Oceaan van theosofie
William Quan Judge

bestel boek

2de herziene druk 2013

© 2013  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     
   

 

8 Reïncarnatie

Hoe en waarom de mens het samengestelde wezen werd dat hij nu is, zijn vragen die wetenschap noch religie afdoende beantwoorden. Deze onsterfelijke denker met zulke grote vermogens en mogelijkheden – die hem toebehoren omdat hij nauw verbonden is met elk verborgen deel van de natuur waaruit hij is opgebouwd – staat aan de top van een onmetelijke en zwijgende evolutie. Hij vraagt waarom de natuur bestaat, wat het doel is van het levensdrama, en hoe dat doel kan worden bereikt. Maar zowel wetenschap als religie geven geen redelijk antwoord. De wetenschap beweert niet dat ze de oplossing kan geven, en zegt dat het onderzoek van de dingen zoals ze zijn al meer dan genoeg werk is; de godsdienst geeft een verklaring die zowel onlogisch als nietszeggend is en alleen door een vrome gelovige kan worden aanvaard, omdat ze van ons verlangt de hele natuur als een mysterie te beschouwen, en het doel en de betekenis van het leven met al zijn verdriet te zoeken in het welgevallen van een God die niet is te ontdekken. Een ontwikkelde en onderzoekende geest weet dat de dogmatische godsdienst slechts een door mensen bedacht antwoord kan geven, terwijl deze beweert dat het van God komt.

Waar dient het heelal dan voor, en wat is het uiteindelijke doel waarvoor de mens, de onsterfelijke denker, hier evolueert? Het dient allemaal voor de ervaring en bevrijding van de ziel, de verheffing van alle gemanifesteerde stof tot de toestand, aard en waardigheid van een bewust god-zijn. Het grootse doel is zelfbewustzijn te bereiken; niet via een ras, een stam of een uitverkoren volk, maar door middel van het vervolmaken – na transformatie – van zowel alle stof als van wat we nu ziel noemen. Niets wordt of zal worden buitengesloten. Het doel voor de tegenwoordige mens is zijn inwijding in volledige kennis, en voor de andere rijken onder hem om zich langzaam, stap voor stap, te verheffen, om na verloop van tijd eveneens te worden ingewijd. Dit is evolutie in de hoogste zin; het is een schitterend vooruitzicht; het maakt de mens tot een god, en geeft elk deel van de natuur de mogelijkheid ooit ook een god te zijn; het sterkt en veredelt, want in dit licht is niemand klein of minderwaardig, en niemand is van nature zo slecht dat hij niet alle fouten te boven kan komen. Gezien vanuit het materialistische standpunt van de wetenschap omvat evolutie maar de helft van het leven, terwijl de opvatting die de godsdienst erover heeft een mengsel is van onzin en angst. De tegenwoordige religies houden het element van angst in stand, en stellen zich tegelijk voor dat een almachtig wezen aan geen andere aarde kan denken dan deze, en die heel onvolmaakt moet besturen. Maar de oude theosofische opvatting ziet het heelal als een uitgestrekt, volledig en volmaakt geheel.

Zodra we een dubbele evolutie aannemen, een fysieke en een spirituele, moeten we erkennen dat die zich alleen door middel van reïncarnatie kan voltrekken. Dit wordt in feite door de wetenschap aangetoond. Er is aangetoond dat de stof van de aarde en van alle fysieke dingen daarop eens óf gasvormig óf vloeibaar was, dat ze afkoelde, dat ze veranderde, dat door evolutie uit veranderingen ervan ten slotte de grote verscheidenheid van dingen en wezens werd voortgebracht. Op het fysieke gebied is dit een transformatie of verandering van de ene vorm in de andere. De totale hoeveelheid stof is ongeveer dezelfde als bij het begin van deze aardbol, afgezien van een heel kleine toename door wat sterrenstof. Daarom moet ze telkens weer zijn veranderd en dus fysiek zijn vervormd en herbelichaamd. Als we heel precies willen zijn, kunnen we het woord reïncarnatie natuurlijk niet gebruiken, want ‘incarneren’ heeft betrekking op vlees. Laten we ‘wederbelichaamd’ zeggen, en dan zien we dat er zowel voor de stof als voor de mens een voortdurende verandering van vorm is geweest, en dit is in ruime zin ‘reïncarnatie’. De leer zegt dat de hele hoeveelheid stof zal worden verheven tot het niveau van de mens wanneer de mens zelf verder zal zijn gevorderd. Er blijven na de uiteindelijke verlossing van de mens geen resten over waarvan men zich op een mysterieuze manier moet ontdoen of die men op een ververwijderde afvalberg van de natuur moet werpen. De ware leer laat zoiets niet toe, en is evenmin bang de ware bestemming aan te geven van wat een overblijfsel schijnt te zijn. Alles wordt tot andere toestanden omgevormd, want volgens de filosofie bestaat er geen anorganische stof, maar leeft elk atoom en bezit het een kiem van zelfbewustzijn, waaruit volgt dat ooit alles zal zijn veranderd. Wat nu menselijk vlees wordt genoemd is dus stof die eens volledig mineraal was, later plantaardig, en nu is verfijnd tot menselijke atomen. Op een tijdstip ver in de toekomst zal de tegenwoordige plantaardige stof zijn verheven tot het dierlijke stadium, en wat we nu als onze organische substantie of vlees gebruiken zal door transformatie in de loop van de evolutie in zelfbewuste denkers zijn veranderd, en zo verder langs de hele ladder tot de tijd komt waarop wat we nu als minerale stof kennen, zal zijn gevorderd tot het menselijk stadium en vandaar tot dat van de denker. En wanneer dan een andere grote evolutieperiode begint, zal de minerale stof van die tijd stof zijn die nu door haar lagere transformaties op andere planeten en in andere wereldstelsels gaat. Dit is misschien een ‘fantastisch’ plan voor de mensen van nu, die er zo aan gewend zijn om vanaf de geboorte slecht, zondig, zwak en in alle opzichten dom te worden genoemd dat ze bang zijn om de waarheid over zichzelf te geloven; maar voor de volgelingen van de theosofen uit de oudheid is het niet onmogelijk of fantastisch, maar logisch en veelomvattend. En het zal ongetwijfeld eens door iedereen worden erkend wanneer het denken van de westerling zich van de mozaïsche tijdrekening en de mozaïsche opvattingen over de mens en de natuur zal hebben losgemaakt. Daarom zeggen we over reïncarnatie en metempsychose dat die in de eerste plaats moeten worden toegepast op de kosmos als geheel, en niet alleen op de mens. Maar omdat de mens voor zichzelf het interessantste onderwerp is, zullen we de toepassing ervan op hem in detail beschouwen.

Reïncarnatie is een heel oude leer en er zijn nu meer mensen die erin geloven dan die dat niet doen. De miljoenen van het Oosten nemen haar bijna allemaal aan; ze werd door de Grieken onderwezen, een groot aantal Chinezen gelooft er nu in, evenals hun voorvaderen vóór hen; de joden dachten dat ze waar was, en ze is niet uit hun religie verdwenen, en ook Jezus, die de stichter van het christendom wordt genoemd, geloofde erin en onderwees haar. In de vroegchristelijke kerk was ze bekend en werd ze onderwezen, en de geleerdste kerkvaders geloofden erin en verbreidden haar.

De christenen moeten bedenken dat Jezus een jood was, die dacht dat zijn opdracht voor de joden was, want hij zegt in Mattheus: ‘Ik ben slechts gezonden tot de verloren schapen van het huis Israëls.’ Hij moet goed bekend zijn geweest met hun leringen. Ze geloofden allemaal in reïncarnatie. Volgens hen waren Mozes, Adam, Noach, Seth en anderen op aarde teruggekeerd, en in de tijd van Jezus werd algemeen geloofd dat de oude profeet Elia nog zou terugkeren. En zo zien we dat Jezus de leer nooit ontkende, en dat hij bij verschillende gelegenheden ermee instemde, zoals toen hij zei dat Johannes de Doper in feite de vroegere Elia was die door het volk werd verwacht. Men kan dit alles vinden door bijvoorbeeld hoofdstuk 11 en 17 van Mattheus te raadplegen.

