Occulte verhalen
H.P. Blavatsky en W.Q. Judge

isbn 9789070328733, paperback, bestel boek

Uit deze uitgave mag alleen met toestemming van de uitgever iets worden overgenomen.

© 2010  Theosophical University Press Agency

 

 
      Inhoudsopgave     
 
Een onopgelost mysterie
 

De omstandigheden rond de plotselinge dood van Delessert, inspecteur van de veiligheidspolitie, schijnen zo’n indruk op de Parijse autoriteiten te hebben gemaakt dat ze tot in de kleinste bijzonderheden werden opgetekend. We laten hier alle details weg behalve die welke noodzakelijk zijn om de zaak te verklaren, en vertellen nu dit ongetwijfeld vreemde verhaal.

In de herfst van 1861 kwam in Parijs een man aan die zich Vic de Lassa noemde en een paspoort bezat op die naam. Hij kwam uit Wenen en zei dat hij een Hongaar was die landgoederen aan de grenzen van het Banaat bezat, niet ver van Zenta. Hij was een kleine man, vijfendertig jaar oud, en had een bleek en mysterieus gezicht, lang blond haar, een vaag, zwervend blauw oog en een opvallend vastberaden mond. Hij kleedde zich slordig en ongedwongen en sprak en praatte met weinig geestdrift. De vrouw die hem vergezelde, vermoedelijk zijn echtgenote en tien jaar jonger dan hij, was echter een opvallend mooie vrouw, van dat donkere, rijke, volle, verleidelijke, zuiver Hongaarse type dat nauw verwant is aan zigeunerbloed. In de theaters, in het Bois, in café’s, op de boulevards en overal waar men zich in Parijs in zijn vrije tijd vermaakte, trok Madame Aimée de Lassa grote aandacht en baarde opzien.

Ze woonden in een luxe appartement in de Rue Richelieu, bezochten de beste gelegenheden, ontvingen royaal en gastvrij goed gezelschap, en gedroegen zich in elk opzicht alsof ze heel rijk waren. Lassa beschikte geregeld over een flink tegoed bij Schneider, Ruter en Co., de Oostenrijkse bankiers in Rue Rivoli, en droeg opvallend schitterende diamanten.

Waarom vond de hoofdcommissaris van politie het nodig Monsieur en Madame De Lassa te verdenken, en wees hij Paul Delessert, een van zijn slimste inspecteurs, aan om hen in de gaten te houden? Het is een feit dat de onbetekenende man met zijn mooie vrouw een heel mysterieuze figuur was, en het is de gewoonte van de politie aan te nemen dat geheimzinnigheid altijd een samenzweerder, een avonturier of een charlatan verbergt. De hoofdcommissaris was tot de conclusie gekomen dat De Lassa een avonturier en ook een charlatan was. Ongetwijfeld met succes, want hij was bijzonder tactvol en had in geen enkel opzicht de loftrompet gestoken over de wonderen die hij tot taak had te verrichten. En toch was binnen enkele weken nadat hij zich in Parijs had gevestigd, de salon van De Lassa de ‘rage’, en het aantal personen dat de 100 franc toegang betaalde voor een enkele blik in zijn magische kristal, en voor een enkele boodschap via zijn geestelijke telegraaf, was werkelijk verbazingwekkend. Het geheim hiervan was dat De Lassa een illusionist en waarzegger was die aanspraak maakte op alwetendheid en van wie de voorspellingen altijd uitkwamen.

Het was voor Delessert niet moeilijk om een introductie te krijgen, en in De Lassa’s salon te worden toegelaten. De ontvangsten hadden om de dag plaats – ’s ochtends twee uur en ’s avonds drie uur. Op een avond bracht inspecteur Delessert een bezoek in zijn aangenomen rol als Flabry, expert op het gebied van juwelen en bekeerd tot het spiritisme. De mooie ontvangkamers bleken schitterend verlicht en er had zich een aantrekkelijk gezelschap van tevreden gasten verzameld, die in het geheel niet schenen te zijn gekomen om hun geluk of hun lot te beproeven en daarbij het inkomen van hun gastheer te spekken, maar veeleer om daar te zijn uit eerbied voor zijn verdiensten en talenten.

Mw. De Lassa speelde piano en sprak op een bijzonder prettige manier met de ene na de andere groep mensen, terwijl De Lassa rondliep of ging zitten op een vanzelfsprekende en onbezorgde wijze; hij zei nu en dan iets, maar leek eropuit om alles wat de aandacht trok te mijden. Bedienden brachten hapjes rond, ijs, likeur, wijn, enz., en Delessert zou kunnen denken dat hij was terechtgekomen op een bescheiden avondfeest, geheel en règle, als er niet enkele omstandigheden waren die zijn opmerkzame ogen direct opvielen.

Behalve wanneer de gastheer of gastvrouw binnen gehoorsafstand waren, praatten de gasten onderling zachtjes, nogal geheimzinnig, en niet met zoveel gelach als bij zulke gelegenheden gebruikelijk is. Van tijd tot tijd kwam een heel lange en deftige bediende naar een van de gasten en bood hem of haar met een diepe buiging een kaartje op een zilveren presenteerblad aan. De gast stond dan op en ging heen, voorafgegaan door de statige bediende; maar wanneer hij of zij in de salon terugkeerde – sommigen kwamen helemaal niet terug – hadden ze zonder uitzondering een verbijsterde blik, waren verward, verwonderd, bang of geamuseerd. Dit alles was zo onmiskenbaar echt, en De Lassa en zijn vrouw schenen daaronder zo onverschillig, om niet te zeggen er geheel buiten te staan, dat dit Delessert wel bijzonder moest treffen en het hem voor een groot raadsel stelde.

Twee of drie kleine incidenten die Delessert rechtstreeks waarnam, zijn voldoende om de aard van de indrukken die op alle aanwezigen werden gemaakt, duidelijk te maken. Een paar heren, beiden jong en van goede maatschappelijke stand, en kennelijk goede vrienden, praatten samen en tutoyeerden elkaar veelvuldig, toen de deftige bediende Alphonse ontbood. Hij lachte vrolijk – ‘Wacht nog even, waarde Auguste’, zei hij, ‘en je zult alle bijzonderheden van dit merkwaardige fortuin kennen!’ ‘Eh bien!’ antwoordde Auguste, moge de stemming van het orakel gunstig zijn. Er was nauwelijks een minuut verlopen of Alphonse keerde terug in de salon. Zijn gezicht was wit en had tekenen van opgekropte woede, wat vreselijk was om te zien. Hij liep recht op Auguste toe; zijn ogen schitterden, en, terwijl hij vooroverboog naar zijn vriend die van kleur verschoot en terugdeinsde, siste hij: ‘Monsieur Lefèvre, vous etes un lache!’ (u bent een lafaard). ‘Heel goed, Monsieur Meunier’, antwoordde Auguste op dezelfde zachte toon, ‘morgenochtend om zes uur!’ ‘Afgesproken, valse vriend, verfoeide verrader! À la mort!’ (Tot de dood) antwoordde Alphonse en vertrok. ‘Cela va sans dire!’ (Dat spreekt vanzelf) mompelde Auguste en ging naar de garderobe.

Een voorname diplomaat, vertegenwoordiger in Parijs van een naburige staat, een heer op leeftijd, zelfverzekerd en met een indrukwekkende verschijning, werd voor het orakel opgeroepen door de buigende bediende. Nadat hij vijf minuten was weggeweest, keerde hij terug en drong zich onmiddellijk door de menigte naar De Lassa die niet ver van de open haard stond, met zijn handen in de zakken en een blik van uiterste onverschilligheid op zijn gezicht. Delessert, die dichtbij stond, volgde het gesprek met grote belangstelling.

‘Het spijt me bijzonder’, zei generaal Von ––, ‘dat ik uw interessante salon zo spoedig moet verlaten, De Lassa, maar door het resultaat van mijn seance ben ik ervan overtuigd dat er is geknoeid met mijn verslagen van de krijgsverrichtingen.’ ‘Het spijt me’, antwoordde De Lassa, met een air van flauwe, maar hoffelijke belangstelling; ‘ik hoop dat u kunt ontdekken wie van uw dienaren ontrouw is geweest.’ ‘Ik ga het direct uitzoeken’, zei de generaal en voegde er veelbetekenend aan toe: ‘Ik zal ervoor zorgen dat hij en zijn medeplichtigen een strenge bestraffing niet zullen ontgaan.’ ‘Dat is de enige weg die men kan volgen, Monsieur le Comte.’ De ambassadeur staarde hem aan, boog, en vertrok met een verwarring op zijn gezicht die hij niet kon beheersen.

In de loop van de avond ging De Lassa achteloos naar de piano, en na een of ander vaag preludium speelde hij een bijzonder treffend muziekstuk, waarin het onstuimige leven en de opgewektheid van uitgelaten melodieën zich zachtjes, bijna onmerkbaar oplosten in een snikkend gejammer van spijt, lusteloosheid, vermoeidheid en wanhoop. Het werd schitterend uitgevoerd en maakte grote indruk op de gasten, onder wie één, een dame, uitriep: ‘Wat mooi, wat treurig! Heeft u dat zelf gecomponeerd, De Lassa?’ Hij keek haar een moment afwezig aan, en antwoordde toen: ‘Ik? O, nee! Dat is slechts een herinnering, madame.’ ‘Weet u, wie het componeerde, De Lassa?’ vroeg daarop een van de aanwezigen, een kenner. ‘Ik geloof dat het oorspronkelijk werd geschreven door Ptolemaeus Auletes, de vader van Cleopatra’, zei De Lassa op zijn gelijkmoedige nadenkende manier, ‘maar niet in zijn huidige vorm. Voor zover ik weet is het twee keer herschreven, maar de melodie is in wezen dezelfde.’ ‘Van wie kreeg u het, De Lassa, als ik vragen mag?’ bleef de heer aandringen. ‘Ja, zeker wel! De laatste keer hoorde ik het spelen door Sebastian Bach; maar dat was Palestrina’s – de huidige – versie. Ik geloof dat ik de voorkeur geef aan de versie van Guido van Arezzo – die is ruwer, maar heeft meer kracht. Ik ontving de melodie van Guido zelf.’ ‘U – van Guido!’ riep de verbaasde heer uit. ‘Ja, mijnheer’, antwoorde De Lassa, terwijl hij van de piano opstond met zijn gebruikelijke nonchalante manier van doen. ‘Mon Dieu!’ riep de kenner uit, terwijl hij zijn hand naar zijn hoofd bracht op de manier van Twemlow, ‘Mon Dieu! dat was in het jaar 1022.’ ‘Iets later – juli 1031, als ik het me goed herinner’, verbeterde De Lassa hoffelijk.

Op dit ogenblik boog de lange bediende voor Delessert en bood hem het dienblad met het kaartje aan. Delessert nam het op en las: ‘On vous accorde trente-cinq secondes, M. Flabry, tout au plus!’ (Er worden u hooguit vijfendertig seconden toegestaan, Flabry!) Delessert volgde; de bediende opende de deur van een andere kamer en boog opnieuw en gaf Delessert een teken om binnen te gaan. ‘Vraag niets’, zei hij kortaf. ‘Sidi is stom.’ Delessert trad de kamer binnen en de deur werd achter hem gesloten. Het was een kleine kamer, doordrongen van een sterke geur van wierook; de muren waren geheel bedekt met rode wandkleden, die de ramen verborgen, en de vloer was van dik karpet voorzien. Tegenover de deur, aan het andere einde van de kamer nabij het plafond, was de wijzerplaat van een grote klok, en daaronder stonden twee kleine tafels, elk verlicht door grote waskaarsen; op de ene tafel stond een apparaat dat sterk leek op een gewoon telegraaftoestel, op de andere een kristallen bol met een doorsnede van ongeveer vijftig centimeter die werd ondersteund door een kunstig bewerkte drievoet van een legering van goud en brons. Naast de deur stond een man, gitzwart van kleur, die een witte tulband en boernoes droeg en een soort zilveren staf in één hand vasthield. Met de andere hand nam hij Delessert bij de rechterarm boven de elleboog en leidde hem snel door de kamer. Hij wees op de klok, die een alarmsein liet horen, en daarna naar het kristal. Delessert boog zich erover, keek erin en zag – een facsimile van zijn eigen slaapkamer, alles nauwkeurig gefotografeerd. Sidi gaf hem geen tijd om iets uit te roepen, maar leidde hem, terwijl hij zijn arm nog vasthield, naar de andere tafel. Het telegraafachtige toestel begon te klikken. Sidi opende de lade, nam er een strook papier uit, stopte het in Delesserts hand en wees op de klok, die opnieuw sloeg. De vijfendertig seconden waren verstreken. Sidi, die nog altijd Delesserts arm vasthield, wees naar de deur en voerde hem erheen. De deur ging open, Sidi duwde hem naar buiten, de deur ging dicht en de lange bediende stond daar en boog – het onderhoud met het orakel was voorbij. Delessert keek naar het papier in zijn hand. Het was een bedrukte strook met hoofdletters; er stond eenvoudig op: ‘Aan Paul Delessert: De politieman is altijd welkom, de spion is altijd in gevaar!’

Delessert was een ogenblik met stomheid geslagen dat zijn vermomming was doorzien, maar de woorden van de lange bediende, ‘Deze kant alstublieft, Flabry’, brachten hem tot bezinning. Hij klemde de lippen op elkaar en keerde terug naar de salon om zonder te wachten De Lassa te spreken. ‘Kent u de inhoud hiervan?’ vroeg hij, terwijl hij de boodschap toonde. ‘Ik weet alles, Delessert,’ antwoordde De Lassa zorgeloos. ‘Dan bent u zich misschien ervan bewust, dat ik van plan ben een charlatan aan de kaak te stellen en een schijnheilige te ontmaskeren, of bij die poging om te komen?’ zei Delessert. ‘Cela m’est égal, monsieur’, antwoordde De Lassa (Dat is me onverschillig, mijnheer). ‘Dus neemt u mijn uitdaging aan?’ ‘O, is het een uitdaging?’ antwoordde De Lassa, terwijl hij zijn oog een ogenblik op Delessert liet rusten, ‘mais oui, je l’accepte!’ (zeker, ik neem haar aan!). En daarop vertrok Delessert.

Delessert ging nu aan het werk, geholpen door al de mankracht die de hoofdcommissaris van politie kon inzetten om deze volleerde tovenaar te betrappen en te ontmaskeren, die door de grovere handelwijze van onze voorvaderen gemakkelijk uit de weg zou zijn geruimd – door verbranding. Aanhoudend onderzoek gaf Delessert de overtuiging dat de man noch een Hongaar was noch De Lassa heette; dat hij, ongeacht hoe ver zijn vermogen van ‘herinnering’ zou reiken, in zijn tegenwoordige vorm in deze verdorven wereld het eerste levenslicht had aanschouwd in de stad Neurenberg waar speelgoed wordt gemaakt; dat hij als jongen bekendstond om zijn grote aanleg voor vernuftige apparaten, maar dat hij zeer wild was en een mauvais sujet (een losbol). Toen hij zestien was, ontsnapte hij naar Genève en werd leerling van een horloge- en instrumentmaker. Hier werd hij opgemerkt door de beroemde Robert Houdin, de goochelaar. Houdin, die de talenten van de jongen herkende en zelf vernuftige automaten fabriceerde, nam hem mee naar Parijs en gaf hem werk in zijn eigen werkplaats en stelde hem ook aan als assistent bij de openbare vertoningen van zijn vermakelijke en wonderlijke duivelskunsten. Nadat hij enkele jaren bij Houdin was geweest, was Pflock Haslich (dit was de ware naam van De Lassa) naar het Oosten gegaan in het gevolg van een Turkse pasja, en na jarenlange omzwervingen in landen waar hij niet kon worden gevolgd door een sluier van vele pseudoniemen, was hij ten slotte in Venetië opgedoken en vandaar naar Parijs gegaan.

Delessert richtte zijn aandacht nu op Mw. De Lassa. Het was moeilijker om aanwijzingen over haar vroegere leven te krijgen, maar het was nodig om Haslich goed genoeg te begrijpen. Ten slotte werd het door een toeval aannemelijk dat Mw. Aimée dezelfde was als een zekere Mw. Schlaff die nogal was opgevallen bij de demi-monde van Buda. Delessert begaf zich naar die oude stad en ging vandaar naar de woeste streken van Transsylvanië, naar Mengyco. Zodra hij bij zijn terugkeer de beschaving en een telegraafkantoor had bereikt, telegrafeerde hij de hoofdcommissaris vanuit Kardszag: ‘Verlies mijn man niet uit het oog en laat hem Parijs niet verlaten. Ik zal hem binnen twee dagen na mijn terugkeer voor u inrekenen.’

Toevallig was de hoofdcommissaris afwezig op de dag van Delesserts terugkeer naar Parijs, omdat hij met de keizer in Cherbourg moest zijn. Hij kwam terug op de vierde dag, juist vierentwintig uur na de aankondiging van Delesserts dood. Dat gebeurde voor zover men het nauwkeurig kon nagaan op de volgende manier: ’s Avonds na zijn terugkeer was Delessert weer in de salon van De Lassa met een toegangskaart voor een seance. Hij was volledig vermomd als een afgeleefde oude man en verbeeldde zich dat het voor niemand mogelijk was hem te herkennen. Toen hij in de kamer was geleid en in het kristal keek, raakte hij geheel vervuld van ontzetting, want hij zag daar het beeld van hemzelf, vooroverliggend op de stoep van een straat en bewusteloos; en de boodschap die hij kreeg, luidde als volgt: ‘Wat u heeft gezien, Delessert, zal binnen drie dagen gebeuren. Wees voorbereid!’ Bijzonder geschokt verliet de detective onmiddellijk het gebouw en ging naar huis.

’s Ochtends kwam hij op het bureau in een toestand van uiterste neerslachtigheid. Hij voelde zich geheel van zijn stuk gebracht. Toen hij een collega-inspecteur vertelde wat er was gebeurd, zei hij: ‘Die man kan doen wat hij belooft, ik ben gedoemd!’

Hij zei dat hij voor een rechtbank zijn zaak tegen Haslich alias De Lassa volkomen kon bewijzen, maar dat hij dat niet kon doen zonder de hoofdcommissaris te spreken en instructies te ontvangen. Hij wilde niets zeggen over zijn ontdekkingen in Buda en in Transsylvanië – hij zei dat hij niet vrij was dat te doen – en herhaaldelijk riep hij uit: ‘O! was de hoofdcommissaris maar hier!’ Men raadde hem aan naar de hoofdcommissaris in Cherbourg te gaan, maar dat weigerde hij omdat zijn aanwezigheid in Parijs nodig zou zijn. Telkens weer beweerde hij dat hij gedoemd was, en hij toonde zich weifelend en besluiteloos in zijn gedrag en uiterst nerveus. Men zei hem dat hij volkomen veilig was, want De Lassa en zijn hele huisgezin werden voortdurend in de gaten gehouden; waarop hij antwoordde: ‘U kent de man niet.’ Een inspecteur werd opgedragen Delessert dag en nacht te vergezellen en hem nooit uit het oog te verliezen en hem zorgvuldig te bewaken; en de nodige maatregelen werden genomen met betrekking tot zijn eten en drinken, terwijl de wachten, die De Lassa bewaakten, werden verdubbeld.

’s Morgens op de derde dag gaf Delessert, die hoofdzakelijk binnenshuis was gebleven, zijn besluit te kennen om de hoofdcommissaris een telegram te zenden om onmiddellijk terug te keren. Met deze bedoeling ging hij met zijn collega op weg. Juist toen ze de hoek van de Rue de Lanery en de Boulevard hadden bereikt, stond Delessert plotseling stil en bracht zijn hand naar zijn voorhoofd.

‘Mijn God!’ riep hij uit, ‘het kristal! het beeld!’ en viel voorover op zijn gezicht, bewusteloos. Hij werd ogenblikkelijk naar een ziekenhuis overgebracht, maar leefde nog slechts enkele uren en kwam niet meer bij bewustzijn. Volgens duidelijke instructies van de autoriteiten werd op het lichaam van Delessert een uiterst zorgvuldige, gedetailleerde, grondige lijkschouwing verricht door verschillende bekwame artsen, die eensgezind van mening waren dat de oorzaak van zijn dood een beroerte was, een gevolg van vermoeidheid en overspannenheid.

Zodra Delessert naar het ziekenhuis was gestuurd, haastte zijn collega zich naar het hoofdbureau, en De Lassa met zijn vrouw en alle personen die verbonden waren aan het huis, werden onmiddellijk gearresteerd. De Lassa glimlachte minachtend toen ze hem wegvoerden. ‘Ik wist dat u zou komen; ik was erop voorbereid; u zult blij zijn me weer los te laten.’

Het was waar dat De Lassa zich op hun komst had voorbereid. Toen het huis werd doorzocht, ontdekte men dat elk geschrift was verbrand; de kristallen bol was vernield en in de seancekamer bevond zich een grote hoop verfijnde apparaatjes, die tot onherkenbare stukjes waren kapotgemaakt. ‘Dat kostte me 200.000 francs,’ zei De Lassa, toen hij naar die hoop wees, ‘maar het is een goede belegging geweest.’ De muren en vloeren waren op verschillende plaatsen eruit gehaald en de schade aan het huis was aanzienlijk. In de gevangenis onthulden noch De Lassa noch zijn medewerkers ook maar iets. Het idee dat zij wettelijk gezien iets met de dood van Delessert te maken hadden, werd snel afgewezen, en allen behalve De Lassa werden vrijgesteld. Hij werd nog in de gevangenis vastgehouden, onder een of ander voorwendsel, totdat hij op een ochtend dood werd aangetroffen, opgehangen met een zijden sjerp aan de kroonlijst van de kamer waarin hij was opgesloten. Later werd ontdekt, dat Madame De Lassa de avond tevoren ervandoor was gegaan met een lange bediende, en ze hadden de Nubiër Sidi met zich meegenomen. De Lassa nam zijn geheimen mee in zijn graf.

_____

 

  ‘Uw artikel in de Scientist is een interessant verhaal. Maar is het een verslag van feiten of een hersenspinsel? Als het waar is gebeurd, waarom wordt de bron ervan niet gegeven, met andere woorden geef een bronvermelding?’

Bovenstaande opmerking is niet ondertekend, maar we willen van de gelegenheid gebruikmaken om te zeggen dat dit verhaal ‘Een onopgelost mysterie’ werd gepubliceerd omdat we de hoofdpunten van het verhaal – de voorspellingen en de eigenaardige dood van de politieman – beschouwen als paranormale verschijnselen die zijn teweeggebracht en opnieuw kunnen worden teweeggebracht. Waarom zou men bronnen citeren? De Heilige Schrift vertelt ons over de dood van Ananias als gevolg van de strenge berisping van Petrus; hier hebben we een soortgelijk verschijnsel. Men veronderstelt dat Ananias plotseling is gestorven van angst. Weinigen kunnen deze kracht beseffen, die door geestelijke wetten wordt bestuurd, maar zij die de grenslijn hebben betreden en iets weten van de dingen die kunnen worden gedaan, zullen hierin geen groot mysterie zien en evenmin in het verhaal dat vorige week werd gepubliceerd. We spreken niet in mystieke taal. Vraag een krachtige mesmerist of er gevaar bestaat dat de proefpersoon aan zijn controle kan ontsnappen? – en zou de geest, als hij dat kon, zich vrijmaken om niet meer terug te keren? Men kan aantonen dat een mesmerist op een proefpersoon kan inwerken op een afstand van vele kilometers; en het is niet minder zeker dat de meerderheid van de mesmeristen weinig of niets afweet van de wetten die hun vermogens beheersen.

Het kan een aangename droom zijn te proberen zich de schoonheid van de geestenwereld voor te stellen; maar de tijd kan beter worden besteed aan het bestuderen van de geest zelf, en het is niet nodig dat het onderwerp voor studie in de geestenwereld ligt.


Occulte verhalen, blz. 139-49

© 2010 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag