Theosofische inzichten
Artikelen van W.Q. Judge

isbn 9789491433016, gebonden, eerste druk 2012, bestel boek

© 2012  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     

 

Gunstige en ongunstige omstandigheden in het leven

[The Path, juli 1895, blz. 123-5]

Als we ons karma zo opvatten dat we klagen over het onvriendelijke lot dat in ons leven geen gunstige omstandigheden toelaat, is dit een onjuiste inschatting van wat voor de ziel goed is en wat niet. Het is heel waar dat we vaak mensen ontmoeten die in heel gunstige omstandigheden verkeren maar er naar verhouding geen gebruik van maken of er maar weinig aandacht aan schenken. Maar dit feit toont op zichzelf al aan dat een zogenaamd gunstige levenspositie in feite niet goed of gelukkig is in de ware en innerlijke betekenis van die woorden. De gelukkige heeft geld en goed onderwijs, talent en middelen om te kunnen reizen en zijn omgeving van kunstwerken, van muziek en van gemakken te voorzien. Maar deze zijn als de lucht in de tropen die het lichaam futloos maakt; ze verzwakken het karakter in plaats van het op te bouwen. Ze leiden op zichzelf niet tot het verwerven van enige deugd maar veeleer tot het tegenovergestelde, omdat ze de zintuigen onophoudelijk in de subtiele aroma’s van de zinnelijke wereld dompelen. Ze zijn als zoetwaren die, als ze in grote hoeveelheden worden geconsumeerd, in het lichaam in zuren worden omgezet. Ze blijken dus het tegenovergestelde van goed karma te zijn.

Wat is dan goed karma en wat slecht? Het alomvattende en afdoende antwoord is dit:

Goed karma is die soort die het ego verlangt en nodig heeft; slecht, die welke het ego noch verlangt noch nodig heeft.

En het ego, dat door natuurwetten, door rechtvaardigheid, door de eisen van de opwaartse evolutie wordt geleid en beheerst – en niet door grillen of egoïsme, door wraak of ambitie – zal daarbij ongetwijfeld die aardse woning kiezen die van alle mogelijkheden de grootste kans biedt een karma te verschaffen dat uiteindelijk gunstig zal blijken te zijn. In dit licht is dus zowel het luie, onverschillige leven van de rijk geborene als dat van hem die in eenvoudige en ongunstige omstandigheden is geboren, juist.

Wanneer we de zaak vanuit dit gezichtspunt beschouwen, zien we dat de ‘gunstige omstandigheden’ die men zou zoeken wanneer men de versterking van het karakter, het vrijmaken van de kracht en energie van de ziel op het oog had, door de egoïstische en persoonlijke wereld ‘ongunstig’ zouden worden genoemd. Strijd is nodig om kracht te verwerven; het zwoegen in perioden van tegenwerking is nodig om diepgang te verkrijgen; magere kansen kunnen worden gebruikt om standvastigheid te verwerven; armoede zou tot vrijgevigheid moeten leiden.

We spreken hier natuurlijk over de middenweg, en niet over uitersten. Om geboren te worden in de ongunstige omstandigheid van dronken, ziekelijke ouders, in het misdadige deel van de maatschappij is een straf, die vertraging betekent op de evolutieweg. Dit is in het algemeen noodzakelijk, omdat het ego in een vroeger leven neigingen om zich heen heeft verzameld die op geen andere manier kunnen worden weggewerkt. Maar we moeten niet vergeten dat een zuiver, krachtig ego soms – en in het grote geheel zelfs vaak – in zulke afschuwelijke omstandigheden incarneert, zonder zijn goedheid en zuiverheid te verliezen, en daar blijft om anderen te helpen en te verheffen.

Maar het is niet ongunstig om in grote armoede te worden geboren. Jezus sprak ware woorden toen hij herhaalde wat veel wijzen vóór hem hadden gezegd, en de moeilijkheid beschreef die de rijke ondervindt om de hemel binnen te gaan. Als we het leven beschouwen vanuit het bekrompen gezichtspunt van hen die zeggen dat er slechts één aarde is en daarna hetzij eeuwige hemel of hel, dan zal armoede als iets heel ongunstigs worden beschouwd en als iets dat moet worden vermeden. Maar als we inzien dat we veel levens vóór ons hebben, en dat ze ons alle nodige gelegenheid tot karaktervorming zullen bieden, dan moeten we erkennen dat armoede op zichzelf niet noodzakelijkerwijs slecht karma is. Armoede heeft geen natuurlijke neiging om egoïsme te kweken, maar voor rijkdom is egoïsme nodig.

Een verblijf voor ieder van ons in een lichaam dat voorbestemd is om alle ongemakken, ontberingen en ellende van hedendaagse armoede te ervaren, is goed en rechtvaardig. Omdat de huidige toestand van de beschaving met al haar verschrikkingen van armoede, misdaad, ziekte en bijna overal verkeerde verhoudingen, in het verleden is ontstaan, toen we zelf daaraan hebben meegewerkt, is het niet meer dan rechtvaardig dat we dit op een bepaald punt van onze levensweg zelf ervaren. Indien iemand die nu geen aandacht aan de menselijke ellende schenkt in een volgend leven in een van de sloppenwijken van onze steden zou worden wedergeboren, zou de ellende van zo’n situatie worden ingeprent in de ziel. Dit zou later tot mededogen en zorg voor anderen leiden. Want we kunnen de gevolgen van bepaalde leefomstandigheden alleen begrijpen en beseffen door ze te ervaren, en niet op basis van alleen maar een beschrijving ervan. Het hierbij betrokken persoonlijke deel van ons vindt dit misschien een minder prettig vooruitzicht, maar als het ego beslist dat de volgende persoonlijkheid dáár zal zijn, dan zal dit alles gunstig en niet ongunstig voor ons zijn.

Als we nagaan waar de zogenaamd gunstige omstandigheden van goede kansen, geld, reizen en goed onderwijs in ons hun werkterrein hebben, dan zien we onmiddellijk dat ze alle met ons hersenverstand te maken hebben en met niets anders. Talen, archeologie, muziek, de blik verzadigen met schoonheid, het eten van de heerlijkste gerechten, het dragen van de beste kleren, het reizen naar vele plaatsen en daardoor het oog en het oor een enorme verscheidenheid van indrukken geven; al deze dingen beginnen en eindigen in het hersenverstand en niet in de ziel of het karakter. Omdat de hersenen onderdeel zijn van het kortstondige, vergankelijke lichaam, verdwijnt de hele fantasmagorie uit het gezicht en verliest haar nut wanneer de roep van de dood zijn afschuwelijke trillingen door de fysieke vorm stuurt en de bewoner eruit verdrijft. De verbazingwekkende centrale zenuwknoop valt uiteen, en er blijft niets over dan hier en daar enkele zwakke aroma’s afhankelijk van de feitelijke innerlijke liefde voor de een of andere activiteit, voorstelling of gewaarwording. Van dit alles is niets overgebleven dan enkele neigingen: skandha’s, en niet de beste. De gunstige omstandigheden blijken dan uiteindelijk ongunstig te zijn. Maar stel dat hetzelfde lichaam en dezelfde hersenen in een moeilijke situatie zijn geplaatst, een groot deel van het leven moeten zwoegen, en hun plicht moeten doen en niet in de gelegenheid zijn om de zintuigen tevreden te stellen; zo’n ervaring zal het karakter meer energie, meer kracht en vastberadenheid geven, die erin worden gebrand, geprent en gegrift. Op die manier worden door de eeuwen heen grote karakters gevormd. De andere manier is die van de alledaagse middelmaat, die eigenlijk nog niet veel meer is dan die van een dier.

William Q. Judge

 


Theosofische inzichten, blz. 389-92

© 2012  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag