Waar zijn de wijzen en zieners?

 

De grote wijzen en zieners, de meesters van wijsheid en mededogen, behoren niet tot een bepaald ras en zeker niet tot een bepaalde religie. Ze zijn de kinderen van de geest, ontwaakte mensen; hun denken is waarheid en daarom zijn hun sympathieën universeel. Aan grenzen van ras, kaste, geloof of huidskleur hebben ze geen behoefte. Ze zijn zoekers naar waarheid, leraren van waarheid, en de Theosophical Society is door hen gesticht om de waarheid te verspreiden, de kosmische wijsheid, de kosmische filosofie, die al bestond vóór de basis van de machtige bergketens werd gelegd, ja zelfs vóór de zonen van de dageraad begonnen te zingen, hun hemelse lofzangen ten gehore te brengen. Want waarheid heeft geen leeftijd. Ze werd nooit geboren en nooit was ze er niet. Ze is tijdloos want ze is universeel. Ze doet een beroep op het hart en het denken van alle mensen. Het doet er niet toe uit welk deel van de wereld een mooie waarheid afkomstig is; heeft dus een mens de zevensnarige lier van Apollo – zijn hart of zijn zeven beginselen – zo afgestemd dat ze als een eolusharp fluistert en opklinkt wanneer de hemelse wind erlangs blaast, dan is hij voor dat moment en zolang hij dit bewustzijnsniveau kan vasthouden, een van de wijzen en zieners, of zijn medemensen hem herkennen of niet; en dat geldt voor u en mij en alle mensen, althans voor ieder van ons die dat heeft bereikt.
    En zie wat een belofte dit inhoudt: juist omdat we kinderen van de oneindigheid zijn, niet alleen zonen van de goden, maar in feite het kroost van de hemelse ruimten, is er iets in ons dat op hen is afgestemd en daarom tijdloos, oneindig en eeuwig is.
    Hoe juist is het oude gezegde in het Nieuwe Testament dat u mij zo vaak hoort aanhalen omdat de christenen het tegenwoordig zo uit het oog hebben verloren! Ik voeg twee van zulke uitspraken aaneen: ‘Weten jullie niet dat jullie goden zijn en dat de geest van het eeuwige in ieder van u woont?’
    Waar zijn de wijzen en zieners? Waar ze altijd zijn geweest. De vraag komt misschien op het eerste gezicht wat dwaas over, maar ik denk dat ze voortkomt uit het verlangen de mensen uit te leggen waarom de meesters de mensheid niet bij de hand nemen en haar verplichten of dwingen fatsoenlijk te zijn. Maar wat heeft dat voor zin? Hoe kunt u mensen door dwang ervan overtuigen dat dit of dat waar is? Is het niet vanzelfsprekend dat mensen alleen geloven wat hun eigen hart hun leert, en dat wat ze ook te horen of te leren krijgen niet wordt aanvaard als het in het hart van de mens geen weerklank vindt en het menselijk intellect er niet onmiddellijk op reageert; integendeel, er wordt dan een muur opgetrokken die sterker is dan staal.
    De waarheid is eeuwig. De waarheid is altijd bij ons en zij die de waarheid zijn toegedaan, zijn altijd bij ons, zijn altijd bij ons geweest en zullen dat altijd blijven; maar wij zijn het die in onze dwaasheid, onwetendheid en blindheid weigeren hen te accepteren. Open uw hart en open uw denken en het licht zal binnenstromen. Dat is de belofte van alle wijzen die de mensheid ooit heeft voortgebracht. Wanneer de leerling gereed is, staan de leraren altijd klaar. Als we geen bewijs zien voor het bestaan van de meesters in onze wereld van nu komt dat ten dele omdat we te dom zijn, ten dele omdat we de goddelijke wijsheid in de wereld zijn vergeten en ten dele omdat we niet willen luisteren.
    De waarheid is door de titanische intellecten van de mensheid opgetekend en als de mens ze niet accepteert, wiens schuld is dat dan? Niet die van de leraren. Als ik de voorkeur geef aan strijd, ellende, misdaad en gruwelen, waarom zou ik dan tegen de hemelen die niet horen, zeggen: ‘Waar bent U, o God?’ Van alle kwellingen door stupiditeit zien we hier nóg een bewijs van de poging van de mens om zijn eigen dwaasheid en onwetendheid te rechtvaardigen. Men zou net zo goed kunnen zeggen, waar zijn de wetten van de natuur? Waar zijn die gebleven? Waarom nemen die de mensheid niet bij de hand? Een mooie manier van denken is dat! Iedere gewone ouder weet wel beter. Meestal zal een vader of moeder niet proberen met geweld in de groei van een kind in te grijpen. Dat had nooit succes en zal nooit succes hebben. U kunt een luipaard zijn vlekken niet laten veranderen en hoe u hem ook uithongert of kastijdt of uit wraak zogenaamd straft, het maakt van een luipaard nooit iets anders dan een luipaard – totdat die luipaard is geëvolueerd.
    Wilt u de waarheid weten? U kunt die vinden wanneer u maar wilt. De wereld is er vol van. De verheven eeuwenoude leringen zijn er vol van. Wat belet ons haar te zien? Is er iemand zo blind als de mens die niet wil zien? Is er iemand zo dom en doof als hij die weigert te horen? Dit zijn enkele van de eenvoudige waarheden die ieder kind kent; toch geven we de voorkeur aan schijnheiligheid, huichelarij en zelfrechtvaardiging boven herstel van het onrecht dat we anderen aandoen, om als we zelf onder onze dwaasheden beginnen te lijden de onsterfelijke goden luid om hulp te roepen. Ja, we verkiezen huichelarij; en hoevelen van ons kunnen voor het goddelijke tribunaal in hun eigen hart zeggen: ‘Ik ben geen huichelaar. Ik ben rein. Ik dank God dat ik niet ben als anderen!’ Wees eerlijk; is dat nooit in uw hart en denken opgekomen? Ziet u niet dat dit het eerste is waarin u zelf als pelgrim verstrikt bent geraakt: zelfrechtvaardiging en zelfingenomenheid? Begrijpt u niet dat u daardoor uzelf verblindt?
    Dat de waarheid niet populair is, dat de waarheid niet welkom is, dat men er niet van houdt, is maar al te waar. Waarom? Omdat het verandering betekent. Het betekent de ontwikkeling van het gevoel en het denken. Het betekent een zodanige ommekeer in de morele instincten dat ze weer bezield en sterk worden. De eerste stap die we moeten doen om de grote leraren te leren kennen, persoonlijke en eerstehands kennis over hen te verwerven, is zoveel mogelijk aan hen gelijk te worden. Een andere manier is er niet. Het hart moet zich tot elke prijs aan de waarheid wijden. Bent u sterk genoeg? Als dat zo is, dan bent u gereed voor het chelaschap, het discipelschap; en u zult een discipel zijn vóór dit leven is geëindigd – misschien vóór de dag van morgen onze dagster ziet ondergaan.
    De meesters, de grote wijzen en zieners staan altijd voor u klaar. Er is op uw weg naar hen geen barrière, geen enkele belemmering, behalve uzelf; en als u in dit leven of in het volgende, of het daaropvolgende, het chelaschap niet bereikt, geef dan niemand behalve uzelf daarvan de schuld. Hoe kunt u een discipel of chela worden vóór u daarvoor gereed bent, vóór u dat bent geworden? Hoe kunt u het licht zien, vóór u ogen heeft om het te zien? Hoe kunt u schoonheid waarderen of ergens door iets moois worden getroffen, vóór schoonheid in uw eigen ziel is geboren, zodat de innerlijke schoonheid de schoonheid buiten u kan aanvoelen? Hoe kunt u een edel mens herkennen voor er tenminste innerlijk enige grootsheid in u is geboren om het u mogelijk te maken grootsheid te herkennen? Als u laag of klein en bekrompen bent, hoe kunt u dan het tegenovergestelde daarvan herkennen?
    Het is als mensen die door de wereld gaan zonder de goddelijke schoonheid in hun eigen medemensen te kennen en die daarvoor blind en doof zijn. Een van de gemakkelijkste manieren om schoonheid te vinden, waarheid te vinden, en sneller een directe magnetische band van gevoel met onze medemensen te hebben, is door zelf sympathiek en begrijpend te worden. Als een mens geen sympathie in zijn ziel heeft, hoe kan hij dan de sympathie in de ziel van anderen opmerken? Als hij geen schoonheid in zijn hart heeft, hoe kan hij dan ergens anders schoonheid zien? Of zoals Shakespeare het zegt:

De mens die geen muziek in zich heeft,
Noch door de harmonie van zoete klanken wordt ontroerd,
Is geschikt voor verraad, list en roof.

    U zult het meester-zelf nooit zien vóór u innerlijk als een meester bent geworden, want u zou het niet herkennen. Dat zou onmogelijk zijn. U heeft de innerlijke visie, de innerlijke vermogens niet ontwikkeld; maar die vermogens zijn er wel.
    Deze wijzen en zieners bestaan ook nu nog; zij nemen leerlingen aan, om de gewone uitdrukking te gebruiken. Ze doen meer: ze gaan speurend en zoekend door de wereld; zoeken niet zozeer zoals Diogenes naar een eerlijk mens, maar zoeken overal naar goed materiaal, naar gevoelige zielen; ze zoeken overal of ze ergens een sprankje buddhisch licht in een mensenhart zien, hoe flauw ook; en als ze dat zien, richt zich onmiddellijk hun aandacht daarheen. Ze voelen onmiddellijk de invloed daarvan in hun eigen hart. Ze komen dichterbij, ze helpen, ze inspireren; ze doen alles wat ze kunnen om het bevende vlammetje van visie en gevoel te voeden. Ze koesteren en onderhouden het tot de vlam tenslotte krachtig brandt; dan is de mens herboren, niet langer uit vlees geboren, maar herboren uit de geest, uit de inspiratie van binnenuit en van de leraar van buitenaf.
    Boven en achter en hoger dan deze wijzen en zieners bevindt zich hun eigen grote chef. Een zeer verheven figuur die hemelse wijsheid en schoonheid bezit, die volkomen is toegewijd aan de geest en aan de wereld met al wat daarin is, zonder te letten op ras, volk, geloof, kaste, huidskleur of sekse. Dit wezen is een god. Theosofen spreken er met eerbied en ontzag over als de stille wachter. Hij is het hoofd van de meesters. Hij is een van ons – een stralende gids, leraar, vriend, broeder; de bron voorzover het de mens betreft van alle verlichting, wijsheid, schoonheid en liefde. Als het om de diepere theosofische leringen gaat kunnen we met grote eerbied, en toch volkomen naar waarheid, zeggen dat achter al ons werk, hoe onvolmaakt wij mensen dat ook doen, dit grote goddelijke wezen staat als de oorsprong en inspiratie ervan.
Hoe hoopvol! Wat een wonder om naar uit te zien! Ik denk dat er in deze wereld nu miljoenen, honderden miljoenen mannen en vrouwen zijn die eerbiedig en met een gevoel van alomvattende liefde verlangen steeds hoger en hoger te klimmen. Als ze eens allen in één groep van onpersoonlijke werkers konden worden samengebracht! Wat zouden ze dan een kracht in de wereld zijn! Het verstand van de mens zou niet langer worden geplaagd door problemen, problemen die voortvloeien uit zijn zelfzucht. De mensheid zou niet langer worden geteisterd door armoede en ellende en een groot deel van de vreselijke, ontstellende rampen die zich nu voordoen. Soms denk ik dat het meest ontroerende, meest hartverscheurende verhaal ter wereld onder onze medemensen dat verhaal is dat men niet hoort, maar dat wordt overgebracht in de woordeloze beklemming van de stilte. O, waarom lijden mensen toch zo nodeloos!
    Ik ken geen verhevener titel om de grote leraren te geven dan deze: Vrienden van de mensheid en van al wat leeft!


Wind van de geest, blz. 13-18

© 2001 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag