Occulte verhalen
H.P. Blavatsky en W.Q. Judge

isbn 9789070328733, paperback, bestel boek

Uit deze uitgave mag alleen met toestemming van de uitgever iets worden overgenomen.

© 2010  Theosophical University Press Agency

 

 
      Inhoudsopgave     
 
De komst van de slang
 

De witte stralen die over het hele Eiland werden geworpen toen de diamant op de berg zijn laatste licht uitzond, bleven schijnen tot de kwaadaardige slang, gevormd uit het bloed van haar voorganger, over zee was gevlucht en het grote Eiland aan de overkant had bereikt. Toen werd voor het volk alles zwart als de nacht. Beroofd van mijn lichaam dat koud en dood naast het altaar lag, kon ik zien dat de hogepriester zich over het lijk boog, totdat de toenemende duisternis hem met schrik vervulde, die in doodsangst overging. Toen hij vanuit zijn voorovergebogen positie overeind kwam, hoorde ik een plechtige stem die de hele ruimte vulde, de volgende woorden spreken:

‘De cyclus is voltooid. U heeft een deel van uw werk volbracht. Een klein deel moet nog worden gedaan en dat betreft de nieuwe kwaadaardige slang. U moet haar naar andere eilanden volgen tot het lot u naar elders zal voeren. Wees niet bang, maar ga kalm en onverschrokken voort, want we zullen u altijd steunen zowel in het duister als in het licht.’

Een plotselinge zwakte nam bezit van mijn etherisch lichaam; schaduwachtige vormen gleden langs me heen, en ik wist dat ik naar het oosten vloog met een uitgestrekte golvende zee onder mij. Ik zweefde steeds verder en al snel rook ik de geur van aarde. Ik vloog boven het andere eiland in het westen in een atmosfeer geladen met zware uitwasemingen. Ik verloor het bewustzijn – en daarop werd ik in een ander land geboren, op het oostelijke eiland en zelfs als kind wist ik dat het bloed van de slang me was voorgegaan en was me volledig bewust dat ik het ooit het hoofd zou moeten bieden. Na enige tijd begaf ik me in het gezelschap van de druïden, en een van hen vertelde me over de komst van de slang.

Mijn leraar en verteller was een lange oude man; hij was over de honderd. Een lange witte baard hing tot op zijn borst. Grote blauwe ogen, waarin een eigen licht scheen te leven, toonden zijn ziel die naar je staarde, maar ze hadden een krachtige en onbevreesde uitdrukking. Ze doorboorden je wezen, maar drukten kalmte en hoop uit. Een kalmte geboren uit vele levens van strijd en overwinning, een hoop die was gebaseerd op een ruime en begrijpende blik op de toekomst; want hij was een ziener en kende het komen en gaan van het grote getij der eeuwen. Hij zei:

‘Mijn jongen, je vragen komen voort uit ervaringen in het verleden. De slang is in dit land. We kwamen hier lang, lang geleden, na vele eeuwen vanaf de kust van het Eiland van de Diamant te hebben toegekeken hoe dit land langzaam uit de diepte omhoogkwam om de oppervlakte van het water te raken en ten slotte erbovenuit te rijzen. Want je eigen eiland is veel ouder dan dit. We richtten grote stenen met magische eigenschappen op in het slijk toen dat aan de oppervlakte kwam en hielden ze door dezelfde kracht op hun plaats, in de hoop ons al vooraf tegen de slang te wapenen, die – dat wisten we – zou komen. Maar alleen het hart en de wil van de mensen kunnen haar overwinnen; magische stenen, amuletten en bezweringsformules dienen maar een tijdelijk doel. Vele eeuwen gingen zo voorbij, en nadat het land was verrezen, met een plantendek was bekleed, en door mensen werd bevolkt, zagen we met leed dat de uitwasemingen van de kolonisten zich met de dag verdichtten.

’s Nachts verspreidde de Diamantberg langs de horizon een zwak en prachtig licht over de zee en overdag een blauwachtige waas. Toen ik op een avond met mijn broeders naar het westen keek, lichtte de hemel plotseling krachtig op. We wisten dat de tijd was gekomen. De duisternis werd dieper toen dat heilige licht uitdoofde, en door de lucht naderde over zee een sissend geluid. Het was het bloed van de slang; één druppel die was veranderend in een kleinere slang die uit het westen kwam aanvliegen. Dat was de dag waarop je de regels overtrad, de oude slang achter het altaar wurgde en je leven verloor door toedoen van de hogepriester van een valse, een onechte religie.

Vergeefs verhieven we ons gezang rond de machtige stenen, die majestueus op de vlakte stonden opgericht. Dichter en dichterbij, luider en luider, klonk dat kwaadaardige gesis; de slang daalde tot aan de grond, zelfs dichtbij de zonnestenen en verdween uit ons gezicht.

Sindsdien is haar noodlottige invloed door het hele land voelbaar geweest en tot je komst wisten we niet wanneer een verlosser zou verschijnen. In jou ligt de kracht besloten de laatste resten te vernietigen van de kracht van het bloed van de slang. Misschien zullen je vroegere vrienden je daarbij helpen, want al ben je hier de jongste, toch ben je ouder dan wij allen. Wees wijs en waarachtig. Verzaak geen enkele plicht, laat geen poging ongedaan en de dag zal komen dat de laatste druppel van dat slangenbloed door jouw kracht en jouw kunde zal veranderen en in elixer worden omgezet.’


Occulte verhalen, blz. 234-6

© 2010 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag