Theosofische inzichten
Artikelen van W.Q. Judge

isbn 9789491433016, gebonden, eerste druk 2012, bestel boek

© 2012  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     

 

Cyclische indrukken, cyclische terugkeer en onze evolutie1

1Judge gaf deze lezing op de 6de jaarlijkse conventie van Amerikaanse theosofen op 25 april 1892. Ze werd daarna met de andere conventietoespraken opgenomen in de appendix van het conventieverslag.

[Theosophy, januari 1897, blz. 305-9; februari 1897, blz. 327-31; maart 1897, blz. 359-63]

Het woord cyclus wordt afgeleid van het Griekse kuklos, een ring. De overeenkomstige term in het Sanskriet is kalpa, dat een ruimere en diepere betekenis heeft, want in de moderne talen wordt het woord cyclus gebruikt voor kleine, middelgrote en grote cyclussen, terwijl kalpa alleen een cyclus van grote omvang aanduidt en de daarin begrepen kleinere cyclussen door andere woorden worden aangegeven.

Wat is een cyclus? Het is een cirkel, een ring. Maar niet zoals een trouwring, die een gesloten cirkel vormt, maar meer als een schroefdraad, die de vorm van een spiraal aanneemt, en dus van onderen begint en om zichzelf heen draaiend omhooggaat. Zoiets als de hoefijzerbocht in de Pennsylvania Railroad. Daar begint men de bocht aan het laagste einde, volgt het hoefijzervormige traject en gaat omhoog, zodat aan de overzijde aangekomen men niet verder is gekomen dan bij het begin, maar alleen het hoogteverschil tussen de twee einden van de bocht heeft overwonnen.

Maar wat bedoelen we in de theosofie bij ons onderzoek van de natuur, of van de mens, of van de beschaving, of van onze eigen ontwikkeling, oorsprong en lotsbestemming, met een cyclus? Met een cyclus bedoelen we precies hetzelfde als de Egyptenaren, de hindoes en de filosofen uit de middeleeuwen ermee bedoelden: een nieuwe periodieke terugkeer van iets vanuit een bepaalde plaats. Daarom wordt het een cyclus genoemd, omdat iets schijnbaar tot zichzelf terugkeert; maar in theosofische leringen, en in leringen van de Ouden, gebeurt dat altijd iets hoger, in de zin van vervolmaking of vooruitgang. Cyclussen heersen dus, zoals de Egyptenaren dachten, overal; de dingen keren terug, gebeurtenissen herhalen zich, het verleden komt terug, en zo zeggen we in deze eeuw: ‘De geschiedenis herhaalt zich.’

Maar waar heerst volgens theosofen de cyclische wet? Cyclische wetmatigheid heerst overal. Ze heerst in alle natuurrijken – in het dierenrijk, het mineralenrijk en het mensenrijk; in de geschiedenis, in de lucht, en op aarde. Cyclussen bestaan niet alleen in en op de aarde met haar bewoners, maar ook in wat de hindoes de drie rijken van het heelal, de drie werelden noemen: die beneden ons, onze wereld, en die boven ons.

Als we Buckle, een groot schrijver uit de Engelse school, raadplegen dan blijkt hij in een van zijn standaardwerken, History of Civilization in England, een belangrijk en vaak geciteerd boek, te zeggen dat voor volkeren de cyclische wet ongetwijfeld geldt dat ze zijn teruggekeerd, ogenschijnlijk onveranderd, alleen een klein beetje vooruitgegaan of teruggevallen, want er ligt binnen de opgaande ook een neergaande cyclus besloten. Maar Buckle heeft deze wet niet ontdekt. Hij stelde slechts opnieuw vast wat de Ouden keer op keer hebben gezegd. En ik heb altijd gedacht dat als Buckle en anderen zoals hij wat meer aandacht aan de Ouden zouden besteden, ze zich heel wat moeite zouden besparen, want hij ontdekte zijn wet door veel onderzoek, veel zorgvuldig werk te doen, terwijl hij de wet snel zou hebben gevonden als hij de Ouden had geraadpleegd, die altijd hebben onderwezen dat er cyclussen zijn en altijd zullen zijn.

De Ouden kenden veel grote en belangrijke cyclussen. In hun classificatie hadden ze een saros en een naros, die we nu niet meer begrijpen. Tot op zekere hoogte zijn ze bekend, maar wat ze precies zijn weten we niet. De Egyptenaren onderwezen dat er een grote siderische cyclus bestaat, en die wordt nu eindelijk erkend. Het is de cyclus van 25.000 jaar, gevormd doordat de zon in die tijdsperiode door de tekens van de dierenriem gaat. Ik neem aan dat u iets van astronomie weet, maar voor de duidelijkheid is het beter dit nog eens uiteen te zetten. De zon gaat van dag tot dag door de tekens van de dierenriem, en ook van jaar tot jaar, maar tegelijkertijd gaat hij – terwijl hij de tekens van de dierenriem doorloopt – langzaam terug, zoals de wijzers van een klok die de tijd wegtikken. Bij het doorlopen van die periode keert hij tot hetzelfde punt terug; dit wordt de precessie van de equinoxen1 genoemd en bedraagt een bepaald aantal boogseconden per jaar. Als men dit doorrekent, dan blijkt dat de zon ruim 25.000 jaar nodig heeft om op de plaats terug te komen vanwaar hij op een bepaald moment vertrok. Als u zich voorstelt dat de zon zich op 1 april van dit jaar op een bepaald punt van het sterrenbeeld Aries (Ram) bevond, een van de tekens van de dierenriem, dan zal hij door de precessie van de equinoxen niet tot dat punt terugkeren, vóór er 25.000 jaar zijn verstreken.

1Noot vert.: G. de Purucker licht op blz. 746-9 van zijn Bron van het occultisme in een kort artikel aan de hand van 2 diagrammen toe wat deze precessie van de equinoxen inhoudt.

De zon is het centrum van ons zonnestelsel, en de aarde draait eromheen en draait tegelijkertijd om haar as. Zoals de astronomen nu weten en aan de Ouden (die we in feite zelf waren) bekend was, draait de zon om een centrum. Dit betekent dat terwijl we om de zon draaien, deze om een ander centrum draait, zodat we aan de hemel niet een cirkel om de zon beschrijven, maar een spiraal, omdat we met de zon mee bewegen in zijn baan. Begrijpt u precies wat deze gedachte inhoudt? Het is een belangrijke gedachte, omdat het onderwerp hierdoor veel duidelijker wordt. Er is een ster ergens aan de hemel, we weten niet waar – sommigen denken dat het Alcyone is, of een andere ster, anderen dat het misschien een ster in de Pleiaden is, en weer anderen menen dat het een ster ergens anders is – maar door logisch te redeneren van het bekende naar het onbekende weten ze dat de zon zelf wordt aangetrokken door een onbekend centrum, en dat hij daaromheen draait in een enorme cirkel, en terwijl hij draait neemt hij vanzelfsprekend de aarde met zich mee. In de loop van 25.000 jaar moet hij, terwijl hij de tekens van de dierenriem doorloopt, de aarde meevoeren naar ruimten waar deze nog nooit is geweest, want als hij na 25.000 jaar dit punt in Aries bereikt, is het slechts schijnbaar hetzelfde punt, net als toen ik door de hoefijzerbocht reed, en op hetzelfde punt aankwam, maar hoger was gekomen, en mij in een andere positie bevond. Zo zal ook de zon, als hij weer terugkeert in dat punt van Aries – waar hij zich op 1 april van dit jaar bevond – dus niet precies op dezelfde plaats in de ruimte zijn, maar hij zal zich ergens anders bevinden, en op zijn reis van 25.000 jaar over miljarden en miljarden kilometers trekt hij de aarde mee naar ruimten waar ze nooit eerder was en als die aarde nooit meer zal zijn. Hij moet haar meenemen naar kosmische ruimten waar de dingen anders zijn en waardoor veranderingen op de aarde zelf worden teweeggebracht, want veranderingen van kosmische materie in de atmosfeer, in de ruimte waarin de zon de aarde meeneemt, moeten van invloed zijn op de aarde en al haar bewoners. De Ouden onderzochten dit onderwerp en maakten deze cyclus langgeleden bekend, maar wij beginnen pas sinds kort te zeggen dat we dit hebben ontdekt. Als 19de-eeuwse astronomen weten we dat dit een feit is of, op basis van logisch redeneren, dat het een feit moet zijn, maar de Ouden kenden dit feit omdat ze het zelf hadden waargenomen en die waarnemingen hadden opgetekend.

De Egyptenaren hadden ook de maancyclus die wij kennen, maar ze hadden meer maancyclussen dan wij, want de maan heeft niet alleen haar cyclus van 28 dagen, waarin ze van vol nieuw wordt om dan weer toe te nemen, maar ze heeft ook een cyclus van iets meer dan 14 jaar,1 die zelf een invloed op de aarde moet hebben.

1Noot vert.: Misschien wordt de cyclus van Meton bedoeld. Dit is een 19-jarige periode of cyclus, waarin 235 lunaties plaatsvinden. Na deze cyclus staan zowel de zon als de maan weer vrijwel in dezelfde positie. Na 19 jaar vallen de maanfasen dus weer op dezelfde dagen van de maand.

Ze zeiden ook dat de menselijke ziel haar cyclus heeft, en deze duurt 5000 jaar. D.w.z., een mens stierf, of de koning stierf, en zijn lichaam werd gemummificeerd. Deden ze dat in de hoop dat hij, als de cyclus van 5000 jaar was voltooid en hij weer naar de aarde terugkeerde, daar zijn mummie zou vinden? Nee, ze deden dat opdat niemand anders hun gemummificeerde atomen kon opnemen en ze zou misbruiken. Het mummificeren wordt door ons op een andere manier verklaard. Op basis van hun kennis van de wet van de cyclussen maakten ze de eerste mummie. Ze geloofden dat een menselijke ziel terugkeerde, en ze geloofden ook, evenals wij, dat alle atomen leven, dat ze punten van bewustzijn zijn, dat ze intelligentie bezitten in overeenstemming met het gebied waarop ze zich bevinden, en dat de mens die de stoffelijke atomen die zich in zijn lichaam en hersenen bevinden, misbruikt, de gevolgen zal moeten dragen. Terwijl ze zichzelf dit voorhielden, zeiden ze daarom: ‘Als ik sterf en deze atomen, die ik zo goed heb gebruikt, achterlaat, zal misschien een ander ze zich toe-eigenen en ze slecht gebruiken, daarom zal ik ze zo goed mogelijk in stand houden tot ik terugkeer, om dan door een bewerking het samenstel van atomen te vernietigen, en ze in een of andere plek te laten opgaan, waar ze ten goede kunnen worden gebruikt.’ Dat vinden we nu misschien weerzinwekkend, maar ik herhaal slechts de theorie. Ik zeg niet of ik het geloof of niet.

De oude Egyptenaren die deze theorieën aanhingen, zijn verdwenen en hebben niets achtergelaten dan de piramiden, de tempels van Thebe, de sfinxen en alle grote monumenten die geleidelijk door ons worden ontdekt. Waar zijn ze heengegaan? Zijn ze teruggekomen? Worden ze vertegenwoordigd door de kopten die nu in Egypte leven? Ik denk het niet, hoewel men met erfelijkheid alles denkt te kunnen verklaren. Zijn de kopten hun nakomelingen? Ze weten niets, hebben slechts een eenvoudige taal, en leiden een slavenleven, en toch zijn ze de nakomelingen van de oude Egyptenaren! Wat is er van hen geworden? De oude Egyptenaren werkten volgens ons samen met de oude hindoes, van wie de cyclus nog voortduurt; dat wil zeggen van wie de nakomelingen er nog zijn, en die de kennis van hun voorvaderen gedeeltelijk hebben bewaard; we zien dat de hindoes altijd dezelfde theorieën over de cyclussen hebben aangehangen als de Egyptenaren. Ze deelden de wereldtijdperken in. Ze zeggen dat manifestatie begint en dan voortduurt gedurende een periode die een kalpa wordt genoemd, een enorm aantal jaren; en dat de kalpa in tijdperken is verdeeld. Een kleine cyclus bestaat uit een groot aantal jaren; de ene zal 4000 jaar duren, een andere 400.000, weer een andere 1.000.000, enz., en samen vormen ze een totaal waarvan we ons geen voorstelling kunnen maken, maar dat we kunnen opschrijven.

Het begrip ‘cyclussen’ kwam van de hindoes, via de volkeren die zich vanuit Hindoestan verspreidden, want men erkent dat dit land de bakermat van het vijfde wortelras is. Sommige Indo-Europese volkeren gingen behoren tot het christendom, en we zien dat de christenen, de Romeinen, de Grieken en alle volkeren van die tijd dezelfde theorieën hadden over cyclussen, namelijk dat de cyclische wet overal heerst. We zien dit bij de oude mystici, de christelijke mystici, de middeleeuwse mystici en de mystici uit meer recente tijden. Als u de werken leest van Higgins, die de Anacalypsis schreef, zult u daarin ingewikkelde verhandelingen en onderzoekingen aantreffen over het onderwerp cyclussen. Bestaan ze werkelijk? Is er zoiets als een cyclus die het lot van de mens beïnvloedt?

Als we ons persoonlijke leven nader beschouwen, dan zien we dat er cyclussen heersen en moeten bestaan, want de zon gaat ’s morgens op, beweegt zich naar het midden van de hemel, en gaat in het westen onder; en de volgende dag doet hij hetzelfde, en hem navolgend, staat u op, bereikt het hoogtepunt van uw activiteit en gaat dan slapen. Zo volgt de dag op de nacht en de nacht op de dag. Dat zijn cyclussen, kleine cyclussen, maar samen vormen ze de grotere. U werd geboren, en als u ongeveer 7 jaar bent, begint uw onderscheidingsvermogen zich tot op zekere hoogte te ontwikkelen. Nog wat later en u bent volwassen, dan begint het verval, en tenslotte beëindigt u de grote dag van uw leven als uw lichaam sterft.

In de natuur zien we zomer en winter, lente en herfst. Dit zijn cyclussen en alle beïnvloeden de aarde en de mensen die haar bewonen.

Volgens de esoterische leer, de innerlijke leer, die in alle oude literatuur en in elk religieus boek is te vinden, wordt onze evolutie geleid door de wet van de cyclussen, de hoogste wet; die cyclische wet werkt door middel van reïncarnatie en werkt overal. Want wat is reïncarnatie anders dan het opnieuw tot leven komen, precies wat de oude Egyptenaren onderwezen en waarvan we ontdekken dat het waarschijnlijk waar is; want op geen andere manier dan door deze cyclische wet van reïncarnatie kunnen we de problemen van het leven verklaren waarmee we te maken krijgen. Daarmee verklaren we ons eigen karakter, dat verschilt van dat van ieder ander en een kracht bezit die voor ieder mens uniek is.

Omdat dit de hoogste wet is, moeten we nog een andere bespreken die ermee verband houdt en in de door mij gekozen titel is opgenomen. Dat is de wet van terugkeer van indrukken. Ik bedoel hiermee dat gedachten en verrichte daden van een volk – zonder te spreken over de dingen die de natuur beïnvloeden, hoewel ze aan dezelfde wet onderworpen is – een indruk maken. Dat wil zeggen dat uw komst naar deze conventie in uw natuur een indruk achterlaat. Als u op straat loopt en daar getuige bent van een vechtpartij, dan maakt dat een indruk. Als u vorige week ruzie heeft gehad, en beschuldigingen heeft geuit tegen een man of een vrouw, en u heel boos heeft gemaakt, dan schept dat een indruk in u, en deze indruk is evengoed onderworpen aan de wet van de cyclussen als de maan en de sterren en de wereld, en is veel belangrijker voor uw ontwikkeling – uw persoonlijke ontwikkeling of evolutie – dan al deze andere grote dingen, want die treffen u als deel van het geheel, terwijl deze kleine cyclussen u in het bijzonder treffen.

De theosofische leer van de cyclussen en de evolutie van de mens moet ongeveer als volgt worden beschreven: Stel u voor dat vóór deze aarde de gasachtige toestand verliet, er ergens in de ruimte een aarde bestond, en laten we haar de maan noemen, want dat is precies de theorie. De maan was ooit een groot en levend lichaam vol wezens. Ze leidde haar leven, doorliep haar cyclussen en ten slotte, aan het einde van haar leven, en nadat enorme tijdperken waren voorbijgegaan, brak het moment aan dat ze moest sterven; dat wil zeggen, er kwam een moment dat de wezens op die aarde haar moesten verlaten, omdat haar tijd was verstreken, en toen begon de uittocht vanuit die aarde. U kunt zich dat voorstellen als de trek van een vlucht vogels. Heeft u dat ooit gezien? Ik heb vogels zien trekken op een manier die misschien maar enkelen van u hebben gezien. In Ierland, en misschien in Engeland, trekken de zwaluwen op een eigenaardige manier.

Toen ik nog een jongen was, ging ik vaak naar mijn oom. Achterin zijn tuin stonden resten van een oud stenen bouwwerk, en door een of andere merkwaardige samenloop van omstandigheden verzamelden de zwaluwen uit alle naburige provincies zich daar. Ze verzamelden zich op de volgende manier: Als daarvoor het moment was aangebroken, zag je ze uit alle windrichtingen aankomen; ze streken neer, kwetterden de hele dag op deze berg stenen en vlogen soms wat rond. Toen de avond viel, vlogen ze tegelijk op en vormden een grote cirkelvormige groep met een middellijn van meer dan 12 meter, en die kring van zwaluwen vloog wel twee uur lang steeds maar rond in de lucht, rondom deze toren, en hun luide gekwetter trok van andere plaatsen zwaluwen aan die waarschijnlijk het moment om te trekken waren vergeten.

Ze hielden dit verschillende dagen vol, tot op een dag het moment aanbrak dat ze moesten vertrekken en dan gingen ze – enkele werden achtergelaten, sommige gingen wat eerder, andere kwamen te laat. Andere vogels trekken weer op een andere manier. En zo trokken ook deze menselijke vogels van de maan naar deze plaats waar de aarde begon (ik weet niet waar dat is – een plek in de ruimte) en vestigden zich daar als levende wezens, entiteiten, niet met lichamen, maar wezens, in die massa van stof, op dat punt in de ruimte, bezielden het met leven en maakten ten slotte dat deze aarde een bol werd met wezens erop. Toen begonnen de cyclussen te werken, want de indrukken die op deze voorouders waren gemaakt toen ze in de oude beschaving van de maan leefden – het gaat ons verstand te boven om te weten hoe oud – keerden terug toen ze op deze aarde aankwamen, en zo zien we de rassen op aarde opkomen en ten onder gaan, telkens weer opkomen en ten onder gaan, en ten slotte bereiken wat we nu zijn, wat niets is in vergelijking met wat ze zullen worden, want ze klimmen steeds hoger en hoger.

Dit is in grote lijnen de theorie, en daarin besloten ligt de theorie van de zeven grote wortelrassen die achtereenvolgens de aarde bewoonden, de zeven grote Adams die de aarde bevolkten; en als deze aarde ten slotte aan het einde van haar levensperiode is gekomen, dan zullen alle wezens van deze aarde wegvliegen naar een andere plaats in de ruimte om nieuwe werelden te ontwikkelen als oudere broeders die vroeger in andere ruimten in de natuur hetzelfde hebben gedaan. We doen dit niet blindelings. Het is eerder door anderen gedaan – niemand weet wanneer het begon. Er was nooit zoiets als een begin, het zal nooit een einde hebben, maar er zijn altijd oudere broeders van de mensheid, die voortleven.

Zoals sommigen hebben geschreven, kunnen we de cyclussen niet terugdraaien. Het vuur van het patriottisme kan zich tegen de hogere bestemming die een volk in de duisternis zal storten, niet staande houden. We kunnen slechts hier en daar iets wijzigen. De oudere broeders zijn aan de wet onderworpen, maar ze koesteren hoop en vertrouwen, omdat die wet betekent dat we alleen ten onder lijken te gaan om opnieuw en tot grotere hoogte op te stijgen. Zo zijn we volgens cyclische wetten vanuit de laagste natuurrijken omhooggeklommen. Dat betekent dat we verbonden zijn in een enorme broederschap, die niet alleen de blanke mensen van de aarde omvat, en de zwarte mensen, en de gele mensen, maar ook het dierenrijk, het plantenrijk, het mineralenrijk en de onzichtbare elementalenrijken.

U moet niet zo egocentrisch zijn om te veronderstellen dat ze alleen mannen en vrouwen omvat. Ze omvat alles, elk atoom in dit zonnestelsel. En we klimmen op uit lagere vormen en leren om de stof waarvoor we verantwoordelijk zijn – in ons lichaam, onze hersenen en onze psychische natuur – zo te vormen en te modelleren, te gebruiken en te misbruiken, of van indrukken te voorzien dat die stof een verbeterde versie zal zijn om te worden gebruikt door de jongere broeders die lager staan dan wij, misschien in de steen onder onze voeten. Ik bedoel daarmee niet dat er in die steen een mens woont. Ik bedoel dat geen enkel atoom in de steen dode stof is. Er is nergens dode stof, maar elk atoom in die steen bevat leven, zonder intelligentie, zonder vorm, maar potentieel, en op een moment ver in de toekomst – dat we ons niet kunnen voorstellen – zullen alle atomen in die steen bevrijd zijn. De stof zelf zal verfijnd zijn, en ten slotte zal in deze grote cyclus van vooruitgang alles de sporten van de ladder hebben bestegen, zodat anderen die lager staan en in een voor ons onbegrijpelijke toestand verkeren, de kans krijgen naar hen op te klimmen.

Dit is de feitelijke theorie. Is het bijgeloof? Als u de kranten gelooft, is het bijgeloof, want ze verwringen en verdraaien alles wat u zegt. Uw vijanden zullen zeggen dat u zei dat er een mens in de steen was, en dat u een steen bent geweest. U bent geen steen geweest, maar de edele monade, de pelgrim die uit andere werelden afkomstig is, heeft in elke steen, in elk natuurrijk, geleefd, en heeft nu het stadium van de mens bereikt, om te laten zien of hij in staat is mens te blijven, of dat hij weer zal terugvallen, zoals een jongen op school die niet wil leren een klas teruggaat.

Deze wet van indrukken kan op de volgende manier worden geïllustreerd: als u naar een elektrisch licht kijkt – laat alle andere weg, en laat er om een betere indruk te krijgen één over – maakt dat een indruk op het netvlies, en als u de ogen sluit, zult u in het oog deze lichtboog zien die tussen de koolspitsen in een booglamp is ontstaan. U kunt het proberen en het zelf vaststellen. Als u uw ogen dichthoudt en goed oplet, ziet u het beeld een aantal keren terugkomen, het blijft enkele tellen, verdwijnt even lang en komt dan weer terug, terwijl het steeds enigszins verandert, maar het blijft altijd het beeld van de lichtboog, totdat ten slotte het moment aanbreekt dat het schijnt te zijn verdwenen omdat andere indrukken het hebben uitgewist of overschreven.

Dit betekent dat de indruk van deze lichtboog zelfs op het netvlies terugkeert. Na de eerste keer verandert de kleur elke keer, en zo komt die indruk met regelmatige tussenpozen terug, en toont daarmee aan dat de indruk op het netvlies cyclisch terugkeert; en als dat voor één ding geldt, dan geldt dat voor alle dingen. Wanneer we ons morele karakter beschouwen, zien we hetzelfde, want zoals er in de oceaan getijden zijn, die door de maan zouden worden verklaard – die ze volgens mij niet verklaart – zo zijn er ook in de mens getijden die de terugkeer van deze indrukken worden genoemd; dat wil zeggen, u doet iets éénmaal en heeft de neiging het te herhalen; men doet het tweemaal en de invloed ervan verdubbelt, en er is een grotere neiging hetzelfde nog eens te doen. En zo komt deze voortdurende terugkeer van cyclische indrukken in ons hele karakter tot uiting.

We ontvangen deze indrukken vanuit elk punt in de ruimte, van elke ervaring die we hebben gehad, van alles wat we ooit mogelijkerwijs doormaken, zelfs van die dingen die onze voorvaderen meemaakten. En dit is niet onrechtvaardig en wel omdat onze voorvaderen de lijn van belichaming verschaften, en we kunnen op die lijn niet binnenkomen tenzij we er verwantschap mee hebben, en daarom moeten we op een bepaald punt in die cyclus in het verleden in diezelfde lijn of familie zijn geweest; ik moet dus in het verleden een aandeel hebben gehad in het opbouwen van juist deze familielijn waarin ik nu besta, en ik neem opnieuw de cyclische indruk op die tot mij is teruggekeerd.

Dit is van het grootste belang voor onze evolutie als individuen, en het is de enige manier waarop ik het vraagstuk van de evolutie hier wil bespreken – niet het grote vraagstuk van de evolutie van het heelal, maar onze eigen evolutie, dat wil zeggen, van ons fysieke leven, zoals Mw. Blavatsky, die herhaalde wat de Ouden zeiden, ons zo vaak heeft gezegd, en zoals het door zovelen uit dezelfde school is gezegd. Er doet zich voor u een gelegenheid voor om iets te doen. U doet het niet; misschien keert ze in geen honderd jaar terug. Het is de terugkeer tot u van iets ouds dat goed was – wanneer het iets goeds betreft – volgens een cyclisch proces. U negeert het misschien, en eenzelfde kans zal zich weer voordoen, maar misschien pas over 100 jaar of in een ander leven, maar ze zal terugkomen volgens diezelfde wet.

Neem nu een ander geval. Ik heb een vriend die probeert alles te weten te komen over de psychische natuur, maar ik heb ontdekt dat hij geen enkele aandacht schenkt aan het feit dat de indrukken die hij schept onvermijdelijk tot hemzelf terugkeren. Ik ontdekte dat hij perioden van depressiviteit kende (en dit komt bij iedereen voor) en een moedeloosheid die hij niet kon verklaren. Ik zei tegen hem, je had dezelfde moedeloosheid misschien zeven weken geleden, misschien acht weken, misschien vijf weken geleden. Hij keek zijn dagboek na en raadpleegde zijn geheugen, en ontdekte dat er inderdaad herhalingen van moedeloosheid plaatsvonden met ongeveer dezelfde tussenpozen. Wel, zei ik, dat verklaart voor mij hoe ze terugkomt. Hij zei: ‘Maar wat moet ik doen?’ Doe wat de Ouden ons leerden, namelijk dat we alleen goede resultaten kunnen krijgen door indrukken teweeg te brengen die het tegenovergestelde zijn van de slechte.

Neem dus dit geval van moedeloosheid. Omdat het de terugkeer van een oude indruk betreft, had hij zichzelf moeten dwingen zich blij te voelen, zelfs tegen zijn wil, en als hij dat niet zou kunnen, dan proberen de vreugde van anderen te voelen. Door dit te doen, zou hij in zichzelf een andere indruk hebben ingeprent, één van vreugde, zodat deze indruk, wanneer ze zou terugkomen, in plaats van dezelfde kwaliteit en dezelfde omvang te hebben, door de indruk van vreugde of opgetogenheid zou zijn veranderd. Als die twee indrukken samenkomen, zouden ze elkaar neutraliseren, zoals twee biljartballen die elkaar treffen de neiging hebben elkaars bewegingen teniet te doen. Dit is van toepassing op iedereen die zwaarmoedig is. Het is niet op mij van toepassing, en ik denk dat dat komt omdat ik in een ander leven last van zwaarmoedigheid heb gehad. Ik heb last van andere dingen, maar nooit van zwaarmoedigheid.

Ik heb vrienden en kennissen die aan deze aanvallen van moedeloosheid lijden. Het is de terugkeer van oude cyclische indrukken, of de cyclische terugkeer van indrukken. Wat kunt u daartegen doen. Sommigen zeggen: Ik ga zitten en doe er niets aan, dat wil zeggen, u zit daar, en schept ze opnieuw. U kunt ze niet uitwissen als ze zijn opgekomen, maar als ze opkomen, begin dan aan iets anders, begin aan iets vrolijks, wees vriendelijk tegen iemand, probeer iemand die moedeloos is op te vrolijken, dan begint u daardoor een andere indruk te scheppen, die na eenzelfde periode zal terugkeren. Het maakt geen verschil of u daarmee een paar dagen wacht. De volgende dag, of een paar dagen later, is ook goed, want als de oude cyclische indruk terugkeert, zal hij de nieuwe meebrengen, omdat hij door associatie ermee verbonden is.

Dit heeft ook betrekking op de beschaving waarvan we deel uitmaken.

Wie zijn we? Waar gaan we naartoe? Waar zijn we vandaan gekomen? Ik zei u dat de oude Egyptenaren zijn verdwenen. Als u de geschiedenis van Egypte bestudeert, de interessantste, omdat ze de raadselachtigste is, zult u ontdekken dat de beschaving daar opeens haar hoogtepunt bereikt. We weten niet wanneer ze begon. Deze beschaving was zo groot dat ze een enorme tijd moet hebben bestaan om die hoogte te bereiken, zodat we haar oorsprong niet kunnen ontdekken, en ze verdwijnt plotseling van het toneel; van haar rest niets dan de geweldige overblijfselen die van die grote dingen getuigen, want de oude Egyptenaren maakten niet alleen mummies, waarbij ze een vaardigheid in het zwachtelen vertoonden die we niet kunnen overtreffen, maar ze hadden zich in alles zo gespecialiseerd dat we moeten concluderen dat hun beschaving vele eeuwen had bestaan. Er was een specialist voor het rechteroog en één voor het linker; een specialist voor de wenkbrauwen, enz. Naar mijn bescheiden mening zijn wij de Egyptenaren.

We zijn teruggekeerd, na onze cyclus van 5000 of hoeveel jaar dan ook, en we hebben met ons meegebracht wat sommigen het Semitische volk noemen, waarmee we zijn verbonden door een of andere oude indruk die we niet kwijt kunnen raken; en dat Semitische beeld is dus op ons afgedrukt. We hebben door de onontkoombare wet van associatie door cyclische terugkeer een volk en enkele individuen meegebracht die banden met ons hebben door sommige van onze daden tijdens die grote oude beschaving die nu is verdwenen, en we kunnen er niet van loskomen, we moeten hen tot een ander niveau verheffen, terwijl we onszelf verheffen.

Ik geloof dat in Amerika bewijzen zijn te vinden van de terugkeer van die oude beschaving, want volgens de theosofische theorie gaat niets verloren. Als we het moesten hebben van verslagen, van gebouwen en dergelijke, dan zouden die snel verdwijnen en zou er nooit iets kunnen worden herwonnen; er zou nooit enige vooruitgang zijn. Maar ieder individu in de beschaving, waar hij zich ook bevindt, maakt de aantekeningen in zichzelf, en wanneer hij daarvoor in de gunstige omstandigheden komt – zoals beschreven door Pata∫jali – zal hij de oude indruk naar buiten brengen. De Ouden zeggen dat aan elke daad een gedachte ten grondslag ligt, en elke gedachte een verstandelijke indruk schept; en wanneer het fysieke gestel gereed is, zal zich een nieuwe omstandigheid wat betreft rang, plaats en talent aandienen.

Zo bewaren we in onszelf de indruk van alles wat we hebben gedaan, en wanneer het moment aanbreekt dat we cyclisch zijn teruggekeerd – na dat vele keren te hebben gedaan, misschien in de middeleeuwen, in Engeland, Duitsland of Frankrijk – komen we ten slotte in een omgeving zoals ons hier wordt gegeven, die ons en anderen die na ons komen fysiek en in andere opzichten in staat stelt goed te doen. Ik kan ze bijna voor me zien; ze komen als een klein leger uit de landen van de oude wereld om te proberen deze hier te verbeteren, want ook hier bestond eeuwen geleden een beschaving, waarvan we misschien deel uitmaakten, mogelijk nog vóór die van de oude Egyptenaren. Ze verdween van hier, wanneer weten we niet, en liet dit land vele duizenden jaren lang woest achter, tot het door de Europeanen opnieuw werd ontdekt. De oude wereld, ik bedoel Europa, is vergiftigd, de grond is doordrenkt met de emanaties, vergiftigd door de emanaties van de volkeren die er hebben geleefd; de lucht erboven is daarom vergiftigd door de emanaties vanuit de grond; maar hier in Amerika, een goede plaats voor het nieuwe ras, ligt bebouwbaar land, dat genoeg tijd heeft gehad om het vergif dat hier eeuwen en eeuwen geleden werd gezaaid te vernietigen. Het geeft ons een nieuw land, met trillingen in de lucht die elk atoom in de mens die haar inademt energie geven, en zo zien we de mensen die uit de oude wereld overkomen als het ware via hun voeten de indrukken van een Amerikaans land in zich opnemen. Dit alles heeft een invloed op onze beschaving en ons volk.

We zijn hier een nieuw volk in een nieuwe cyclus, en mensen die het weten zeggen dat er binnen enkele jaren een cyclus eindigt en een nieuwe begint, en dat dat begin en dat einde gepaard zullen gaan met schokken in zowel de maatschappij als de natuur. Iedereen kan dit bijna zien aankomen. De gebeurtenissen hangen vrijwel volledig in de lucht. U weet dat Daniël (12:7) zei: ‘Eén tijd, een dubbele en een halve tijd’, enz., en de aanhangers van het christelijke stelsel hebben geprobeerd het punt vast te stellen waarop de tijd begon, en dat is nu juist het probleem. De enige die in al die jaren een directe uitspraak deed, was Mw. Blavatsky, en ze zei: ‘Binnen enkele jaren eindigt een cyclus, bereid u voor.’ Het was als met de oude profeten die naar het volk kwamen en zeiden: ‘Bereid u voor op een nieuw tijdperk, maak u gereed voor wat u te doen staat.’ Dat is precies waarmee deze beschaving bezig is. Het is de hoogste, hoewel ook de meest grove, beschaving hier op aarde. Het is het begin van de grote beschaving die komen moet, wanneer het oude Europa zal zijn verwoest, wanneer de Europese beschavingen niets meer tot stand kunnen brengen, dan zal hier de plaats zijn waar de nieuwe grote beschaving opnieuw de hand zal uitstrekken om die van het oude Oosten te grijpen, dat daar al die jaren stilzwijgend en werkloos heeft gezeten, terwijl het in zijn aloude crypten, bibliotheken en verslagen de filosofie die de wereld nodig heeft, heeft bewaard; en juist deze filosofie en deze ethiek probeert de Theosophical Society u te geven. Het is een filosofie die u kunt begrijpen en in praktijk kunt brengen.

Het is gemakkelijk genoeg tegen iemand te zeggen: ‘Doe wat goed is’, maar in dit tijdperk van bijgeloof zal hij na een poosje zeggen: ‘Waarom zou ik doen wat goed is als ik er geen zin in heb?’ Als u op deze wetten wijst, dat hij in zijn cyclus moet terugkomen, dat hij onderworpen is aan evolutie, dat hij een gereïncarneerde pelgrim-ziel is, dan zal hij de reden daarvoor inzien, dan zal hij om zich van een vaste grondslag te verzekeren deze filosofie aanvaarden; en dat is wat de Theosophical Society en de theosofische beweging proberen te doen. Een paar dagen geleden zei iemand die over een soortgelijk onderwerp sprak, dat het belangrijkste doel en streven de grote verzaking is. Na tot grote hoogten te zijn opgeklommen – wat u alleen kunt doen door onzelfzuchtigheid – kunt u ten slotte tegen uzelf zeggen: ‘Ik kan de rust nemen waar ik recht op heb.’ Want wat op één plaats geldt, moet ook op andere plaatsen gelden. Maar als u tegen uzelf zegt: ‘Ik zal mijn rust niet nemen, omdat ik weet dat deze wereld en alle mensen erop nog vele duizenden jaren moeten leven en volhouden en, als ze niet worden geholpen, misschien zullen tekortschieten; ik zal mijn rust niet nemen, maar hier blijven en ik zal lijden omdat ik meer kennis en grotere gevoeligheid bezit’ – dat is de grote verzaking waarover de theosofie spreekt.

Ik weet dat we niet vaak op deze manier spreken, omdat velen van ons denken dat mensen, als we over de grote verzaking spreken, onmiddellijk zullen zeggen: ‘Dat wil ik niet; het is te veel gevraagd.’ Daarom spreken we in het algemeen over de prachtige vooruitgang, en hoe u ten slotte aan de noodzaak van reïncarnatie zult ontsnappen, en aan de noodzaak dit of dat te doen, maar als u uw plicht doet, moet u, wanneer u die hoogte bereikt, wanneer u alles zult weten, wanneer u deelneemt aan het besturen van de wereld – niet van een stad, maar het feitelijke besturen van de wereld en de mensen daarop – het besluit nemen om, in plaats van uw tijd in slaap door te brengen, hier te blijven en de achtergeblevenen te helpen, en dit is de grote verzaking. Dit wordt over Boeddha en over Jezus gezegd. Het hele verhaal over Jezus, dat volgens mij niet historisch kan worden bewezen, is ongetwijfeld gebaseerd op hetzelfde feit dat we verzaking noemen. Hij werd gekruisigd na twee of drie jaar te hebben gewerkt. Dit betekent dat dit goddelijke wezen besloot zich in de ogen van de wereld, in de ogen van anderen, te kruisigen om mensen te kunnen verlossen. Boeddha deed hetzelfde lang vóór de tijd waarop Jezus zou zijn geboren. Het verhaal dat hij de grote verzaking volbracht, betekent precies wat ik u heb verteld – dat hij hier bleef in plaats van dit afschuwelijke gebied, zoals het ons toeschijnt, te verlaten. Want het is inderdaad afschuwelijk: we worden aan alle kanten belemmerd, we kunnen elk moment worden verslagen en als we een grote hervorming voorbereiden, kunnen we op een dag wakker worden en ontdekken dat al onze plannen de bodem zijn ingeslagen. In plaats van aan dit alles te ontkomen, bleef Jezus achter in de wereld en begon zijn leer te verkondigen, waarvan hij wist dat ze ten minste door enkelen zou worden gevolgd. Maar deze edele leer van verzaking zegt dat u in plaats van voor uzelf te werken, moet werken om alles te leren kennen, om alles te doen wat in uw vermogen ligt voor hen die misschien achterblijven, zoals Mw. Blavatsky in De stem van de stilte (blz. 30) zegt: ‘Treed uit het zonlicht in de schaduw om meer plaats te maken voor anderen.’

Is dat niet beter dan een hemel die wordt bereikt terwijl familieleden van u die weigeren in een dogma te geloven, worden verdoemd? Is dit niet een edele filosofie en een edele religie, die de verlossing en regeneratie, de verheffing en vervolmaking van de hele menselijke familie, en van elk deeltje in het hele universum omvat, in plaats van de gedachte dat enkele armzalige wezens na een leven van 70 jaar het paradijs betreden, en dan omkijken en de martelingen in de hel zien van hen die het dogma niet wilden aanvaarden?

Wat stellen die andere religies voor, als ze hiermee worden vergeleken? Ik kan niet begrijpen hoe iemand kan blijven geloven in het gangbare denkbeeld van verdoemenis alleen op grond van ongeloof. Als ik zou moeten kiezen, was ik liever een afgodendienaar van de ergste soort, die in Indra geloofde, met behoud van mijn gezonde verstand, dan te geloven in een leer als deze, die me laat denken dat mijn broeder die niet in een dogma gelooft in de hel wordt gebraden, terwijl ik, alleen door te geloven, in de hemel vreugde ervaar.

Theosofen die zich de leer eigen maken en haar proberen toe te lichten, zullen de wereld hervormen. Ze zal overal doordringen, in elke laag van de samenleving infiltreren en het maken van wetten overbodig maken. Ze zal de mensen veranderen, terwijl als men doorgaat met het maken van wetten, en de mensen laat zoals ze zijn, hetzelfde zal gebeuren als in Frankrijk. In de tijd van de revolutie onderdrukten de kapitalisten – de adel – het volk. Ten slotte kwam het volk in opstand, en de filosofen van die tijd stelden de macht van de rede in, en uit de macht van de rede – bedenk dat men toen een prachtige gedachte over de mensheid naar voren had gebracht, maar die gedachte schoot wortel in een bodem die niet gereed was – kwam een praktijk voort waarbij men andere mensen op grote schaal vermoordde, tot in heel Frankrijk stromen van bloed vloeiden. Daaruit ziet u wat het gevolg is als er niets wordt gedaan om de mensen te verheffen. We hebben in Chicago de gevolgen van zulke handelingen gezien, het loeien van zo’n storm, als de theosofische filosofie – of geef er, als u dat wilt, een andere naam aan – niet wordt verkondigd en begrepen. Wanneer deze oude leringen niet worden onderwezen, zal er revolutie komen, en in plaats van op een normale manier gestaag vooruitgang te boeken, zult u tot betere dingen komen door storm, ongeregeldheden en ellende. U zult natuurlijk verder komen, want zelfs uit revoluties en bloed ontstaat vooruitgang, maar is het niet beter vooruit te gaan zonder dat? En daarvoor is de theosofische filosofie bedoeld. Dat is de reden waarom de mahåtma’s Mw. Blavatsky als hun dienares uitzonden, zoals ze er ook eerder velen hebben uitgezonden, en handelden in een tijd waarin het materialisme de godsdienst bestreed en op het punt stond de overhand te krijgen; en opnieuw ging alles in zijn cyclische gang vooruit, en deze oude leringen werden onder leiding van de theosofische beweging nieuw leven ingeblazen. Het zijn leringen die alle problemen verklaren en in het universele plan de mens een plaats geven als een potentiële god.

William Q. Judge

 


Theosofische inzichten, blz. 413-27

© 2012  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag