Gedachten over De Stem van de Stilte
Help de natuur en werk met haar mee; en de natuur
zal u als een van haar scheppers beschouwen en voor u neerbuigen.
– De Stem van de Stilte
Van de geschriften van H.P.Blavatsky heeft haar klassieke, devotionele
boekje, De Stem van de Stilte, door de jaren heen een grote
aantrekkingskracht uitgeoefend. De zuiverheid van de universele waarheid
blijkt uit iedere bladzijde van dit kleine werkje, ontleend aan ‘Het
Boek van de Gulden Voorschriften’, dat al ontelbare eeuwen de
stappen heeft geleid van leerlingen in de mystiek die op zoek zijn naar
het spirituele pad. De oorspronkelijke Voorschriften omvatten
ongeveer ‘negentig korte verhandelingen’, waarvan HPB er
negenendertig uit het hoofd leerde. Afschriften ervan zijn op dunne
platen gegraveerd en worden ‘gewoonlijk bewaard op de altaren
van de tempels die zijn verbonden aan de centra’ van de mahayana-scholen.
In haar latere jaren vertaalde ze een aantal uitgekozen fragmenten uit
de Voorschriften die, voorzien van haar aantekeningen, dit
werk van grote schoonheid vormen.
De Stem bestaat uit drie ‘Fragmenten’ –
De Stem van de Stilte, De Twee Paden en De Zeven Poorten – die
als doel hebben om het lagere zelf zich bewust te laten worden van het
hogere zelf. De aansporingen, de wijsheid en de geluidloze stem van
dit zelf kunnen niet volledig worden begrepen vóór wij
dat zelf worden, ‘de handelende persoon en de getuige,
. . . het licht in de klank en de klank in het licht’.
Mededogen is de drijvende kracht in zowel het mahayana-boeddhisme als
de Theosophical Society. De bekende zenboeddhistische geleerde dr. D.T.Suzuki
schreef over De Stem van de Stilte:
Ongetwijfeld was Mw. Blavatsky tot op zekere hoogte
ingewijd in de diepere mahayana-leringen en bracht daarna als theosofie
naar buiten wat ze voor de westerse wereld geschikt achtte.
– The Eastern Buddhist
(oude reeks) 5:377
De goddelijke eenheid van leven, de rechtvaardige en onfeilbare werkingen
van karma, en onze cyclische wedergeboorten hier op aarde, vormen het
omvangrijke doek waarop aspecten van menselijke conflicten en mogelijkheden
openhartig worden afgeschilderd. Verschillende soorten illusie die uit
‘de ketterij van afgescheidenheid’ voortvloeien, worden
eveneens behandeld, en ook de discipline en de beoefening van de paramita’s
of deugden die van een werkelijke adept of leraar worden verlangd. Deze
omvatten naastenliefde, harmonie in woord en daad, geduld, standvastigheid
en gelijkmoedigheid ten opzichte van genot en leed, wat via dhyana
(contemplatie) leidt tot verlichting – prajña.
‘De Twee Paden’ en ‘De Zeven Poorten’ wijzen
op de verschillen tussen het pad van de pratyekaboeddha dat zijn hoogtepunt
vindt in het kiezen van het eonendurende nirvanische geluk, en het pad
van de boeddha van mededogen die zich geroepen voelt afstand te doen
van zijn welverdiende nirvana met het doel op aarde te blijven en het
leed van de mensheid te helpen verlichten. Het pad ‘voor zichzelf
alleen’ wordt de dharma van het oog of het verstand genoemd, het
uiterlijke en vergankelijke; het pad om anderen te helpen, de dharma
van het hart, is blijvend en eeuwigdurend en is bekend als het ware
kenmerk van esoterische wijsheid.
De aarde is ons thuis waar we al eeuwenlang de vruchten van vroegere
daden en gedachten oogsten, soms in vreugde en soms vervuld van pijn
en lijden. Ze wordt de Hal van Verdriet – Myalba (hel)
– genoemd vanwege de beproevingen die we zelf in vroegere levens
hebben veroorzaakt. Op onze reis via de Hal van Lering naar de Hal van
Wijsheid worden we ons geleidelijk ervan bewust dat ware vreugde ontstaat
door het volgen van de dharma van het hart, door het opofferen van het
persoonlijke aan het zelfloze en universele, van de duisternis van de
angst aan het hartenlicht van moed.
Wanneer we ons karma en de absolute rechtvaardigheid van de karmische
werking positief onder ogen zien, geeft dat ons bemoedigende gedachten:
geen poging, hoe gering ook, hetzij in goede of verkeerde
richting, kan uit de wereld van oorzaken verdwijnen. Zelfs verwaaide
rook laat sporen na. . . . De peperplant zal geen rozen voortbrengen,
evenmin zal de zilveren ster van de geurige jasmijn doorn of distel
worden. – blz. 32
Het is boeiend het gebruik van paradoxen in De Stem te onderzoeken.
Een paradox toont twee schijnbaar tegenstrijdige kanten van dezelfde
waarheid als een middel om de intuïtie en andere vermogens dan
de zuiver verstandelijke wakker te roepen, wat het denkvermogen verhindert
om te verstarren in één zienswijze, door het de vrije
teugel te geven om andere mogelijke betekenissen te onderzoeken. De
waarheid is altijd vitaal en in beweging, maar als ze wordt vastgelegd
in een gedachtevorm, verdwijnt de vitaliteit en wordt ze een dogma:
‘de zaden van wijsheid kunnen in een bedompte ruimte niet ontkiemen
en groeien.’
De betekenis van het pad is een paradox gehuld in paradoxen. Individueel
zijn wij het pad dat leidt naar het hart van het heelal: ‘U bent
zelf het voorwerp van uw zoeken.’
Als mensheid zijn we echter allen samen op weg en leren we de lessen
die bij onze staat van zelfbewustzijn horen. Maar al zijn we zelfbewust,
dan betekent dat niet dat we ons bewust zijn van onze spirituele toekomst.
De moeilijkheden en kansen verschillen voor ieder van ons, afhankelijk
van het ‘karmische kroost van al onze vroegere gedachten en daden’.
‘De leraar kan slechts de weg wijzen. Het pad is één
voor allen, de middelen om het doel te bereiken moeten per pelgrim verschillen.’
We geven al richting aan onze eigen evolutie, maar naarmate onze wil
en innerlijke betrokkenheid toenemen, worden we voor al onze gedachten
en daden in hogere mate verantwoordelijk. Zodra we met goede bedoelingen
één stap vooruit doen zegt het leven ‘bewijs het’,
en nemen de moeilijkheden toe. Het is een lange en afwisselende reis
waarbij we met vallen en opstaan vele keren een doodlopende weg inslaan
of omwegen maken. Maar er zijn altijd aanmoedigingen. ‘Bedenk
. . . dat iedere mislukking succes betekent en dat elke oprechte poging
te zijner tijd wordt beloond’: ‘Als u geen zon kunt zijn,
wees dan een nederige planeet . . . Wijs anderen de ‘Weg’
. . . zoals de avondster de weg wijst aan hen die hun pad in het duister
bewandelen.’
De dualiteit van het denken is een belangrijke paradox, want het denken
is de spil van ons menszijn en kan óf worden gebruikt als de
‘speelplaats van de zintuigen’ óf als een instrument
voor zielenwijsheid. We aarzelen tussen het ‘ik ben ik’
bewustzijn en het besef van ‘ik ben een deel van alle dingen’.
Hoofdgeleerdheid die niet door de geest wordt verlicht, valt ten prooi
aan het bedrieglijke licht van de illusie, dat de zintuigen betovert
en ‘het denken verblindt’, waardoor egoïsme, zelfzucht,
wreedheid en eerzucht worden gevoed; bescheidenheid en onpersoonlijkheid
daarentegen openen de deur naar zelfkennis. Op de allereerste bladzijde
lezen we: ‘Het denken is de grote vernietiger van het werkelijke.
Laat de discipel de vernietiger vernietigen.’ Dit houdt de opdracht
in het negatieve aspect van het denken te overwinnen en te beheersen.
Het volgende belicht de ware functie van het denkvermogen:
‘Want het denken is als een spiegel; bij het
weerkaatsen verzamelt het stof. Het heeft de zachte ademtocht van
zielenwijsheid nodig om het stof van onze illusies weg te blazen.
Tracht, beginneling, uw denken en ziel één te laten
worden. . . . zoek in het onpersoonlijke naar de ‘eeuwige mens’;
en als u die heeft ontdekt, zie naar binnen: u bent Boeddha.
– blz. 24
Door ervaring leren we ons onderscheidingsvermogen te gebruiken en
onze beste leraar is het leven en de omgang met anderen. Het is duidelijk
dat de bekende paradox ‘Geef uw leven op, als u wilt leven’
niet betekent dat we onze verantwoordelijkheden moeten opgeven, het
gezin verlaten en ons terugtrekken in de bergen om spiritueel te worden.
‘De mens die de taak die hem in het leven ten deel valt niet volbrengt
– heeft vergeefs geleefd’:
Volg het levenswiel; volg het wiel van plicht tegenover
volk en familie, vriend en vijand, en denk niet langer aan genot of
pijn. Put de wet van karmische vergelding uit. –
blz. 33-4
Door onze aandacht te richten op belangrijker zaken, en gehechtheid
aan het persoonlijke en zelfzuchtige op te geven, zullen we ‘de
verschansing van de ziel’ vinden, die blijvend is, en zullen we
passieve levensaanvaarding vervangen door een meer actief weten
en handelen.
Dichterlijke beeldspraak en natuursymboliek lenen zich voor mystieke
gedachten, en omdat aspecten van het menselijk bewustzijn werkingen
van de natuur weerspiegelen, hebben symbolen, zoals de lotus, het vermogen
om te inspireren.
Laat uw ziel het oor lenen aan elke kreet van smart,
zoals de lotus zijn hart opent om het morgenlicht in te drinken.
Laat niet de felle zon één traan van
smart drogen, vóór u die zelf van het gezicht van iemand
die lijdt heeft afgewist.
Maar laat elke brandende menselijke traan uw hart
raken en daar blijven bestaan en wis hem nooit af voordat het leed
dat hem deed vloeien is weggenomen.
Deze tranen, u met een groot meedogend hart, zijn
de stromen die de velden van onsterfelijke barmhartigheid bevloeien.
Op die grond ontluikt de middernachtelijke bloem van Boeddha . . .
– blz. 12
Zouden de menselijke tranen van smart niet de oorzaak kunnen zijn geweest
die de boeddha van mededogen tot zijn uiteindelijke keuze deed besluiten
nirvana op te geven? ‘Mededogen spreekt en zegt: ‘Kan er
gelukzaligheid zijn wanneer al wat leeft moet lijden? Zult u gered worden
en de hele wereld horen klagen?’’
De betrokkenheid en de mate van zelfopoffering van een bodhisattva
of boeddha van mededogen zijn zodanig dat hij zichzelf volledig geeft
en zich aansluit bij hen die ‘zonder door de mensen te worden
bedankt of opgemerkt’ de beschermmuur bouwen en instandhouden,
die de mensheid beveiligt om ons en deze planeet ‘onzichtbaar
voor nog grotere rampen te behoeden’.
Iedere dag maken we keuzes en deze hebben gezamenlijk als resultaat
een steeds groter universeel mededogen, of spirituele zelfzucht waarvan
de pratyekaboeddha een voorbeeld is die, hoewel volkomen zuiver, niettemin
door zijn einddoel van nirvana wordt verblind, en niet aan anderen denkt.
De edelste dingen die men kan verwerven hebben een eenvoudig begin.
In het begin van De Stem lezen we de stelregel: ‘Treed
uit het zonlicht in de schaduw om meer plaats te maken voor anderen.’
Dit is zo duidelijk dat een kind het kan begrijpen en een prachtige
manier om het beginsel van eerst aandacht voor anderen en dan pas voor
uzelf over te brengen. Het boek bevat ook gedachten die zo diepzinig
zijn dat het verschillende levens zou vergen ze te doorgronden. Hoe
weinig zien we van de verheven werkelijkheid die we innerlijk zijn.
We zijn allemaal wat we van onszelf tot dusver hebben gemaakt, en onze
verschijning weerspiegelt zowel het onzichtbare als het zichtbare. Dat
wat van leven tot leven blijvend is zit diep in ons verborgen, onzichtbaar
en nog niet verwezenlijkt:
Vestig de blik van uw ziel op de ster waarvan u een
straal bent, de fonkelende ster die schijnt in de lichtloze diepten
van het eeuwige zijn, de grenzeloze velden van het onbekende. –
blz. 29
De schoonheid van deze woorden voert gedachten en gevoelens weg van
het wereldse pad naar die grenzeloze gebieden van het onbekende waar
het innerlijke zelf woont. Zulke overpeinzingen geven een diepere betekenis
aan het dagelijks leven en maken het mogelijk enkele regels uit deze
voorschriften te lichten en ze dagenlang op de achtergrond van het denken
te houden. Dat is een natuurlijke vorm van meditatie die steeds kan
doorgaan, zonder de gewone werkzaamheden te onderbreken waaraan we onze
volle aandacht moeten geven. En men weet nooit wanneer een plotselinge
intuïtieve gedachte door ons denken kan flitsen, waardoor we ons
van waardevolle inzichten bewust worden. Want deze woorden hebben kracht
– de vitale kracht van tijdloze waarheid, van wijsheid van het
goddelijke, van de stem van de stilte.