De orakels uit de oudheid

 

Het antwoord van de orakels was nooit een rechtstreeks ja of nee. Ze uitten zich alleen in beeldspraak. Hun taal was altijd zo ingekleed dat degene die het orakel een vraag stelde zelf moest kiezen en dus zijn eigen vrije wil en verstand moest gebruiken. Anders zou er inbreuk worden gemaakt op de vrije wil van de mens in tijden van spanning en druk, juist de tijden dat iemand innerlijk moet kiezen, en u ziet de ethische betekenis hiervan. Zijn pad zou voor hem dan zo zijn geëffend als hem de weg naar veiligheid, vrede en succes werd gewezen, dat zijn karma niet naar behoren zou uitwerken, waardoor hem moreel onrecht zou worden aangedaan. Als een slecht mens aan het orakel de vraag zou stellen: ‘Zal ik slagen als ik dit of dat doe?’ en de god zou dan ‘Ja’ zeggen – zou dat betekenen dat de godheid de weg wijst naar de hel.
    Bijvoorbeeld: Croesus, koning van Lydië, was in zijn tijd een machtig en eerzuchtig heerser met een buitensporige haat tegen de vijanden die hem omringden; er brak een tijd aan dat de Perzen het oneens waren over enkele van zijn activiteiten. Koning Croesus twijfelde of hij met de Perzen oorlog zou voeren of niet. Omdat hij voor zijn optreden goddelijke volmacht wenste te verkrijgen, zond hij zijn vertegenwoordigers naar Delphi om de God Apollo te vragen: ‘Moet koning Croesus oorlog voeren tegen de Perzen?’ Het antwoord van het orakel luidde: ‘Als koning Croesus tegen de Perzen oorlog voert, zal koning Croesus een machtig rijk vernietigen’. Croesus dacht in zijn dwaasheid en zelfzucht dat dit de goddelijke belofte betekende dat zijn zelfzuchtige plannen zouden slagen. Hij voerde oorlog tegen Perzië – en raakte zijn machtige koninkrijk kwijt! Hij vernietigde een rijk dat hij had opgebouwd. Ziet u de morele achtergrond?


Wind van de geest, blz. 277

© 2001 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag