Waarom lachen we niet om onszelf?

 

Velen spreken over de heldenmoed van zelfoverwinning – iets waarover we het allemaal eens zijn; maar toch vraag ik me soms af of onze ideeën over de heldhaftige strijd met onszelf niet een beetje hysterisch of zelfs dwaas zijn! Ik bedoel niet de heldhaftige kant ervan; maar dat lagere zelf van ons, dat armzalige ik! Het stuurt ons leven aldoor in de war, eenvoudig omdat we ons ermee vereenzelvigen, altijd ermee willen vechten en het even groot willen maken als wijzelf. Is het zo heldhaftig een geestverschijning die wijzelf in het leven hebben geroepen te bevechten?
    Wat zegt de oude wijze Lao-tse hierover? Als u het lagere zelf wilt overwinnen, maak het dan beschaamd over zichzelf, maak het belachelijk. Lach erom; lach om uzelf. Zolang u ergens aandacht aan schenkt, versterkt u het en brengt u het op uw eigen niveau; en als u daarna probeert ertegen te vechten, bevecht u in feite een ander deel van uzelf dat in werkelijkheid enorm nuttig kan zijn.
    Ik heb wel horen zeggen: dood het lagere zelf. Stel dat we dat zouden kunnen? Dan zouden we heel ongelukkige wezens zijn; we zouden er zelfs helemaal niet zijn. Als we dit lagere zelf in toom houden is het een vriendelijk dier. Het helpt ons. We hebben alleen tot taak het in toom te houden. Welnu, als iemand een onhandelbare hond of paard of kat heeft, of welk ander huisdier ook, schopt en slaat hij het niet en geeft hij het geen klap op zijn kop om er een braaf dier van te maken. Hij zou het algauw weerspannig, laf en kwaadaardig maken; hij haalt het omlaag. Daarom moet het lagere zelf noch worden vernederd, noch bekleed met de valse waardigheid van een tegenstander die ten onrechte tot de positie van het geestelijke zelf wordt verheven. Het moet op zijn plaats worden gehouden en vriendelijk, met achting en hoffelijkheid worden behandeld, maar altijd met een vaste, leidende hand. Wanneer het lagere zelf zich vrijheden begint te veroorloven, zet het dan op zijn plaats, maar niet met geweld, ook niet door het waardigheid te geven of te bevechten. Drijf de spot met uw lagere zelf en u zult zien dat het lagere zelf zijn juiste plaats weer inneemt omdat het zich tijdelijk schaamt en zich onwaardig voelt – gezichtsverlies, zoals de Chinezen zeggen.
    Zo is het ook met een hond. Heeft u wel eens gezien hoe een hond de staart tussen de poten steekt als u hem uitlacht? Honden weten wanneer ze worden uitgelachen; en dat is een van de beste manieren om met een dier om te gaan.
    Ik geloof dat Lao-tse uit China een wijze uitspraak deed toen hij zei dat een van de beste manieren om een vijand te overwinnen is hem belachelijk te maken.
    Nu werkt dat niet tussen mensen onderling, want het is vaak erg cru en wreed omdat ze op hetzelfde niveau staan. Men kan iemand heel erg en ten onrechte kwetsen door hem met spot in een valse positie te plaatsen. Nee; maar probeer het eens bij uzelf. Lach om het lagere zelf zodra het lagere zelf u wil voorschrijven wat u moet doen; verleen het geen waardigheid; geef het geen aanzien, macht of kracht door ertegen te vechten; maar maak er ook geen misbruik van of maak het niet zwak, kwaadaardig of laf. Zet het op zijn juiste plaats door de spot ermee te drijven en het soms ook een beetje te minachten. Leer wat ware heldhaftigheid is. Lach om datgene wat u dwarszit!
    De rol die het gevoel voor humor in het leven speelt, dat wil zeggen, in de gedachten en gevoelens van de mens en het gedrag dat daaruit voortvloeit, en de rol van humor in geestelijke zaken, wordt maar al te vaak over het hoofd gezien. We kunnen gevoel voor humor omschrijven als het zien van harmonieuze betrek-kingen tussen ogenschijnlijk onsamenhangende dingen, overeenstemming tussen niet overeenstemmende zaken, wat ons vrolijk stemt.
    Het vermogen de humor in te zien van wat ons overkomt is een geestelijke eigenschap. Humor ligt tenslotte aan het heelal ten grondslag en ik geloof dat het een van de grootste tragedies van het individuele bestaan is als men het vermogen mist de grappige kant van de dingen te zien als er moeilijkheden komen. Wanneer een ramp ons treft moeten we proberen de grappige kant ervan te zien; dan besparen we ons waarschijnlijk niet alleen een hoop moeilijkheden, maar het geeft ons ook een stimulans.
    Ik herinner me een treffend voorval in een gesprek dat ik als jongen had met mijn geliefde oude vader. Mijn vader had in een theologisch tijdschrift een artikel gelezen van een bekende christelijke predikant die een pleidooi hield voor het bestaan van een gevoel voor humor ‘in de Almachtige God’. Ik zei dat ik dat eenvoudig schitterend vond, want is het mogelijk dat een deel, de mens, iets bezit wat het almachtige geheel, het goddelijke, mist, ook al is ons gevoel voor humor menselijk en klein, omdat we klein zijn? Als dus de godheid gevoel voor humor heeft, zei ik, is het natuurlijk een gevoel van goddelijke humor, maar het blijft toch humor.
    Het oude hindoedenkbeeld dat Brahm het heelal voortbracht als een spel, een grap, bevat veel gezonde wetenschappelijke en filosofische waarheid. De woorden verschillen van die van de christelijke predikant, maar de gedachte is dezelfde. Anders gezegd: het voortbrengen van alle dingen was geen tragedie: er zat schoonheid in, er was harmonie, er zat humor in; en zij die zich in dit heelal bevinden kunnen, als ze dat willen, de humor erin zien.
    Denk eens aan de godsdienstoorlogen en al het gekrakeel, die er nooit zouden zijn geweest als de mensen gevoel voor humor hadden gehad. Als men in deze tijd de grappige kant van de dingen zou zien, zou men beginnen beter met elkaar om te gaan, van elkaar te houden, met elkaar te lachen en onderling overleg te plegen in plaats van elkaar te wantrouwen.


Wind van de geest, blz. 84-6

© 2001 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag