Theosofische inzichten
Artikelen van W.Q. Judge

isbn 9789491433016, gebonden, eerste druk 2012, bestel boek

© 2012  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     

 

De toekomst en de Theosophical Society

[The Path, maart 1892, blz. 394-6]

In 1888 schreef H.P. Blavatsky:

Gisternacht kreeg ik een panoramisch overzicht van de Theosophical Societies. Ik zag een paar serieuze betrouwbare theosofen verwikkeld in een doodsstrijd met de wereld in het algemeen, met andere zogenaamde maar ambitieuze theosofen. Eerstgenoemden zijn groter in aantal dan je misschien denkt, en ze hadden de overhand – zoals jij in Amerika de overhand zult hebben, als je maar trouw blijft aan de doelstellingen van de meester en trouw aan jezelf. En vannacht zag ik . . . De verdedigende krachten moeten – schaars als ze zijn – verstandig over de hele wereld worden verdeeld, naar alle plaatsen waar theosofie worstelt met de machten van de duisternis.1

1Brief van Blavatsky aan Judge, zie Lucifer, juni 1891, blz. 291.

En in De sleutel tot de theosofie (blz. 285-6):

Als de huidige poging, in de vorm van onze Society, beter slaagt dan haar voorgangers, dan zal ze als een georganiseerde, levende en gezonde organisatie bestaan wanneer de tijd voor de poging van de 20ste eeuw aanbreekt. . . . Dat is niet alles, want behalve dat er een uitgebreide en voor alle mensen toegankelijke literatuur zal zijn, zal de volgende impuls een talrijke en eensgezinde groep mensen aantreffen die gereed zijn om de nieuwe toortsdrager van de waarheid te verwelkomen. Hij zal mensen vinden met een geest die gereed is voor zijn boodschap en ook een taal waarin hij de nieuwe waarheden die hij brengt kan kleden, een organisatie die uitziet naar zijn komst, en die de louter mechanische, fysieke obstakels en moeilijkheden op zijn weg opruimt. Bedenk eens hoeveel iemand aan wie zo’n gelegenheid wordt gegeven zou kunnen bereiken. Vergelijk dat eens met wat de Theosophical Society de laatste 14 jaar in feite heeft bereikt, zonder al die voordelen en omringd door een groot aantal hindernissen die de nieuwe leider niet zouden belemmeren.

Ieder lid van de Society zou erg geïnteresseerd moeten zijn, en velen zijn dat ook, in de bovenstaande woorden. De vooruitzichten, de moeilijkheden, de gevaren, de noodzakelijke voorwaarden zijn nu dezelfde als toen, en zoals ze waren aan het begin van deze poging in 1875. Want, zoals ze vaak heeft gezegd, dit is niet de eerste poging, noch zal het de laatste zijn, om de waarheden te verspreiden en dezelfde taak te vervullen als die welke Ammonius Saccas enkele eeuwen geleden op zich had genomen om mensen de weg te wijzen naar de ene waarheid die ten grondslag ligt aan alle religies en die als enige de wetenschap kan leiden in de richting van de ideële vooruitgang. In elke eeuw worden zulke pogingen ondernomen, en vele ervan zijn in feite ‘theosofisch’ genoemd. Elke keer moeten ze worden aangepast aan het tijdperk waarin ze zich voordoen. En dit is het tijdperk – gekenmerkt door het verschijnen en het succes van de grote Amerikaanse republiek – van vrijheid voor het denken en voor onderzoek.

In het eerste citaat staat een profetie dat die enkele betrouwbare theosofen, die verwikkeld zijn in een strijd met de tegenstand van de wereld en de tegenstand afkomstig van zwakke of ambitieuze leden, zullen zegevieren, maar daaraan is een voorwaarde verbonden die van belang is. Er moet worden vastgehouden aan de doelstellingen van de meesters. Die kunnen alleen worden vastgesteld door haar te raad-plegen en ook de brieven die door haar zijn gepubliceerd en afkomstig zijn van degenen naar wie ze verwijst. Er bestaat niet veel twijfel over die doelstellingen. Ze sluiten het idee uit dat de Society werd opgericht of bedoeld is als ‘een school voor occultisme’, want dat is langgeleden met zoveel woorden gezegd in enkele brieven die door Sinnett werden gepubliceerd en ook in niet gepubliceerde brieven.

We verwijzen naar een brief die (in 1884) uit dezelfde bron werd ontvangen: ‘Laat de Society tot bloei komen op basis van haar morele waarde, en niet door verschijnselen die zo vaak corrumperen.’ In een andere brief wordt lang stilgestaan bij de behoefte van het Westen aan zulke leringen als karma en reïncarnatie en het feitelijke één-zijn van de hele menselijke familie. Daarin wordt over een aantal van de gevolgen van bepaalde verschijnselen het volgende gezegd: ‘Ze moeten bijdragen aan nieuwe vormen van een echte praktische broederschap van de mensheid, waarbij iedereen met de natuur zal meewerken.’1 Over de huidige materialistische neigingen zegt dezelfde autoriteit:

1The Occult World, 1885, blz. 149.

De exacte experimentele wetenschap heeft niets te maken met ethiek, deugd en menslievendheid; daarom kan ze geen aanspraak maken op onze hulp totdat ze één geheel vormt met de metafysica. . . . Dezelfde oorzaken die het hindoedenken verstoffelijken, hebben ook invloed op het westerse denken. Het onderwijs verheerlijkt het scepticisme, maar kerkert de spiritualiteit. U kunt enorm veel goed doen door te helpen om de westerse volkeren een stevige grondslag te verschaffen op basis waarvan ze hun afbrokkelende geloof opnieuw kunnen opbouwen. En wat ze nodig hebben is het bewijsmateriaal dat alleen de Aziatische psychologie kan verschaffen. Als u dit biedt, zult u duizenden veel gemoedsrust brengen. . . . Dit is het moment om leiding te geven aan de terugkerende impuls die binnenkort zal komen en die dit tijdperk een stoot zal geven in de richting van een extreem atheïsme of u zal terugvoeren naar een extreme priesterheerschappij, als die impuls niet wordt geleid naar de oorspronkelijke filosofie van de Indo-Europeanen, die de ziel tevreden kan stellen.2

2Op.cit., blz. 132, 137-8.

Dit is de edele toon die spreekt door alle woorden uit deze bronnen. Het is een oproep om voor de mensheid te werken en niet voor onszelf, een verzoek om aan het Westen en het Oosten de leringen te brengen die de grootste invloed hebben op het menselijk gedrag, op de betrekkingen van mens tot mens, en dus de grootste mogelijkheid bieden om ten slotte een werkelijke universele broederschap te vormen. We moeten deze doelstellingen volgen en de wereld voorzien van een stelsel van filosofie dat een stevige en logische basis geeft voor ethiek, en dat kan alleen worden verkregen van hen naar wie ik heb verwezen; verschijnselen bieden geen basis voor ethiek, want een mens zou kunnen leren om met behulp van occulte krachten de meest verbazingwek-kende dingen te doen en toch tegelijkertijd een heel slecht mens zijn.

Een bijkomstige voorwaarde, maar net zo belangrijk als de andere, wordt door HPB gegeven in haar woorden dat we ‘trouw moeten blijven aan onszelf’. Dit betekent trouw aan ons betere zelf en de stem van het geweten. We kunnen de leringen en de leefregels die in de theosofie worden aangetroffen, niet verkondigen, als we niet tegelijkertijd zelf zoveel mogelijk proberen ze na te leven. We moeten in praktijk brengen wat we verkondigen, en zoveel mogelijk een kleine broederschap binnen de Theosophical Society vormen. We moeten dit niet alleen doen omdat de wereld toekijkt, maar ook omdat we weten dat door ons één-zijn de geringste inspanningen die door ons worden verricht tien keer zoveel kracht zullen hebben als een obstakel dat we tegenkomen of de tegenstand die door de wereld wordt geboden.

De geschiedenis van de 16 jaar dat we bestaan laat zien dat onze inspanningen die in elke hoek van de hele wereld worden verricht, het denken van deze tijd hebben veranderd, en dat het woord ‘theosofie’ en veel van de oude ideeën die volgens de wetenschap en het agnosticisme voor altijd waren begraven onder de machtige dollar van de huidige beschaving, opnieuw tevoorschijn zijn gekomen. We beweren niet dat wij de enige kracht zijn die ermee begon om dogmatisme en priesterintriges uit te roeien, maar alleen dat we een schakel hebben gevormd, bepaalde woorden hebben aangereikt, gedachten hebben gestimuleerd die van het grootste belang zijn juist op een moment dat de eeuw bezig was terug te vallen tot allesbehalve datgene waarvoor de hervormers hadden gestreden. De oude geloofsovertuigingen waren aan het afbrokkelen, en er stond niemand klaar om datgene te leveren wat religie en wetenschap met elkaar zou verenigen en de ene wetenschappelijk en de andere religieus zou maken. We hebben precies gedaan wat in de geciteerde brief werd gevraagd, en hebben deze tijd een stap dichter gebracht bij ‘de oorspronkelijke filosofie van de Indo-Europeanen, die de ziel tevreden kan stellen’.

Maar we kunnen niet verwachten dat de kerken en de geestelijken en masse toetreden tot onze gelederen. Dan vraagt men te veel van de menselijke natuur. Kerken vertegenwoordigen een bepaald vermogen dat in stand moet worden gehouden, en de geestelijken vormen een groot aantal mannen die een salaris krijgen dat ze moeten verdienen, met gezinnen die ze moeten onderhouden en reputaties die ze hoog moeten houden. Veel ‘gebedshuizen’ zijn nauw verbonden met de materiële vooruitgang van de stad, en het persoonlijke element zou verhinderen dat ze hun oude en schitterende identiteit zouden opgeven voor een organisatie zoals de onze. Parochies huren hun priesters voor een bepaald bedrag per jaar om een specifieke theologie te verkondigen, en houden er niet van om de waarheid over zichzelf te horen, noch dat hen een te hoge standaard van altruïsme wordt voorgehouden op een manier waaraan ze volgens de theosofische leringen niet kunnen ontkomen. Ze kunnen alle geleidelijk veranderen, processen wegens ketterij zullen blijven voorkomen en ketterse geestelijken zullen worden ontslagen, de oude gebouwen zullen blijven bestaan en de sprekers zullen verdergaan in nieuwe groeven en andere reputaties opbouwen, maar wij kunnen niet verwachten dat het overal storm zal lopen om zich bij ons aan te sluiten.

Ons lot is om het omvangrijke werk van het verleden voort te zetten door overal in de wereld de literatuur en het denken te beïnvloeden, terwijl onze gelederen veel wisselingen in aantal vertonen, maar altijd diegenen omvatten die trouw blijven aan de doelstellingen en weigeren dogmatisch te worden of in de theosofie het gezonde verstand los te laten. Zo zullen we wachten op de nieuwe boodschapper, en ernaar streven om de organisatie springlevend te houden, zodat hij haar kan gebruiken en de geweldige gelegenheid zal hebben die HPB schetst als ze zegt: ‘Bedenk eens hoeveel iemand aan wie zo’n gelegenheid wordt gegeven zou kunnen bereiken.’

William Brehon

 


Theosofische inzichten, blz. 191-5

© 2012  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag