Occulte woordentolk
Een handboek van oosterse en theosofische termen
G. de Purucker

bestel boek

tweede herziene druk 2011

© 2011  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     
   

 

– E –

Ego (Latijn)
Een woord dat ‘ik’ betekent. In theosofische geschriften is het ego datgene wat zegt ‘ik ben ik’ — indirect of weerkaatst bewustzijn, bewustzijn dat als het ware op zichzelf wordt teruggekaatst, en op die manier zijn eigen mayavische bestaan als een ‘afzonderlijke’ entiteit ervaart. Op dit feit berust de enige werkelijke ‘ketterij’ die door het occultisme wordt erkend: de ketterij van afgescheidenheid.

De zetel van het menselijke ego is de tussenliggende duade — manas-kama, waarvan een deel, het reïncarnerende ego, naar het hogere streeft, en een ander deel, het gewone of astrale menselijke ego, tot het lagere wordt aangetrokken. Het bewustzijn is in het reïncarnerende ego onsterfelijk, en in het lagere of astrale menselijke ego tijdelijk of sterfelijk.

Men kan de hiërarchie van de samengestelde mens beschouwen als iets wat zich ontwikkelt uit het immanente zelf: dit laatste is de kiem van egoïteit op de zeven (of misschien beter, zes) gebieden van stof of manifestatie. Op elk van deze zeven (of zes) gebieden ontvouwt of ontwikkelt het immanente zelf of de paramatman een omhulsel of gewaad; de hogere zijn geweven uit geest, de lagere uit ‘schaduw’ of stof. Elk van deze omhulsels of gewaden is een ‘ziel’, en tussen het zelf en zo’n ziel — elke ziel — bevindt zich het ego.

Zo is atman de goddelijke monade die het aanzijn geeft aan het goddelijke ego en uit dit laatste ontwikkelt zich het monadische omhulsel of de goddelijke ziel; jivatman, de spirituele monade, heeft zijn kind dat het spirituele ego is, dat op zijn beurt de spirituele ziel of het spirituele individu voortbrengt; en de combinatie van deze drie, opgevat als een eenheid, is buddhi; bhutatman, het menselijke ego — de hogere menselijke ziel, die de lagere buddhi en het hogere manas omvat; pranatman, het persoonlijke ego — de lagere menselijke ziel, of de mens. Dit omvat manas, kama en prana; en ten slotte het dierlijke ego — de vitaal-astrale ziel: kama en prana. (Zie deze verschillende termen.)

Eidolon (Grieks, meervoud eidola)
Dit woord betekent ‘evenbeeld’ van de mens die eens bestond. Na de dood blijft de ‘schaduw’ van de overleden mens achter in de astrale wereld — die zich aan de andere kant van de drempel van het fysieke leven bevindt, de etherische wereld. De Ouden noemden deze menselijke schaduwen schimmen – door sommigen worden ze wel geesten en spoken genoemd; en elke schim is niet meer dan een eidolon, een astrale beeltenis of vage kopie van de overleden fysieke mens. Dit eidolon blijft nog enige tijd intact in de astrale gebieden of bovenstoffelijke ether, en zijn deeltjes worden op magnetische wijze min of meer bijeengehouden zolang het fysieke lichaam nog niet volledig in zijn samenstellende delen is ontbonden; maar na betrekkelijk korte tijd verdwijnen deze eidola, want ze vallen uiteen op een manier die sterk lijkt op de ontbinding van het fysieke lichaam.

Ekagrata of ekagratva (Sanskriet)
Een term met de betekenis van ‘eenpuntigheid’ of ‘absolute aandacht’ bij de contemplatie van een onderwerp van meditatie. Het is de volmaakte en aanhoudende concentratie van de waarnemende geest op één bepaald punt van denken.

Elementaal
Een natuurgeest of elf. In het theosofische taalgebruik worden echter die wezens bedoeld die aan het begin van een weg van evolutionaire groei staan en die in de elementale stadia van hun groei verkeren. Het is een algemene term die gemakshalve wordt gebruikt voor al die wezens die in evolutionair opzicht lager dan de mineralen staan. Niettemin zijn de mineralen zelf uitdrukkingsvormen van één familie, menigte of hiërarchie van elementalen van een meer ontwikkeld type. Het plantenrijk is eveneens slechts de uitdrukkingsvorm van één familie of menigte van elementalen die zich in het plantenstadium van hun evolutie op deze aarde bevinden. Dat geldt evenzo voor de dieren. Dieren zijn, relatief gesproken, hoogontwikkelde elementalen. Ook mensen waren in lang vervlogen eonen van het kosmische verleden elementalen. Vanuit dit elementale stadium hebben we ons tot mens ontwikkeld en geven we in meerdere of mindere mate, meestal heel zwak, uitdrukking aan de aangeboren goddelijke krachten en vermogens die in de diepste kern van ons wezen liggen opgesloten.

Een elementaal is een wezen dat ons heelal is binnengekomen op het laagste gebied of in de laagste wereld, graad of sport van de levensladder; deze levensladder begint in elk heelal in het laagste stadium en eindigt voor dat heelal in het hoogste stadium daarvan — de universele kosmische geest. Het elementaal gaat dus bij het beklimmen van de levensladder vanaf het elementale stadium door alle bestaansgebieden heen, maakt het menselijke stadium door, wordt bovenmenselijk, halfgoddelijk — een halfgod — om daarna een god te worden. Op die manier begonnen ook wij mensen in dit huidige heelal.

Ieder volk op aarde heeft in deze menigten elementalen geloofd — waarvan sommige zichtbaar zijn, zoals mensen, dieren en planten, en andere onzichtbaar. Aan de onzichtbare entiteiten zijn verschillende namen gegeven: feeën, aardmannetjes, elfen, kabouters, tovernimfen, watergeesten, dwergen, trollen, kobolden, kwelgeesten, banshee’s, faunen, daeva’s, djinns, saters, enz. De middeleeuwse mystici onderwezen dat er vier algemene soorten van deze elementalen bestaan: de salamanders — die in het element vuur ontstaan en leven; de sylfen — die in het element lucht ontstaan en leven; de undinen — die in het element water ontstaan en leven; en de gnomen — die in het element aarde ontstaan en leven.

Elementaar
Elementaren zijn ‘ontlichaamde zielen van verdorven mensen; deze zielen hebben zich op een bepaald moment vóór de dood losgemaakt van hun goddelijke geest, en zo hun kans op onsterfelijkheid verloren’ (H.P. Blavatsky, Theosophical Glossary, blz. 112).

Strikt genomen moet het woord ‘elementaren’ worden gebruikt zoals H.P. Blavatsky het in dit citaat definieert. Maar in de tegenwoordige theosofische literatuur heeft het woord meer in het bijzonder de betekenis gekregen van de fantomen of eidola (zie aldaar) van ontlichaamde mensen, waarbij deze fantomen of eidola in feite de kamarupische schimmen zijn. Daarbij gaat het vooral om gevallen van grofmaterialistische ex-mensen, van wie de kwade impulsen en begeerten, die nog steeds nauw met het kamarupische fantoom zijn verbonden, deze fantomen naar die fysieke gebieden aantrekken die bij hen passen. Ze vormen een reëel gevaar voor de psychische en geestelijke gezondheid, en achtervolgen letterlijk die levende mensen die neigingen vertonen die overeenkomen met hun eigen neigingen. Het zijn zielloze schillen, maar nog steeds vol met de energieën van een verdorven en verachtelijke soort. Hun bestemming is natuurlijk dezelfde als die van alle andere preta’s of bhuta’s — uiteindelijke ontbinding; want de grove astrale atomen waaruit ze bestaan, lossen zich in de loop van de jaren langzaam op, zoals een rookpluim of een donkere wolk zich oplost langs een berghelling.

Esoterische leer
Het geheel van mystieke en heilige leringen dat is voorbehouden aan studenten met een edel en waardig karakter. Deze leringen waren in alle tijden aan hoogontwikkelde mensen bekend en werden door hen bestudeerd. De esoterische leer is het gemeenschappelijk bezit van de mensheid, en is dit altijd geweest. In alle verschillende grote religies en filosofieën van de wereld zal de student basisbeginselen aantreffen, waarvan, als ze met elkaar worden vergeleken en kritisch worden onderzocht, gemakkelijk kan worden vastgesteld dat ze identiek zijn. Elk van deze basisbeginselen is in elke grote wereldreligie of wereldfilosofie te vinden; daarom bevatten deze wereldreligies of wereldfilosofieën gezamenlijk de gehele esoterische leer, hoewel deze gewoonlijk in exoterische vorm wordt uitgedrukt.

Maar niet één van deze wereldreligies of wereldfilosofieën maakt het hele stelsel van de leringen dat aan haar ten grondslag ligt in een zuivere en duidelijke vorm bekend; sommige religies leggen de nadruk op één of meer van zulke basisbeginselen, een andere religie of filosofie zal weer op andere beginselen de nadruk leggen, terwijl in beide gevallen weer andere beginselen op de achtergrond blijven. Hierdoor is gemakkelijk het feit te verklaren dat de verschillende wereldreligies en wereldfilosofieën onderling verschillen, en voor iemand die niet nadenkt lijken ze vaak, oppervlakkig beschouwd, weinig gemeen te hebben en misschien zelfs met elkaar in strijd te zijn. De oorzaak hiervan is dat elke religie of filosofie op een andere manier aan de wereld is gegeven; de vorm die elk ervan aannam was voor de periode waarin ze werd verkondigd de beste. Elke religie of filosofie draagt de sfeer van het volk en de periode waartoe ze behoort, en vertegenwoordigt de verschillende menselijke denkers die haar hebben ontwikkeld, of die haar in een of andere vorm aan de wereld hebben overgebracht en verkondigd.

Deze vormen of eigenaardigheden van het exoterische denken kunnen we, als we dat willen, terzijde stellen, maar de basisbeginselen achter elke grote religie of grote filosofie vormen gezamenlijk de universele esoterische leer. In deze universele esoterische leer ligt het mysterieaspect van elke grote religie of filosofie besloten, en deze mysterieleer is altijd voorbehouden aan ingewijden. De esoterische filosofie of leer heeft sinds onheuglijke tijden onder de hoede gestaan van edele figuren, verheven zieners en wijzen, die deze leer, of beter gezegd gedeelten ervan, van tijd tot tijd aan de wereld bekendmaken wanneer daaraan een spirituele en intellectuele behoefte ontstaat. De oorsprong van de esoterische leer ligt in de mysterieleringen van wezens uit andere en spirituele sferen, die in de vroege mensheid van het derde wortelras van deze vierde ronde van onze bol incarneerden en aan de toen verstandelijk ontluikende mensheid bepaalde noodzakelijke basisbeginselen of basiswaarheden onderwezen over het heelal en de aard van de ons omringende wereld.

Ethiek
De theosofische leringen zijn in essentie door en door ethisch. Het is onmogelijk de verheven wijsheid van de goden, de archaïsche wijsheid-religie van de Ouden te begrijpen als men niet duidelijk beseft dat de ethiek als een gouden draad door het hele stelsel of weefsel van leringen en ideeën van de esoterische filosofie loopt. Waarachtig occultisme zonder ethiek is eenvoudig ondenkbaar omdat het onmogelijk is. Er bestaat geen waarachtig occultisme dat niet de hoogste ethiek omvat die het morele besef van de mens zich kan voorstellen, en op dat belangrijke feit kan men niet sterk genoeg de nadruk leggen.

In de theosofische filosofie is ethiek niet iets wat alleen maar uit het menselijk denken voortkomt – een stel afgesproken regels voor het menselijk gedrag. Ze is gebaseerd op de structuur en de aard van het heelal zelf. Het hart van het heelal is wijsheid-liefde en deze beide zijn in de kern ethisch, want er kan geen wijsheid bestaan zonder ethiek, evenmin kan er liefde bestaan zonder ethiek, en ook kan er geen ethiek bestaan zonder liefde of wijsheid.

De filosofische reden waarom de Ouden zoveel waarde hechtten aan wat bij de Romaanse volkeren algemeen bekendstond als virtus, waarvan het Engelse woord ‘virtue’ (deugd) is afgeleid, is dat zij, op basis van leringen die afkomstig zijn van de grote mysteriescholen, wisten dat deugd en ethiek zijn voortgekomen uit het morele instinct van de mens, die deze op zijn beurt ontleende aan het hart van het heelal — aan de kosmische harmonie. Het wordt hoog tijd dat de westerse wereld het denkbeeld dat ethiek niet méér is dan een overeengekomen morele handelwijze, die de mens heeft uitgevonden om de scherpe kanten en gevaren in de omgang tussen mensen te verminderen, voor altijd naar het rijk van achterhaald bijgeloof verwijst.

Iedere wetenschapper weet natuurlijk dat de woorden moraal en ethiek respectievelijk aan het Latijn en het Grieks zijn ontleend en de gewoonten en gebruiken aanduiden die men in een beschaafde samenleving zou moeten volgen. Maar dit onbetwistbare feit is in zekere zin beschamend, want het lijkt er bijna op alsof we nog niet een woord hebben voortgebracht dat op bevredigende wijze het instinctieve gevoel weergeeft voor recht, waarheid, trouw, rechtvaardigheid, eer, wijsheid en liefde — iets wat we nu zo zwak uitdrukken met de woorden ethiek of moraal. ‘Een theosoof is iemand die theosofisch handelt’, schreef H.P. Blavatsky, en nooit heeft ze wijzere en edeler woorden geschreven. Niemand kan een theosoof zijn als hij niet ethisch voelt, ethisch denkt en ethisch leeft in de ware betekenis van het woord, zoals hierboven is uiteengezet. (Zie ook moraal.)

Evolutie
Zoals het woord in de theosofie wordt gebruikt betekent het het ‘loswikkelen’, ‘ontvouwen’ of ‘zich ontrollen’ van latente krachten en vermogens die de entiteit van nature bezit en die onlosmakelijk met haar zijn verbonden, haar eigen wezenskenmerken of, meer algemeen gesproken, de krachten en vermogens van haar eigen karakter: het Sanskrietwoord voor dit laatste begrip is svabhava (zie aldaar). Evolutie betekent dus niet alleen dat de ene steen op de andere wordt gelegd, dat de ene ervaring zich stapelt op de andere, of dat een variant wordt toegevoegd aan andere varianten — beslist niet; want dat zou de mens en andere entiteiten tot niets anders maken dan verzamelingen van onsamenhangende, losse delen, zonder essentiële eenheid of zonder enig samenbindend beginsel.

In de theosofie betekent evolutie dat de mens (evenals alle andere zich ontwikkelende entiteiten) alles in zich heeft wat de kosmos heeft, omdat hij een onafscheidelijk deel ervan is. Hij is het kind ervan; men kan de mens niet van het heelal scheiden. Alles wat in het heelal is, is in hem, latent of actief, en evolutie is het tevoorschijn brengen van wat innerlijk aanwezig is. Verder is dat wat we het omringende milieu noemen, de omstandigheden — de natuur, om het alledaagse woord te gebruiken — niets anders dan het werkterrein waarop en waarin deze inherente eigenschappen functioneren, waarop ze inwerken en waarvan ze de corresponderende reactie ontvangen; en deze acties en reacties vormen voor de evoluerende entiteit steeds weer een prikkel of aansporing tot verdere manifestaties van energie.

In geen enkele richting bestaan er grenzen waar men zou kunnen zeggen dat de evolutie begint of waar men zich het einde ervan kan voorstellen, want volgens de theosofische opvatting is evolutie niets anders dan het proces dat de bewustzijnscentra of monaden volgen wanneer ze van eeuwigheid tot eeuwigheid de weg van onophoudelijke groei gaan, die geen begin en geen einde kent.

Groei is de sleutel tot de werkelijke betekenis van de theosofische evolutieleer, want groei is niets anders dan het in detail tot uitdrukking brengen van het algemene ontvouwingsproces van vermogens en organen, dat in het gangbare woord evolutie besloten ligt. Het enige verschil tussen evolutie en groei is dat het eerste woord een algemene term is, terwijl met het laatste een specifiek stadium van dit natuurproces wordt aangeduid.

Evolutie is een van de oudste begrippen en leringen van de archaïsche wijsheid, hoewel het begrip in de oudheid gewoonlijk met het woord emanatie werd aangeduid. Er moet wel onderscheid worden gemaakt tussen deze twee woorden, een belangrijk onderscheid, maar dat is eerder het gevolg van de beschouwingswijze dan van een werkelijk essentieel verschil. De term emanatie is voor theosofen beslist nauwkeuriger en beter dan evolutie, maar helaas wordt emanatie in het Westen zo slecht begrepen dat men noodgedwongen de algemeen aanvaarde term gebruikt om het proces van innerlijke groei te beschrijven, dat zich uitstrekt over en manifesteert in de verschillende stadia van de zich ontwikkelende entiteit. Daarom zijn theosofen, strikt genomen, eerder emanationisten dan evolutionisten; en uit deze opmerking wordt meteen duidelijk dat een theosoof geen darwinist is, al erkent hij dat er in bepaalde secundaire en tertiaire opzichten en details enige waarheid schuilt in de theorie die Charles Darwin van de Fransman Lamarck overnam en aanpaste. In de theosofie is de sleutel tot de betekenis van het begrip evolutie dan ook de volgende: de kern van iedere organische entiteit is een goddelijke monade of geest, die zijn vermogens en krachten door de eeuwen heen tot uitdrukking brengt door middel van verschillende voertuigen die veranderen doordat ze steeds verbetering ondergaan. Deze voertuigen zijn niet alleen fysieke lichamen, maar ook innerlijke omhulsels van bewustzijn die samen het hele gestel van de mens vormen, dat zich uitstrekt van de goddelijke monade via de tussenliggende bewustzijnsgebieden tot het fysieke lichaam. De evoluerende entiteit kan alleen datgene worden of tot uitdrukking brengen wat ze in diepste wezen al is — daarom is evolutie het naar buiten brengen of ontvouwen van wat innerlijk, actief of latent, al bestaat. (Zie ook involutie.)

Exoterisch
Wanneer dit woord betrekking heeft op de grote stelsels van filosofie en religie betekent het niet onjuist. Het doelt alleen op leringen waarvan de sleutels niet openlijk zijn gegeven. De oorsprong van het woord schijnt te liggen in de Peripatetische School in Griekenland en het schijnt aan het brein van Aristoteles te zijn ontsproten. Het staat tegenover esoterisch.

De exoterie — dat wil zeggen de uiterlijke en alledaagse formulering van religieuze en filosofische leringen — verhult de waarheid; in haar zelfverzekerdheid bespot de onwetendheid helaas altijd de waarheid; maar de esoterie onthult de waarheid.

 


Occulte woordentolk, blz. 51-60

© 2011  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag