Occulte verhalen
H.P. Blavatsky en W.Q. Judge

isbn 9789070328733, paperback, bestel boek

Uit deze uitgave mag alleen met toestemming van de uitgever iets worden overgenomen.

© 2010  Theosophical University Press Agency

 

 
      Inhoudsopgave     
 
Karmische visioenen
 

 [‘Karmische visioenen’ is een verhaal over reïncarnatie. Clovis (ca. 461-511), koning van de Franken, doodt een door hem gevangengenomen vrouw door haar keel met een speer te doorboren. Ze spreekt de vloek over hem uit dat de ondraaglijke pijn hem tienvoudig zal treffen. Hij wordt wedergeboren als Frederik III van Duitsland, die in 1888 stierf aan keelkanker na slechts 99 dagen te hebben geregeerd.

Bij het beantwoorden van een vraag over dromen verwijst H.P. Blavatsky naar dit verhaal: ‘Onze ‘dromen’, die slechts de waaktoestand en de handelingen van het ware zelf zijn, moeten natuurlijk ergens worden opgetekend. Lees ‘Karmische visioenen’ in Lucifer, en let op de beschrijving van het werkelijke ego, dat aanwezig is als een toeschouwer van het leven van de held en misschien zal u iets opvallen.’ (H.P. Blavatsky, Een Toelichting op de Geheime Leer, Stanza’s I-IV, Aanhangsel over dromen, blz. 59-60.)]

 

Oh sad No more! Oh sweet No More!
Oh strange No More!
By a mossed brookbank on a stone
I smelt a wildweed-flower alone;
There was a ringing in my ears,
And both my eyes gushed out with tears.
Surely all pleasant things had gone before,
Lowburied fathomdeep beneath with thee, NO MORE!
                – Tennyson (The Gem, 1831)

 

1

Een legerkamp vol strijdwagens, hinnikende paarden en legioenen langharige soldaten.

Een koninklijke tent, protserig in zijn barbaarse pracht. De linnen wanden buigen door onder het gewicht van wapens. In het midden ervan staat op een verhoging een met huiden bedekte zetel en daarop zit een stoere, er woest uitziende krijger. Hij laat krijgsgevangenen die een voor een aan hem worden voorgeleid, de revue passeren. En er wordt over hen beschikt naar de willekeur van de harteloze despoot.

Een nieuwe gevangene staat nu voor hem en spreekt hem ernstig en hartstochtelijk toe. Terwijl hij haar aanhoort, laat zijn mannelijke, maar woeste en wrede gelaat een onderdrukte hartstocht zien, terwijl hij woedend zijn bloeddoorlopen ogen laat rollen. En als hij zich met felle blik vooroverbuigt, rechtvaardigt zijn hele uiterlijk – zijn verwarde haren die over de gefronste wenkbrauwen hangen, zijn zwaargebouwde lichaam met de sterke pezen, en de twee grote handen die rusten op het schild op zijn rechterknie – de opmerking die een grijzende soldaat nauwelijks hoorbaar tot zijn buurman fluistert:

‘De heilige profetes zal weinig genade van Clovis ontvangen!’

De gevangene die tussen twee Bourgondische krijgers staat, kijkt de ex-vorst van de Saliërs, nu koning van alle Franken, aan. Zij is een oude vrouw met zilverwit haar, dat los over haar benige schouders hangt. Ondanks haar hoge leeftijd staat ze rechtop en haar bezielde donkere ogen kijken trots en zonder angst in het wrede gezicht van de onbetrouwbare zoon van Gilderik.

‘Ja, koning,’ zegt ze met luide schallende stem, ‘ja, u bent nu groot en machtig, maar uw dagen zijn geteld, en u zult nog maar drie zomers heersen. Als een verdorven mens werd u geboren . . . trouweloos bent u tegenover uw vrienden en bondgenoten, meer dan één heeft u beroofd van zijn rechtmatige troon. Moordenaar van uw naaste familie, u die naast het mes en de speer tijdens de openlijke oorlogvoering, dolk en vergif gebruikte en verraad pleegde, pas op hoe u de dienares van Nerthus (1) behandelt!’

‘Ha, ha, ha! oude heks uit de hel!’ grinnikt de koning met een boosaardige, onheilspellende grijns. ‘Werkelijk, u bent uit de ingewanden van uw moedergodin gekropen. U bent niet bang voor mijn toorn? Het is goed. Maar ik hoef niet de minste angst te hebben voor uw onbetekenende verwensingen. Ik ben een gedoopt christen!’

‘Zo, zo’, antwoordt de sibille. ‘Ieder weet dat Clovis de goden van zijn vaderen ontrouw is geworden; dat hij alle geloof heeft verloren in de waarschuwende stem van het witte paard van de zon en dat hij uit angst voor de Alemannen op zijn knieën Remigius, de dienaar van de Nazarener, ging dienen in Reims. Maar bent u iets oprechter geworden in uw nieuwe geloof? Heeft u niet zowel voor als na uw geloofsverzaking al uw broeders die vertrouwen in u hadden koelbloedig vermoord? Heeft u niet trouw beloofd aan Alarik, de koning van de Westgoten, en heeft u hem niet heimelijk gedood, en de speer in zijn rug gestoten toen hij dapper een vijand bevocht? En is het uw nieuwe geloof en zijn het uw nieuwe goden die u nu leren in uw zwarte ziel boze plannen te beramen tegen Theoderik die u heeft onderworpen? Pas op, Clovis, pas op! Want nu zijn de goden van uw vaderen tegen u opgestaan! Pas op, zeg ik, want . . .’

‘Vrouw!’ schreeuwt de koning woest. ‘Vrouw, hou op met uw onzinnige gepraat en geef antwoord op mijn vraag. Waar is de schat van het heilige bos, vergaard door de priesters van Satan en verborgen nadat ze waren verdreven door het heilige kruis? U alleen weet het. Antwoord, of ik zal, bij hemel en hel, uw boze tong voor altijd in uw keel stoten.’

Ze let niet op het dreigement, maar gaat rustig en onbevreesd voort als tevoren, alsof ze het niet had gehoord.

‘De goden zeggen, Clovis, u bent vervloekt! Clovis, u zult worden wedergeboren te midden van uw huidige vijanden en u zult de martelingen ondergaan die u uw slachtoffers heeft aangedaan. Alle macht en roem die u aan hen heeft ontroofd, zullen u in het vooruitzicht worden gesteld, toch zult u die nooit bereiken!’ U zult . . . ’

De profetes maakt haar zin nooit af.

De koning, ineenduikend als een wild dier op zijn met huiden bedekte zetel, stort zich met een vreselijke vloek op haar, met een sprong als van een jaguar, en slaat haar met één klap tegen de grond. En als hij zijn scherpe moordende speer opheft, doet de ‘heilige’ van de zon-vererende stam de lucht weergalmen van een laatste verwensing:

‘Ik vervloek u, vijand van Nerthus! Moge mijn ondraaglijke pijn tienvoudig over u komen! Moge de grote wet zich wreken. . . .’

De zware speer doorboort de keel van het slachtoffer en spiest haar hoofd aan de grond. Warm rood bloed gutst uit de gapende wond en bedekt de koning en de soldaten met niet weg te wassen geronnen bloed.

 

2

De tijd – een baken voor goden en mensen in het grenzeloze gebied van de eeuwigheid, de moordenaar van zijn nakomelingen en van herinnering bij de mens – de tijd gaat stil en onophoudelijk voort gedurende eeuwen en eonen. Te midden van miljoenen andere zielen wordt een ziele-ego herboren; ten goede of ten kwade, wie zal het zeggen! Deze is gevangen in zijn nieuwe menselijke vorm en groeit daarin mee; en samen worden ze zich ten slotte bewust van hun bestaan.

Gelukkig zijn de jaren van hun bloeiende jeugd, zonder een wolkje aan de lucht, zonder gemis of leed. Geen van beide weet iets van het verleden of van de toekomst. Voor hen is alles het vreugdevolle heden, want het ziele-ego is zich niet ervan bewust dat het ooit in andere menselijke tabernakels heeft geleefd; het weet niet dat het zal worden wedergeboren en denkt niet aan morgen.

Zijn vorm is kalm en tevreden. Tot nu toe heeft hij zijn ziele-ego geen problemen bezorgd. Zijn geluk is te danken aan de voortdurende zachte en rustige vrede van zijn stemming, aan de liefde die hij overal verspreidt waar hij gaat. Want hij is een edele vorm en zijn hart is vol welwillendheid. Nooit heeft de vorm zijn ziele-ego door een te hevige schok verontrust, of op een andere manier de kalme rust van zijn bewoner verstoord.

Veertig jaren glijden voorbij als een korte pelgrimstocht, een lange wandeling over de zonverlichte paden van het leven, omheind door altijdbloeiende rozen zonder doornen. De enkele gevallen van verdriet die het tweelingpaar, vorm en ziel, ervaart, schijnen hun meer toe als het bleke licht van de koude noordelijke maan, waarvan de stralen alles rondom de door de maan beschenen voorwerpen in een diepere schaduw dompelen, dan van de nachtelijke duisternis, de nacht van hopeloze smart en wanhoop.

Zoon van een vorst, geboren om eens zelf zijn vaders koninkrijk te besturen, vanaf de wieg omringd door ontzag en eerbetoon, recht hebbend op algemene eerbied, en zeker van de liefde van allen – wat zou het ziele-ego meer kunnen verlangen voor de vorm waarin het woont?

En zo gaat het ziele-ego voort te genieten van zijn bestaan in zijn vesting van macht, rustig starend naar het panorama van het leven dat steeds verandert voor zijn twee vensters – de twee vriendelijke blauwe ogen van een liefhebbende en goede man.

 

3

Op een dag bedreigt een arrogante en onstuimige vijand het koninkrijk van de vader, en de wrede instincten van de krijgsman uit het verleden ontwaken in het ziele-ego. Het verlaat zijn dromenland midden in de bloei van het leven. Die instincten zorgen ervoor dat zijn stoffelijk omhulsel het zwaard van de strijder trekt, en overtuigen hem ervan dat het voor de verdediging van zijn land is.

Ze sporen elkaar aan tot actie, verslaan de vijand en overladen zich met roem en hebben een hoge dunk van zichzelf. Ze laten de hooghartige vijand in uiterste vernedering in het stof bijten. Voor hun moed worden ze door de geschiedenis beloond met de onverwelkbare lauweren van het succes. Ze lopen de gevallen vijand onder de voet en transformeren het kleine koninkrijk van hun keizer tot een groot rijk. Ze zijn tevreden dat ze voorlopig niet méér kunnen bereiken, en keren terug naar de beslotenheid en naar het dromenland van hun eigen vertrouwde thuis.

Nog vijftien jaar zit het ziele-ego op zijn gewone post, en kijkt uit zijn vensters naar de wereld om hem heen. Boven zijn hoofd is de hemel blauw en de uitgestrekte horizon is bedekt met de schijnbaar onverwelkbare bloemen die groeien in het zonlicht van gezondheid en kracht. Alles ziet er mooi uit zoals een groene weide in de lente.

 

4

Maar er komt voor ieder een kwade dag in het drama van het bestaan. Hij komt in het leven van koning of bedelaar. Hij laat sporen na in de geschiedenis van iedere sterveling die uit een vrouw is geboren; hij kan niet worden verjaagd, afgesmeekt, noch gunstig gestemd. Gezondheid is een dauwdruppel die uit de hemel valt om alleen tijdens de jeugd van het leven, zijn lente en zomer, de bloesems op aarde te verlevendigen. Zij is maar van korte duur en keert terug vanwaar ze kwam – de onzichtbare rijken.

Hoe vaak liggen onder de schoonste knop,
In de kiem de zaden van kanker op de loer!
Hoe vaak is aan de voet van de zeldzaamste bloem
De worm aan het werk, veilig in zijn schuilplaats.

Het zand dat in de zandloper, waarin de uren van het leven van de mens worden geteld, naar beneden loopt, vloeit sneller. De worm heeft aan het hart van de bloesem van gezondheid geknaagd. Op een dag ligt het sterke lichaam languit op het doornige bed van de pijn.

Het ziele-ego straalt niet langer. Het zit stil en uit wat de vensters van zijn gevangenis zijn geworden, ziet hij treurig uit over de wereld, die nu snel bezig is zich te hullen in het doodskleed van het lijden. Is het het begin van een eeuwige nacht die nadert?

 

5

Fraai zijn de badplaatsen aan de Middellandse Zee. Een eindeloze reeks zwarte, ruwe rotsen strekt zich in de branding uit, ingesloten tussen het gouden zand van de kust en het diepblauwe water van de baai. Hun granieten voorkant offert zich op aan de felle noordwestenwind en beschermt zo de huizen van de rijken die aan de voet ervan aan de landzijde liggen weggedoken. De bouwvallige huisjes aan de kust zijn blootgesteld aan de wind en bieden de armen onvoldoende beschutting. Hun verwaarloosde lichamen worden vaak verpletterd onder de muren die door de wind en de woedende golven zijn afgebrokkeld en weggespoeld. Maar ze volgen slechts de grote wet van het overleven van de sterksten. Waarom zouden zij worden beschermd?

Heerlijk is de ochtend wanneer de zon opkomt met gouden ambertinten en haar eerste stralen de rotswanden strelen van die prachtige kust. Vrolijk is het gezang van de leeuwerik, wanneer hij opstijgt uit zijn warme nest van gras en de morgendauw drinkt uit de diepe bloemkelken; wanneer de knop van de roos trilt onder de liefkozing van de eerste zonnestraal, en hemel en aarde elkaar glimlachend begroeten. Alleen het ziele-ego is bedroefd als het van zijn hoge rustbed tegenover het wijde venster dat uitziet op de baai de ontwakende natuur gadeslaat.

Hoe kalm nadert de zon haar hoogste punt terwijl de schaduw op de zonnewijzer langzaam naar het rustuur kruipt! Nu begint de warme zon de wolken op te lossen in de heldere lucht en de laatste flarden ochtendmist die in de verte nog rond de toppen van de heuvels hangen, verdwijnen erin. De hele natuur maakt zich gereed om op het warme en trage middaguur te rusten. De vogels staken hun gezang; ze laten hun zachte bonte vleugels en hun slaperige kopjes hangen, en zoeken bescherming tegen de brandende hitte. Een vroege leeuwerik is bezig een nest te bouwen in de aangrenzende bosjes onder de trosbloemen van de granaatappel aan de lieflijke baai van de Middellandse Zee. De bedrijvige zanger is stilgeworden.

‘Zijn stem zal morgen weer even vrolijk klinken!’ zucht het ziele-ego, terwijl het luistert naar het wegstervende gezoem van de insecten op het groene grasveld. ‘Zal de mijne ooit opnieuw klinken?’

En nu brengt de naar bloemen geurende bries de lome toppen van de weelderige planten nauwelijks in beweging. Dan valt het oog van het ziele-ego op een eenzame palmboom, die groeit uit een spleet in een met mos bedekte rots. Zijn eens rechtopgaande cilindrische stam is totaal verwrongen en half gebroken door de nachtelijke windstoten uit het noordwesten. Als hij zijn vermoeid neerhangende gevederde armen uitstrekt en heen en weer slingert in de kristalheldere blauwe lucht, trilt zijn lichaam en dreigt doormidden te breken bij de eerstvolgende windvlaag die kan opkomen.

‘En dan zal het afgerukte stuk in zee vallen en de eens zo statige palm zal niet meer zijn’, zegt het ziele-ego in zichzelf, terwijl het treurig uit zijn vensters staart.

Bij het ondergaan van de zon komt alles weer tot leven in de koele, oude buitenplaats. De schaduwen op de zonnewijzer worden elk ogenblik breder en in de koeler wordende uren van de naderende avond ontwaken alle levende wezens meer dan ooit tot een drukke activiteit. Vogels en insecten kwetteren en zoemen hun laatste avondhymnen rond de lange en nog krachtige vorm, als hij langzaam en moeizaam op het grindpad loopt. En zijn ernstige blik valt weemoedig op de azuren boezem van de kalme zee. De baai glinstert als een blauwfluwelen tapijt dat met edelstenen is bezet in de zonnestralen die tot afscheid dansen, en glimlacht als een gedachteloos slaperig kind, vermoeid van het heen en weer rennen. Verderop, kalm en onbewogen in haar verraderlijke schoonheid, strekt de open zee als een gladde spiegel haar koele wateren wijd en zijd uit – zout en bitter als menselijke tranen. Ze ligt in haar verraderlijke rust als een prachtig slapend monster, wakend over het niet gepeilde mysterie van haar donkere afgronden. In feite het monumentloze kerkhof van de miljoenen die in haar diepten verzonken . . .

Zonder graf, zonder gelui van de doodsklok,
zonder kist en onbekend . . . (2)

terwijl het armzalig overblijfsel van de eens zo edele vorm die ginds voortstapt, zodra zijn uur zal slaan en de zware klanken van de doodsklok zullen klinken voor de scheidende ziel, met pracht en praal zal worden uitgedragen. Zijn dood zal worden aangekondigd door miljoenen bazuinen. Koningen, prinsen en de machtigen van de aarde zullen aanwezig zijn bij zijn uitvaart, of zullen hun vertegenwoordigers zenden met droevige gezichten en condoleantieberichten voor hen die achterbleven.

‘Eén punt gewonnen op deze ongekisten en onbekenden’, is de bittere gedachte van het ziele-ego.

Zo glijdt de ene dag na de andere voorbij. En terwijl de vliedende tijd gehaast voortsnelt en ieder verdwijnend uur een draad in het weefsel van het leven vernietigt, krijgt het ziele-ego geleidelijk een ander inzicht in de dingen en de mensen. Heen en weer zwevend tussen twee eeuwigheden, ver van zijn geboorteplaats, eenzaam te midden van een menigte artsen en bedienden, wordt de vorm iedere dag nader tot zijn ziele-ego getrokken. Een ander licht, dat niet wordt benaderd en onbereikbaar is in dagen van vreugde, daalt zachtjes neer op de vermoeide gevangene. Hij ziet nu wat hij nooit tevoren had waargenomen.

 

6

Wat groots, wat mysterieus zijn lentenachten aan de zeekust wanneer de winden zijn geketend en de elementen tot rust gebracht! Een plechtige stilte heerst in de natuur. Alleen het geluid van de zilverige, nauwelijks hoorbare rimpeling van de golf als ze strelend over het vochtige zand vloeit en de schelpen en kiezelsteentjes bij het op- en afgaan kust, bereikt het oor als de zachte, regelmatige ademhaling van een slapende boezem. Hoe klein, hoe onbeduidend en hulpeloos voelt de mens zich in deze stille uren wanneer hij staat tussen de twee reusachtige grootheden, de sterrenkoepel boven en de sluimerende aarde beneden. Hemel en aarde zijn in slaap gedompeld, maar hun zielen waken en ze spreken met elkaar en fluisteren elkaar onuitsprekelijke mysteries toe. Op die momenten licht de occulte kant van de natuur haar donkere sluiers voor ons op en onthult ons geheimen die we overdag vergeefs aan haar zouden proberen te onttrekken. Het verre uitspansel, zo ver weg van de aarde, schijnt nu naderbij te komen en zich over haar heen te buigen. De sterrenweiden omarmen haar meer bescheiden zusters op aarde – de valleien bedekt met madeliefjes en de groene sluimerende velden. De hemelkoepel werpt zich in de armen van de grote, kalme zee; en de miljoenen sterren waarmee deze is bezaaid weerspiegelen en baden zich in ieder meertje of plas. Voor de ziel met diepe sporen van verdriet zijn deze fonkelende hemellichamen de ogen van engelen. Ze kijken met onuitsprekelijk medelijden neer op de lijdende mensheid. Niet de nachtelijke dauw valt op de slapende bloemen, maar tranen van sympathie, die uit die ogen druppelen bij het zien van het GROTE MENSELIJKE LEED.

Ja, heerlijk en schoon is een nacht in het zuiden. Maar

Wanneer we zwijgend waken bij het bed, bij het flikkerend licht van een kaars,
Wanneer al wat we liefhebben snel verdwijnt hoe vreselijk is dan de nacht.

 

7

 Nog een dag wordt toegevoegd aan de reeks dagen die voorbij zijn. De groene heuvels in de verte en de geurende takken van de granaatappel zijn opgelost in de zachte schaduwen van de nacht en beide, zorg en vreugde, worden gedompeld in een diepe slaap waarin de ziel rust. Elk geluid is weggestorven in de koninklijke tuinen, en stem noch geluid wordt gehoord in die overweldigende stilte.

Dromen dalen met zachte vleugelslag in een bonte menigte neer van de lachende sterren, en op aarde aangekomen verspreiden ze zich over stervelingen en onsterfelijken, te midden van dieren en mensen. Ze zweven over de slapers, elk aangetrokken door overeenkomst en verwantschap; dromen van vreugde en hoop, heilzame en onschuldige visioenen, verschrikkelijke en vreselijke taferelen, gezien met gesloten ogen, gevoeld door de ziel; sommige geluk en troost brengend, andere geven aanleiding tot gesnik dat de slapende borst doet zwellen, tranen en geestelijke kwelling, maar die alle zonder dat de slapenden het weten hun waakgedachten voor de volgende ochtend voorbereiden.

Zelfs in de slaap vindt het ziele-ego geen rust.

Zijn lichaam woelt heet en koortsig rond, rusteloos gekweld. Voor hem is de tijd van gelukkige dromen nu een voorbije schaduw, een herinnering aan lang geleden. Door de mentale foltering van de ziel ligt daar een herschapen mens. Door de fysieke marteling van het lichaam zweeft daarin een volkomen ontwaakte ziel. De sluier van illusie is weggevallen van de koude afgoden van de wereld en de ijdelheden van roem en weelde staan naakt en vaak weerzinwekkend voor zijn ogen. De gedachten van de ziel vallen als donkere schaduwen op het denkvermogen van het snel ontbindende lichaam; ze achtervolgen de denker elke dag, elke nacht, elk uur.

Het zien van zijn briesend paard schenkt hem niet langer genoegen. De herinneringen aan geweren en vaandels aan de vijand ontrukt, aan steden die met de grond zijn gelijkgemaakt, aan loopgraven, kanonnen en tenten, aan een reeks buitgemaakte dingen – dit alles wekt zijn nationale trots nog maar weinig op. Het denken aan zulke dingen grijpt hem niet meer aan en eerzucht heeft geen macht meer om in zijn gepijnigde hart de trotse erkenning op te roepen van een of andere dappere, ridderlijke daad. Visioenen van een andere soort kwellen nu zijn vermoeiende dagen en slapeloze nachten.

Wat hij nu ziet is een menigte tegen elkaar kletterende bajonetten in een mist van rook en bloed; duizenden verminkte lijken die de grond bedekken; ze zijn verscheurd en in stukken gesneden door de moorddadige wapens ontworpen door de wetenschap en de beschaving, gezegend om te overwinnen door de dienaren van zijn God. Waar hij nu van droomt zijn bloedende, gewonde en stervende mannen, met ontbrekende ledematen en verwarde haren, vochtig en doordrenkt van geronnen bloed.

 

8

Een afschuwelijke droom maakt zich los van een groep voorbijgaande visioenen en strijkt zwaar neer op zijn pijnlijke borst. De nachtmerrie toont hem mannen die op het slagveld sterven en degenen vervloeken die hen naar hun vernietiging voerden. Iedere pijnscheut in zijn eigen wegkwijnende lichaam brengt hem in zijn droom de herinnering aan nog erger pijnen, aan kwellingen door hem en voor hem geleden. Hij ziet en voelt de marteling van de gevallen miljoenen die sterven na lange uren van mentale en fysieke doodsstrijd; die sterven in bossen en op vlakten, langs de weg in sloten met stilstaand water, in plassen bloed onder een hemel, zwart van rook. Zijn ogen worden opnieuw gevestigd op de stromen bloed, waarvan iedere druppel een traan van wanhoop vertegenwoordigt, een hartverscheurende kreet, een levenslang verdriet. Hij hoort weer de doordringende zuchten van wanhoop en de schrille kreten die klinken over berg, bos en dal. Hij ziet oude moeders die het licht van hun ziel hebben verloren, families die hun kostwinner moeten missen. Hij aanschouwt tot weduwe gemaakte jonge vrouwen overgeleverd aan een wijde, kille wereld, en tot de bedelstaf gebrachte wezen die bij duizenden in de straten jammeren. Hij ziet de jonge dochters van zijn dapperste vroegere soldaten als ze hun rouwkleed verwisselen voor de opzichtige uitdossing van een prostituee; en het ziele-ego huivert in zijn slapende vorm. Zijn hart wordt verscheurd door het gekreun van de uitgehongerden, zijn ogen verblind door de rook van de brandende dorpjes, van verwoeste huizen, van steden die tot smeulende ruïnes zijn geworden.

In zijn verschrikkelijke droom herinnert hij zich dat ogenblik van waanzin in zijn soldatenleven, toen hij bij een stapel doden en stervenden stond en in zijn rechterhand zwaaide met een ontbloot zwaard, dat tot het gevest rood was met dampend bloed, en in zijn linkerhand het vaandel hield dat hij uit de hand van de krijgsman had gerukt die aan zijn voeten de laatste adem uitblies; hij had toen met een stentorstem loftuitingen naar de troon van de Almachtige gezonden, dankzeggingen voor de overwinning die zojuist was behaald!

Hij schrikt op uit zijn slaap en wordt vol afgrijzen wakker. Een hevige siddering doet zijn lichaam trillen als een espenblad; als hij in de kussens terugzinkt en door de herinnering met walging wordt vervuld, hoort hij een stem – de stem van het ziele-ego – in hem zeggen:

‘Roem en overwinning zijn ijdele woorden. Dankzeggingen en gebeden voor verwoeste levens – verderfelijke leugens en lasterlijke woorden!’

‘Wat hebben ze jou of je vaderland gebracht, die bloedige overwinningen!’ fluistert de ziel in hem. ‘Een bevolking gekleed in ijzeren wapenrusting’, antwoordt deze. ‘Veertig miljoen mensen, nu ongevoelig voor elke geestelijke aspiratie en voor het zielenleven. Een volk dat van nu af aan doof is voor de vredige stem van de plicht van de eerlijke burger, afkerig van een leven van vrede, blind voor kunst en literatuur, onverschillig voor alles, behalve voor winst en eerzucht. Wat is jouw toekomstige koninkrijk nu? Een legioen oorlogsmarionetten die samen een groot wild beest vormen. Een beest dat nu, evenals de zee daarginds, zwaarmoedig sluimert, alleen om zich met des te meer razernij te storten op de eerste de beste vijand die het wordt aangewezen. Aangewezen door wie? Het is alsof een harteloze, trotse demon, die plotseling de macht grijpt, vleesgeworden ambitie en macht, de geesten van een heel land in een ijzeren greep hield. Door welke verderfelijke betovering heeft hij het volk teruggebracht tot die eerste tijden van de natie, toen hun voorvaderen, de blondharige Sueven en de onbetrouwbare Franken rondzwierven, strijdlustig van geest, vurig verlangend te doden, elkaar te vernietigen en te onderwerpen. Door welke helse machten is dit tot stand gebracht? De verandering is niettemin teweeggebracht en het is even onomstotelijk als het feit dat alleen de duivel zich verheugt en pocht op de teweeggebrachte verandering. De hele wereld is in ademloze afwachting tot zwijgen gebracht. Geen echtgenote of moeder die niet in haar dromen wordt achtervolgd door de donkere en onheilspellende wolk die over heel Europa hangt. De wolk nadert. Ze komt steeds dichterbij. O wee en afgrijzen! Ik voorzie voor de aarde nogmaals het lijden waarvan ik al getuige ben geweest. Ik lees het fatale noodlot op het gelaat van de bloem van Europa’s jeugd! Maar als ik zou leven en de macht zou hebben, nooit, o nooit zal mijn land daaraan weer deelhebben! Nee, nee, ik wil niet zien

de gulzige dood, volgepropt met verslonden levens.

Ik wil niet horen

kreten van beroofde moeders,
terwijl uit afschuwelijke gapende wonden
het worstelend leven van de mannen
sneller wegstroomt dan het bloed!

 

9

Sterker en sterker groeit in het ziele-ego het gevoel van intense afkeer van de vreselijke slachting, oorlog genoemd. Dieper en dieper drukt het zijn gedachten af op de vorm die hem gevangen houdt. Soms ontwaakt de hoop in de lijdende borst en kleurt de lange uren van eenzaamheid en overdenking; zoals de stralen van de morgenzon de donkere schaduwen van moedeloosheid verlicht, zo verlicht de hoop de lange uren van eenzame overdenking. Maar zoals de regenboog niet altijd de stormwolken verdrijft, maar vaak alleen ontstaat door straalbreking van de ondergaande zon op een voorbijgaande wolk, zo worden de ogenblikken van dromerige hoop gewoonlijk gevolgd door uren van nog zwarter wanhoop. Waarom, o waarom, spottende Nemesis, heeft u aldus hem gezuiverd en verlicht onder alle heersers op deze aarde, die u hulpeloos heeft gemaakt, stom en machteloos? Waarom heeft u de vlam van heilige broederlijke liefde voor de mens doen ontbranden in de borst van iemand, van wie het hart al de nadering voelt van de ijzige hand van dood en verval, en die zijn kracht geleidelijk verliest en van wie het leven zelf verdwijnt als het schuim op de top van de brekende golf?

En nu ligt de hand van het lot op de pijnbank. Het uur voor de vervulling van de natuurwet heeft eindelijk geslagen. De oude [koning] is niet meer; de jongere man is vanaf nu een vorst. Hoewel stom en hulpeloos, is hij niettemin een absoluut heerser, de autocratische meester van miljoenen onderdanen. Het wrede lot heeft een troon voor hem opgericht boven een open graf en wenkt hem tot roem en macht. Terwijl hij wordt verteerd door lijden, ziet hij zichzelf plotseling gekroond. Het wegkwijnende lichaam wordt uit het warme nest te midden van palmbossen en rozen gerukt. Hij wordt van het milde zuiden naar het ijzige noorden gevoerd, waar wateren verharden tot bossen van kristal en ‘golf na golf oprijst tot harde bergen’, waarheen hij nu snelt om te regeren – om te sterven.

 

10

Voort, steeds vooruit snelt het zwarte vuurspuwende monster, uitgevonden door de mens om gedeeltelijk te zegevieren over ruimte en tijd. Vooruit en ieder ogenblik verder van het heilzame milde zuiden snelt de trein. Evenals de vuurspuwende draak verslindt hij afstanden en laat een lang spoor van rook, vonken en stank achter zich. En terwijl zijn lange, buigzame lichaam kronkelend en sissend als een reusachtig donker reptiel snel voortglijdt, en berg en heide, bos, tunnel en vlakte doorkruist, wiegt het geluid van zijn eentonige schommelende beweging de uitgeputte reiziger, de doodvermoeide, zielsbedroefde vorm, in slaap.

In het bewegende paleis is de lucht warm en geurig. Het luxueuze voertuig staat vol exotische planten, en uit een grote bos zoetgeurende bloemen rijst tegelijk met de geur ervan de koningin van dromen op met een gevolg van vrolijke elfen. De dryaden lachen in hun bladerrijke priëlen terwijl de trein voortglijdt, en zenden drijvende op de bries dromen uit van groene eenzame plekken en sprookjesachtige visioenen. Het rommelende geraas van de wielen wordt geleidelijk omgevormd tot het bulderen van een verre waterval, om af te nemen tot het zilveren ruisen van een kristalhelder beekje. Het ziele-ego vliegt naar dromenland.

Het reist door eeuwen van tijd en leeft en voelt en ademt in de meest uiteenlopende vormen en personen. Nu is het een reus, een Jotun, die voortsnelt naar Muspelsheim, waar Surtur heerst met zijn vlammende zwaard.

Het strijdt zonder angst tegen een menigte monsterlijke dieren en jaagt ze op de vlucht door een enkele beweging met zijn machtige hand. Dan ziet het zichzelf in de noordelijke mistwereld, het dringt in de gedaante van een dappere boogschutter door tot in Helheim, het rijk van de dood, waar een zwarte elf aan hem een reeks van zijn levens en hun mysterieuze opeenvolging onthult. ‘Waarom lijdt de mens?’ vraagt het ziele-ego. ‘Omdat hij mens wilde worden’, is het spottende antwoord. Onmiddellijk staat het ziele-ego in de tegenwoordigheid van de heilige godin Saga. Ze zingt voor hem over de dappere daden van de Germaanse helden, over hun deugden en ondeugden. Ze toont aan het ziele-ego de machtige krijgers, gevallen door de hand van vele van zijn vroegere vormen, zowel op het slagveld als in de heilige beslotenheid van de familiekring. Het ziet zichzelf in de persoon van meisjes en vrouwen, van jonge en van oude mannen en van kinderen. Het voelt zich meer dan eens sterven in die vormen. Het sterft als een heldengeest en wordt door de medelijdende Walkuren van het bloedige slagveld teruggeleid naar het verblijf van zaligheid onder het schitterende loof van het Walhalla. Het slaakt zijn laatste zucht in een andere vorm en wordt naar het kille hopeloze gebied van berouw geslingerd. Het sluit de onschuldige ogen in zijn laatste slaap als een kind en wordt dadelijk door de schone licht-elfen meegevoerd naar een ander lichaam – de gedoemde voortbrenger van pijn en lijden. Elke keer worden de doodsnevels uiteengejaagd en verdwijnen voor de ogen van het ziele-ego, zodra het de donkere afgrond die het rijk van de levenden scheidt van het dodenrijk oversteekt. Zo wordt ‘de dood’ slechts een woord zonder betekenis voor hem, een nutteloos geluid. Telkens nemen de overtuigingen van de sterveling objectief een leven en een vorm aan voor de onsterfelijke, zodra deze een brug legt. Dan beginnen ze te vervagen en verdwijnen ze.

‘Wat is mijn verleden?’ vraagt het ziele-ego aan Urd, de oudste van de nornenzusters. ‘Waarom lijd ik?’

Ze houdt een lang perkament vast, dat ze ontrolt; het onthult een lange reeks sterfelijke wezens, en het ziele-ego herkent in elk van deze een van zijn woningen. Als hij tot de één na laatste komt, ziet hij een bloedbesmeurde hand die eindeloze wreedheden begaat en verraad pleegt; en hij huivert. Onschuldige slachtoffers rijzen rondom hem op en roepen tot Orlog om wraak.

‘Wat gaat er nu met me gebeuren?’ vraagt de ontstelde ziel aan Werdandi, de tweede van de zusters.

‘Het vonnis van Orlog wordt over uzelf uitgesproken!’ is het antwoord. ‘Maar Orlog doet niet blindelings uitspraak, zoals dwaze stervelingen doen.’

‘Wat is mijn toekomst?’ vraagt het ziele-ego wanhopig aan Skuld, de derde nornenzuster. ‘Moet die voor altijd vol tranen zijn en verstoken van hoop?’

Er komt geen antwoord. Maar de dromer voelt zich voortsnellen door de ruimte, en plotseling verandert het toneel. Het ziele-ego bevindt zich op een voor hem bekende plek, het koninklijk prieel met de zetel tegenover de geknakte palmboom. Voor hem strekken zich zoals vroeger de blauwe wateren uit, die de rotsen en klippen weerspiegelen; ook daarin ziet men een eenzame palmboom die gedoemd is snel te verdwijnen. De zachte, aangename stem van de voortdurend kabbelende golfjes krijgt nu een menselijke klank en herinnert het ziele-ego aan de geloften die meer dan eens op die plek werden gedaan. En de dromer herhaalt enthousiast de vroeger gesproken woorden.

‘Ik zal vanaf nu nooit, nooit meer voor ijdele roem of eerzucht één zoon van mijn vaderland offeren. Onze wereld is zo vol onvermijdelijke ellende, zo arm aan vreugde en geluk; moet ik dan aan haar bittere lijdenskelk de bodemloze oceaan van leed en bloed, OORLOG genoemd, toevoegen? Weg met die gedachte! Nee, nooit meer.’

 

11

Wat een vreemd gezicht en wat een verandering. De gebroken palm, die voor het geestesoog van het ziele-ego staat, heft plotseling zijn neerhangende stam op en wordt recht en groen zoals tevoren. En wat een nog groter geluk is, het ziele-ego ziet zichzelf sterker en gezonder dan ooit. Met een stentorstem zingt hij een luid en vrolijk lied naar de vier windstreken. Hij voelt een golf van vreugde en geluk in zich en schijnt te weten waarom hij gelukkig is.

Plotseling staat hij in wat lijkt op een sprookjesachtige hal, verlicht met de schitterendste lampen en gebouwd van materialen van een soort die hij nooit eerder had gezien. Hij ziet de erfgenamen en afstammelingen van alle vorsten van de wereld als één gelukkige familie in die hal verzameld. Ze dragen niet langer de tekenen van hun koninklijke waardigheid, maar hij schijnt te weten dat zij die de regerende vorsten zijn, regeren op grond van hun persoonlijke verdiensten. De grootheid van hart, de karakteradel, hun voortreffelijke eigenschappen van waarneming, wijsheid, liefde voor waarheid en rechtvaardigheid hebben hen verheven tot de waardigheid van erfgenamen van tronen, van koningen en koninginnen. De kronen, door het gezag en de genade van God, zijn afgeworpen, en zij heersen nu ‘door de genade van de goddelijke menselijkheid’, eenstemmig gekozen door erkenning van hun geschiktheid om te regeren en uit eerbiedige liefde door hun vrijwillige onderdanen.

Alles rondom hem is op vreemde wijze veranderd. Eerzucht, inhalige hebzucht of afgunst – ten onrechte vaderlandsliefde genoemd – bestaan niet meer. Wrede zelfzucht heeft plaats gemaakt voor rechtvaardig altruïsme, en koude onverschilligheid voor de behoeften van miljoenen wordt niet langer goedgekeurd door de bevoorrechte enkelingen. Nutteloze luxe, zogenaamde aanspraken – sociale en godsdienstige – deze zijn alle verdwenen. Er zijn geen oorlogen meer mogelijk, want de legers zijn afgeschaft. Soldaten zijn omgevormd tot ijverige, hardwerkende landbouwers en de hele aarde doet haar lied in hartstochtelijke vreugde weerklinken. Koninkrijken en landen om hem heen leven als broeders. Het grote, het glorieuze uur is ten slotte gekomen! Wat hij nauwelijks durfde hopen en waaraan hij nauwelijks durfde denken in de stilte van zijn lange nachten vol lijden is nu werkelijkheid geworden. De grote vloek is weggenom, en en de wereld is vergeven en verlost in haar wedergeboorte!

Hij beeft van de gevoelens van verrukking, zijn hart vloeit over van liefde en menslievendheid, en hij staat op om een vurige toespraak te houden die historisch zal zijn, als hij plotseling ziet dat zijn lichaam is verdwenen, of beter gezegd, dat het is vervangen door een ander lichaam. Ja, hij is niet meer de lange, edele gestalte die hem vertrouwd is, maar het lichaam van iemand anders, over wie hij nog niets weet. Iets donkers komt tussen hem en een sterk verblindend licht en hij ziet de schaduw van de wijzerplaat van een reusachtig uurwerk op de etherische golven. Op de onheilspellende wijzerplaat leest hij:

‘Nieuw tijdperk: 970.995 jaar na de onmiddellijke vernietiging van de laatste 2.000.000 soldaten op het slagveld op het westelijk halfrond van de aarde door pneumo-dynovril. 971.000 zonnejaren na het verzinken van de europese vastelanden en eilanden. Zo luiden het besluit van Orlog en het antwoord van Skuld.’

Hij doet een krachtige inspanning en – is weer zichzelf. Aangespoord door het ziele-ego om zich te HERINNEREN en overeenkomstig te HANDELEN, heft hij zijn armen ten hemel en zweert ten overstaan van de hele natuur om de vrede te zullen bewaren tot het einde van zijn dagen – tenminste in zijn eigen land.

In de verte hoort hij trommels slaan en langdurig geroep van wat in zijn droomverbeelding de hartstochtelijke dankzeggingen zijn voor de gelofte die hij zojuist heeft afgelegd. Het ziele-ego voelt een plotselinge schok en hoort luid gekletter; en als hij zijn ogen opent, kijkt het ziele-ego er met verbazing doorheen. De zware blik ontmoet het respectvolle en ernstige gezicht van de arts die het gebruikelijke drankje aanbiedt. De trein stopt. Zwakker en vermoeider dan ooit staat hij op van zijn bank en ziet eindeloze rijen troepen om zich heen, gewapend met een nieuw en nog moorddadiger vernietigingswapen – gereed voor het slagveld.

 

Noten

  1. ‘De Voedende’ (Tacitus, De Germania, 40) – de Aarde, een moedergodin, de meest weldoende godheid van de oude Germanen.
  2. Byron, Childe Harold’s Pilgrimage, canto 4:179.

Occulte verhalen, blz. 119-38

© 2010 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag