Theosofische inzichten
Artikelen van W.Q. Judge

isbn 9789491433016, gebonden, eerste druk 2012, bestel boek

© 2012  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     

 

Wat de meesters hebben gezegd

[The Path, februari 1893, blz. 333-5]

In 1888 werd in een artikel over Olcott in dit tijdschrift geciteerd uit brieven van de adepten, gestuurd aan Sinnett op een moment waarop enkele bezwaren werden gemaakt tegen het werk van de Society omdat er niet genoeg aandacht werd besteed aan wetenschappers en aan de wetenschap zelf. Sinds het jaar waarin die brieven werden geschreven hebben veel mensen zich bij de Theosophical Society aangesloten en heeft haar werkterrein zich sterk uitgebreid. En haar medewerkers besteden nu niet minder dan toen te veel aandacht aan de intellectuele kant van de theosofie en te weinig aan dat aspect waarop de meesters die achter de TS staan aandringen en dat door HPB in De stem van de stilte de ‘leer van het hart’ wordt genoemd. Ook anderen hebben gezegd dat ze niets te maken willen hebben met de leer van het hart, maar willen dat we heel gerespecteerd en wetenschappelijk zijn. Laten degenen van ons die in de meesters geloven hen raadplegen.

Toen de brieven aan de Simla Lodge werden geschreven, waren er theosofen die hun afkeuring lieten blijken en zeiden dat het nu het moment was om een andere weg in te slaan door te werken voor de wetenschappers. Er bestond enige afkeer en wantrouwen tussen de hindoes en de Europeanen, en de werkwijzen van kolonel Olcott en H.P. Blavatsky werden openlijk afgekeurd. Een deel van het antwoord van de adepten, gegeven na overleg met anderen die nog veel hoger staan, luidt als volgt:

Geen boodschapper van de waarheid, geen profeet, heeft ooit tijdens zijn leven een volledige zege bereikt – zelfs Boeddha niet. De Theosophical Society werd gekozen als de hoeksteen, het fundament van de toekomstige religies van de mensheid. Om het beoogde doel te bereiken werd bepaald dat er een intensievere, een meer bewuste en welwillende omgang tussen hoog en laag, tussen de alfa en de omega in de samenleving zou moeten zijn.1

1Uit een brief ontvangen door A.P. Sinnett, waarin meester KH een belangrijke boodschap van de mahachohan overbracht. Voor de volledige tekst zie M. Conger, Gecombineerde chronologie, TUPA, 1979, blz. 45-9.

Wie hebben dit bepaald? De adepten en degenen die achter hen staan – volgens theosofen de dhyani-chohans die op zulke zaken toezicht houden. Waarom werd dit besloten? Omdat de wereld is verzonken in verdriet en egoïsme waardoor de ene kant van de samenleving ervan wordt weerhouden om de andere kant te helpen. De brief vervolgt:

Het blanke ras moet als eerste de hand reiken naar de donkere volkeren . . . Dit vooruitzicht zal misschien niet iedereen aanspreken, maar wie tegen dit beginsel bezwaar maakt, is geen theosoof.

. . . En van ons, de nederige discipelen van deze volmaakte lama’s, wordt verwacht dat wij zouden toestaan dat de TS haar edelste doel, dat van ‘broederschap onder de mensen’, zou opgeven om een gewone school voor psychologie te worden. Nee, beste broeders, u heeft al te lang in deze illusie verkeerd. Wie zich niet voldoende in staat acht deze edele gedachte goed genoeg te begrijpen om ervoor te werken, hoeft geen taak op zich te nemen die te zwaar voor hem is.

De diepte van het sarcasme in die woorden kan niet worden gemeten, en tegelijkertijd is het bijna onmogelijk om de kansen volledig te begrijpen waarnaar hier wordt verwezen en de vooruitgang die men misloopt door er geen acht op te slaan. Ze zijn op iedereen van toepassing, en niet alleen op de mensen aan wie ze werden geschreven, want de meesters zeggen altijd dingen die algemeen van toepassing zijn. De brief vervolgt:

Er is evenwel in de hele organisatie vrijwel geen theosoof die niet in staat is haar echt te helpen door verkeerde indrukken van buitenstaanders recht te zetten, zo niet door deze gedachte zelf daadwerkelijk te verbreiden.

Later, ongeveer toen HPB in Duitsland was, kwamen anderen en vroegen wat ze konden doen, hoe ze zouden kunnen meewerken, en wat voor ‘werkterrein’ ze zouden kunnen vinden. De meester die bekend is als KH schreef vervolgens aan een van hen een brief, en stuurde op hetzelfde moment kopieën met meer gedetailleerde toelichting op de mededeling aan anderen. Een deel van die brief is onlangs gepubliceerd in het Duitse tijdschrift, de Sphinx. Daarin zei de meester onder andere:

‘Een terrein waar men nuttig werk kan verrichten’ is overal te vinden. Het eerste doel van de Theosophical Society is filantropie. De ware theosoof is een filantroop, die ‘niet voor zichzelf maar voor de wereld leeft’. . . . Dit, en de filosofie – het juiste begrip van het leven en de mysteries ervan – zullen ‘de noodzakelijke basis’ leggen en de juiste weg wijzen om te volgen. Maar het beste ‘werkterrein’ voor de vraagsteller is nu in zijn eigen land.1

1Uit een brief van meester KH, ontvangen door dr. Wilhelm Hübbe-Schleiden op 1 augustus 1884. Zie Letters from the Masters of the Wisdom, 2de reeks, red. C. Jinarajadasa, 2de ed., Theosophical Publishing House, Adyar, 1973, brief 68, blz. 125.

Een basis en een terrein waar men nuttig werk kan verrichten verwijzen naar het idee van hen die denken dat er eerst een wetenschappelijke of ten minste zeer lange voorbereiding nodig is om de basis te leggen voor het werk en het terrein af te bakenen. Maar het antwoord laat zien dat de adept het hiermee niet eens is, en wijst op de manier van werken overeenkomstig de leer van het hart. En sommige van de meer gedetailleerde aantekeningen, toegevoegd aan de kopie van deze brief die tegelijkertijd aan anderen werd gestuurd, luiden als volgt:

Mijn verwijzing naar ‘filantropie’ was in ruime zin bedoeld, en diende om de aandacht te vestigen op de absolute noodzaak van de ‘leer van het hart’, in tegenstelling tot de leer die slechts ‘van het oog’ is. En eerder al heb ik geschreven dat onze Society niet slechts een intellectuele school voor occultisme is, en zij die groter zijn dan wij hebben gezegd dat hij die de taak om voor anderen te werken te zwaar vindt die beter niet op zich moet nemen. Het morele en spirituele lijden van de wereld is belangrijker en daarvoor is meer hulp nodig dan dat de wetenschap hulp van ons nodig heeft op een of ander gebied van ontdekking. ‘Wie oren heeft om te horen, die hore.’2    – KH

2Deze brief werd gepubliceerd als brief 33 in C. Jinarajadasa, Letters from the Masters of the Wisdom, 1ste reeks, 6de ed., Theosophical Publishing House, Adyar, 1988.

Na 17 jaar werk is het nu tijd dat de hele Society wat meer aandacht moet besteden aan de woorden van die meesters van wijsheid die op die manier de weg hebben aangegeven, en dit zijn de ‘oorspronkelijke richtlijnen’ die zijn gegeven en moeten worden gevolgd. Al diegenen die ze niet volgen zijn mensen die ontevreden zijn over ons werk, en zij die deze richtlijnen proberen te volgen zijn mensen die voelen en weten dat er altijd hulp wordt gegeven aan oprechte theosofen die steeds weer proberen om de filosofie niet alleen te begrijpen maar ook om deze kracht te geven door de leer en het doel van universele broederschap te bewijzen en in praktijk te brengen.

Een van de ontvangers

 


Theosofische inzichten, blz. 252-4

© 2012  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag