leegmaken’ van deze onbeduidende kleine zelven van ons, en binnengaan in het zelfbewustzijn van onpersoonlijke spiritualiteit, dan zouden we inderdaad als goden zijn die op onze aarde wandelen, omdat we dan doorschijnende spiegels zouden zijn geworden waar het innerlijke goddelijke licht ongehinderd doorheen zou kunnen spelen. Deze zelfvergetelheid betekent het zich steeds meer verenigen met het universele bewustzijn-leven. Het betekent het afwerpen van de omhulsels van onze persoonlijke beperkingen, leven in het onpersoonlijke, en het vrij laten uitstromen van de kosmische liefde in ons hart naar onze medemensen – ja, naar al wat bestaat. Het uit zijn op eigen voordeel betekent beperking, dus kleinheid; het betekent het om ons heen vormen van etherische sluiers van het lagere zelf; terwijl zelfvergetelheid altijd een groter dienstbetoon aan de mensheid met zich brengt, en dus is het het ware pad, aan het eind waarvan de hereniging met zijn eigen individuele innerlijke god wordt bereikt.
    Men wordt vaak gevraagd of de beoefening van concentratie en meditatie nuttig is voor het bereiken van het Grotere Zelf. Het antwoord is dat het natuurlijk nuttig is, maar het moet die soort meditatie zijn die een vergeten van het zelf betekent en nadrukkelijk niet een concentratie op het zelf; het moet een concentratie zijn van de geest en het hart om eenpuntig te denken en opwaarts te dringen door alle persoonlijke sluiers om de innerlijke godheid te bereiken.
    Concentratie in de meditatie vereist geen van buiten komende noch kunstmatige hulpmiddelen van welke soort ook; want, ondanks wat de beoefenaars van de lagere vormen van yoga die tegenwoordig zo populair zijn, misschien ook zeggen, al die uitwendige hulpmiddelen zijn meer een nadeel dan een hulp, eenvoudig omdat ze de aandacht naar buiten naar zichzelf afleiden, en het beoogde doel dus in feite vaak verijdelen.
    Ware meditatie kan door de ingeboren zelfzuchtige mens, of door hem die louter zichzelf zoekt om macht te verkrijgen, nooit met succes worden beoefend; want in hem ontbreekt juist de basis voor spirituele meditatie, en hij baseert zich in zijn pogingen op een totaal verkeerd uitgangspunt. Velen zouden kunnen zeggen dat meditatie te moeilijk is voor de gewone mens om met enige hoop op succes te beoefenen, maar die gedachte is geheel verkeerd, en komt alleen voort uit de wens met één sprong te bereiken wat alleen als de vrucht van een langdurige en moeizame poging kan worden bereikt. Zoals alles wat de moeite waard is, kost het inspanning, maar iedere afzonderlijke poging die wordt gedaan, indien voortdurend hernieuwd, vormt een opeenstapeling van geestelijke kracht, die de ware beoefening van meditatie in de loop van de tijd steeds doeltreffender maakt. Rome werd niet in één dag gebouwd, noch is de mahâtma het resultaat van één enkel leven.
    We zouden daarom ernaar moeten streven om onpersoonlijkheid aan te kweken; maar dit betekent niet onverschilligheid voor de wereld en haar zware last van verdriet, maar een groeiende onverschilligheid voor eigen kleine verlangens en begeerten, om een steeds sterkere kracht te worden in de atmosfeer van de wereld om het niveau van de mensheid te verhogen.
    Een mens kan overal mediteren en op ieder moment; of hij in zijn leunstoel zit of door de straten van een stad wandelt, hij kan door oefening zijn gedachten naar geestelijke dingen leiden, en toch volkomen gevoelig zijn voor en zelfbewust van wat er om hem heen gebeurt. Dat zijn de eerste stappen van concentratie in meditatie. De latere stadia, echter, worden gekarakteriseerd door hun eigen regels, en wanneer de leerling tot deze stadia is gevorderd, zal hij het nodig vinden om voor zijn uren van meditatie een rustige plaats te zoeken, waar hij tenminste zo nu en dan kan komen tot die innerlijke verbinding met de god binnenin hem, wat in zijn hoogste vorm hem werkelijk tot een geďncarneerde godheid maakt. Maar die laatste stadia zijn alleen bereikbaar voor de grootste mensen.
    Bernard van Clairvaux zegt verder:

Zoals een kleine waterdruppel in een grote hoeveelheid wijn gegoten zichzelf geheel schijnt te verliezen en zowel de smaak als de kleur van de wijn schijnt aan te nemen; of zoals ijzer, witgloeiend gemaakt, zijn eigen uiterlijke vorm verliest en als een vuur schijnt; of zoals lucht overgoten met zonlicht dezelfde glans verkrijgt zodat het niet langer schijnt dat ze wordt verlicht maar zelf werkelijk licht is geworden; zo zou alle menselijke gevoel voor het Heilige Ene door onszelf op onuitsprekelijke wijze moeten worden opgelost en volkomen opgaan in de goddelijke wil. Want hoe zou God alles in alles kunnen zijn als er iets menselijks in de mens overblijft? Ja, de substantiële basis zal blijven, maar tot een andere vorm verheven, tot een andere luister, tot een andere macht.

De gewone mens is zo bang voor zichzelf, en toch is hij tegelijkertijd zo bang zichzelf te verliezen, dat deze tegenstrijdige angst een verschrikking wordt; daarom zoekt hij overal naar afleiding. Alles is beter, denkt hij, dan alleen te zijn, zichzelf te zijn! Als hij maar de pijn en de angst van het persoonlijke leven kon verwisselen voor de kracht en wijsheid van de geest in hem, dan zou hij die uitbreiding van bewustzijn bereiken waardoor het persoonlijke onpersoonlijk wordt, het kleine het grote wordt en zijn zelfbewustzijn hetzelfde bereik krijgt als de geest van het zonnestelsel.
    Tijdens zijn momenten van zelfbewuste gemeenschap met zijn innerlijke god zal hij te weten komen dat er geen mysteries zijn, noch in noch buiten hemzelf, die niet zijn op te lossen: dat er geen gebieden van de oneindig talrijke heelallen in de ruimte zijn waarin men zich niet kan begeven en die men niet kan begrijpen; want werkelijk, het diepste wezen van de mens is de essentie van al deze. Ja, de machtigste god zou, als hij op aarde kon komen om te onderrichten, de mens geen inzicht kunnen schenken als de mens niet zelf die innerlijke meester had van wie het zonneheelal de woning is.
    In deze bewering ligt een van de meest verwonderlijke mysteries van de kosmos – namelijk hoe de ontwikkelde menselijke spirituele egoďteit zelfbewust haar eenheid met het universele van de kosmische geest kan herkennen en toch haar eigen individualiteit behouden. Individualiteit betekent beslist niet ‘individualisme’. Individualisme is gewoonlijk zuiver egoďsme; terwijl individualiteit een van de namen is die wordt gegeven aan het onsterfelijke geestelijke centrum binnenin ons, de essentiële zelfheid van de monade die de bron is van het hele wezen van de mens.
    Als het ‘ik ben ik’ het geestelijke bewustzijn van het ‘ik ben’ wordt, wanneer het persoonlijke zich heeft uitgebreid om het onpersoonlijke te worden, volledig zelfbewust van de godheid in zichzelf – ja, dan zal er op aarde een ras van boeddha’s en christussen zijn. Wanneer deze goddelijke gebeurtenis plaatsvindt, dan zal de mens weten, omdat hij zal zijn: zijn begrip van het persoonlijke zal een zelfbewuste erkenning zijn geworden van het universele in hemzelf als zijn Zelf.


De Esoterische Traditie, blz. 538-74

©2001 Theosophical University Press Agency, Den Haag