In deze hoofdstukken blijkt duidelijk dat Jezus wordt voorgesteld als iemand die de reïncarnatieleer goedkeurt. En in navolging van Jezus zien we dat Paulus in Romeinen 9 zegt dat Ezau en Jacob al bestonden voor ze werden geboren, en later blijkt dat grote kerkvaders zoals Origenes, Synesius en anderen in deze theorie geloofden en haar onderwezen. In Spreuken 8:22-31 zegt Salomo dat toen de aarde werd gevormd, hij erbij aanwezig was, en dat hij, lang voordat hij als Salomo kon zijn geboren, er een genoegen in schiep in de bewoonbare delen van de aarde te verblijven onder de zonen van de mensen. Johannes zegt in Openbaringen 3:12, dat hem in een visioen, dat betrekking had op de stem van God of de stem van iemand die namens God spreekt, werd gezegd dat het voor iedereen die zegeviert niet langer nodig zal zijn om ‘uit te gaan’, d.w.z. hij hoeft niet meer te reïncarneren. Gedurende 500 jaar na Jezus, tot het Concilie van Constantinopel, werd de leer in de kerk verkondigd. Toen werd over een aspect van het onderwerp een afkeuring uitgesproken die velen opvatten als gericht tegen reïncarnatie, maar als die afkeuring tegen de woorden van Jezus ingaat, is ze tevergeefs. Men richt zich inderdaad tegen hem, en dat betekent in feite dat de kerk zegt dat Jezus niet genoeg wist om, zoals zij, een lering in de ban te doen die in zijn tijd alom bekend was en werd onderwezen, en, hoewel duidelijk onder zijn aandacht gebracht, nooit door hem werd veroordeeld maar zelfs werd goedgekeurd. Het christendom is een joodse religie, en deze reïncarnatieleer hoort historisch daarin thuis als een erfenis van de joden, en ook omdat ze door Jezus en de eerste kerkvaders werd onderwezen. Als er voor de christelijke kerk een op waarheid gebaseerde en logische manier is om zich uit deze positie te redden – behalve natuurlijk door kerkelijke dogma’s – zou een theosoof die graag horen. Theosofen zijn werkelijk van mening dat wanneer een belijdend christen de theorie ontkent, hij daarmee zijn oordeel tegenover dat van Jezus plaatst, die meer van de zaak moet hebben geweten dan zij die hem volgen. De door het kerkconcilie uitgesproken banvloek en het ontbreken van dit leerstuk aan de huidige leer hebben het christendom schade toegebracht, en van alle christelijke volkeren mensen gemaakt die beweren volgelingen van Jezus en van de wet van liefde te zijn, maar die in werkelijkheid als volkeren volgelingen zijn van de mozaïsche wet van vergelding. Want alleen in reïncarnatie ligt het antwoord op alle problemen van het leven, en hierin en in karma ligt de kracht waardoor de mensen werkelijk de ethiek zullen gaan volgen die ze nu in theorie bezitten. Het is het doel van de oude filosofie deze leer aan elke religie die haar heeft verloren terug te geven, en daarom noemen we haar ‘de verloren snaar van het christendom’.

Maar wie of wat reïncarneert er? Het is niet het lichaam, want dat sterft en valt uiteen; en maar weinigen van ons zouden voor altijd geketend willen zijn aan lichamen zoals we die nu bezitten, die, zoals we weten, geïnfecteerd zijn met ziekten, behalve bij primitieve volkeren. Het is niet het astrale lichaam, want, zoals aangetoond, heeft ook dat zijn levensduur en moet het vergaan, nadat het fysieke lichaam is verdwenen. Ook zijn het niet de begeerten en verlangens. Die hebben wel een lange levensduur, omdat ze het vermogen bezitten zich in elk leven te reproduceren zolang we ze niet uitroeien. En reïncarnatie biedt daartoe de gelegenheid, omdat ze ons vele kansen geeft om langzaam, een voor een, de begeerten en hartstochten, die het hemelse beeld van de spirituele mens ontsieren, te doden.

We hebben uitgelegd hoe het begeertebeginsel van ons na de dood met het astrale deel samensmelt en een schijnwezen vormt dat, terwijl het uiteenvalt, nog een korte tijd leeft. Wanneer de scheiding tussen het lichaam dat gestorven is, het astrale lichaam en de begeerten en verlangens volledig is – en het leven zich dan begint bezig te houden met andere vormen – gaan manas, buddhi en atman, de hogere triade, die de werkelijke mens zijn, onmiddellijk in een andere toestand over, en wanneer die toestand, die devachan, of hemel, wordt genoemd, voorbij is, worden ze weer tot de aarde aangetrokken om te reïncarneren. Ze zijn het onsterfelijke deel van ons; we zijn in feite deze drie en niets anders. Dit moet ons volkomen duidelijk zijn, want van een goed inzicht hierin hangt het begrijpen van de hele leer af. De westerling wordt belet om dit duidelijk in te zien door de langdurige scholing die we allemaal door een materialistische wetenschap en een alles verstoffelijkende godsdienst hebben gehad, die beide het fysieke lichaam te veel op de voorgrond hebben geplaatst. De ene heeft ons alleen kennis verschaft over de stof en de ander heeft de wederopstanding van het lichaam gepredikt, een leer die indruist tegen het gezonde verstand, feiten, logica en getuigenissen. Maar ongetwijfeld vindt de leer van de lichamelijke wederopstanding zijn oorsprong in een verdraaiing van de oude en ware leer. Wederopstanding is gebaseerd op wat Job zegt over het zien van zijn verlosser in het vlees, en op de opmerking van Paulus dat het lichaam wordt opgewekt in onvergankelijkheid. Maar Job was een Egyptenaar die vertelde dat hij zijn leraar of inwijder, die de verlosser was, zag; en Jezus en Paulus verwezen alleen naar het spirituele lichaam.

Hoewel reïncarnatie een wet in de natuur is, incarneert de drie-eenheid, atman-buddhi-manas, in de huidige mens nog niet volledig. Via de toegangspoort van manas, de laagste van de drie, gebruiken ze het lichaam en wonen erin, terwijl de andere twee het van boven beschijnen en samen de God in de hemel vormen. Dit werd gesymboliseerd in de oude joodse leer van de hemelse mens die met zijn hoofd in de hemel en met zijn voeten in de hel staat. Dat wil zeggen, atman en buddhi, het hoofd, zijn nog in de hemel en de voeten, manas, lopen in de hel, die het lichaam en het fysieke leven is. Daarom is de mens nog niet volledig bewust, en zijn er wederbelichamingen nodig om ten slotte de incarnatie van de hele drie-eenheid in het lichaam tot stand te brengen. Wanneer dat is bereikt, zal de mensheid een ras van goden zijn geworden, en als de goddelijke drie-eenheid volledige controle heeft, zal het geheel van alle stof worden vervolmaakt en tot de volgende trap worden verheven. Dit is de werkelijke betekenis van ‘het vleesgeworden woord’. En wanneer het bij een enkel persoon gebeurde zoals Jezus of Boeddha, was het zoiets groots dat het als een goddelijke incarnatie moet worden beschouwd. En hieruit ontstond ook het denkbeeld van de kruisiging, want manas wordt gekruisigd om de dief tot het paradijs te verheffen.

Omdat de drie-eenheid nog niet in de mensheid is geïncarneerd, heeft het leven zoveel mysteries, waarvan sommige zich dagelijks aan ons voordoen bij de verschillende experimenten die met en in de mens worden uitgevoerd.

De arts weet niet wat leven is, en ook niet waarom het lichaam beweegt zoals het beweegt, omdat het spirituele deel nog in de wolken van de hemel verborgen is; de wetenschappelijke onderzoeker wandelt in duisternis, verward en verbijsterd door alles wat het hypnotisme en andere vreemde dingen aan hem voorleggen, omdat de bewuste mens zich uit het gezicht op de top van de goddelijke berg bevindt, en de geleerden zo dwingt om te spreken van het ‘onderbewuste verstand’, van de ‘latente persoonlijkheid’ en dergelijke; en de priester kan ons helemaal geen licht bieden, omdat hij de goddelijke natuur van de mens ontkent, alles terugbrengt tot het niveau van de erfzonde, en op ons begrip van God het zwarte stempel van onmacht om de schepping te beheersen of te besturen, drukt, zonder dat hij hulpmiddelen kan bedenken om veronderstelde fouten te herstellen. Maar deze oude waarheid lost het raadsel op en schildert God en de natuur in harmonische kleuren.

Reïncarnatie betekent niet dat we na de dood dierlijke vormen aannemen, zoals sommige oosterse volkeren geloven. ‘Eens een mens, altijd een mens’, is het gezegde in de Grote Loge. Maar het zou voor sommige mensen geen te zware straf zijn als het mogelijk zou zijn hen te veroordelen tot een wedergeboorte in het lichaam van een dier; de natuur volgt echter niet het gevoel maar wetten, en omdat we niet in staat zijn alles te zien, kunnen we van een beestachtig mens niet zeggen dat hij in zijn hele aard een beest is. En omdat de evolutie manas, de denker en de onsterfelijke persoon, naar dit gebied heeft gebracht, kan ze hem niet terugsturen naar het dier dat geen manas bezit.

Door twee verklaringen te bespreken voor de letterlijke interpretatie – door sommige oosterlingen – van die wetten van Manu die schijnbaar zielsverhuizing in dieren, insecten, enz., leren, kunnen we ervoor zorgen dat de echte onderzoeker van deze leer niet in dezelfde fout vervalt.

De eerste verklaring is dat de verschillende verzen en boeken die zo’n zielsverhuizing onderwijzen, over de feitelijke manier van reïncarnatie handelen, d.w.z. over de verklaring van de werkelijke fysieke processen die het ego moet ondergaan als het van de niet-belichaamde naar de belichaamde staat overgaat, en ook over de wegen, wijzen of middelen van afdaling vanuit het onzichtbare naar het zichtbare gebied. Dit is in de theosofische boeken nog niet duidelijk toegelicht, omdat het enerzijds een subtiele aangelegenheid is, en anderzijds de details zelfs door theosofen nog niet geheel als geloofwaardig zullen worden aangenomen, hoewel dit eens wel het geval zal zijn. En omdat deze details niet van het grootste belang zijn, worden ze nu niet uiteengezet. Maar omdat we weten dat er zonder de vereniging van de seksen geen menselijk lichaam wordt gevormd, en dat de kiemen van een dergelijke voortbrenging in de seksen liggen opgesloten en moeten komen uit het voedsel dat in het lichaam wordt opgenomen, is het duidelijk dat voedsel iets te maken heeft met de reïncarnatie van het ego. Als de weg tot reïncarnatie via een bepaald voedsel leidt en geen ander, is het mogelijk dat, als het ego verstrikt raakt in voedsel dat niet tot de kiem van fysieke voortplanting voert, Manu op een straf doelt als hij zegt dat bepaalde praktijken tot transmigratie leiden, die dan een ‘belemmering’ is. Ik breng dit tot zover naar voren om bepaalde theosofen te helpen die daarover lezen en van wie de theorieën over dit onderwerp nu tamelijk vaag zijn en in sommige gevallen op heel andere hypothesen zijn gebaseerd.

De tweede verklaring is dat – omdat het de bedoeling van de natuur is dat we de stof die in ons fysieke en in ons astrale lichaam komt onder andere zullen gebruiken om deze stof van dienst te zijn door de indruk die ze door de band met het menselijk ego krijgt – deze zelfde stof, als we haar gebruiken om er slechts een grof stempel op af te drukken, terug zal moeten gaan naar het dierenrijk om daar te worden geabsorbeerd in plaats van verfijnd te worden en op het menselijke gebied te blijven. En omdat alle stof die het menselijk ego tot zich trekt, het stempel of de fotografische indruk van de mens behoudt, verhuist de stof naar het lagere niveau wanneer het ego haar een dierlijke indruk geeft. Dit werkelijke feit in het grote scheikundige laboratorium van de natuur kan door de onwetende gemakkelijk verkeerd worden uitgelegd. Maar de onderzoekers van nu weten dat zodra manas, de denker, op het toneel is verschenen, hij niet tot lagere vormen terugkeert; ten eerste, omdat hij dit niet wenst en ten tweede, omdat hij dit niet kan. Want zoals het bloed in het lichaam door kleppen wordt verhinderd terug te stromen en het hart te overspoelen, wordt in dit grotere stelsel van universele circulatie de deur achter de denker gesloten en wordt zijn teruggang voorkomen. De reïncarnatieleer toegepast op de werkelijke mens onderwijst geen zielsverhuizing naar natuurrijken lager dan dat van de mens.

 


Oceaan van theosofie, blz. 70-80

© 2013  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag