21

Grote zieners tegenover helderzienden

Wat maakt een mens tot een wijze of ziener? Een wijze en ziener wordt men door de vervolmaking en veredeling van de innerlijke lagen die het essentiële zelf omhullen. Wanneer deze omhulsels door aspiratie, inwijdingsoefening en ook door de grote rijkdom aan ervaring vergaard in vele voorafgaande levens op aarde, zo zijn verfijnd dat ze doorschijnend worden voor de straling van de innerlijke god, dan wordt het breinverstand bijna direct door het stralende licht getroffen, en de mens wordt vervuld van spirituele wijsheid, en kan daarom in feite niet alleen een wijze worden genoemd om zijn wijsheid, maar ook een ziener op grond van zijn inzicht. Dat was het geval bij alle werkelijk grote geestelijke leraren van de mensheid. Natuurlijk zijn er graden wat betreft de innerlijke ontwikkeling van de Groten, en de hoogst geëvolueerden worden de boeddha’s, de ‘ontwaakten’ genoemd die op innerlijke gebieden kunnen zien, en daarom zieners zijn.
    De boeddha’s zijn mensen die betrekkelijk volmaakt zijn geworden in de reeks levens op aarde die zij hebben doorgemaakt. Ze zijn dus de voortbrengselen van evolutie die is teweeggebracht door zelfbedachte pogingen. Een boeddha is dus iemand die zelfbewust met zijn eigen innerlijke dhyâni-boeddha of spirituele monade is verenigd, die in het westen wordt aangeduid met het woord christus. Vandaar dat iedere boeddha ook een christus is op grond van zo’n zelfbewuste vereniging, maar niet iedere christus is een boeddha. Christussen zijn in twee klassen te verdelen: boeddha’s en avatâra’s. Terwijl iedere boeddha, dat is een mânushya-boeddha, een christus is door zijn zelfbewuste assimilatie van de dhyâni-boeddha binnenin hem, is niet iedere christus een boeddha omdat één klasse van de christussen bestaat uit avatâra’s - wezens die geen vroeger karma hebben, en ook geen toekomstig karma zullen hebben, tenminste niet in een andere dan in een heel mystieke kosmische zin.
    Het boeddhaschap wordt bereikt door evoluerende mensen die zowel karma uit het verleden als toekomstig karma hebben en die daarom hun boeddhaschap in de toekomst behouden; terwijl het christusschap een toestand is die wordt teweeggebracht door de belichaming, hetzij tijdelijk of blijvend, van een spiritueel-goddelijk beginsel. De gevallen van blijvende belichaming zijn die van de boeddha’s; de gevallen van tijdelijke belichaming zijn die van de avatâra’s, en ieder afzonderlijk is het resultaat van een verheven daad van witte magie – voor bijzondere doeleinden verricht op bepaalde cyclische perioden voor een verheven spiritueel doel.
    In scherpe tegenstelling tot de ware spirituele zieners, verschijnen er van tijd tot tijd in de religieuze geschiedenis van de wereld individuen met een min of meer afwijkend karakter die als ‘helderzienden’ kunnen worden aangeduid. Het is belangrijk tenminste enige kennis te verkrijgen van de aard van deze personen, omdat die kennis aan ernstige zoekers naar waarheid een bescherming biedt tegen religieuze of mystieke misleiding, ook al geschiedt deze niet met opzet, maar als gevolg van dwaling en zelfbedrog van die helderzienden.
    Deze helderzienden hebben bijna onveranderlijk een enigszins fanatiek temperament, en ze verkondigen met meer of minder succes verschillende soorten leringen die, zoals altijd schijnt te worden beweerd, zijn gebaseerd op de leringen van een reeds gevestigde grote religie. Ze hebben veel succes met het jammerlijk verkeerd uitleggen van wat volgens hen gewoonlijk een ‘openbaring’ is van de betekenis van de leringen die ze aannemen, of een ‘openbaring’ waarvan wordt beweerd dat ze van een spiritueler karakter is dan de al bestaande lering, omdat ze tot een later tijdperk behoort. Deze vernieuwers die niet altijd bedriegers zijn, omdat ze vaak werkelijk door zichzelf zijn misleid, beweren gewoonlijk met religieuze autoriteit te spreken, in zeldzamer gevallen beweert men dat de inspiratie van God kwam, of van een ‘engelachtige’ hoogwaardigheidsbekleder.
    Er zijn talrijke halfmystici of dwalende religieuze dwepers in de geschiedenis; iedere onderzoeker van de godsdienstgeschiedenis zal weinig moeite hebben om ze te herkennen en onmiddellijk te zien wat ze zijn. Ze missen al de insignia majestatis van de werkelijke wijze en ziener.
    Ze zien inderdaad ‘visioenen’, maar met weinig kans zich te vergissen kan men zeggen dat de visioenen die zij zien vals zijn; en zelfs wanneer deze helderzienden oprecht zijn, zijn hun ‘visioenen’ de beelden in hun geest, die weerspiegelingen zijn van astrale foto’s in het astrale licht. Een groot aantal mensen is vaak op een dwaalspoor gebracht door het soort helderzienden die, gedreven door hun verbeelding - die van de hak op de tak springt, afdwaalt, zonder leiding is – en hun ongeschoolde intellect, alleen uitdrukking kunnen geven aan ideeën die voor de mensen spiritueel en intellectueel zelden van nut zijn.

Om dit beter te begrijpen, moet men weten dat het astrale licht de bewaarplaats is van alles wat er ooit op aarde heeft geleefd, leeft, of zal leven. Daarom worden deze lagere gebieden van het astrale licht de beeldengalerij van de natuur genoemd, want daarop zijn onuitwisbaar de verslagen van ‘foto’s’ afgedrukt van alles wat er op aarde of elders in het zonnestelsel bestaat of ooit is geweest.
    We zwemmen erin, bij wijze van spreken; het spoelt aanhoudend door onze hersenen, en door elke molecule van ons lichaam. Elke gedachte die door het brein van de mens gaat: goed, slecht of onverschillig, de verbeelding van een krankzinnige, de spirituele visie van de ziener, zelfs de gedachte van iedere god – alle komen via het astrale licht. Want het astrale licht is een beeldengalerij waarin onze geest steeds ronddwaalt, die, wanneer door verwantschap contact is gemaakt, zo’n astrale optekening of beeld naar het brein overbrengt; en bovendien ontvangt ieder van die astrale beelden of ‘visioenen’ de toegevoegde energische impulsen of karakteristieke indrukken die daarop zijn gemaakt door het brein waar deze beelden doorheen gaan. Maar dit is niet alles. Elk beeld gaat weer terug naar het astrale licht met zijn eraan toegevoegde indruk of verfraaiing die erop is afgedrukt door het brein waar het doorheen is gegaan, en dan neemt een ander menselijk brein het onmiddellijk op, of misschien na honderd jaar of meer, en dat nieuwe brein verandert het of geeft het een nieuwe psychische impuls, en zo oneindig door.
    Het astrale licht tekent op die manier in zijn hogere delen de edelste gedachten en emoties en impulsen op die de mensheid als indivi duen heeft gehad; terwijl de lagere rijken van het astrale licht die half stoffelijk zijn de bijzondere beeldengalerij zijn of de bewaarplaats van al de lage en weerzinwekkende emoties, beelden, hartstochten en impulsen, waarmee lage en ontaarde mensen deze hebben gevuld. Boosaardige mannen en vrouwen zullen aldus beelden uit het astrale licht krijgen, en door ze opnieuw daarop af te drukken, maken ze die wat slechter of kwalijker. Dan vloeien ze weer uit dat brein en treffen een andere gevoelige geest, en zo verder door de tijd.
    Het brein van een mens zou nooit een gedachte kunnen denken, nooit zich iets kunnen voorstellen, noch zou het gemoed door zijn emoties, hetzij hartstochtelijk of anderszins, tot slaaf kunnen worden gemaakt, wanneer niet al deze dingen reeds in het astrale licht bestonden en eraan waren onttrokken – alleen om er weer in te worden teruggebracht. Men moet echter niet vergeten dat het astrale licht bovendien het gebied is dat tussen de fysieke wereld en de onzichtbare spirituele werelden ligt, en daarom in zekere zin een verbindingskanaal is. Ook spirituele gedachten en emoties schieten dus door het astrale licht en slaan geen acht op wat niet aan hen gelijk is; want alles – goed, slecht of onverschillig – moet door het astrale licht heen gaan voor het het brein van een mens bereikt.
    Ieder medium ziet in meerdere of mindere mate in het astrale licht; en elke moordenaar is in zijn daad op dat ogenblik onderworpen aan zijn lagere en kwade diepten. Het kubisme en futurisme van de moderne kunst, of de afbeeldingen met hun dierenkoppen gegraveerd op de graven en tempels van het oude Egypte, zelfs de symbolische kunst van de Chinezen, komen alle uit dezelfde kosmische beeldengalerij. Al deze voorbeelden brengen symbolische ideeën tot uitdrukking, weloverwogen pogingen om waarheden weer te geven. Op zichzelf zijn ze scheppende gedachten, maar ze worden met astrale karakteristieke eigenschappen bekleed omdat ze door de gebieden van het astrale licht gaan om het brein van de mens te bereiken, en dan worden ze nog verder gewijzigd.
    Dus is interpretatie een belangrijke factor om in gedachte te houden. Een aantal mensen kan hetzelfde identieke beeld in de astrale beeldengalerij zien, maar ieder interpreteert het mentaal en emotioneel verschillend, elk volgens zijn eigen aard. Hierin ligt een van de belangrijkste oorzaken van de altijd aanwezige onbetrouwbaarheid in wat halfmystici en halfzieners of helderzienden vaak omschrijven als ‘visioenen van waarheid’. Ze kunnen alleen die beelden uit het astrale licht naar het fysieke gebied brengen die ze toevallig ‘zien’ en dan alleen door middel van hun eigen respectieve verbeeldingen. Het grote gevaar ligt in het ten onrechte toeschrijven van spirituele waarheid aan hun astrale visioenen, en daardoor leggen ze verkeerde verbanden en geven dus verkeerde interpretaties. Daarom is hier geen sprake van een werkelijk geestelijk zienerschap; omdat de ware ziener de gevaren en vertekeningen van het astrale licht door en door kent, en zijn doordringende blik op de gebieden van de geest richt waar hij waarheden direct kan zien en ze kan overbrengen naar het wachtende brein. Anderzijds verbeeldt iemand die alleen maar helderziende is zich, vaak oprecht, dat wat hij ‘ziet’ de werkingen zijn van de ‘geestelijke wereld’, terwijl het enige wat hij werkelijk ervaart een ronddwalen is van zijn veranderlijke en ongetrainde psychomentale gestel door de verschrikkelijk bedrieglijke en illusoire beelden galerijen van het astrale licht.
    De spirituele adept kan echter in zijn bewustzijn volkomen veilig door elke kamer van de astrale beeldengalerij gaan, en met een zo helder inzicht dat hij precies weet wat hij ziet of voelt, en daarom loopt hij geen gevaar zichzelf te bedriegen, of te worden misleid door de mâyâ van dit bedrieglijkste van alle gebieden van de natuur. De enige reden waarom een adept dat doet, is waarschijnlijk om de verslagen van het verleden te lezen.
    Wat gewone mensen betreft zou men kunnen zeggen dat ze onbewust door het astrale licht worden beďnvloed, dat in een onophoudelijke stroom hun denken en hun emotioneel gestel doorvloeit. Bijvoorbeeld, een mens die met opzet een leugen vertelt, doet dat omdat hij op dat ogenblik onderworpen is aan een verkeerde astrale stroom. Dit betekent niet dat hij geen morele natuur heeft, want dat is absurd; er wordt mee bedoeld dat de morele natuur bezwijkt voor een verleiding, terwijl ze krachtig zou moeten reageren op het kwaad en dit afwerpen, en zo opstijgen naar hogere innerlijke gebieden. De mens die gewoonlijk slaafs aan zijn gedachten en gevoelens toegeeft, is eenvoudig iemand die zijn morele instincten en vermogens niet heeft versterkt, en daarom is hij een zwakkeling, min of meer onderworpen aan zulke verkeerde astrale stromen die misschien op een of ander moment door zijn denken vloeien.
    Men ziet dus hoe noodzakelijk het is om het morele gevoel te versterken, erop te steunen in het leven als op een reddende gids; want de man of de vrouw die op die manier leeft kan evenmin door de slechte emanaties uit het astrale licht worden beďnvloed als dat de rotsen aan de kust zelfs door winterstormen kunnen worden bewogen. Maar de slechte of zwakke mens is een slachtoffer van de verdorvenheden en onzuiverheden die steeds in het astrale licht rondstromen. Zo’n individu beseft niet dat zijn denken een overbrenger is geworden van vaak walgelijke astrale beelden of optekeningen. De leugenaar denkt dus werkelijk zijn leugens omdat hij zwak is en ze niet kan afwerpen, maar de leugens zijn eenvoudig beelden in het astrale licht, waarop zijn onstandvastige morele natuur welwillend reageert.
    Het sterke maar slechte denkvermogen zal de astrale beelden versterken, de kleuren dikker aanzetten, om zo te zeggen; en zo aan het hele beeld een meer verkeerde en nog slechtere richting geven; en andere zwakke geesten die later in contact komen met deze astrale stroom herhalen dan wat ze zien, en voegen mogelijk eigen ver wrongen gedachten eraan toe; en zo draagt de hele, boze aaneen schakeling van oorzaak en gevolg bij tot de last van de karmische ongerechtigheid waaronder de aarde gebukt gaat.
    Een gevoelig mens die kippenvel krijgt wanneer hij in een spookhuis komt – misschien zelfs al in een donkere kamer – ‘ziet’ soms ‘dingen’, en het is verkeerd te denken dat die mensen altijd zichzelf bedriegen, want ze zien misschien innerlijke beelden. Maar de sterkere of gemiddelde mens wordt er niet bijzonder door beďnvloed, niet meer dan wanneer hij afbeeldingen van misdadigers bekijkt, omdat hij weet dat het alleen maar foto’s zijn; ook wordt hij er niet zo door beďnvloed zoals een medium dat zou zijn, omdat hij weet wat ze zijn en niet bang is. De illustratie wordt alleen aangehaald om aan te duiden dat het innerlijke of astrale oog op het astrale gebied evengoed ziet en zelfs veel duidelijker dan het fysieke oog op het fysieke gebied.
    Men kan in het voorbijgaan zeggen dat foto’s die beelden zouden zijn uit de astrale wereld al of niet echt kunnen zijn; zelfs als ze niet echt zijn, dan bewijst alleen al het feit dat ze als echte ‘astralen’ zijn voorgesteld, dat de aanbieder zich in een stroom van het astrale licht bevindt die hem aanzet tot bedrog.
    Terwijl de fotografische plaat normaal niet iets anders zal registreren dan een stoffelijk voorwerp, kunnen veel astrale dingen onder bepaalde omstandigheden halfmaterieel worden, min of meer verdichte stof zoals gas; en als dit ‘gas’ een bepaalde kleur of vorm heeft, dan is er de mogelijkheid dat de fotografische plaat die kan registreren zelfs al kan het oog deze niet zien.
    Maar een fotografische plaat kan nooit een geest ‘vangen’, omdat een geest in wezen arűpa is, d.w.z. vormloos en niet-materieel, en dus geheel buiten het fysieke gebied ligt. De trillingen van de geest zijn geheel verschillend van die van de fysieke materie, hoewel alle fysieke stof slechts de droesem of het bezinksel is van de geest. Dus wat de camera misschien opvangt zou zijn wat de Grieken een eidolon noemen – een halfastraal beeld. De fotografische plaat die de astronomen gebruiken als ze de diepten van de ruimte tussen de sterren fotograferen zal door een langere of kortere belichting opvangen wat het menselijk oog door de telescoop niet kan zien. Dit toont aan dat de ragfijne doorschijnende nevelvlekken materieel zijn, hoewel heel etherisch, en in feite vaak hemellichamen zijn die niet tot dit gebied behoren, en die alleen worden opgevangen door de combinatie van een lange belichtingstijd en de oneindige ruimtelijke diepte of verspreiding van de etherische substantie – iets dat in een paar woorden moeilijk is te verklaren.
    De lagere regionen van het astrale licht doordringen de fysieke materie ongeveer zoals de vroegere populaire ‘ether’ van de wetenschap de achterliggende stof zou zijn waarin alle fysieke materie bestaat. Men kan het wagen te voorspellen dat ‘kosmische ether’ weer de haar toekomende plaats zal krijgen, en dan zal ze misschien worden erkend als slechts een van een aantal kosmische ethers van verschillende graden van ijlheid. De lagere rijken van het astrale licht zijn daarom het gebied dat al de laagste emanaties van de aarde opneemt en optekent, waaronder die bijzondere soorten onheil waarvan de mensheid de onmiddellijke oorzaak is. Deze lagere astrale regionen zijn daarom de woonplaats van de ‘spoken’ of ‘geesten’ van gestorven mensen die na de dood van het fysieke lichaam uit deze lagere gebieden zijn opgestegen, maar daarin toch hun astrale eidola of kâmarűpa’s – de ‘schaduwen’ van de Ouden – hebben achtergelaten.
    Deze kâmarűpische schaduwen en eidola van de astrale wereld zijn altijd om ons heen. We ademen ze in, of drijven ze terug, al naar het geval; we gaan erdoorheen of zij gaan door ons heen met iedere beweging die op een van die gebieden wordt gemaakt. Deze gebieden zijn een omgevende etherische of astrale atmosfeer, zoals de lucht rondom de aarde; deze kâmarűpische of astrale schaduwen dwalen altijd rond in de lagere sferen van het astrale licht, hierheen en daarheen aangetrokken; en met uitzondering van de elementaren zijn ze alleen maar astrale schillen die als ze worden alleen gelaten en niet worden aangetrokken door psychische bemoeienissen van mensen, min of meer snel zich ontbinden in hun samenstellende astrale levensatomen, en even onaangenaam zijn als een zich ontbindend menselijk lijk. Aan zichzelf overgelaten hebben ze niet de macht enig belichaamd mens kwaad te doen, behalve dat, als ze door verwantschap tot een mens worden aangetrokken, ze feitelijk kunnen worden opgezogen in het astrale lichaam van die mens en dus automatisch prikkels worden voor de bijzondere ondeugd of immorele daad waaraan de genoemde mens zich misschien heeft overgegeven. Op zichzelf zijn deze kâmarűpa’s eenvoudig in verval verkerende astrale lijken, die tijdelijk, tot hun ontbinding komt, door elementalen – natuur krachten – worden bijeengehouden. Men moet opklimmen naar een volledig kosmisch gebied hoger om belichaamde wezens te ontmoeten met wilskracht en bewustzijn die lijken op die van de mens die op aarde is belichaamd; en de tussensferen van het astrale licht zijn eenvoudig de overgangs-subgebieden tussen ons en dit hogere kosmische gebied, waarbij het astrale licht zelf is verdeeld in gebieden en deze weer in subgebieden.
    De enige normale uitzondering zijn de elementaren, de ontlichaamde astrale zielen van verdorven mensen, die door levens van opzettelijk kwaad hun schakel met de spirituele monade hebben verbroken, en zo hun kans op een voortgezet bestaan hebben verloren. Ze zijn vol kwade hartstochten en impulsen, en vormen een duide lijke bedreiging voor alle mensen die zich niet door levens van reinheid en geestelijke aspiratie hebben bekleed met een âkâsische sluier die geen elementaar ooit kan doordringen.
    Het is een feit dat er een onderklasse van deze elementaren is die bijna even gevaarlijk zijn als bovengenoemde elementaren. Deze subklasse bestaat uit de kâmarűpische schimmen die in de lagere gebieden van het astrale licht zijn achtergelaten door menselijke zielen die nog genoeg spiritueel leven in zich hebben om in staat te zijn deze schillen af te werpen en tenminste een kort devachan te ervaren. Deze onderklasse omvat onmiskenbaar kâmarűpische schillen, maar van een bijzonder grofstoffelijke soort. Ze drijven onveranderlijk naar plaatsen vergelijkbaar met henzelf.
    De lagere regionen van het astrale licht zijn een volkomen chaos van ingewikkelde en bewegende astrale stromingen, vol met de rotzooi van de uitwasemingen van de aarde en ook van de menselijke schillen die zijn achtergelaten. Deze golf van verwarring kan men zich misschien voorstellen als een massa wriemelende en kronkelende astrale entiteiten die automatisch in alle richtingen drijven, ongeveer zoals stof en bladeren door luchtstromen op aarde worden meegevoerd. Aan de andere kant zijn de hoogste regionen van het astrale licht zuiver âkâsa, of geestelijke substantie. In feite zijn de âkâsische optekeningen de voorbeelden voor alle lagere rijken van de astrale wereld. De lagere rijken zijn als een astrale oceaan van wervelende stromen die geen bestendigheid bezitten.
    Vandaar dat mediums, sensitieven en andere helderzienden die allen min of meer onderworpen zijn aan de invloeden en stromen die uit het astrale licht vloeien, als blinden zijn in de diepten van de astrale oceaan waarin de zonnestralen maar zwak doordringen; terwijl normale en vastberaden mensen bijna automatisch geen acht slaan op deze astrale emanaties en min of meer leven in het betrekkelijke zonlicht van de tussenliggende gebieden, zoals de goden of dhyâni-chohans hun bewustzijn hebben geplaatst in het âkâsa.

De mahâtma’s kunnen, als ze dat willen, in het astrale licht functioneren, maar hun bewustzijn verkeert in de âkâsische gebieden van de astrale wereld, in de hogere regionen van de aether, wat hetzelfde is als te zeggen in de oorzakelijke regionen van de innerlijke werelden – tenzij ze hun bewustzijn opzettelijk op de lagere gebieden richten. Alleen de edelste en evenwichtigste geesten kunnen hun scherpzinnige bewustzijn richten op de bedrieglijke golven van de astrale wereld, en daarin een volkomen intellectueel en spiritueel evenwicht, en beheersing en discipline over zichzelf bewaren. De mahâtma kan de waarheden van het universum in de âkâsische regionen van het astrale licht voor zich zien of, nauwkeuriger, in de sfeer en op het gebied van de anima mundi waarop hij zijn bewustzijn besluit te richten; en bij de zeldzame gelegenheden wanneer hij zijn bewustzijn richt op de lagere rijken van het astrale licht, kent hij, omdat hij ontzaglijk wilskrachtig en goed getraind is, alle bedrieglijke illusies daarin, en daardoor kan hij aan alles wat hij ziet de juiste interpretatie geven. Hoe hoger ontwikkeld een ziener is, des te verder kan hij in de toekomst zien, en des te dieper kan hij doordringen in de werkelijkheden van de onzichtbare werelden. Zo is hij in staat, tenminste tot op zekere hoogte, de toekomst te voorspellen.
    Uit het astrale licht vloeien zulke aardse verschijnselen voort als epidemieën, stormen, oorlogen, mislukte oogsten, enz., enz., die alle hun oorzaken hebben in de cyclisch terugkerende bewegingen van het astrale licht; toch hebben ze hun eerste, of uiteindelijke oorzaken in kosmische sferen. De zon, de maan en de zeven heilige planeten zijn de oorspronkelijke en machtige gebieden waarin de eerste oorzaken ontstaan, en deze laatste werken op en door de tussenliggende of effectieve oorzaken die in de regionen van het astrale licht worden opgewekt. Dit betekent niet dat mensen maar onverantwoordelijke slachtoffers zijn van het kosmische noodlot, want dit is nadrukkelijk niet de leer. De menselijke familie als geheel, of als individuen, wekt zelf die directe oorzaken op. Het is voldoende om te zeggen – stellae agunt non cogunt – ‘de sterren zetten aan, maar dwingen niet’; de betekenis ervan is dat ieder mens, omdat hij tot op zekere hoogte het goddelijke vermogen van de vrije wil bezit, op elk moment zijn eigen leven richting kan geven en in verhouding tot de ontwikkeling van zijn geestelijke intellect kan uitstijgen boven de kosmische karmische impulsen die zijn voortgebracht door de invloeden van de hemel lichamen. De goddelijk geest in de mens is onvergelijkelijk veel hoger dan enige kosmische kracht die op aarde gevolgen kan teweegbrengen; en terwijl een mens op geen enkel ogenblik kan ontsnappen aan de karmische gevolgen van zijn vroegere gedachten en daden, kan hij op ieder moment van zijn leven alle nieuwe situaties waarin hij misschien wordt geplaatst ten goede wijzigen. Zo kan hij beetje bij beetje, door het innerlijke licht te volgen, een voorraad karmische gevolgen opbouwen die wanneer ze hem in de toekomst bereiken als het binnenkomen van engelen van licht en barmhartigheid zullen zijn.
    Het gebeurt maar zelden dat een helderziende op grond van zijn uiterst reine leven en spirituele instincten in staat is in verbinding te komen met de âkâsische gebieden van de geest; maar zelfs in deze gevallen moeten hun beste ervaringen, omdat zij bijna zonder uitzondering niet door inwijding zijn geoefend, als verdacht worden beschouwd en streng worden getoetst aan de leringen van de grote wijzen en zieners. Zo’n onervaren mysticus kan inderdaad op zeldzame momenten min of meer verwrongen visioenen van geestelijke werkelijkheden hebben, maar hij begrijpt ze niet, en kan ze daardoor niet op de juiste manier interpreteren.
    Neem het geval van de Zweedse halfmysticus Emanuel Swedenborg die onder andere zei dat de bewoners van bepaalde andere planeten eruitzien als mensen, en hij ‘zag’ die bewoners in de kleding die door Zweedse boeren wordt gedragen. Dit is duidelijk onjuist! Wat hij werkelijk zag waren beelden in het astrale licht die door zijn geest onmiddellijk werden verfraaid. Als Swedenborg in Rusland had gewoond, zou hij zijn hypothetische bewoners van andere planeten waarschijnlijk hebben gekleed in de kleren van de Russische muzhik, met de grote laarzen, wijde broeken, lange haren en bloes.
    Het werkelijk functionerende bewustzijn van zulke halfmystici is hoger dan dat van mensen die alleen maar medium zijn, die, op een enkeling na, door de opvallende ontwrichtingen in hun psychische gestel, vaak de speelbal zijn van de wezens en beelden van de lagere gebieden van het astrale licht, en niet zelden denken deze mediums oprecht dat ze ‘spirituele waarheden’ verkondigen.
    Hoe hoger het medium of de helderziende is in mentale en spirituele kracht, des te standvastiger is zijn karakter en des te meer zijn zijn ‘visioenen’ overeenkomstig de waarheid, hoewel deze altijd verward zijn en daardoor in gelijke mate verkeerd worden begrepen. Zulke hogere mediums of helderzienden zijn geen opzettelijke bedriegers; maar juist het feit dat ze soms min of meer juist lezen wat ze in het astrale licht zien vormt op zichzelf een gevaar, omdat niet alleen zij maar ook anderen dit nu en dan stuiten op de waarheid zullen beschouwen als een bewijs van echt en volmaakt zienerschap; als deze af en toe voorkomende werkelijke visioenen juist blijken te zijn, zullen ze deze voorbeelden gebruiken ter ondersteuning van alle andere ‘visioenen’ die ze misschien hebben.
    Spirituele visie komt uit ons ‘binnenste centrum waar de waarheid in al haar volheid woont’ zoals Browning zegt; en de mahâtma’s van het hoogste type zijn zij die binnenwaarts kunnen gaan en vooraf zien wat er zal gebeuren, omdat ze hun bewustzijn kunnen overbrengen naar de hogere gebieden van de anima mundi, en daarin lezen wat in de nabije of verre toekomst in menselijke aangelegenheden en op aarde wordt voorbereid om te worden geprojecteerd of geprecipiteerd.
    Dit is geen fatalisme want, hoewel de bestemming van de aarde en van alle wezens erop gestaag de wegen van de karmische noodzakelijkheid of nemesis volgt, kan ieder individu toch op elk ogenblik zijn vrije wil gebruiken in de richting waarin hij hem wenst aan te wenden. De evoluerende mens is inderdaad een zelfbewust en met een wil toegerust deel van het universele mechanisme – en daarom zullen, omdat al wat in hem is een essentieel deel is van de universele natuur, zijn wil en eigen intellectuele kracht hem ertoe brengen een actieve rol te spelen in het kosmische werk. De individuele mens wordt op elk moment gedeeltelijk gedreven door het karma van het heelal, en gedeeltelijk gebruikt hij zijn vrijheid van keuze en zijn intellectuele vermogens om zijn deel van het kosmische werk te verrichten.
    In dit algemene verband wordt alles wat toekomstige manvantara’s zullen voortbrengen reeds voorafgeschaduwd in of gevormd naar het astrale licht dat er nu is, en dat het karmische gevolg is van het astrale licht dat was. Bijvoorbeeld, het astrale licht van de maan* deed de aarde ontstaan en al wat daarop is, en het astrale licht van de tegenwoordige planeetketen aarde zal in de verre toekomst de kindketen van deze aarde voortbrengen.
    Een aantal interessante feiten hangen samen met het astrale licht. Een ervan is dat hoe hoger men komt boven het oppervlak van de aarde, hoe rustiger en stabieler het astrale licht is. Zijn stromingen en trillingen worden steeds onrustiger en verwarder hoe dichter men het centrum van de aarde nadert; zodat als een ware ziener het middelpunt van de aarde zou bereiken, hij zou ontdekken dat de astrale stromen een dwaze danse macabre uitvoerden.
    Een ander interessant feit is dat de grote wereldsteden wervelende draaikolken in het astrale licht zijn; in een andere betekenis kunnen ze misschien zenuwknopen, zenuwcentra, worden genoemd in de lagere regionen van het astrale licht.
    Dit is één reden waarom kluizenaars die naar plaatsen verlangen waar ze ongestoord kunnen mediteren, sinds onheuglijke tijden hun toevlucht zoeken in de bergen waar ze ver weg zijn van de meest verstorende invloeden van de verdichte golven van het astrale licht, en bovendien een zuiverder fysieke atmosfeer inademen.
    Hoewel de meesters overal worden aangetroffen waar hun plicht hen roept, kiezen deze oudere broeders voor hun mystieke zetels bepaalde delen van de aardbol die het minst worden getroffen door schadelijke invloeden die uitgaan van de grote steden en dichtbevolkte landen, waar de zielsverbijsterende astrale en fysieke invloeden zijn die de oefening in spirituele ontwikkeling tegenwerken. Ook is het een feit dat astronomen om vrijwel dezelfde reden naar hoger gelegen delen van de bergen gaan om in een zuivere atmosfeer te komen die meer dan gewoonlijk vrij is van de hittegolven aan de oppervlakte van de aarde, of zoals religieuze gemeenschappen vanaf de vroegste tijden rustige plaatsen in de bergen kozen voor hun centra.
    Er zijn genootschappen van grote leraren in het Midden-Oosten en in Egypte, in Amerika en elders; maar de hoofdzetel van de grootsten onder hen, zo wordt gezegd, is in Tibet.

Is er dan geen middel om te herkennen wie zieners en wie helderzienden zijn? Ja, dat is er; in feite is er één toets die onfeilbaar is als men wijs genoeg is om die toe te passen. Onderwijst de vernieuwer een universeel stelsel, dat wil zeggen, is het nieuwe stelsel er een dat niet alleen vroegere religieuze en filosofische stelsels in zich bevat, maar ook nieuw licht erop werpt en ze toelicht zonder tegenstrijdigheden? Zo niet, dan kan men aannemen dat hij slechts een helderziende is, een astrale ziener, oprecht of een bedrieger al naar het geval, en zijn leringen zijn niets meer dan persoonlijke inzichten die ver afwijken van de eeuwige waarheden van het heelal. Dit moet men ook ernstig in gedachten houden wanneer men de vroegere geschiedenis van het religieuze en filosofische denken onderzoekt. Kortom, het is de proef van universaliteit, en is dus een geestelijke toets, de beste toets waardoor men de grote wijze kan onderscheiden van alleen maar de psychische helderziende.
    Bovendien is het oprechte menselijke hart zelf een toetssteen, hoewel men deze niet zo gemakkelijk kan gebruiken; en de manier waarop men de werkelijke leraar kan herkennen, is door de echte en ware kwaliteiten in jezelf aan te kweken. Deze worden dan toetsstenen die iemand in staat stellen door overeenkomst van trilling aan te ‘voelen’ wat andere mensen zijn. Het vermogen om te herkennen en te weten ligt geheel in de mens zelf, en het gaat er eenvoudig om zichzelf op de meest natuurlijke wijze te oefenen. Hij waagt niets, en hij wint het heelal, omdat hij zijn eigen geestelijke zelf wint, dat het ‘hart’ van zijn wezen is. Als hij erin slaagt tot dit ‘hart’ van hemzelf te komen, kan niemand hem ooit bedriegen; en onfeilbaar zal hij, als de tijd daarvoor aanbreekt, zijn leraar kennen. Want nu, als nooit tevoren, is de wereld vol valse leraren, of ze bedriegers zijn of oprecht; en de aspirant moet altijd op zijn hoede zijn. Er is niets dat een zwendelaar kan verhinderen om zich voor te doen als een leraar en er aanspraak op te maken dat zijn leer komt uit zijn verbinding met zijn eigen innerlijke meester. Dit is precies wat sommige van die helderzienden beweren. Laat de zoeker naar waarheid eerst nagaan of de leer universeel is; laat dan de honger naar waarheid, een honger die niet kan worden gestild door iets dat niet echt is, altijd in je hart leven. Deze honger kan een mens van het ene denksysteem naar het andere brengen, maar de honger zal er steeds zijn en tenslotte zal hij hem bij een echte leraar brengen. Sursum corda: ‘Verhef uw hart!’ Wees niet blijvend tevreden met iets dat onder de zon is – met iets dat minder is dan de zon. En wanneer je de luister van de zon bereikt, ga zelfs dan nog verder! Laat de geestelijke honger naar waarheid en licht altijd in je hart leven, want hij is de stem van de innerlijke god binnenin u die zichzelf zoekt.
    Er zijn allerlei soorten helderzienden, en hierna volgen de namen van enkelen die als oprecht kunnen worden beschouwd:

    Pico della Mirandola
    Kardinaal de Cusa
    Copernicus
    Meister Eckhart
    Tauler
    Jakob Böhme
    Swedenborg
    Emerson

Tot een enigszins andere categorie behoren mensen zoals Mohammed. Deze mannen met zeer verschillende talenten en vermogens om te ‘zien’ werden niet door een meester van wijsheid onderwezen; met andere woorden, ze waren geen ingewijden, maar dit betekent niet dat geen van hen ooit hulp ontving van de grote leraren, want als karma het toelaat, kunnen zelfs heel gewone mensen die krijgen.
    Socrates was een helderziende van weer een heel ander type; en hieraan kan worden toegevoegd dat hij de doodstraf onderging in Athene niet zozeer om redenen die openlijk werden gegeven, maar omdat hij zonder het te weten de leringen van de Griekse mysteriën had verraden, wat in die tijd een misdaad was waarop de doodstraf stond; en blijkbaar had Socrates toen dit onder zijn aandacht werd gebracht, er geen acht op geslagen. Plato werd eens van dezelfde misdaad van ‘goddeloosheid’ beschuldigd, maar Plato was ongetwijfeld een ingewijde; en hij vluchtte wijselijk enige tijd uit zijn vaderland, en zocht bescherming in Sicilië. Een vergelijkbaar geval met dat van Plato was dat van Diagoras.
    De Ouden waren zeer streng als het ging om al dan niet bewust verraad van de geheimen van de mysteriescholen. Hierin ligt een mysterie binnen een mysterie; en dit kan worden verklaard door te zeggen dat vóór de ontaarding in de mysteriescholen was begonnen, de ‘doodstraf’ oorspronkelijk de natuurlijke karmische innerlijke reactie betekende die plaatsvond in de eigen ziel van de verrader, die tenslotte leidde tot de ‘dood van de ziel’. Later, toen de diepe overtuigingen van de vroegste tijden hadden plaatsgemaakt voor slechts religieuze en filosofische speculaties, kwam zo’n innerlijk verlies van de ziel zelden of nooit voor, en de staat begon het bekendmaken van de geheimen van de mysteriën te straffen overeenkomstig de verschillende graad van schuld; en nog later maakte de staat ook daarin geen verschil meer en strafte elk verraad van de mysteriën met de doodstraf, ongeacht of het opzettelijk was gepleegd of niet.
    Er waren natuurlijk mensen die ook in die latere en ontaarde tijden trachtten de doodstraf door wettelijke middelen te verzachten, door bijvoorbeeld de doodstraf in ostracisme of verbanning om te zetten in gevallen waarin de overtreding noch flagrant was noch de oorzaak van wat als onherstelbare schade werd gezien voor de instelling van de mysteriën die eeuwenlang een staatsinstelling waren geweest.
    De belangrijkste toets waardoor mensen kunnen weten of de een of andere propagandist of prediker een boodschapper is, die zijn gezag en leer aan de grote broederschap ontleent, is de volgende: Omvatten zijn leringen die universele beginselen van de natuur die in elke grote religie en filosofie liggen besloten toen deze voor het eerst door een grote wijze of ziener werd geformuleerd? De reden waarom de toets van universaliteit zo beslissend en krachtig is, is omdat universaliteit een andere manier van zeggen is dat de verkondigde leringen strikt in overeenstemming zijn met de zogenaamde ‘wetten’ van het heelal, die kennelijk sinds oneindig lang in het verleden moeten hebben gewerkt. Inderdaad, wat een ware leraar geeft is iets dat in wezen niet alleen op aarde, maar ook op elke andere planeet van de gebieden van onze eigen zon van toepassing is, en eveneens in de rijken van de poolster. Anders gezegd, universaliteit is als toetssteen zo krachtig, eenvoudig omdat universaliteit slechts een andere naam is voor universele waarheid.
    Een andere toets, maar minder krachtig dan die van universaliteit, is die van innerlijke deugd. Deugd in de Latijnse betekenis van ‘heldenmoed’, virtus, en met het onderscheid dat de Ouden maakten als zij over ‘deugd’ spraken in tegenstelling tot alleen de conventionele ethiek of moraliteit, betekent ware geestelijke heldenmoed, en is een onderscheidend kenmerk van een ware leraar. Die deugd is niet iets sentimenteels, maar ze is een verzameling spirituele en intellectuele en ook psychische kwaliteiten en vermogens die een mens werkelijk tot mens maken, en omvat sterkte van karakter, ontembare wil, doordringend intellect en geestelijke intuďtie – voorbeelden van het goddelijke vuur dat in hem brandt en uit zijn ‘hart’ vloeit. Als iemand die leringen verkondigt dus deze eigenschappen heeft en tegelijkertijd de eeuwenoude fundamentele leringen onderwijst die in alle tijden overal op aarde worden gevonden, dan kan hij met grote waarschijnlijkheid worden erkend als iemand die men kan vertrouwen.
    In de verheven literatuur van de oude wereld is de deugd altijd bezongen als een eigenschap van de werkelijk grote mens. Zoals Sa’adi, een soefi-mysticus haar bezingt:

De deugdzame mens zal iemand die hem kwaad deed helpen en zelfs goed doen.

De soefi’s kunnen met recht de theosofen van de islam worden genoemd, en dit geldt vooral voor de Perzische tak van de soefi’s die een protest vertegenwoordigen tegen de starre en beperkte opvattingen van de orthodoxe islam en een terugkeer naar de essentiële leringen van de archaďsche religie van dat voorheen edele volk.
    Een andere Perzische soefidichter, Hhâfiz, schreef:

Leer van de schelp hem lief te hebben die tegen u strijdt,
Te voorzien van parels de hand waarvoor u lijdt.
Vrij, als gindse rots, van lage trots door wraakzucht gekleurd,
Versier met juwelen de pols die uw zijde openscheurt.
Let op, hoe de boom de regen beloont door het groen,
Met vruchten zoetsmakend, of een geurende bloem,
De hele natuur roept luid: ‘Zal de mens minder verrichten
Dan de geweldenaar genezen, en de zelfvoldane verlichten?’

De filosofische grondgedachte hiervan is dat niets tot ons komt dan door karma. Als we veel lijden als gevolg van de handelingen van een ander, dan kan diegene op zijn beurt nooit ontkomen aan de aan ons verschuldigde compensatie van de natuurwet; maar ons leed en ons onrecht zouden ons nooit zijn overkomen als we niet in het verleden de zaden van deze gevolgen als oorzaken hadden geplant. Vandaar de leer van alle Groten dat men wijsheid en vrede kan verkrijgen door het hart en het denken te bevrijden van de ondermijnende invloeden van haat en wraak, en in plaats daarvan zaden van vriendelijkheid, liefde en strikte rechtvaardigheid tegenover allen te zaaien. Het hart van iedereen moet intuďtief deze grote waarheid aanvoelen. De christelijke heilige Athanasius – aan wie men overigens geen prettige herinnering heeft – zou hebben gezegd, ‘Eén mens en God vormen een meerderheid tegenover de wereld’. Die mens is in de meerderheid omdat hij ontelbare geestelijke en goddelijke hiërarchieën van het heelal achter zich heeft, die met hem samenwerken, en hem vervullen met hun eigen kracht. Het enige wat hij moet doen is de persoonlijke, kleine en verlammende verlangens, zijn emoties van liefde en haat, van zich af te werpen en de winden van de eeuwigheid door zich heen te laten waaien en hem te laten zuiveren.
    In India vindt men de volgende mooie opdracht met eenzelfde strekking:

Ook op het ogenblik van zijn vernietiging, als er geen redding meer is, moet de deugdzame mens eraan denken dat zijn plicht niet is zijn moordenaar te haten, maar hem te vergeven, en zelfs het verlangen te hebben hem goed te doen, zoals de geurige sandelboom als hij geveld wordt zijn geuren verspreidt over de bijl die hem velt.

Er zijn mensen voor wie deze edele ethiek te verheven lijkt om te volgen. Ze hebben helemaal ongelijk, want het is alles een kwestie van overtuiging. Laat een mens slechts proberen en hij zal verbaasd staan hoeveel hij kan bereiken. Voor die mensen echter die aan hun mogelijkheden twijfelen, zijn er schitterende, ethische leringen die gemakkelijk zijn te begrijpen. Victor Hugo zei: ‘In de nacht aanvaard ik het gezag van de toortsen’, hoewel hij evengoed als anderen wist dat er een zon aan de hemel staat. Er zijn bepaalde mensen voor wie de zon te hoog en te helder is. Zij houden van het gezag van de toortsen. Zij verkiezen de kleinere lichten, omdat die gemakkelijker te volgen lijken, minder doordringend en daarom toegeeflijker voor kleine tekortkomingen. Maar eens zullen ze uit de schaduwen treden waar hun toortsen de enige lichten zijn, uit de grot waarover Plato schreef, waarin de mens slechts de dansende schaduwen op de muur ziet. Ze zullen in het zonlicht daarbuiten gaan, en de toortsen zullen terzijde worden gelegd.
    Inwijding is het rechte smalle pad, doornig en vol gevaren, maar toch is ze de kortste weg, is ze de weg van de leraren zelf, de weg van zelfverzaking ten dienste van de wereld; de weg van persoonlijke zelfvergetelheid. Inwijding is het pad waarlangs het evolutionaire groeiproces zeer kan worden versneld; maar een mens moet de geschiktheid ervoor hebben; met andere woorden, hij moet gereed zijn voor inwijding voordat hij het kan wagen te trachten de riten ervan door te maken. Dit alles houdt heel ernstige zelfoefening in, die bestaat uit een enorme honger naar licht en het bezit van een onbuigzame wil om vooruit te gaan die door niets kan worden afgeschrikt. Het betekent dat een mens één wordt met het hogere deel van hemzelf, en dat actief laat werken in zijn dagelijks leven, in plaats van alleen maar te rusten zoals de grote menigte doet, die kalm en geestelijk in slaap, zich onverschillig door de natuur op de langzame rivier van de tijd laat voortdragen op haar rustige en altijd bewegende golven.
    Er leiden twee paden naar het doel: het ene ligt in de schoot van de rivier van de tijd, en volgt deze, misschien eeuwenlang, om dan gevangen te raken in een kleine draaikolk en misschien weer een stukje verder te komen; het andere pad is het gebruiken van zijn intelligentie en wil en energie om het mystieke innerlijke ‘vaartuig’ te bouwen en dat is het inwijdingsproces; en omdat wijzelf dat ‘vaartuig’ zijn, kan het ons veel sneller door de onstuimige wateren van het leven leiden. Dit is de reden waarom ware inwijding en echte leraren nodig zijn voor de moedige discipel.
    Hier is een vreemde paradox: In deze mystieke aangelegenheden wordt niets voor niets gegeven, want dat is volkomen in strijd met de esoterische wet, omdat de discipel zelf de weg moet worden voordat hij die kan betreden; alleen wanneer hijzelf geeft ontvangt hij. De hulp en leiding die worden gegeven hebben dus het effect van het oproepen van innerlijke zelfhulp en van het opwekken van de buddhische luister in iemands eigen wezen; zodat zijn pad wordt verlicht door de schittering die de pelgrim, die vorderingen maakt, zelf uitstraalt.

Er zijn mensen van wie men kan zeggen dat ze een zekere mate van innerlijk licht hebben bereikt en dus een soort van zelfverleende inwijding hebben doorgemaakt, maar dit gebeurt voor henzelf onbewust. De reden is dat ze een gunstig vroeger karma hadden, en zaden van vroegere gedachten en daden bloeien nu uit tot raadgevers en gidsen. Toch zwerven ze zelfs in deze gevallen min of meer blind in een halfduister. Als ze meer geëvolueerd zouden zijn, dan zouden ze op grond van instinct en de verkozen manier van handelen behoren tot het werk van de meester. Ze hebben inderdaad een bepaalde graad van natuurlijke innerlijke verlichting bereikt, maar ze weten niet dat de waarheid die ze hebben de Waarheid is, tenminste voor een deel. Ze zijn alleen, ze hebben niet de hulp die geestelijke kameraadschap geeft; en ze hebben geen bewust erkende leraar.
    Mensen zoals bijvoorbeeld Jakob Böhme hebben een bepaalde half-inwijding bereikt, waarvan ze zich gewoonlijk niet bewust zijn, en zijn in de meeste gevallen in vorige levens tenminste tot een lagere graad ingewijd geweest. Het geval van Jakob Böhme was enig in zijn soort: hij was in andere levens tenminste tot een lagere graad ingewijd, maar hij begon aan dit leven in een karmisch belast psychisch gestel, en de nirmâńakâya’s die voor hem deden wat ze konden, stonden hem eenvoudig toe dat leven uit te leven, om dat oude karma uit te werken.
    Dit illustreert wat de leraren zo vaak hebben gezegd: Het is nooit juist om het uitwerken van karma tegen te gaan; laat het komen en laat men er vanaf zijn. Dit is oneindig veel beter dan het te onderdrukken, zodat het dan op een toekomstig tijdstip weer te voorschijn komt, wanneer het verschijnen ervan werkelijk pijnlijk is, zoals in het geval van Jakob Boehme, die zelfbewust de toppen aan het bestijgen zou moeten zijn. Er zijn in de geschiedenis veel mensen geweest van wie het karma op een bepaald ogenblik was onderdrukt, als zaden van moeilijkheden die in de toekomst zouden komen; en deze zaden kregen de gelegenheid te groeien in latere incarnaties toen ze veel moeilijker te hanteren waren dan wanneer ze niet tevoren waren onderdrukt maar toen waren ontkiemd.
    Als u in moeilijkheden verkeert, wees dan moedig en laat ter wille van uzelf de moeilijkheden komen en put hun energie uit. Zoek natuurlijk hulp; gaat het om ziekte, zoek dan goede medische adviezen en doe uw voordeel ermee! U heeft als mens recht op alle hulp die u kunt krijgen, en op volkomen genezing als die mogelijk is; maar dring de karmische problemen niet terug door innerlijke psychische processen om te proberen die te onderdrukken of ervoor opzij te gaan; door dit alles worden ze opgestapeld om in de toekomst te rijpen tot lijden en misschien invaliditeit.
    De meesters zien altijd uit naar de eigen menselijke buddhische luister van een individu, en dan trachten ze die te helpen. Zij en hun vertegenwoordigers zijn in alle delen van de wereld, en hun afgezanten zijn eveneens overal aan het werk, gewoonlijk onbekend aan de mensen. Ze hebben als het ware hun vaste methoden om alle individuele eenheden van de mensheid te onderzoeken. Waar ze ook maar een vonk van de buddhische luister zien, daar werken ze zo goed ze kunnen, door die vonk aan te moedigen zodat deze na verloop van tijd een levende vlam kan worden. Er zijn in alle tijden veel voorbeelden van mensen die direct en indirect hulp hebben gekregen van de broederschap, maar die hulp moet gewoonlijk worden gegeven zonder dat de ontvanger ervan weet. De tijd zal echter zeker komen dat deze ontvangers zelfbewust de communicatiekanalen die de meesters openstellen tussen henzelf en alle spiritueel aspirerende mensen tenminste voor zichzelf zullen herkennen en erkennen.
    De gevallen van ‘engelen’ die een of ander persoon hebben geďnspireerd tot verheven en buitengewone daden zijn in negenennegentig van de honderd gevallen geen verschijningen van ‘engelen’ maar van de mahâtma’s zelf of van hun chela’s. Deze gewoonlijk onzichtbare afgezanten van de broederschap zijn altijd aankondigers van het geestelijk goede voor de mensheid. Ze verschijnen soms waar de nood groot is en wanneer het karma van het individu, of van een volk of ras, toelaat dat dit gebeurt. Degene die zo wordt geholpen ziet wat een buitengewone bezoeker schijnt te zijn, misschien zelfs een schitterende menselijke gestalte die straalt van licht, en zegt misschien als hij met het christelijke geloof is grootgebracht en niet anders weet: ‘Een engel is verschenen!’ Jeanne d’Arc was een bekend voorbeeld van dit soort ziener of helderziende.
    Wat er werkelijk gebeurt is dat bepaalde gevorderde wezens van etherische aard die nauw zijn verbonden met de mensheid soms onder zeldzame en ongewone omstandigheden verschijnen en worden waargenomen door ongewone mensen in een ongewone bewustzijnstoestand; en als zij die deze buitengewone bezoekers waarnemen aan hen vleugels geven, dan is gewoonlijk alleen de verbeelding van de ziener aan het werk. Hoewel deze ‘verschijningen’ in de geschiedenis van de oudheid bekend zijn, worden ze door onze moderne sceptici in het algemeen beschouwd als alleen maar visioenen die niet op feiten zijn gebaseerd. In werkelijkheid zijn het verschijningen van wezens uit andere gebieden die door het samenvallen van uiterst zeldzame omstandigheden zowel van ruimtelijke en tijdelijke toestand als van karmische noodzakelijkheid, ‘verschijnen’ aan de mensen als bezoekers uit een andere wereld wat in één opzicht precies is wat ze zijn.
    In scherpe tegenstelling met deze bezoekers staan de vaker voorkomende maar toch zeldzame ‘verschijningen’ van nirmâńakâya’s die behoren tot de broederschap.
    Nog verhevener dan de hulp die door de meesters aan de mensen wordt gegeven is de levende werkelijkheid en altijd aanwezige inspiratie van de god in ieder van ons. Zoveel mensen op aarde, zoveel goden in de ‘hemel’. Deze schitterende en stralende godheid is de schakel van iedere individuele mens niet alleen met de kosmische godheid of hiërarch, maar, via deze, met de grenzeloze godheid van het Kosmische heelal. Meer wel dan niet staat het verschijnen van ‘engelen’ in verband met de psychische mysteries die tot het inner lijke zelf van de ziener behoren. Ieder die de moderne psychologie heeft bestudeerd zal beseffen dat het verschijnsel van uittreding soms veroorzaakt dat het schijnt alsof iemands gedachten buiten de waarnemer staan. Er zijn veel voorbeelden in de geschiedenis dat mannen en vrouwen eenvoudig uit zichzelf zijn opgetild, en vervuld zijn geworden van het heilige vuur van de god in hen, en daarna bijna als goden hebben gehandeld. Dit heeft de ‘engel’ in hen teweeggebracht – of nauwkeuriger, de god in hen. Door de eeuwen heen zijn de martelaren die leefden voor wat zij de waarheid noemden, voorbeelden van hoe de geest boven het vlees en zijn zwakheden uitsteeg.
    Hoewel het absoluut waar is dat de meest verheven en betrouwbaarste leraar voor ieder mens zijn eigen hogere zelf is, de god in hem, is het evenzeer voor elke aspirant nodig om een leraar te hebben wanneer hij het pad begint te volgen, iemand die geestelijk in staat is de discipel bekend te maken met zijn eigen innerlijke god. Er is aangetoond dat de gewone helderziende niet in staat is zelfbewust in verbinding te komen met zijn eigen innerlijke godheid, omdat daarvoor altijd een inwijder nodig is; en aangezien de helderziende niet in staat is eerst zijn zelfbewuste denken zelfstandig met zijn eigen innerlijke god te verbinden, is hijzelf geen ware leraar, en ook meer geneigd zichzelf te misleiden dan anderen.
    De werkelijke zieners, de grote leraren van de mensheid, zijn betrekkelijk onfeilbare gidsen omdat ze op twee manieren in de diepste geheimen van de geest en de stof zijn doorgedrongen, en daarna hun kennis voor het welzijn van de mensheid hebben vastgelegd. De eerste manier is door de onuitwisbare optekeningen van het astrale licht te onderzoeken, die in beelden de beschrijving bevatten van de hele evolutie vanaf de vroegste tijden; en de tweede manier is door inwijding, in de hoogste waarvan men van aangezicht tot aangezicht komt te staan met zijn eigen innerlijke god, de dualiteit erkent die samensmelt tot zelfbewuste eenheid of identiteit, en daarna, in overeenstemming met de graad van de ontwaakte talenten van de meester zelf, een betrekkelijk volmaakte uitdrukking wordt van de god in zich. Goddelijke wijsheid en alle menselijke kennis behoren tot het bewustzijn van de innerlijke godheid, die op zijn beurt een onafscheidelijk monadisch deel en een geďndividualiseerde werking van de goddelijke essentie van de natuur zelf is; en zo kan men bij de inwijding naar goeddunken van kennis gebruikmaken.

*Hier kan men ook zeggen dat de term maanpitri’s veel meer betekent dan gewoonlijk wordt verondersteld. De meest algemene betekenis ervan is ‘maanvaders’ – en dus alles wat van de maan komt: de drie elementalenrijken, mineralen, planten, dieren, mensen, dhyâni-chohans – al deze waren ‘vaders’ afkomstig van de maan, de maanvoorouders; hoewel natuurlijk in strikt technische zin de term maanpitri’s gewoonlijk wordt beperkt tot die klassen van maanmonaden die de verschillende menselijke en meer dan menselijke groepen werden die er nu op aarde zijn. Terug naar de tekst.


De Esoterische Traditie, blz. 575-95

©2001 Theosophical University Press Agency, Den Haag