De enige uitweg

 

De mannen en vrouwen van nu, zowel ouderen als jongeren, vormen een generatie die we, denk ik, passend kunnen beschrijven als een verloren generatie; de oorzaak daarvan, de reden van onze mentale afdwalingen en onze emotionele onzekerheden ligt in het feit dat we ons begrip van gemeenschappelijke of algemeen aanvaarde ethische en intellectuele normen zijn kwijtgeraakt en dat ze ons geen houvast meer bieden. Dat blijkt uit de chaos van meningen overal om ons heen; uit de honger van het menselijk hart en ook uit het verlangen van de menselijke ziel die naar waarheid zoekt en niet weet waar ze die waarheid, of de steun die die waarheid biedt, kan vinden: de menselijke ziel die zoekt naar innerlijk licht dat bevredigt en aan de behoefte voldoet, naar iets dat ons helpt de problemen waarmee we worden geconfronteerd op te lossen. Wij zijn inderdaad een verloren generatie en niet alleen de jeugd is ‘verloren’; feitelijk zijn het de ouderen die nog meer in verwarring verkeren dan de tegenwoordige jeugd. Onze hele generatie is blind, wandelt in het duister, weet niet waarheen ze zich moet wenden voor het licht waarnaar ze verlangt; en het chaotische koor van stemmen dat uit de enorme mensenmenigte opklinkt en luidkeels en in verwarring blijft roepen om panacees en wondermiddelen van allerlei aard, politieke en andere, is beangstigend en veelzeggend.
    Als we het oor lenen aan dit rumoer van stemmen, dat maar al te vaak neerkomt op loze kreten, en opbouwende ideeën willen horen die algemeen gelden, dan luisteren we tevergeefs. Maar zelden horen we de stem van iemand die spreekt met het gezag van kennis en ik waag het de reden daarvan aan te geven.
    Als er een gewone ruzie of vechtpartij aan de gang is en men begeeft zich in het woelige strijdperk met de bedoeling te vechten met hen die al aan het vechten zijn en hen te overstemmen, is de kans klein dat er aandacht wordt geschonken aan wat men te zeggen heeft; waarschijnlijk raakt men zelf gewond. Dat komt omdat degene die probeert te bemiddelen afdaalt tot het peil van de schreeuwende ruziemakers. Dat is niet de manier om iets tot stand te brengen waaraan een duidelijke en in elk opzicht opbouwende gedachte ten grondslag ligt, iets dat aantrekkelijk is omdat het nieuw is of helpt, of de problemen verklaart en oplost die de algemene beroering veroorzaken. Op die manier begeeft men zich slechts zelf in de strijd en probeert men geweld met geweld, macht met macht te overwinnen, maar die methode heeft nog nooit succes gehad en zal dat ook nooit hebben.
    Dat betekent niet dat men nooit krachtig moet optreden in menselijke betrekkingen. Soms is het nodig op verstandige maar vriendelijke manier van kracht gebruik te maken, maar altijd zonder geweld en om onheil te voorkomen. Dit gebruik van kracht of machtsmiddelen moet altijd van tijdelijke aard zijn en ze moeten steeds op onpersoonlijke en rechtvaardige manier worden toegepast voor een goede zaak en het algemeen welzijn. Gerechtigheid voor iedereen wordt nooit bereikt door zich in het strijdperk te begeven en het daar ‘uit te vechten’. Gerechtigheid wordt bij wijze van spreken zelden in hokjes ondergebracht en het recht is ook heel zelden geheel aan één kant.
    Onze generatie is intellectueel en moreel verloren omdat ze haar visie heeft verloren. Zonder visie gaat een volk te gronde – een oud Hebreeuws gezegde dat, zoals de geschiedenis aantoont, op een diep inzicht in de psychologie van de mens berust en dus een spreuk is die veel waarheid bevat. Het is altijd een visie of een idee of een aantal ideeën waardoor de mens omhoog naar een glorierijk bestaan, of omlaag naar de afgrond wordt gevoerd. Plato had volkomen gelijk: het zijn ideeën die beschavingen voortbrengen of vernietigen; ze brengen instellingen tot bloei of richten die te gronde; en waaraan het de tegenwoordige mens ontbreekt zijn grootse, universele ideeën en de wil om ernaar te handelen – ideeën en idealen die alle mensen als waar erkennen. En omdat het ons in deze tijd ontbreekt aan visie, aan de innerlijke kennis het juiste te doen, aan een duidelijke weg uit onze moeilijkheden, staan we als volkeren waar we nu staan.
    We staan nu aan het einde van een beschavingsvorm die, evenals destijds in het Romeinse Rijk, haar einde nadert, die uiteenvalt en we zijn getuige van de beginmaten van het kosmische drama dat nu naderbij komt. Het hangt af van de ingeboren wijsheid van de mens en de diepte van het rechtvaardigheidsgevoel in het hart en het denken van de mens, of onze tegenwoordige beschaving in bloed en wanhoop zal ondergaan of dat ze op adem komt en zich de tijd gunt voor herstel; of ze, met het dagen van een nieuwe intellectuele en ethische opvatting van recht en redelijkheid, een halt toeroept aan haar neergang en naar nieuwe hoogten opstijgt, die uitsteken boven het beste wat we als mensheid tot nu toe hebben bereikt. Dit laatste is mogelijk en het kan alleen door de hogere natuur van de mens, zijn intuïties en instinct voor recht en redelijkheid, en niets anders, tot stand worden gebracht: het ingeboren gevoel van de mens voor recht en rechtvaardigheid en het algemene inzicht dat redelijkheid en niet geweld de uitweg is – de weg omhoog naar veiligheid, vrede en vooruitgang.
    De geschiedenis met haar onhoorbare maar zeer krachtige stem toont aan dat er volstrekt geen andere uitweg voor ons is; dat er geen andere volledige oplossing bestaat, ook niet een die mensen van allerlei aard, wat hun denken en karakter betreft, bevredigt. Vrijheid voor allen; elk volk zoekt zijn eigen heil op zijn eigen manier, maar dat moet in ethisch opzicht gepaard gaan met redelijkheid en het verlangen om recht te doen. Zelfs als men een verlicht eigenbelang nastreeft, waarbij scherp wordt gelet op persoonlijk gewin, moet men de algemene voordelen en zekerheden van een dergelijk doel bekijken. Alle instellingen van blijvende aard zijn gebaseerd op die intuïtieve gevoelens en instincten en op niets anders; was dat niet zo, dan zouden ons gevoel voor recht en orde en zelfs ons respect voor onze gerechtshoven, nationale en internationale, een volslagen en afschuwelijk zelfbedrog zijn en een schandelijke, miserabele schijnvertoning; ieder mens met gezond verstand beseft dat onze wetten berusten op rechtvaardige en onpartijdige beginselen die op onpersoonlijke en barmhartige wijze worden toegepast.
    Ik behoor niet tot die sombere pessimisten die zeggen dat de mens een armzalige aardworm is, met instincten die zijn ontstaan door zijn verbinding met de stof en een intuïtie die in feite nergens op berust en dat hij daarom zijn problemen niet behoorlijk kan oplossen. Hij kan ze wel oplossen als hij de wil daartoe heeft. We naderen inderdaad het einde van onze beschaving en nemen geboeid en met ingehouden adem de afbraakverschijnselen ervan waar; wat we echter te vaak vergeten is dat het een bijna geheel materiële beschaving was, waarin stoffelijke zaken dikwijls golden als de enige van blijvende waarde. Er zijn geen nieuwe gebieden meer waarheen we onze jonge mensen kunnen sturen om ze te koloniseren, want ze zijn allemaal al toegeëigend of in bezit genomen. Bijna overal hebben de regels van geweld en materiële waarden gezegevierd boven de regels van internationale rechtvaardigheid en algemene mensenrechten. Ongeveer achttienhonderd jaar lang gold de regel: laat iedereen pakken wat hij kan; laat iedereen vasthouden wat hij kan. Op die zuiver materialistische en zelfzuchtige grondslag berustte voor een groot deel het gedrag van de volkeren op aarde. We hebben wind gezaaid; nu zijn we bezig als geestelijk failliete volkeren de wervelstorm te oogsten.
    Is het niet tijd dat de grotere geesten in de wereld, mensen met een meer vooruitziende blik, ervoor zorgen dat kalmte en gezond verstand en onpartijdige rechtvaardigheid voortaan de toon aangeven? Is er een andere en betere uitweg uit onze zorgen en moeilijkheden dan ze verstandig op te lossen? Als men bewust weigert naar rede te luisteren, als men bewust geen rechtvaardigheid wil of wenst, dan lijkt het zeker dat we ten onder gaan en dat onze beschaving, onze grote steden en het vele werk en de jarenlange inspanningen van miljoenen handen tot stof en puin vergaan. Geen god zal het strijdperk van menselijk leed en koppige onwetendheid betreden om ons armzalige stervelingen uit het moeras te trekken dat wij voor onszelf van de wereld hebben gemaakt; in hoofdzaak doordat we blindelings het eigenbelang najoegen en moedwillig afweken van het pad van recht en vrede. Wij alleen moeten onszelf redden en als we daarmee beginnen op een manier die de hogere machten bevalt, doen we een onafwijsbaar beroep op hun hulp en leiding en zullen we die ook ontvangen. Hercules helpt inderdaad de wagenmenner; maar alleen als de wagenmenner begint zichzelf te helpen – en op de juiste manier.
    Het is je reinste dwaasheid en ethisch en intellectueel klinkklare onzin als men beweert dat de toekomst van de mens is geblokkeerd nu er op alle onontgonnen gebieden op aarde beslag is gelegd; dat er geen toekomst is voor hen die er niet vanaf het begin bij waren. Die opvatting wordt door elke bladzijde in de annalen van de wereldgeschiedenis gelogenstraft. We moeten bedenken dat niets, geen enkele instelling, onveranderlijk is of eeuwig hetzelfde blijft en dat de wisselende, steeds veranderende tonelen in de geschiedenis van de mensheid in het verleden – een feit waaraan niet valt te tornen – de belofte inhouden dat door veranderingen van het kosmische toneel, van menselijke interessen en van gebieden van activiteit, de toekomst evenveel veranderingen te zien zal geven als in het verleden het geval was. De belangrijkste volkeren op aarde zijn niet de bezitters van het grootste grondgebied; dat zijn veeleer die volkeren die het eerst ideeën aanvaarden en vooruitstrevende ideeën toepassen bij de opbouw van menselijke instellingen die zijn gebaseerd en zich beroepen op het ideaal van onpersoonlijke gerechtigheid en een door training geoefend denken, ook al volgt men het ideaal niet altijd; want deze betreffen geestelijke eigenschappen – die in feite universeel zijn.
    Laten we in ons hart de beschermende maar stille kosmische machten eeuwig dankbaar zijn dat de horizon die nu in alle delen van de wereld voor ons ligt, en die geen onderscheid van ras of geloof maakt, een geestelijke en intellectuele horizon is, waarachter zich voor ons onbekende en oneindig uitgestrekte gebieden bevinden die erop wachten door het menselijk genie te worden veroverd, als we de instincten en intuïties van de ziel de vrije teugel laten. Zie eens wat ons wacht als we, niet gedreven door eigenbelang, de vaste wil hebben om recht te doen wedervaren en ons te laten leiden door eer en waarheid!
    Een van de hoofdoorzaken, misschien wel de voornaamste, van onze nationale en internationale problemen is, dat de mens in het algemeen – gelukkig zijn er veel prachtige uitzonderingen – vasthoudt aan het geloof in kracht en geweld als middel om onze moeilijkheden op te lossen. Dat heeft nooit blijvend succes gehad en zal het ook nooit hebben. Geweld roept geweld op; geweld groeit door geweld. Haat roept haat op; zelfzucht doet weer andere zelfzucht ontstaan.
    Een van de doeleinden, of laat ik zeggen plichten, van de theosofische beweging is de mensen te wijzen op de eenvoudige regels van gezond verstand; op het feit dat het leven moet worden beheerst door de hogere ethische instincten van de menselijke ziel, die niet zijn gebaseerd op menselijke afspraken maar op de structuur en processen van de ordening van de natuur zelf. Uit die ethische instincten vloeien redelijke richtlijnen voort en de wil recht te doen; ze leren ons dat de uitweg in onszelf ligt, niet in onze legers of vloten of in al die vreselijke methoden tot wederzijdse vernietiging die de kwade genius van de mens heeft uitgevonden. Die zijn zelfs geen tijdelijke remedies en brengen geen bevredigende oplossing van de problemen. Het defensieapparaat zou hoogstens als politiemacht moeten worden gebruikt, want dan is het gebruik ervan verantwoord omdat het wordt aangewend ter wille van het recht en alleen op verstandige wijze wordt ingezet.
    Onze problemen zullen nooit worden opgelost door onze waanzinnige bewapeningswedloop die overal wantrouwen, angst en verontrusting wekt en de volkeren uitperst, omdat de belasting hun draagkracht te boven dreigt te gaan en ertoe leidt dat ze hun levensomstandigheden bijna gaan haten. Het is de oude, nu wel door iedereen erkende dwaze redenering dat door een opeenhoping van wapens en door nieuwe verschrikkelijke vernietigingssystemen te ontwerpen en het gebruik van geweld te doen toenemen, oorlogen langzamerhand zo verschrikkelijk worden dat de mensen ze verafschuwen en ervoor terugdeinzen. Van alle dwalingen en domme argumenten is dit wel het ergste dat de lijdende mens ooit is aangepraat.
    Het zal nooit lukken een einde aan oorlog te maken door zich te organiseren of zich bij groeperingen aan te sluiten die zweren dienst te weigeren en de regering in geval van oorlog te trotseren. Die methode is volgens mij totaal uit den boze. We kunnen bewondering hebben voor de idealistische moed en gedachten van jonge mannen en vrouwen die dit blijkbaar doen. Maar ze zien voorbij aan het feit dat wat ze zeggen neerkomt op een soort oorlogsverklaring aan hun eigen regering en land als er een oorlog uitbreekt, waardoor ze wanorde en strijd in de eigen gelederen brengen.
    Laten de jongeren van de verschillende volkeren, in welk land ook, een voorbeeld zijn van trouw en loyaliteit, iedere jongere tegenover zijn eigen regering en op die manier bewijzen wat de kracht en betekenis is van het morele ideaal van goede burgerzin; maar omdat aan de andere kant de wereld dringend behoefte heeft aan het idealisme en de ridderlijkheid van de jongere generatie, zouden de jongeren ook daaraan uitdrukking moeten geven door hun stem luid en met nadruk te verheffen en zich krachtig uit te spreken voor universele gerechtigheid en gezond verstand, maar wel met wettige middelen. Op deze manier zal de stem van de jongeren overal in de wereld doordringen, in vrije en onvrije gebieden; want door als komende generatie, die algauw de last van de schouders van de ouderen moet overnemen, op hun rechten te staan, zullen ze snel de instemming van ontelbaar velen krijgen. Novus ordo seclorum!
    Ik zou graag zien dat er door wederzijdse verdragen en overeenkomsten volledige ontwapening van de volkeren plaatsvond en er een internationale vloot werd gevormd onder het bevel van en bemand door mannen die beurtelings uit de verschillende zeevarende of zelfs niet aan zee wonende naties van de aardbol werden gerecruteerd en voor dit doel opgeleid. Ik zou graag de legers in de wereld zien teruggebracht tot slechts betrekkelijk kleine nationale politiemachten. De taak van de internationale vloot zou dan bestaan uit politietoezicht op de zeeën, het onderdrukken van zeeroverij en beveiliging van open zeeën en kustwegen voor de handel tussen de volkeren van de wereld. Er is niets dat dit tweevoudige resultaat van opbouwend denken in de weg staat – behalve een mentaliteit die iedereen verfoeit en we allemaal vrezen: een psychologische instelling die tot een denkgewoonte van de mens is uitgegroeid.
    Laten we bidden en hopen dat de leidinggevende mensen in de wereld van vandaag, zij die het lot van de volkeren min of meer in handen hebben, zullen luisteren naar de hartenklop en de onuitgesproken maar groeiende wil van de volkeren om een blijvende oplossing voor hun problemen tot stand te brengen. Als ze dat doen zullen ze geschiedenis maken; niet zozeer door standbeelden en gedenkstenen zullen ze in de herinnering bewaard blijven, maar hun namen zullen eeuwig stralen omdat ze onuitwisbaar zijn gegrift in het menselijk hart. Eeuwenlang zal hun herinnering als een vuur van liefde en dankbaarheid in ons hart blijven branden.
    Ik herhaal: een broederschap van de volkeren, gebaseerd op redelijkheid en rechtvaardigheid, en die werkt voor het algemeen welzijn en de vooruitgang van iedereen, is te verwezenlijken en praktisch en zal eens onvermijdelijk blijken te zijn. Waarom leggen we dan niet NU daarvoor de grondslag?


Wind van de geest, blz. 60-7

© 2001 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag