Kort voor Kerstmis kwam er een brief van een tienjarig meisje dat enkele vragen stelde, die het best in een gesprek met haar konden worden beantwoord.

 


De jeugd ontdekt nieuwe horizonnen

 


Zeg me nu eens in je eigen woorden en op je eigen manier waarover je met mij wilt praten.

Vraag — Moeder zei iets over de vier bijzondere jaargetijden. Daarover zou ik graag iets meer willen weten.

Commentaar — De vier heilige jaargetijden? Welnu, eeuwenlang heeft men de beginperiode van elk jaargetijde als heilig beschouwd, omdat in die tijd de zon ten opzichte van de aarde op het punt staat om van de ene fase in een andere over te gaan. Zo spreken we bijvoorbeeld over de lente-equinox, die omstreeks 21 maart plaatsheeft, en de herfst-equinox, die in het najaar rond 21 september valt. Het woord betekent ‘gelijke nacht’, omdat dan de dagen en nachten even lang zijn en er evenveel daglicht is als duisternis.
    Als we overgaan van de lente naar de zomer, omstreeks 21 juni, hebben we de langste dag en de kortste nacht, wanneer de zon in het noordelijk halfrond zijn meest noordelijke punt heeft bereikt. In die tijd, midzomer, lijkt het alsof de zon ongeveer een dag op dezelfde plaats blijft staan vóór hij zijn reis naar het zuiden weer begint. Daarom spreken we van ‘solstitium’, wat ‘zonnestilstand’ betekent. Het is nu eind december, de maand waarin de herfst in de winter overgaat, en we hebben juist de kortste dag van het jaar en de langste nacht op of omstreeks 21 december achter de rug. Dit is de winterzonnestilstand, omdat de zon zijn meest zuidelijke punt heeft bereikt en weer schijnt ‘stil te staan’ vóór hij opnieuw naar het noorden reist.
   Zie je, de oude volkeren beseften dat op die vier punten van het jaar, de twee nachteveningen en de twee zonnestilstanden, de hele wereld een kleine verandering voelde, en ze spraken daarom van de heilige jaargetijden. Je vraagt je misschien af waarom die perioden heilig zijn? Is het alleen maar omdat de zon toevallig in het noorden of het zuiden staat of op de equator?
   Eeuwen geleden al wisten vele volkeren dat de aarde, omdat ze deel uitmaakt van het zonnestelsel – en dat geldt ook voor de andere planeten – haar leven krijgt van de zon. Daarom spraken zij van Vader Zon, want zonder de zon was er geen leven mogelijk. Wetenschappers zeggen nu hetzelfde, alleen in wetenschappelijke termen, want ze vertellen ons dat de meeste levenskracht en energie vanuit de ruimte via de zon naar de aarde komen.
   Laat ik je een voorbeeld geven: zaad moet in bepaalde maanden van het jaar worden gezaaid, zodat het, als de dagen langer zijn, kan profiteren van de hulp van de zon om boven de grond te komen en de vruchten en de oogst voort te brengen. Al lijkt dat hier niet zo belangrijk, het houdt wel degelijk verband met ons onderwerp, want de Ouden geloofden dat er bij de wisseling van de jaargetijden een bepaald soort zonne-energie binnenstroomt die van invloed is op de hele menselijke constitutie.
   Vooral met Kerstmis en Nieuwjaar zendt Vader Zon een nieuwe frisse levenskracht de wereld in, waarvan de mens, als hoogst ontwikkelde wezen op aarde, bewust gebruik kan maken om te groeien.
   Alles bij elkaar is dit een zeer heilige zaak. We zijn namelijk volkomen afhankelijk van de zon; en hoe meer we begrijpen van de levensstromen die zich naar de aarde bewegen – waarbij we moeten bedenken dat de Ouden geloofden dat de zon in zijn hart een goddelijk wezen is, evenals wijzelf, alleen veel groter – des te meer kunnen we proberen zo te leven, dat wij en de mensen in onze omgeving op een natuurlijke manier een gunstige invloed ondergaan, als we gebruik maken van de speciale hulp van de zon in die jaargetijden.
   In je brief sprak je over een joods vriendinnetje. Ja, ook zij hebben hun heilige dagen, zoals Rosh Hashana, dat hun Nieuwjaar is, en Chanoeka en Pesach, en verscheidene andere – zoals wij de onze kennen met Kerstmis en Pasen, enz. Wanneer we andere religies bestuderen, zullen we zien dat er onder de verschillende volkeren op aarde veel overleveringen en legenden bestaan die verband houden met wat er in deze heilige perioden van het jaar gebeurt.
   Neem de geschiedenis van Jezus: in elke religie komt praktisch hetzelfde verhaal voor over een kindje dat in de kersttijd werd geboren, wat wil zeggen dat er tijdens de winterzonnestilstand een heiland ter wereld kwam. Of die heiland nu werkelijk op die dag werd geboren, is niet belangrijk; het feit blijft dat het Nieuwe Testament op symbolische wijze beschrijft dat er in die tijd van het jaar een nieuwe ongerepte kracht doorbrak voor de mensheid, en omdat dit samenvalt met de terugkeer van de zon naar het noorden, heeft dit nog een eigen bijzondere betekenis.
   Dan komt na de lentenachtevening Pasen; de tijd waarvan het verhaal zegt dat Jezus aan het kruis werd genageld. Ook dit is symbolisch. In die dagen, zoals je zult leren als je geschiedenis krijgt, was het de gewoonte om misdadigers te straffen door hen aan een kruis te nagelen en zo te laten sterven. Daarom gebruikten degenen van wie men aanneemt dat zij de evangeliën hebben geschreven, de kruisiging als een symbool. Tegenwoordig echter geloven veel mensen werkelijk dat meester Jezus letterlijk aan het kruis werd geslagen. Maar in de mysterieverhalen uit de oudheid wordt ons verteld dat we moeten beginnen onszelf te kruisigen – d.w.z. dat we de lagere elementen in ons karakter en in ons leven kwijt moeten raken.
   De herfst is de oogsttijd waarin de boeren het gewas binnenhalen van hun akkers. Zoiets gebeurt ook met ons. Als we ons werk in het leven tot de oogsttijd op bevredigende wijze hebben gedaan, krijgen we elk jaar de kans de vruchten te plukken van het goede dat we deden. Evenals het zaad vruchten oplevert, zullen ook wij de vruchten voortbrengen van het waardevolle dat we hebben gedaan – misschien niet iets dat tastbaar of objectief is, zoals voedsel of geld, maar wel iets van geestelijke waarde. Als dan het moment van de winterzonnestilstand aanbreekt, beleven we opnieuw de geboorte van een nieuw jaar.
   Ik heb dit zo eenvoudig mogelijk verteld, en het is ook niet volledig, omdat ik niet ineens op alle gedachten kan ingaan die hiermee samenhangen. Ik wil het je niet te moeilijk maken. Maar waarom vertel je mij niet, of er nog andere punten zijn waarover je iets wilt horen, en dan zal ik proberen die zó uit te leggen dat het allemaal iets duidelijker voor je wordt.

Vraag — Wat ik ook nog wel wil weten, is dit. Laat ik het joodse volk als voorbeeld nemen. Hun godsdienst is in Israël. Is er een bepaalde plaats waar die oude leringen waarover u sprak, ontstonden, of gebeurde dat overal?

Commentaar — Deze grote waarheden hebben in verschillende tijdperken in de geschiedenis van de wereld op verscheidene plaatsen op de aardbol een bloeiperiode doorgemaakt – de ene keer in India en China, en in andere perioden in Egypte, Perzië en Griekenland, in het oude Amerika, in Brittannië en Noord Europa. Dit strekte zich uit over een heel lange periode, want de aarde en de mens zijn veel en veel ouder dan een paar duizend jaar. Er was een tijd dat de christenen dachten dat de aarde niet ouder was dan ongeveer 6000 jaar en dat, als de bijbel vertelt dat ze in zes dagen werd geschapen, er ook ‘dagen’ mee werden bedoeld zoals wij die kennen. Natuurlijk geloofden de oude Hebreeën dit niet, want zij wisten dat hun heilige boeken altijd in symbolische taal werden geschreven, waarvan men de juiste betekenis moet begrijpen. Zoals je weet, heeft de wetenschap nu aangetoond dat de aarde miljoenen en miljoenen jaren oud is, en dat de ouderdom van de mens ook vele miljoenen jaren bedraagt. Je ziet dus dat wij als mensen een heel lange tijd van ervaring achter de rug hebben op onze aardbol.
   Soms waren er beschavingen die heel spiritueel waren, maar er zijn er ook geweest die deze verheven gedachten uit het oog verloren en materialistisch werden. Maar telkens als de mensheid als geheel behoefte had aan meer inzicht en hulp, verscheen er op de juiste tijd een groot leraar om de eeuwenoude waarheden opnieuw uit te leggen. En deze leringen waren in beginsel altijd dezelfde.
   Omdat de menselijke natuur is zoals zij is, hebben de volgelingen van deze grote leermeesters jammer genoeg van elke nieuwe inspiratie een religie gemaakt. Zo hebben bijvoorbeeld de boeddhisten, niet lang nadat de Boeddha stierf, uit zijn leringen een formele religie gevormd; de moslims deden hetzelfde met de boodschap van Mohammed; het joodse volk maakte uit het inspirerende voorbeeld van Mozes vaste godsdienstige gebruiken en riten, en de christenen hebben uit de prachtige leringen van Jezus een formeel geloof opgebouwd. En waar ontstonden deze oude waarheden? We kunnen alleen maar zeggen ‘overal op de wereld’ – telkens op een andere plaats. Maakt dit het wat duidelijker?

Antwoord – O ja, zeker.

Commentaar — Weet je, het grote probleem bij elke religie is, dat wanneer je iets hoort dat je een beter inzicht geeft, je algauw zegt ‘dit is het’, en voor je het weet sluit je je af voor een nieuwe glimp van de waarheid. Dat is erg jammer, want niets in het hele universum blijft altijd hetzelfde. Alles groeit voortdurend en wordt steeds beter, ook de mens. Maar als de aanhangers van een geloof steeds blijven vasthouden aan hun eigen speciale opvattingen van de waarheid, dan verliest deze na enige tijd haar vitaliteit; het geloof verliest zijn levende inspiratie en daardoor zijn vermogen om te helpen. Daarom moet er vroeg of laat een andere leermeester verschijnen om dezelfde ‘godswijsheid’ in een nieuwe vorm te verkondigen.

Vraag — Ik ben blij dat ik nu over al die dingen denk zoals ik denk, want toen ik nog heel klein was – nou, zes of vijf – ging ik naar de kerk en daar vertelden ze voortdurend al die verschrikkelijke dingen, dat als ik niet goed oppaste, en dood ging, ik naar al dat vuur zou gaan en alles. Ik was echt bang. Ik geloofde het niet echt, weet u . . .

Commentaar — Daar zit de moeilijkheid. De verkeerde uitleg van wat de grote leraren door de eeuwen heen hebben gezegd heeft meer moeilijkheden in de wereld veroorzaakt en meer angst in het leven van de mensen gebracht dan wat ook. Door mijn eigen studie ben ik gaan geloven dat hel en hemel toestanden zijn van het denken, toestanden van bewustzijn. Er bestaat geen plaats waar je heengaat en waar je in het vuur wordt geworpen om te verbranden, zoals ze zeggen. En er bestaat ook geen hemel als een bepaalde plaats, met straten van goud, waar je eeuwig verblijft – wie zou er zin in hebben altijd in straten van goud op en neer te moeten wandelen!

Vraag — Ik geloof dat als ik daar altijd en voorgoed zou moeten blijven, ik me verschrikkelijk zou gaan vervelen.

Commentaar — Natuurlijk zou je dat, en iedereen zou dat. Maar je weet dat de Ouden over wie we spraken, in reïncarnatie geloofden. Er zijn tegenwoordig werkelijk heel veel jonge mensen die ervan overtuigd zijn dat ze al eerder hebben geleefd en weer opnieuw zullen leven, en dat ze nu hier op deze aarde zijn om steeds meer te leren. Daarom is het bestuderen van de oude leringen zo zinvol, omdat ze ons een grondslag geven voor ons bestaan: waarom wij allemaal nu leven, wat we met ons leven moeten doen, en waar we heengaan als we sterven. Niet naar een plaats die men hemel of hel noemt, maar we hebben wel een rustperiode, waarin we de vruchten kunnen plukken van alles wat we in ons leven hebben geleerd. En verder, zo wordt ons gezegd, hebben we telkens als we naar de aarde terugkeren de kans een beetje hoger in de school van het leven te komen. Hoe meer ervaringen we opdoen, des te verstandiger zullen we worden en des te meer kunnen we ons karakter verbeteren, zodat ook wij tenslotte helpers van de mensheid worden en iedereen kunnen helpen die hulp nodig heeft.

Vraag — Over reïncarnatie gesproken, er schiet mij iets te binnen, wat ik vorig jaar in de vierde klas heb meegemaakt. Mijn onderwijzeres vertelde ons – ik weet niet meer over welk onderwerp zij begon – dat sommige mensen in reïncarnatie geloven. Maar ze had het helemaal mis, want ze zei dat die mensen geloven dat als je dood gaat, je weer op aarde terugkomt als een dier, weet u, of als een geest of zoiets. Dat zei ze. Ze had het glad mis.

Commentaar — Ja, ik geloof ook dat dit niet zo is, want als we in de evolutionaire groei van alle levende dingen eenmaal mens zijn geworden, kunnen we niet meer terug. We zullen altijd mens blijven tot we iets hogers en beters zijn geworden, zoals een god of een ander goddelijk wezen. Misschien eerst één van lagere orde en daarna een steeds hogere, totdat we in de verre, verre toekomst misschien iets zullen worden zoals een zon, een even nuttige kracht als onze eigen zon, want zoals ik al eerder heb gezegd, de zon die wij zien is slechts het uiterlijke kleed van een zeer hoog ontwikkelde geestelijke entiteit, een verheven wezen, dat gebruik maakt van het hele zonnestelsel om zich tot uitdrukking te brengen.
   Je zult natuurlijk wel hebben gemerkt dat er veel van deze gedachten zijn waarmee de kinderen op school niet in aanraking komen. Er zullen er bijvoorbeeld heel wat zijn die denken dat je mal bent als je over reïncarnatie zou spreken. Je onderwijzeres liet ongetwijfeld maar een stukje zien van het geheel. Nee, we komen niet als dieren terug, maar wel als mensen en met een klein beetje meer ervaring, zodat we van elk volgend leven iets meer kunnen maken. Maar je komt nooit meer terug als dezelfde persoonlijkheid. Dat begrijp je toch wel, is het niet?

Antwoord – O ja.

Commentaar — Maar wat nu in je binnenste is en waarvan je weet dat het er is, en dat jou gebruikt als zijn tempel, als zijn verblijfplaats voor dit leven, dat komt weer terug. Dat deel heeft al eerder geleefd en heeft heel wat persoonlijkheden en namen gehad. Het is het onsterfelijke deel, je ware zelf, dat terugkomt om ervaring op te doen en dat deze keer jou nodig had – zoals het werkelijke deel van mij mijn persoonlijkheid nodig had om zijn werk te doen. In het volgende leven zou je een jongen kunnen zijn, je kan nooit weten; we zijn allemaal jongens en meisjes geweest. Het is zelfs mogelijk dat wij de vader of moeder van onze ouders worden. Met andere woorden, zij zouden wel eens onze kinderen kunnen worden. Dat kunnen we niet weten, maar we hoeven ons daarover ook geen zorgen te maken. Karma, de goede Wet, zorgt op de beste manier daarvoor.

Vraag — Blijft een familie bij elkaar? Ik bedoel, zou ik de grootmoeder van mijn vader kunnen zijn of iets dergelijks?

Commentaar — Een familie kan bij elkaar blijven, maar noodzakelijk is het niet. Dat hangt voor een groot deel af van de vraag welke lessen we in dit leven kwamen leren, en hoeveel we daarvan hebben geleerd als we weer heengaan. Maar al degenen van wie je nu bent gaan houden, zal je eens weer ontmoeten, al hoeven ze niet altijd familieleden van je te zijn. Dat weten we niet. We kunnen het leven niet uiteenrafelen of precies ontleden, en dat moeten we ook niet proberen. Maar van één ding kunnen we zeker zijn: ieder van ons komt ter wereld met een bepaalde achtergrond aan ervaringen uit het verleden. We worden in die omgeving geboren die ons de omstandigheden, problemen en moeilijkheden biedt die we voor onze verdere groei nodig hebben. We worden aangetrokken tot dat gezin, dat ons juist die liefde en kansen geeft die we verdienen en die ons zullen helpen ons doel te bereiken. We moeten niet verwachten dat we steeds met dezelfde mensen samen zullen zijn. Het is zelfs mogelijk dat we in één of twee of misschien meer levens niet dezelfde ouders of familieleden zullen hebben; maar later hebben zij misschien net die ervaringen nodig, die wij hun kunnen verschaffen, en dan zullen we opnieuw tot elkaar worden aangetrokken.
    Je ziet dus wat er kan gebeuren: neem je eigen ouders of de mijne; terwijl hun persoonlijkheden en namen zullen verdwijnen, kunnen we een volgende keer toch met hen in aanraking komen, maar niet noodzakelijk als familie van elkaar. We zouden heel goede vrienden kunnen zijn. Er zal een zekere aantrekkingskracht bestaan voor kortere of langere tijd, want echte liefde en vriendschap horen tot het hogere, het werkelijke deel van ons, en nooit zullen we iets verliezen van het goede dat we in het verleden hebben verworven.
   Hoeveel een mens ook weet, praktisch iedereen wil een beetje beter worden dan hij nu is. Dit is niet meer dan natuurlijk, omdat zich in het hart van elk levend wezen die vonk van God bevindt, dat licht van de zon, dat sprankje goddelijke intelligentie dat er voortdurend op uit is dat we meer en meer aan haar gelijk worden. Dit is de opzichter, de beschermengel van ieder van ons . . . Ga je gang, wat wilde je zeggen?

Vraag — Ik ken een jongen met wie ik af en toe speel. Hij schijnt altijd overal bang voor te zijn. Als hij iets verkeerds doet is hij als de dood voor wat er kan gebeuren. En toen kwam mijn vriendinnetje met me praten. Ze was een beetje van streek, omdat ze geen erg prettige tijd had gehad. Ze was bang om te doen wat ze eigenlijk graag zou willen doen, uit angst om fouten te maken, omdat dit haar enige kans was. Ze denken dat dit hun enige leven is.

Commentaar — Dat heb je heel goed gezegd, en het is jammer dat niet meer jonge mensen een ruimere voorstelling hebben van waar het in het leven om gaat, in plaats van dit benauwende gevoel van angst en van doodsbang te zijn een fout te maken of iets verkeerds te doen, en dan te denken dat dit voor hen het einde van alles betekent. Je moet er niet zelf over beginnen, maar als je vriendinnetjes over deze dingen met je praten, zeg dan gerust dat je niet gelooft in een hel en vuur, of dat een mens eeuwig moet branden, maar dat je gelooft dat we meer kansen krijgen om het leven te leren begrijpen.
   Als we proberen het goede te doen, zullen we de juiste antwoorden krijgen, maar als we verkeerd doen, zullen we natuurlijk ook daarvan de weerslag ondervinden – zoals we onze vingers zullen branden als we ze in het vuur steken. Als we werkelijk eerlijk zijn, weten we in ons binnenste wanneer we een fout hebben gemaakt, maar als we dit eenmaal inzien, hoeven we dezelfde fout niet nog eens te maken. Nee, we maken onze eigen hemel en onze eigen hel, en er is niemand die naar waarheid kan zeggen dat jij of ik naar de hel of de hemel zal gaan omdat we dit of dat hebben gedaan.
   Het is op het ogenblik uiterst belangrijk dat we proberen die afschuwelijke angst die ons is ingeprent, uit te bannen. Toen ik jong was had ik die ook, maar ik vind het verschrikkelijk een kind daarin te leren geloven. Ik was met zo’n wrede opvatting natuurlijk niet tevreden, en ik bleef vragen stellen en zoeken, totdat ik vond wat naar mijn mening de antwoorden waren, net als jij doet. Jij bent zo gelukkig geen bekrompen ouders te hebben, en andere mensen te kennen met wie je over deze dingen kunt praten.
   Is er nog iets anders?

Vraag — Ja, ik heb nog een vraag. Het gaat over andere levens op andere planeten, zoals Mars en Venus, of ergens anders. Dat heb ik altijd interessant gevonden.

Commentaar — Ja . . . laat ik het zo zeggen. De goede Wet heeft ons naar de aarde teruggebracht en we zullen daar telkens weer worden geboren tot we alles hebben geleerd wat deze planeet ons te leren heeft. Zijn we hier eenmaal klaar, dan zullen we ergens anders worden geboren, om alles te leren wat er te leren valt op een hoger gebied van ervaringen, noem het een planeet als je wilt.

Vraag — Wat ik daarvan zo mooi vind is dat je weet dat je voortdurend verdergaat, en niet maar één kans hebt en daarna naar een bepaalde plaats gaat om daar eeuwig te blijven.

Commentaar — Dat is het mooie van de waarheid en het wonderlijke van de natuur en van onze onbegrensde mogelijkheden tot groei. En dat niet alleen. Als we het punt hebben bereikt waarop we, laten we zeggen, een zon zijn geworden in de verre, verre toekomst, en we hebben ons werk goed gedaan en alles meegemaakt wat voor een zon mogelijk is, dan is zelfs dat niet het einde, omdat we vandaar nog verder gaan. Er is gezegd dat de goddelijke intelligentie, die het werkelijke hart van onze zon is en in zekere zin het hogere deel van ons zonnestelsel, zich daarin slechts zo lang belichaamt totdat het zonnewezen alles heeft geleerd wat er voor onze zon te leren is. Dan moet het zonnewezen nog verder – er is geen einde aan groei – om na vele eeuwen een zogenaamde râja-zon te worden, wat betekent een ‘koninklijke zon’, die de zon is over vele zonnen.

Vraag — Dat vind ik prachtig!

Commentaar — Ons zonnestelsel is niet het enige in ons melkwegstelsel; er zijn in werkelijkheid ontelbare zonnen, weet je, die alle met één râja-zon zijn verbonden. Als onze eigen zon alles heeft bereikt wat in zijn planetenfamilie mogelijk is, kan hij de zon worden van een ander, groter stelsel, hoger ontwikkeld, totdat hij een râja-zon wordt met vele zonnefamilies die deel uitmaken van zijn wezen.
   Vraag — Er komt geen einde aan – onze zon brengt het licht naar de aarde, en dan zijn er andere zonnen, hoger dan de onze, die . . .

Commentaar — . . . het leven naar onze zon brengen. Dat is juist, zo gaat het tot in het oneindige. Het is een eindeloze keten van doorgeven van de goddelijke levenskracht aan alles wat in de ruimte leeft.

Vraag — Ik begrijp er nu heel wat meer van. De bijbel en God en Jezus – dat is precies als deze oude leringen, alleen is er een soort verhaal van gemaakt, met God die het leven geeft aan de aarde en aan de mensen.

Commentaar — Ja, dat is zo. We kunnen natuurlijk alles wat in de bijbel staat letterlijk opvatten; maar als we dat deden, zouden we moeten geloven dat de wereld in zes dagen van vierentwintig uur werd geschapen, en zouden we ook moeten aannemen dat er een hemel en een hel is, terwijl dit alles volgens ons niet juist is. Als we de bijbel echter in spirituele zin verklaren, lezen we de verhalen als symbolen van de werkelijke leringen over het leven, als symbolische voorstellingen van geestelijke beginselen die in de natuur werken, en dan krijgen we de juiste antwoorden. Als je de bijbel en ook de heilige geschriften van andere volkeren wat meer gaat bestuderen, en eens ga je dat misschien doen, zal je beter begrijpen hoe je deze beginselen moet toepassen.
   De mogelijkheden en gelegenheden tot groei zijn onbegrensd. De ruimte is oneindig, zodat er plaats genoeg is voor reeksen heelallen en melkwegstelsels en nog meer melkwegstelsels. En al deze heelallen en melkwegstelsels hebben hun perioden van actief bestaan en van rust, evenals mensen. Eenmaal zal ons zonnestelsel een rustperiode ingaan en zal al zijn levenskracht en bewustzijn zich terugtrekken. Daarna zal het worden herboren, en misschien zal de goddelijke intelligentie achter de zon zich belichamen in een ander aspect dan we nu zien. Dat hangt ervan af. Men heeft de periode waarin een zon leeft manvantara genoemd, wat het Sanskrietwoord is voor een cyclus van activiteit, terwijl de rustperiode pralaya heet. Wanneer het zonnestelsel opnieuw wordt geboren, zal dit een volgend manvantara of nieuwe levensperiode zijn, zoals ook wij onze verschillende levens hebben. Men kan het enigszins vergelijken met onze dagen van activiteit en onze nachten van slaap. Er heeft eens iemand gezegd: Slaap is een kleine dood, dood een grote slaap. En zo is het.

Vraag — Denkt u niet dat toen de bijbel werd geschreven, het werkelijk de bedoeling was dat men hem zou lezen om de geest ervan te begrijpen? Natuurlijk lezen sommige mensen hem letterlijk, maar dan kom je tot al die dingen die zo moeilijk te volgen zijn. Ik denk dat het van de lezer afhangt.

Commentaar — De grote leraren hebben zelf nooit iets geschreven en dat maakt de zaak zo moeilijk. Sommige mensen denken dat God de bijbel schreef, maar God heeft hem niet geschreven. Neem het Oude Testament. Een groot leraar gaf deze leringen mondeling door en later heeft iemand anders ze opgeschreven; en hetzelfde geldt voor het Nieuwe Testament. Het waren de discipelen of misschien zelfs hun volgelingen die optekenden wat Jezus zou hebben onderwezen. Daarom hebben wij, als de leringen eindelijk op schrift zijn gesteld, alleen maar de interpretatie of opvatting van anderen, en dat hoeft nog niet te zijn wat de leraar werkelijk heeft bedoeld. Als we daarom de geschriften van een religie bestuderen, is het van groot belang dat we proberen de geest te verstaan achter de woorden die werden gebruikt.
    Ieder mens zal eens tot het besef komen dat wat hij innerlijk is het belangrijkste is, en dat de antwoorden die wij zelf uitwerken de beste zijn. Het was nooit de bedoeling dat enig geloof of mens zich zou stellen tussen jou en de Vader binnenin je, tussen jou en die goddelijke vonk van intelligentie, want dat is jouw heiligdom. Je moet daarom ook niets geloven van wat ik zeg, tenzij je voelt dat het juist is en iets binnenin je zegt: ‘Zo denk ik er ook over’. Is dit niet het geval, geloof het dan niet.
    Ik heb je vragen zeker op prijs gesteld, en ik hoop dat wat ik heb gezegd je een beetje heeft geholpen. Misschien kunnen we nog eens bij elkaar komen.


Mens, Vonk der Eeuwigheid, James A. Long, blz. 119-33

© 2000 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag