Hoe werkt de natuur na de dood?

 

Ik geloof dat er geen schriftelijk of mondeling contact mogelijk is tussen hen die zijn heengegaan en hen die hier op aarde zijn; en daarvoor bestaan wel duizend redenen, redenen gebaseerd op de wetten van harmonie van de natuur.
    Maar er is één uitzondering op deze regel: de gevallen van hen die stervend zijn of pas zijn overleden. Op dat ogenblik heeft de gedachte in het denken van de stervende een sterke magnetisch-intellectuele kracht achter zich, waardoor ze zich door de onzichtbare ethergolven beweegt naar degene aan wie wordt gedacht; en dan is er een soort verschijning, een lichtende aanwezigheid van de stervende die probeert iets te doen voor degene aan wie wordt gedacht. Soms gaat de gedachte voorbij, vaak ook niet. Dit zijn de enige gevallen waarin de stervende of de pas overleden persoon mondeling of schriftelijk met hen die op aarde zijn in verbinding kan komen.
    De spiritisten hebben hun verschillende denkbeelden ontwikkeld in een tijdsbestek van iets minder dan 100 jaar en hebben zelf geprobeerd de verschillende boodschappen die ze van hun overleden vrienden meenden te ontvangen, te verwerken en er een soort filosofie van te maken; de tegenstrijdigheden die zich daarbij voordeden bleken uitermate talrijk. Deze tegenstrijdigheden zijn voor ons het bewijs dat er op die manier, voor ons die in het lichaam zijn, vanbuiten geen onthullingen komen. Anderzijds heeft de mensheid, beschaafd en onbeschaafd, ons sinds onheuglijke tijden eenstemmig precies het tegenovergestelde verteld en geleerd van wat onze broeders, de spiritisten, zelf proberen te begrijpen en te verklaren aan de hand van de weinige feiten waarover ze beschikken. Alle grote figuren uit de oudheid, in welke wereld van menselijk denken of menselijk leven ook, hebben deze omgang tussen de levenden en hen die zijn heengegaan altijd met één woord aangeduid, necromantie, en hebben die zonder aarzelen veroordeeld en tegelijk een verklaring ervan gegeven. Ik vermeld deze dingen niet om een hard oordeel uit te spreken, maar om bepaalde historische feiten in herinnering te brengen.
    Hebben die onthullingen, die mededelingen of die omgang de mensheid ooit één natuurfeit opgeleverd, één wetenschappelijke, religieuze of filosofische waarheid? Ga eens na wat die mededelingen inhouden. Met hoge uitzondering van enkele bestaan ze, eerlijk gezegd, uit wat we vriendelijke leuterpraat kunnen noemen: ‘Lieve vader, lieve vrouw, lieve dochter, lieve zoon, ik ben gelukkig; ik ben in de geestenwereld. Mijn geleigeest zegt me dat je wacht. Wees alsjeblieft gelukkig. Doe de groeten aan Jannie. Ik moet nu gaan. De volgende keer meer.’
    Er zit iets heel aandoenlijks in. We moeten de spiritisten nooit veroordelen omdat ze aan deze dingen geloof hechten. Hun hart hongert naar een bewijs, zoals ze het noemen, van het voortbestaan. Wat wij willen zeggen is dit: Broeders, het enige dat u zal overtuigen van een waarheid in de natuur is de rede, het gewicht van het bewijsmateriaal, iets dat invloed heeft op uw denken; met andere woorden, feiten en geen theorieën.
    Het is juist het eerlijke getuigenis van een enkel mens te aan-vaarden en het is goed als we waarde hechten aan wat een eerlijk, betrouwbaar mens heeft te zeggen. Ik geloof dat in de rechtszaal het getuigenis van één eerlijk mens wordt aanvaard. Een getuigen-verklaring van twee is veel sterker, die van drie wordt bijna als afdoend beschouwd. Maar als we tegenover deze ene, twee, drie of vier de hele mensheid plaatsen die, sinds onheuglijke tijden, onveranderlijk van het tegendeel getuigt, moeten we dan aan wat de grootste denkers zeggen die ooit in het verleden hebben geleefd, of die nu leven, niet evenveel waarde hechten als aan die enkele enthousiastelingen, hoe eerlijk die misschien ook zijn? Enthousiasme en oprechtheid betekenen nog geen waarheid. Ze betekenen wel eerlijkheid, maar geen waarheid.
    Denk bovendien eens even na en bekijk die gedachte van een andere kant. Stel dat we, als we sterven, ons bewust zijn van wat er op deze aarde gebeurt. Stel dat de natuur toeliet dat de stervenden, zoals wij ze noemen, weten wat er op aarde gebeurt nadat ze heengaan. Wat een genadeloze hel zou dat zijn voor hen die heengingen! Zou er sprake zijn van vrede en rust of geluk bij de vreselijke aanblik van ellende en verdriet op aarde? Zou iemand van u gelukkig sterven als hij vermoeid en verlangend naar rust en vrede, waar hij volgens de wetten van de natuur recht op heeft, zoals zij u ook ’s nachts slaap schenkt om het vermoeide lichaam te laten uitrusten – zou iemand van u gelukkig kunnen zijn als u nu sterft en zou zien wat er de komende 10, 20 of 50 jaar op aarde gebeurt? De natuur maakt zulke fouten niet. Op die manier behandelt ze haar kinderen niet. Zelfs als ze ons laat ziek worden als gevolg van onze eigen dwaasheden en zwakheden, is het vaak en misschien wel altijd zo dat de zenuwen van het lichaam verdoven en de verzachtende balsem van vergetelheid stilletjes over de lijdende mens daalt. De natuur is gebouwd op harmonie en mededogen. Als we sterven zijn we in een toestand van volstrekte en barmhartige onbewustheid; er is geen sprake van lijden; we verkeren in de onbewuste toestand van een korte, volkomen en droomloze slaap. Voor de gemiddelde mens – en ik heb het nu niet over de uitersten, de zeer goeden en de zeer slechten – maar voor de miljoenen gemiddelde mensen is het eerste wat het bewustzijn ervaart als het ware een ontwaken tot onuitsprekelijk geluk en zaligheid in wat we devachan noemen. Het is een droom, zo u wilt, maar als een droom die het hele wezen, het vermoeide denken en het vermoeide hart rust brengt, waarbij alles rust en zich herstelt.
    Wat is dit devachan? Het is het tot bloei en activiteit brengen van al die mooie en prettige dingen die we op aarde in ons denken hebben opgebouwd en niet tot uitdrukking konden brengen. Als het lichaam sterft, roept het bevrijde denkvermogen zich die mooie idealen en aspiraties en alles wat groots, schoon en verheven was automatisch voor de geest, brengt deze tot leven, houdt zich daarmee bezig en ervaart vrede, geluk en rust. Alle ellende en alle nare dingen van het lagere gebied zijn vergeten.
    De natuur zorgt beter voor haar kinderen dan wij, oneindig veel beter en liefdevoller dan de meest liefdevolle ouders, die menen te weten hoe ze voor hun kinderen moeten zorgen en hoe ze hun kleinen moeten beschermen. Twijfelt u hieraan? Laat mij u dan een vraag stellen. Beseft u wel dat u op dit moment en in al uw levens omringd bent door de meest kwaadaardige ziektekiemen die u in minder dan geen tijd zouden doden als er in uw lichaam niet een beschermend mechanisme werkte? Wie doet dat? Moeder natuur. U weet het niet, maar de natuur beschermt u en behoedt u voor gevaren waarvan u geen idee heeft; en alleen de dwaasheid van de mens, zijn slechte daden, de verdorvenheid soms van zijn hart, zijn eigen zwakheden, veroorzaken op aarde de helse toestanden die we kennen. Het is niet de natuur die dat doet; en ieder die probeert zijn morele verantwoordelijkheid af te schuiven door te zeggen dat de natuur dit doet, weet innerlijk dat hij onwaarheid spreekt. Hij doet het zelf. De natuur beschermt als we haar dat toestaan en ze beschermt ons zoals ouders hun kind proberen te beschermen tegen de onwetendheid van het kind zelf. De natuur, beheerst door de goddelijke wet, zal zelfs proberen het lichaam te genezen dat wij met onze hardnekkige en soms gulzige zucht naar het kwaad, voortdurend proberen te verzwakken en te bezoedelen. De natuur geneest, vergeeft, geeft ons telkens weer een nieuwe kans, en staat toe dat ons lichaam in leven blijft, misschien wel verzwakt, maar genezen. De schade die is aangebracht, werd door ons veroorzaakt.
    Het hart van de natuur is dus oneindige liefde en mededogen en harmonie en overal om ons heen zien we de bewijzen daarvan. De natuur zorgt voor haar kinderen. Zij beschermt ze en helpt ze. Ons probleem is dat we voortdurend vechten tegen onze moeder, de enige uiterst barmhartige en uitermate wijze moeder die de mensheid ooit zal kennen. Vandaar de leer: help de natuur en werk met haar mee en de natuur zal u als een van haar meesters beschouwen en voor u neerbuigen.


Wind van de geest, blz. 278-82

© 2001 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag