Het leren kennen van de werkelijkheid in drie fasen

 

Het zich psychologisch openstellen van de mens voor de waarheid, voor het binnentreden van de goddelijke wijsheid – met andere woorden, de training die iedere waarachtige theosoof ondergaat – begint zodra hij wordt geraakt en zijn hart zich opent, het begint zelfs al weet hij dat niet. Het zich openen van het hart kan in drie stadia worden verdeeld. We zijn daarmee vertrouwd in die vorm van het boeddhisme die, afkomstig uit India, zijn oorsprong heeft in China. In het Sanskriet wordt het de dhyanivorm genoemd en in Japan is het bekend als de zenvorm van het boeddhistische denken. Het wordt ongeveer als volgt uitgedrukt en is evenzeer van toepassing op theosofie, omdat de zen- of dhyanivorm van het boeddhisme slechts een tak is van het theosofische denken.
    De onderzoeker die de voorhof van de tempel van wijsheid betreedt, en later de tempel zelf, gaat door drie fasen van zich innerlijk openstellen – dat is de uitdrukking die zij gebruiken. Welnu, in de eerste fase zijn de bergen en de wateren op aarde, bergen en wateren, en men erkent dat ze waard zijn te worden bestudeerd en onderzocht, en men ziet en voelt de schoonheid ervan; maar het zijn alleen bergen en alleen wateren.
    Maar door studie en door te zoeken naar de waarheid, vindt tenslotte het tweede psychologische ontwaken van zijn karakter, van zijn begrip, van zijn wezen plaats. Hij beseft dat de bergen en wateren, hoe mooi die ook zijn en waard om bestudeerd te worden, tenslotte niets anders zijn dan aspecten, schijnbeelden, verschijnselen van daarachter liggende werkelijkheden, de gevolgen van onzichtbare en geheime oorzaken; en in deze tweede fase van het openen van zijn wezen ziet hij in dat als hij de waarheid wil vinden, hij dieper moet graven en de wetenschap van de bergen en van de wateren van de aarde moet bestuderen. Hij moet de oorzaken onderzoeken die ze deden ontstaan, de innerlijke oorzaken en krachten die de bergen en de wateren voortbrachten. Hij beseft dat de bergen en de wateren – omdat ze gevolgen, verschijnselen, schijnbeelden zijn, hoe betrekkelijk echt ze ook lijken – slechts een illusie, maya, zijn, omdat de waarheid zelf daarbinnen en daarachter ligt. Zijn hele wezen wordt vervuld van de gedachte aan dit wonder.
    Dan begint hij geleidelijk de diepe wijsheid te beseffen van het oude gezegde dat het hele universum een verschijnsel is en dus een illusie, maar alleen een illusie omdat we het niet goed begrijpen. Het betekent niet dat het heelal niet bestaat. Dat is absurd en een verkeerd denkbeeld. Hij ziet in dat we het niet goed begrijpen, dat we erachter en erbinnen moeten zien. Het zichtbare moet een beeld geven van het onzichtbare; het gevolg moet ons leren over de oorzaken daarachter. In deze fase begint hij zijn eenheid te beseffen – en dat is het mooiste deel van de tweede fase van de psychologische ontsluiering in dit stelsel van training dat de theosoof ondergaat en liefheeft – hij begint zijn ware eenheid met al wat is te beseffen, want hij ziet in dat hij, als fysieke mens, slechts een verschijnsel is, een gevolg; dat hij in werkelijkheid het product is van geheime en onzichtbare oorzaken; dat achter het verschijnsel van de fysieke mens de menselijke geestelijke oorzaak ligt. Zijn gevoel van eerbied groeit en een sterk besef van de schoonheid in alles stroomt zijn hart binnen, want hij erkent dat hij slechts één van alle wezens en entiteiten en schepselen is die het heelal vullen. Vanaf dat moment begint hij te begrijpen dat de ethiek niet een louter menselijke afspraak is; ethische normen zijn geworteld in het weefsel en de materie van de universele natuur zelf. Hij voelt intens zijn eenheid met al wat is: ‘Ik en mijn Vader zijn één.’
    Dat voert naar het derde psychologische stadium van zich openstellen, en in dat derde stadium beseft hij de wonderlijke paradox van alles wat hij al eerder wist in de twee vorige stadia. In deze derde fase leert hij dat binnenwaarts en opwaarts gezien, in toenemende mate opwaarts en toch steeds binnenwaarts, de bergen tenslotte werkelijk zijn en de wateren tenslotte werkelijk zijn, in een bepaald, wonderlijk opzicht, want al zijn ze dan voor ons betrekkelijk onvolmaakt ontwikkelde menselijke begripsvermogen misschien illusoir, toch is het de fundamentele werkelijkheid die ze heeft voortgebracht, evenals wij als verschijnselen zijn voortgebracht.
    We zien dus dat het goddelijke de enige werkelijkheid is maar dat tegelijk dit goddelijke, omdat het het uiteindelijk ware is, zelfs de bedrieglijke vorm van de kosmische verschijnselen in zekere zin echt maakt. Als we dit op onszelf toepassen, beseffen we dat het enige werkelijke deel van de mens het goddelijke in hem is; en dat, juist omdat dit goddelijke het wezenlijke is, het zuiver fysieke verschijnsel dat wij de fysieke mens noemen, in een bepaald wonderlijk opzicht ook werkelijk is. We zijn weer terug, de cirkel is gesloten. We komen terug op het punt van vertrek. Eerst waren er bergen en wateren die de enige werkelijke dingen waren; daarna zagen we in dat de bergen en wateren slechts het kleed zijn, de omhulling van geheime, onzichtbare werkelijkheden; en daarna bracht de volgende stap ons tot het besef dat juist omdat dit werkelijkheden zijn ze geen essentiële onwerkelijkheden kunnen voortbrengen, en dat daarom, hoe vreemd die paradox ook is, deze bergen en wateren zowel werkelijk als onwerkelijk zijn. Gelukkig hij die deze derde fase kan begrijpen.
    De sleutel tot dit begrip is een andere gedachte die ik opnieuw aan het dhyaniboeddhisme ontleen, want dat is in het westen tamelijk goed bekend, voornamelijk door de zenboeddhistische geschriften van prof. Suzuki uit Japan (waaraan ik, tussen haakjes, dit uittreksel niet ontleende). De zengedachte is als volgt. Luister goed alstublieft, want de betekenis kan ons gemakkelijk ontgaan. ‘In de wind van de bergen en de zon van de lage landen, in het vallen van de nacht en de nevelen van de dageraad, klinkt luid de roep: Alleen Dat was, is, blijft.’
    Het hele universum is Dat, en al zijn verschijnselen zijn de voortbrengselen van goddelijke oorzaken, of van goddelijk denken; zodat alle in de diepste zin tot één goddelijke eenheid zijn verenigd. We kunnen deze gedachte in praktische zin herleiden en zeggen dat alle mensen broeders zijn, dat iedereen zijn broeders hoeder is. Ziet u welke weg we moeten gaan? Elke overtreding op dit pad betekent dat we ons opstellen tegenover de hele universele natuur zelf.
    Er is een weg naar vrede en geluk, naar wijsheid en macht. Want als de mens eenmaal beseft dat hij één is met de natuur, en de natuur één met hem, zal zijn bewustzijn, als we spreken in termen van trillingen, ritmisch kloppen in overeenstemming met de polsslag van het kosmische hart. Daardoor konden de grote wijzen en zieners wonderen verrichten in de wereld: genezen en opwekken; het bewustzijn bewaren na de dood; het denkende ego overbrengen naar verre gebieden en daar zelfbewust denkend aanwezig zijn en alles zien wat er om hen heen gebeurt; en nog vele andere dingen. Want het heelal en wij zijn één. Er is maar één leven en dit leven is tevens kosmisch denken.


Wind van de geest, blz. 319-22

© 2001 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag