Inhoudsopgave   

 


Bijeenkomst in Stockholm

Tegnergatan 29
13 mei 1951 – 14.00 uur

Peter Flach, algemeen voorzitter
Conrad Ahlberg, dagvoorzitter
Harald Källstrom, vertaler


 

Vertegenwoordigers van Gävle, Eskilstuna, Kalix en naburige loges, en uit Helsingfors, Finland, waren ook aanwezig.

Peter Flach [na een inleiding in het Zweeds]: Ik denk dat de afdeling en de aanwezige leden het gevoel hebben dat u hier bent op een belangrijk moment aan het begin van de nieuwe cyclus. Ik heb de leden verteld dat als er tijd voor is er gelegenheid zal zijn om vragen te stellen en hun hart te laten spreken.

JAL: Meneer de voorzitter, meneer Ahlberg, en vrienden: Ik zie het persoonlijk als een groot voorrecht om u hier in Stockholm te ontmoeten en met u over theosofie en het werk van de Theosophical Society te spreken. Er is geen hogere plicht, geen groter voorrecht in de wereld van nu, dan theosoof te zijn, de theosofie te beleven en voor de theosofie te werken. We hebben geen flauw idee wat het werkelijk betekent om op dit punt in de geschiedenis van de beschaving actief theosoof te zijn.

Zodra ik in Stockholm aankwam vroeg ik dhr. Flach onmiddellijk brieven rond te zenden zodat ik bij het lezen van de antwoorden kon proberen aan te voelen wat er in Zweden leeft, en daardoor Zweden dat te geven wat de leden wensten en wat ze nodig hadden. Niet opdat ik dat zou kunnen geven, maar dat ik van mijzelf een zo geschikt mogelijk kanaal zou kunnen maken waardoorheen zou kunnen vloeien wat Zweden nodig heeft. Van één lid – ik geloof zelfs dat het geen logelid is, een min of meer geïsoleerd en op zichzelf staand lid, waardoor hij de gelegenheid had om zelfstandig over de feiten en misvattingen van werkelijk theosofische inspanningen na te denken – ontvingen we een brief die op een prachtige manier de plaats van de theosofie en de verantwoordelijkheid van ons allemaal als theosofen in deze tijd in de wereld weergeeft. Ik zal u deze brief voorlezen die gericht was aan dhr. Flach:

Ik heb de conflicten bestudeerd die nu binnen onze geliefde TS plaatsvinden en ik begrijp de grote verantwoordelijkheid die de leader vrijwillig op zich heeft genomen. Ik heb grote sympathie en eerbied voor hem.

Persoonlijk denk ik dat de donderwolk die nu in de atmosfeer van de TS losbreekt, niet iets verkeerds is en ik geloof evenmin dat ze slechts het karmische gevolg is van conflicten die binnen de TS hebben plaatsgevonden, maar ik denk dat er een parallel of analogie is met wat er overal om ons heen in de wereld gebeurt, terwijl de aarde en alles daarop geboorteweeën ondergaat. Het onweer is een zuiveringsproces waarbij zij die een sterke geloofsovertuiging bezitten en werkelijk voor het goede willen werken, de mannen en vrouwen van morgen zullen zijn. Wat die geboorteweeën werkelijk inhouden, kunnen wij in de Theosophical Society ons misschien voorstellen. In ieder geval is er geen reden tot pessimisme.

De verzamelde wijsheid der ervaring vindt u in de spreekwoorden, bijvoorbeeld, ‘Het moet een slechte wind zijn die niets dan kwaad brengt’; ‘Vóór de ochtendschemering is het altijd het donkerst’; en ‘De moeilijkste stappen liggen juist vóór de drempel’, en andere – ze bevatten alle veel hoop en waarheid.

Ik neem aan dat de leader, James A. Long, van plan is enkele toespraken te houden tijdens zijn verblijf hier. Ik zou daarvan heel graag een gedrukt verslag willen ontvangen.

Alles wat op de op mijn verzoek gehouden algemene bijeenkomsten wordt gezegd, zal zo volledig mogelijk worden gedrukt en aan ieder lid worden toegezonden.

Ik vergat één ding toen ik begon, namelijk om mijn waardering uit te spreken voor Loge No. 1 en haar huidige voorzitter voor het ter beschikking stellen van deze zaal voor deze bijeenkomst. We stellen dit zeer op prijs.

Wat in de zojuist gelezen brief werd gezegd, geeft de essentie weer van de situatie die we nu onder ogen zien. Ik zou graag in staat zijn in de korte tijd die we hier vanmiddag hebben, u allemaal het werkelijke belang van de theosofie in de wereld te doen voelen en begrijpen.

Ons werk in de Theosophical Society is een onpersoonlijk werk; uiterlijk gezien is het ondankbaar werk. En naarmate we dank en erkenning verwachten en een schouderklopje voor wat we voor de theosofie doen, in die mate zullen we teleurgesteld worden in de resultaten van onze inspanningen. Er zijn geen woorden die meer waarheidsgetrouw en meer van toepassing zijn op het echte werk voor de theosofie dan die van meester M aan Judge: ‘Dappere soldaten hebben bevelen noch voortdurende aanmoediging nodig.’

Ik denk dat in het afgelopen jaar, of bijna twee jaar, heel wat grapjes zijn ontstaan als gevolg van mijn gewoonte om te spreken over ‘het dagelijkse karmische draaiboek’. Het is niets nieuws; het is niet iets dat ik heb uitgevonden. Het is echter iets waarop ik de nadruk heb gelegd omdat het van grote praktische waarde is. Het is de natuurlijke manier waarop het leven zijn gang gaat en de natuurlijke manier waarop een theosoof, wanneer hij eenmaal besluit zelfbewust zijn eigen evolutie te leiden en zijn karakter te verbeteren, leiding ontvangt en van dag tot dag met zijn karma werkt, wat hem de kracht, het begrip en de moed geeft aan het werk te gaan zonder ‘bevelen’ en zonder ‘voortdurende aanmoediging’ van de meesters of van wie dan ook. Want als hij dat dagelijkse draaiboek goed leest, krijgt hij terwijl hij daarmee bezig is zijn bevelen en zijn voortdurende aanmoediging van zichzelf, van zijn hogere zelf.

Er zijn hier en daar enkele leden geweest die een zekere ongerustheid toonden, omdat een kleine minderheid van de leden in de Society, in de verschillende nationale afdelingen, niet instemt met de manier van denken, en de geest en het gevoel, die nu in de TS leven. Ik verzeker u dat er absoluut geen reden tot ongerustheid is. En omdat het onder mijn aandacht is gekomen dat iemand bij een poging om het oordeel van anderen te beïnvloeden, het heeft doen voorkomen dat er veel mensen zijn die dit bestuur niet ondersteunen – laten we mij als persoon vergeten, ik spreek over deze nieuwe werkcyclus – kan ik u zeggen dat dit een schaamteloze leugen is. Ik zeg dit niet uit boosheid maar met de grootste stelligheid: het is een schaamteloze leugen, omdat we aan het hoofdkwartier, en in iedere nationale afdeling, honderden brieven, veel meer dan de meerderheid, en een overweldigende steun hebben ontvangen. Geloof die sprookjes dat er een grote aanhang zou zijn voor het tegendeel van de waarheid dus niet. Die is er niet. En u heeft helemaal niets te vrezen in Zweden of ergens anders. Om die reden heb ik in brieven, toespraken en gesprekken ieder individueel lid dringend verzocht zelf na te denken – en niet gevraagd of hij me steunt of niet. Dat kan me niet schelen. Ik verlang geen steun. Ik verlang dat het werk van de meesters, het oorspronkelijke programma, wordt uitgevoerd: de redding van de mensheid. En wie, in godsnaam, kan dit soort werk doen wanneer hij voortdurend mensen en personen bekritiseert? Dat is onmogelijk. Ik ben niet van plan het te doen; zoiets spreekt me niet aan. Maar ik zal werken en mijn leven geven voor de zaak van de meesters, en wie dat ook wil doen, is zeker welkom. Ik zal hen met open armen verwelkomen en ik zal voor hen leven en sterven. Daar sta ik voor in en ik wil dat de hele wereld het weet.

Een zeker lid heeft me eens beschuldigd een vechter te zijn. Ik ben dankbaar voor het karma dat me heeft gemaakt tot de vechter die ik ben. Ik denk niet aan fysiek geweld. Maar het is mijn oprechte wens dat ik in onze Society in staat zal zijn met behulp van dit samenwerkingsverband zo’n sterke kracht op te bouwen dat het de wereld zal kunnen laten zien wat een werkelijk spiritueel samenwerkingsverband is, en wat het kan doen om onze medemensen te helpen werkelijk broederlijker te worden. Ik ben van mening dat het ten hemel schreiend zou zijn en tot de diepten van Hades, wanneer we het oorspronkelijke programma uit het oog zouden verliezen dat ons door HPB en de meesters werd voorgelegd. Dit is een onderwerp dat me na aan het hart ligt, en de kracht waarmee ik spreek is geen boosheid, absoluut niet, omdat mijn hart in feite breekt bij de gedachte dat leden die de zaak jarenlang trouw dienden en die hun leven hebben gegeven voor de theosofie, een onbroederlijke en destructieve houding kunnen aannemen, wat in enkele gevallen is gebeurd. En ik zeg enkele, want binnen heel korte tijd zult u zien dat het in feite maar enkele verblinde mensen zijn die de blinden leiden.

Het is eerder een feit dan fictie dat er enkele verblinde mensen zijn die anderen leiden die tijdelijk blind zijn omdat ze een ander voor zich hebben laten denken. Het is de taak en de verantwoordelijkheid van de leader om de karmische verdiensten en gebreken van ieder lid in de Theosophical Society op zich nemen, en wanneer we dit in gedachten houden, zal het duidelijk zijn dat hij verantwoordelijk is voor de bescherming van ieder lid van de Society.

In de loop van de gebeurtenissen die sinds het overlijden van kolonel Conger en vlak daarvoor plaatsvonden, was het raadzaam geworden om het lidmaatschap van enkele leden in te trekken en enkele loges te sluiten. De eerste waarvan het lidmaatschap werd ingetrokken was Jan Venema in Nederland, en wel door de kolonel, vóór ik van mijn wereldreis terugkeerde. Na zijn heengaan en mijn ambtsaanvaarding werd het mijn plicht het lidmaatschap in te trekken van enkele personen in de Verenigde Staten, die gedurende de hele bestuursperiode van kolonel Conger, en in sommige opzichten tijdens een deel van GdeP’s bestuur, het werk van de meesters hadden tegengewerkt. Hier in Zweden weet u van de intrekking van het lidmaatschap van Mw. Klara Kirsebom, waarvoor ik verantwoordelijk was. Laat nu niemand zeggen dat het de fout was van de afdelingsvoorzitter, Peter Flach, want dat was het niet. Ik neem de volle verantwoordelijkheid voor die intrekking op me, en ook voor het intrekken van het charter van Loge No. 2 in Hälsingborg.

De waarheid is dat het intrekken van deze lidmaatschappen, het ene door de kolonel en het andere door mijzelf, geen bestraffing van de personen is. Dat is onzin. De leader heeft niet het recht om te straffen. De meester heeft niet het recht om te straffen. De leader heeft tot taak te beschermen. Wie zou ik zijn, dat ik mijn broeder zou veroordelen en hem straffen? We hebben als theosofen, of als leader of Outer Head, of zelfs als een meester niet het recht onze medetheosofen te veroordelen, maar we hebben wel het recht de daden te veroordelen. Dit is een occulte regel die al eeuwen geldt. We moeten nooit de dader veroordelen, maar de daden kunnen en moeten we beoordelen. Hoe zouden we anders vooruit kunnen gaan, hoe zouden we tenslotte goede van slechte daden, goede van slechte ingevingen, kunnen onderscheiden?

Wanneer ik daarom deze aangelegenheid van het intrekken van het lidmaatschap en de charters beschouw, voel ik me gedwongen vanmiddag iets over de achtergrond te vertellen: Jan Venema, Boris de Zirkoff, Helen Harris, Emmet Small, Klara Kirsebom, zij allen hebben zoveel van hun levensbloed, toewijding en trouw aan het werk van de meesters gegeven dat ze de bescherming van de meesters verdienden en wel door hun lidmaatschap in te trekken. Dit is op het eerste gezicht misschien moeilijk te begrijpen. Eerder deze middag vertelde ik u hoeveel krachtiger het karmische draaiboek zich in ons dagelijks leven ontvouwt wanneer we ons ertoe verbonden hebben te werken in de stroom van de zaak van de meesters. En de oude regel ‘Van degenen die veel weten, wordt veel verwacht’ is hier goed van toepassing, en de beslissingen en stappen die genomen werden, werden op basis van die occulte regel genomen. Met andere woorden, wanneer een doorsnee niet-lid een goede daad verricht, is het gevolg eveneens vrij goed, en hetzelfde geldt voor het omgekeerde. Maar wanneer het een daad betreft van een lid ‘dat zich verbonden heeft’, zullen de gevolgen, indien het een goede daad is, heel erg goed zijn. Maar als zo’n lid op een verkeerde manier te werk gaat en die lijn voortzet, ziet u dan niet waar de bescherming in het geding komt? De gevolgen van zijn fouten zijn veel sterker dan hij ook maar kan beseffen. En de meesters kijken niet naar u en naar mij vanuit het standpunt van vandaag, of morgen, of zelfs deze levensperiode. De meesten van ons zijn eerder bij dit werk betrokken geweest en in meer dan één leven, en ze letten op de waarde van elk lid voor de toekomst, niet alleen voor dit leven, maar voor het volgende en het daaropvolgende en het daaropvolgende. En indien ze u en mij kunnen behouden als we fouten maken, indien ze ons voor toekomstig werk kunnen behouden, dan is het hun verantwoordelijkheid dit te doen door middel van de enige persoon waardoor ze het kunnen doen. Ze moeten het goede in ieder TS-lid beschermen, zodat het op een dag ergens tot bloei zal komen in de hulp die we hen bieden met hun werk. Ik herhaal nogmaals dat het karma dat zich aan een goede of een slechte daad hecht, veel sterker is als men een lid is ‘dat zijn woord heeft gegeven’, vooral wanneer die daad onder de beschermende vleugel van het lidmaatschap wordt gedaan en zijn kracht ontleent aan het levensbloed dat door de TS stroomt. De karmische gevolgen zijn verschrikkelijk vergeleken met die van een ander willekeurig persoon. U ziet dus wat ik met bescherming bedoel, namelijk het beschermen van het individuele lid en ook het beschermen van het werk.

Ik had gehoopt over nog veel meer dingen te spreken, maar ik zal proberen dit verhaal af te ronden en het kort te houden.

Ik heb gesproken over het gevaar dat iedereen loopt die denkt dat hij belangrijk is. Natuurlijk komt dit voor in de Society; het is in het verleden gebeurd en het zal waarschijnlijk in de toekomst gebeuren. Maar het grote gevaar is dit: wanneer een lid een aantal jaren met succes voor de theosofie heeft gewerkt en veel goede leden voor onze edele zaak heeft geholpen, en het respect van een groot aantal leden heeft gewonnen, dan komt hij om de een of andere reden die ik nog niet volledig heb kunnen begrijpen, op een punt waarop hij begint te denken dat hij belangrijk is. Hij begint te denken: ‘Dit heb ik gedaan en dat heb ik gedaan; ik heb die leden binnengebracht, ik heb die leden gemaakt tot wat ze zijn’, in plaats van de waarheid te beseffen dat hij gedurende die tijd het kanaal was waardoorheen de krachten van de Loge konden werken. Zodra hij begon te denken ‘ik deed dit, ik ben belangrijk’, begon hij verkeerd te denken en, geplaatst voor beslissingen, begon hij verkeerde beslissingen te nemen. Dat is in het verleden gebeurd. Ik hoop dat het in de toekomst minder zal gebeuren. Er is niet het minste verschil tussen hem en de zakenman die zijn leven lang handig en alert is geweest, en met wijsheid en goed gebruik van zijn intuïtie een redelijk fortuin heeft vergaard, waardoor hij zijn oude dag zonder financiële zorgen door kan komen. Maar op een dag laat hij een verkeerde gedachte in zijn denken toe en hij besluit tot een belegging die nog wat meer zal opbrengen. Al die jaren is hij slim geweest, er kan hem nu ook niets overkomen, denkt hij, en daarom zal hij hierin beleggen en nog wat meer verdienen. Wat gebeurt er? Wat hij voor een goed fonds hield, was het niet. Zijn belegging is een mislukking, en hij verliest alles wat hij met een leven lang werken had gespaard, en ineens is hij arm.

Er is totaal geen verschil, behalve in graad, tussen die man en het TS-lid dat door een leven van toewijding, trouw en goed werk voor de theosofie als een kanaal van het werk van de meesters een creditsaldo op zijn spirituele bankrekening opbouwt, waarop hij heel lang kan teren. Maar ook hij komt plotseling tot het besluit dat hij belangrijk is – hij kan geen fouten maken – en neemt een verkeerde beslissing, en verliest voor dit leven het saldo op zijn spirituele rekening en is in spiritueel opzicht arm. Dat is het grote gevaar waarvoor we staan.

We moeten allemaal oppassen voor de denkfout onszelf belangrijk te vinden. We kunnen alleen kanalen zijn. Een leader is slechts een kanaal. Hij is een dienaar van de meesters en een dienaar van de leden. De hele grote vergissing die veel leden maken is dat ze als evangelie aannemen en bijna als dogma geloven wat een bepaald lid zegt dat 40, 50 of misschien zelfs 60 jaar in de theosofie is geweest. En omdat die persoon het zegt, moet het juist, moet het goed zijn. Dit hoeft helemaal niet het geval te zijn, omdat we allemaal, zelfs de oudsten onder ons, mensen zijn en beoordelingsfouten kunnen maken. We moeten niet alles geloven, zelfs niet wat de leader zegt, tenzij er iets in ons hart weerklinkt en we weten dan dat het juist is. Laten we zelf nadenken.

Ik heb geprobeerd u een beeld te geven van de verantwoordelijkheid die we als leden van de Theosophical Society hebben. Die verantwoordelijkheid bestaat niet in de eerste plaats in het de straat op gaan en theosofie van de daken verkondigen en proberen heel veel nieuwe leden te winnen alleen om groot in aantal te worden. Dat is niet onze eerste taak. Onze eerste taak is om ons huis op orde te stellen, ons individuele bewustzijn op orde te stellen, zodat we betere voorbeelden kunnen worden van wat theosofie is. Stuk voor stuk kunnen we dan in ons eigen land een voorbeeld zijn van een goede burger, van een goede broeder, en van wat we voor onze medemensen kunnen doen en kunnen zijn. Daardoor zullen we onbewust de hulp en de leiding van de Loge in ons dagelijks leven ontvangen. We zullen hulp ontvangen bij het lezen van dat karmische draaiboek en op een dag zullen we ontdekken dat de kracht van de eenheid die door ons voorbeeld tot uitdrukking wordt gebracht – de eenheid die tot uitdrukking wordt gebracht door de verscheidenheid van onze persoonlijkheden in de verschillende landen – zal doorbreken op het uiterlijke gebied en onze medemensen een kracht en leiding zal geven, hoe weinig ze zich daarvan ook bewust zullen zijn, die deze oude beschaving van ons werkelijk een stap vooruit zal brengen op het pad naar de meesters. Dank u.

Onderbreking waarin foto’s van de gebouwen van het nieuwe Hoofdkwartier in Pasadena en Altadena konden worden bekeken. De voorzitter nodigde daarna iedereen uit de leader vragen te stellen.

Ahlberg: Ik dacht aan de tijd van KT en het opbouwen van Point Loma, en het enorme werk dat ze daar voor jonge mensen deed. Het streven van KT was de jonge generatie op te voeden om de plichten te vervullen waarover u zojuist sprak. Maar toen KT heenging en GdeP het overnam, verdween juist dat soort werk in Point Loma. Schoot KT in haar werk tekort, of was het alleen een mislukking in de zin dat haar taak was voltooid en een nieuwe taak was aanvaard?

Mw. Gerda Stenmark stond onmiddellijk op om te verklaren dat zolang er enkelen overeind bleven van de honderden die misschien zijn tekortgeschoten, van KT’s werk niet anders kan worden gezegd dan dat het een groot succes was.

JAL: Dank u. Ik ben het volledig met u eens. De vraag van dhr. Ahlberg is belangrijk, en ik ben heel blij dat ze werd gesteld, omdat ze precies past in het beeld dat ik vanmiddag voor u heb geprobeerd te schetsen. Indien u het werk van elke leader goed onderzoekt, zult u ontdekken dat er drie belangrijke aspecten aan zitten: ten eerste, het uiterlijke aspect; ten tweede, het innerlijke aspect; en ten derde wat ik op dit moment het aspect van het zaaien van het zaad zou willen noemen. Oppervlakkig beschouwd konden KT’s critici en diegenen die een bekrompen standpunt innemen, heel gemakkelijk verklaren dat haar werk in Point Loma een mislukking is geweest. Maar KT strooide zaden uit – niet alleen in het denken en het hart van de leerlingen van de Rajayoga School, want dat was slechts een ondergeschikt aspect ervan, het meest uiterlijke aspect ervan. Ze zaaide zaden in de bodem van de beschaving zelf. En we hebben deze zaden vrucht zien dragen. Eerst in de Griekse openluchttheaters in de Verenigde Staten en over de hele wereld. We hebben ze vrucht zien dragen in de hervorming van het opvoedingsstelsel in de Verenigde Staten. We hebben ze vrucht zien dragen in gevangenissen en in een betere behandeling van gevangenen door mensen die geen theosofen zijn – al deze dingen werden gedaan door mensen die geen theosofen zijn. We hebben ze vrucht zien dragen in het jeugdwerk en in organisaties die zich bezighouden met de problemen van jongeren. U heeft ze in Zweden, we hebben ze in alle landen. Ze doen dit misschien niet in naam van de theosofie, en ze doen dit misschien niet op een theosofische manier zoals wij het graag zouden zien, maar ze doen het.

Wanneer dus een leader zijn of haar taak verricht, en het moment aanbreekt om heen te gaan, en de taak door zijn opvolger moet worden overgenomen, om meer zaden te zaaien, om meer uiterlijk en innerlijk werk te doen, dan is gewoonlijk een verandering van werkwijze nodig. We kunnen zelfs niet in geringe mate bevatten hoe groot de invloed van een spirituele kracht is die in het denken en het hart van leden van de Theosophical Society is opgewekt, hoe groot de invloed is die op de mensheid wordt uitgeoefend wanneer die kracht door karma uiteindelijk doorbreekt naar het uiterlijke gebied en in aanraking komt met het hart en het denken van onze medemensen. We kunnen het mentale verband niet leggen tussen deze en die daad, en de resultaten over vijftig jaar. Maar wat zou dit voor nut hebben? Daarom wordt ons in de Gita geleerd, en iedere leraar vertelt ons hetzelfde, de handeling te volbrengen omdat het goed is dat te doen en niet om de resultaten. ‘Laat de gevolgen aan de Wet en aan ons over’, zegt de meester, en naarmate we in die geest voor de theosofie werken zullen we, terwijl we het het minst verwachten, meer en meer van de ware innerlijke gevolgen te zien krijgen.

Dus, om uw vraag te beantwoorden meneer Ahlberg, KT is niet tekortgeschoten. Ze drukte haar stempel op de beschaving van haar tijd, en verder legde ze, samen met HPB en William Q. Judge, de grondslag voor wat GdeP en na hem kolonel Conger moesten doen, en ze hebben de grondslag gelegd voor wat we nu moeten doen bij het aantrekken en helpen van die zielen die nu bezig zijn te incarneren, en die in de meest recente generatie of generaties al zijn geïncarneerd.

Een groot deel van die incarnerende zielen zijn eerder bij dit werk betrokken geweest, evenals u en ik, en ze zoeken naar hun thuis, maar ze zullen het niet vinden in de woorden die we spreken, of zelfs in de woorden die we misschien schrijven. Maar ze zullen het vinden in het voorbeeld dat we geven, want toen ze vroeger bij het werk betrokken waren, kon het iedere naam hebben gehad – geen theosofie. Ze zullen dus geen woorden herkennen zelfs niet de woorden van HPB als zodanig, maar ze zullen de kwaliteit van de oude wijsheid herkennen die door u en mij schijnt. Wanneer hun hart gewonnen is, zullen we hen niet buiten kunnen houden, en ze zullen binnenkomen en aan het werk gaan.

Ja, de Rajayoga School in Point Loma kan naar buiten de indruk van een mislukking wekken, omdat maar betrekkelijk weinigen in staat waren de training die deze school inhield te doorstaan. Het was niet wat vele, vele leden dachten, iets van zuiver opvoedkundige aard. Het was een ontzettende beproeving van de ziel van de personen die deze school volgden, en maar weinigen konden het volhouden. Maar dat wil niet zeggen dat de pogingen van KT een mislukking waren, helemaal niet.

We moeten de theosofie van nu, en ons specifieke werk in de huidige cyclus, beschouwen als het hoogtepunt van de inspanningen van al onze leraren, nu verenigd in één grote inspanning die we ervaren in deze huidige cyclus, in dit samenwerkingsverband, waarin ik mijn woord heb gegeven ieder van u zo goed ik kan te helpen om betere theosofen te worden. Zo zullen we onze medemensen datgene geven wat ons is gegeven, niet alleen door KT maar door HPB en al onze leraren.

Wettermark: De leader sprak over geloftekoorts in zijn boodschap aan het Congres in Utrecht, Nederland. Ik zou graag iets over de betekenis daarvan willen horen.

JAL: U stelt er geen bepaalde vraag over, maar u wilt weten wat ik er in het algemeen van denk? [‘Ja, dat is de gedachte.’] U schijnt te weten over welke onderwerpen ik graag spreek. U stelt in ieder geval de juiste vragen!

HPB legt in De Sleutel tot de Theosofie enigszins uit wat geloftekoorts is, en ik kan er iets van mij aan toevoegen door opnieuw te verwijzen naar het dagelijkse karmische draaiboek. Wanneer een gewoon mens zichzelf bewust onder handen begint te nemen, zegt hij tegen zichzelf: ‘Kijk eens, Jim Long, het wordt tijd dat je begint een beter mens te worden.’ Jim Long zegt tegen zichzelf: ‘Dat is geen slecht idee. Ik ben tot nu toe nogal een lastige klant geweest en het wordt volgens mij tijd dat ik probeer een beter mens te worden.’ Dan zeg ik tegen mezelf: ‘Ik zal het doen.’ Het streven naar verbetering is nu doorgebroken en wordt een besluit een beter mens te worden. Onmiddellijk – niet morgen of overmorgen of over-overmorgen – maar onmiddellijk nadat ik het besluit heb genomen een beter mens te worden, zegt het leven ‘bewijs het’. En zowat bij de volgende ademtocht, bij de volgende stap, krijg ik de kans een beter mens te zijn, of bij mijn eerste poging te mislukken.

En dat proces gaat door, en ik slaag en ik misluk, en ik misluk en ik slaag. Soms ga ik één stap vooruit en twee of drie stappen achteruit, en dat gaat zo verder en steeds meer ga ik zoeken naar de antwoorden op de problemen die binnenin mij spelen, die ik aan niemand onthul dan aan mijzelf. Dan kom ik op een dag in aanraking met wat we een nieuwe gedachte zouden kunnen noemen. Opgevoed en grootgebracht in de christelijke kerk ben ik tot de ontdekking gekomen dat ze niet in staat is de vragen van mijn hart te beantwoorden. Ik ontdek iets anders en probeer dat, en probeer weer iets anders, en telkens ontdek ik iets meer, maar nog niet dat waarnaar mijn hart verlangt. Dan ontdek ik op een goede dag de theosofie, en omdat ik al zoveel dingen heb geprobeerd, aarzel ik, en vraag me af of het niet slechts een andere doodlopende weg is. Maar iets heeft mijn belangstelling gewekt, en ik verdiep me er wat meer in en nog wat meer, en er komt geen einde aan het tevredenstellen van dat innerlijke verlangen. Uiteindelijk word ik lid van de TS, omdat ik ontdek dat broederschap hun voornaamste doel is, en in mijn verlangen een beter mens te zijn heb ik altijd al iets voor anderen willen doen.

Ik word dus lid van de TS en studeer, en net als u allen, kan ik maar niet genoeg lezen, en ik word bijna gek, omdat ik geen tijd genoeg heb om meer en meer over theosofie te lezen. Op een dag kom ik HPB’s uitspraak tegen waarin ze de raad geeft weinig te lezen en veel na te denken. Dat sprak me aan. Dus las ik weinig en dacht veel na, en hoe meer ik dat op de juiste manier deed, des te meer ik leerde en hulp kreeg, en des te meer het leven dan zei ‘bewijs het’. Iedere keer dat het leven zei ‘bewijs het’, had ik een voorproefje, een voorbode van wat later geloftekoorts zou worden.

Op een dag kwam ik te weten dat er een Esoterische Sectie in de Theosophical Society was. Ik won de nodige inlichtingen in bij de loge waarvan ik lid was. Men verwees me naar de secretaris-generaal, in die tijd Joe Fussell, en men vertelde me wat ervoor nodig was. Ik kreeg het Boek van de Voorschriften en de Gelofte toegezonden met het verzoek erover na te denken. Nu was het zo dat de loge waaraan ik was verbonden, ook een ES-loge had, maar de leden daarvan, één uitgezonderd – ze had maar heel weinig leden – dachten dat ik als lid geen goed materiaal voor hun esoterische loge was. De geloftekoorts, of het voorproefje van geloftekoorts, en de aanvallen van geloftekoorts die ik op mijn manier had ondergaan bij mijn poging een beter mens te worden, de stappen achteruit en niet de stappen vooruit, waren volgens hen van zo’n aard dat ze niet het risico wilden lopen om voor mij als lid van hun esoterische loge borg te staan. Daarom ging de secretaris van die loge naar Washington om kolonel Conger te spreken – ik kwam hier pas veel later achter – en vertelde de kolonel heel openhartig dat Jim Long wenste lid te worden en een aanvraag had ingediend, maar dat de loge-leden op grond van zijn vroegere ervaringen en de geloftekoorts die hij had doorgemaakt bij zijn pogingen een beter mens te worden, er niet voor voelden voor hem borg te staan. Kolonel Conger vertelde de jongeman: ‘Dat is goed. Dat hoeven ze ook niet. Ik zal borg voor hem staan.’ U kunt begrijpen hoe er onbewust een band werd gevormd tussen kolonel Conger en mij. Mijn aanvraag werd ingestuurd en aangenomen met steun van kolonel Conger.

Ik kan u zeggen dat de geloftekoorts toen werkelijk begon voor een zekere Jim Long. Ja, ik zou u heel wat over geloftekoorts kunnen vertellen. Want onze moeilijkheden zijn evenredig aan onze aspiraties. We kennen die uitspraak allemaal en weten wat er gebeurt met de serieuze student die de stap zet en zijn hogere zelf belooft een helper van de helpers van de mensheid te worden. In werkelijkheid vertelt hij het aan de goden en draagt hen op de schijnwerpers van de waarheid fel te laten schijnen op zijn hele constitutie, zodat alle donkere schuilhoeken, die heel lang verborgen zijn geweest en door geen enkele aspiratie aangeroerd, in al hun naaktheid, in al hun afschuwelijke verdorvenheid worden onthuld – verdorvenheid in de zin van het tegenovergestelde van spirituele zuiverheid. We hebben ze allemaal. Niemand van ons uitgezonderd. Als de kracht van onze aspiratie sterk genoeg is, en dat licht dat erop schijnt helder genoeg – en dat zal zo helder zijn als waar onze aspiraties om vragen – zal het niet alleen aan de wereld maar ook aan het individu, en veel nadrukkelijker dan in normale gevallen, zowel de goede als de slechte eigenschappen van zijn natuur laten zien. Het zal zowel de edele eigenschappen die in vorige levens werden ontwikkeld en die hij in dienst kan stellen van zijn medemensen, als de slechte eigenschappen die verbeterd en gezuiverd moeten worden zodat hij ook deze in dienst kan stellen van zijn medemensen, duidelijker naar voren brengen. De pijn en het leed in het hart en de ziel van het lid dat ernaar streeft om een helper van de helpers van de mensheid te worden, brengen de zogeheten geloftekoorts teweeg.

Geloftekoorts kan allerlei vormen aannemen. Daarom moeten we als theosofen, of we lid van de Esoterische Sectie zijn of niet, vriendelijk zijn en begrip hebben voor de zwakheden van anderen, en hen beschermen zoveel we kunnen, al is het maar in onze gedachten. In uitzonderlijke gevallen is een leader soms genoodzaakt het lidmaatschap van iemand in te trekken of andere stappen te ondernemen om te voorkomen dat de stroom die de geloftekoorts veroorzaakt de waarde van iemand voor het werk in de toekomst zou vernietigen. Het lidmaatschap van een lid van de Esoterische Sectie kan nooit worden ingetrokken. Dit kan slechts door één persoon worden gedaan, en dat is door de meester zelf.

Aansluitend kan ik dit antwoord over geloftekoorts afronden met hier nogmaals te verklaren dat de occulte kracht die in het verleden sinds 1888 door de Esoterische Sectie van deze Society heeft gestroomd, nu door de TS stroomt en voor onbepaalde tijd zal blijven stromen. Dat wil zeggen dat zonder enige formaliteit van de kant van het TS-lid, zonder enig bewijs van lidmaatschap van de Esoterische Sectie, want die is gesloten, er voor de leden van de TS moeilijkheden zullen optreden die evenredig zijn aan de kracht van de aspiraties van het individuele TS-lid, en die zullen geloftekoorts veroorzaken. Dit is niet iets om bang voor te zijn, maar iets om te verwelkomen. Ze is iets vreugdevols om door te maken, hoe pijnlijk ze misschien ook is. Ze is de methode die door de Loge en het leven wordt gebruikt om ons zo te kneden dat we betere dienaren zullen zijn van hen die de mensheid dienen. Dat is ongeveer alles wat ik erover zal zeggen.

Maud Lundström: In zijn boodschap aan het congres spreekt de leader niet alleen over het feit dat het esoterische exoterisch wordt, maar ik geloof dat hij in dezelfde boodschap zegt dat het exoterische in onze tijd ook esoterisch wordt, en ik dacht hierover na en vraag me af of er achter deze woorden misschien een diepere betekenis ligt, en ik zou graag een verklaring ervan hebben.

JAL: Wel, Maud, toen je het verslag las, heb je er iets in gelezen dat er volgens mij niet met zoveel woorden staat! Ik geloof niet dat ik daarin heb gezegd dat het exoterische esoterisch is geworden. Ik heb dit tegen enkele personen, of tegen een of twee kleine groepen gezegd; maar of je het nu wel of niet gelezen hebt, Maud, je hebt een kleine vergelijking van mentale wiskunde opgelost! Ik hoopte dat iemand de natuurlijke gevolgtrekking in de juiste geest zou maken. Indien het esoterische exoterisch is geworden, ligt het dan niet voor de hand, dat het exoterische esoterisch is geworden? Ik zal proberen je vraag op deze manier te beantwoorden:

Er gebeurt niets in de Theosophical Society, en vooral niet tijdens een verandering van leiderschap wanneer de overgang van het ene bestuur naar het andere plaatsvindt, zonder dat het van grote betekenis is voor het werk van de Society en voor de uitwerking daarvan op de wereld. En met ieder van zulke veranderingen wordt er een grotere verantwoordelijkheid op de schouders van de leden gelegd, een grotere verantwoordelijkheid tegenover henzelf, tegenover de TS waarmee ze karmisch verbonden zijn, en tegenover hun medemensen. Door enkele gedachten samen te voegen die in de loop van de laatste maanden werden uitgesproken, kunnen we ons een beeld en een patroon vormen, en het zal uw en mijn taak zijn in dit nieuwe samenwerkingsverband dit patroon uit te werken. Op de neergaande boog van de eeuw hebben we veel ontvangen in de vorm van zowel exoterische als esoterische leringen, en op het dieptepunt van de eeuw was de tijd gekomen waarop de overgang moest worden gemaakt.

Toen het sein werd gegeven, begon GdeP al in 1935 orde op zaken te stellen, zodat de werkelijke toekomstige overgang kon plaatsvinden. Zoals u allemaal weet gaf de meester hem de opdracht in 1935 een document op te stellen, waarin hij in hoofdzaak zei dat indien niemand naar voren zou komen om zijn werk bij zijn heengaan over te nemen, het Kabinet de TS gedurende drie jaar moest besturen, en aan het einde van de drie jaar een leader moest kiezen. Ik wil niet ingaan op de geschiedenis van de organisatie en op het gevolg van die benadering voor het dieptepunt van de eeuw. GdeP bereidde de weg voor kolonel Conger. We weten dat het driejarig bestuur van het Kabinet een beproeving was voor ieder lid van de TS, voor de leden van het Kabinet, en voor de leden die het karma hadden om aan het Hoofdkwartier te zijn. Het was de eerste stap in een reeks grote stappen waarmee de Grote Loge voorbereidingen trof voor de opgang van de cyclus naar 1975 en daar voorbij – stappen die werden gezet om de leaders die GdeP zouden opvolgen, in staat te stellen het aan de leden zelf over te laten of ze zich bij de komende nieuwe cyclus zouden aansluiten of zich ervan losmaken. Als gevolg van deze instructies aan GdeP en van de tekenen van de tijd zette hij omstreeks 1939 het esoterisch onderricht stil.

Toen kolonel Conger leader was geworden gaf hij de KTMG-verslagen uit [The Dialogues of G. de Purucker]. Daarvoor nog werd Fundamentals of the Esoteric Philosophy [Beginselen van de Esoterische Filosofie] gepubliceerd, wat vroeger esoterische instructies waren. Zoals de zaken nu staan zijn vrijwel alle esoterische leringen in druk verschenen. Er zijn er nog een paar van HPB, maar in principe zijn ook deze openbaar gemaakt door de geschriften van GdeP. Zo zien we dat het proces van het esoterische dat exoterisch wordt, wat betreft de leringen en geschriften, tijdens het bestuur van kolonel Conger letterlijk werd voltooid. Maar dit is niet genoeg. Zoals ik in Utrecht zei, kunnen we niet langer doorgaan op de manier zoals Judge die omschreef, en als vogels met onze bek open zitten te wachten om gevoerd te worden. De overgang waarmee kolonel Conger begon, is nu voltooid. Het esoterische is exoterisch geworden, en daarom is zoals de vraagsteller zei, het exoterische esoterisch geworden.

Wat betekent dat? Het betekent eenvoudig dat het moment is aangebroken dat de kracht van de Loge zo sterk door de TS vloeit dat wij als leden van de TS, ieder van ons, nu de verantwoordelijkheid moeten dragen en de leringen die tijdens de neergaande boog van de cyclus werden gegeven tot een levende kracht in ons leven moeten maken. Vanaf nu moet onze houding veranderen en moeten we niet langer aan de ontvangende maar aan de gevende kant van de esoterie staan en daardoor praktische occultisten, praktische altruïsten worden. Ik heb het niet over de occulte wetenschappen, noch over astrologie, numerologie of iets dergelijks. Ik heb het over zuiver altruïsme, om dát tot een kracht in ons leven te maken, zodat het heldere licht van de waarheid dat door ons hart en onze ziel schijnt, door onze medemensen zal worden herkend en we voorbeelden voor hen zullen zijn die ze willen navolgen.

Wat betekent dat voor ieder van ons in ons dagelijks leven, in onze respectieve posities, waar we ons ook bevinden? Het betekent dit: dat we het eenvoudige feit onder ogen moeten zien dat als we doelbewust onze plicht vervullen als mannen en vrouwen, als burgers van het land waartoe we behoren en als theosofen, we op een dag zullen ontdekken dat we deel uitmaken van een unieke broederschap. Hoe zal die unieke broederschap eruitzien? Hoe kunnen we die omschrijven? Indien we haar omschrijven, gaat ze verloren. Maar ik kan u een aanwijzing geven over hoe ze eruit zal zien en wat ze voor u en mij zal betekenen, namelijk dat u na verloop van tijd – indien u, Maud Lundström, of u, Lars Eek, of wie dan ook van u, uw karmische plicht doet als mens en als theosoof en zo goed mogelijk een theosofisch leven leidt – onmiddellijk in elke plaats van de wereld, op elk tijdstip, elke broeder van die broederschap zult herkennen, zonder dat u daarvoor tekens of wachtwoorden of welk woord ook nodig zult hebben.

Vandaag vieren we Pinksteren, en hoewel ik het niet eens ben met alle interpretaties die over de occulte betekenis van deze dag worden gegeven, is het een mooie tijd. Ik wil besluiten met te zeggen dat we, wanneer de geest van de meesters van mededogen en vrede neerdaalt in het hart en denken van u en mij, die unieke broederschap zullen hebben gevormd.

Dank u zeer.

De bijeenkomst werd om 18.25 uur gesloten.


James A. Long – Tourverslagen 1951

Theosophical University Press Agency online editie

© 2008 Theosophical University Press Agency. Online-editie, isbn 978-90-70328-64-1.