Verdwenen continenten en onze Atlantische erfenis

 

De bewijzen voor het bestaan in prehistorische en vorige geologische tijdperken van nu verzonken continentale landmassieven zijn eenvoudig enorm in aantal. Door knappe onderzoekers en schrijvers, niet alleen theosofen, maar vooraanstaande wetenschappers en anderen zijn die bewijzen verzameld; en dit alles om te proberen het geheim op te lossen hoe de flora en fauna van de landmassieven, zoals ze nu bestaan, zich ooit over honderden, misschien wel duizenden mijlen van woelige, stormachtige oceanen van het ene naar het andere continent konden verplaatsen.
    Jarenlang heeft men geprobeerd de aanwezigheid van overeenkomstige of identieke flora te verklaren door middel van trekvogels. Vogels eten zaden en laten ze vallen en misschien tegen de tijd dat ze een ander land bereiken vallen hun uitwerpselen met de zaden omlaag die daar wortel schieten. Of misschien drijven ze op de golven van de oceaan en worden ze na weken en maanden, zelfs jaren, op een zandige kust geworpen om daar te ontkiemen! Maar na een tijdje kreeg het gezonde verstand de overhand. Men zag algauw in dat die moeizame pogingen om de overeenkomst, zoal niet de volkomen gelijkheid van planten en dieren op ver uiteenliggende continenten te verklaren, een steviger en hechtere basis vereisten dan dat soort speculaties.
    Het waren dus de wetenschapsmensen zelf die, lang voor de theosofen, begonnen na te denken over het bestaan of het mogelijke bestaan van vroegere continenten waar nu de stormachtige golven voortrollen in de Atlantische en Grote Oceaan en elders. Sommige onderzoekers verzamelden gegevens om te bewijzen dat zoiets in een vroeger tijdperk in de geologische geschiedenis moet hebben bestaan en als verklaring kan dienen. En toen de geologie met haar ontdekkingen verdere bewijzen aanvoerde voor het bestaan op deze wijd uiteenliggende continenten van een flora en fauna van de Oude Wereld die overeenkomen met of identiek zijn aan soorten in de Nieuwe Wereld – soorten die ze ontdekte in de eocene, de miocene en pliocene afzettingen – zeiden ze bij zichzelf: er moeten ergens, in de een of andere tijd, landverbindingen hebben bestaan tussen de Oude en de Nieuwe Wereld. Die feiten zijn nog niet opgehelderd.
    Al tientallen jaren hebben wetenschapsmensen toegegeven dat er in vroegere geologische tijden een groot continentaal landmassief in de Grote Oceaan bestond. Sclater noemde het Lemurië, naar kleine aapachtig diertjes die lemuren heten. Later dacht men aan een soortgelijk continentaal landmassief dat door sommige wetenschappers Gondwanaland werd genoemd, en dat de raadsels moest oplossen van de verspreiding van flora en fauna in de Grote Oceaan en elders, die zonder veronderstelde landverbindingen niet konden worden verklaard. En deze zijn nog steeds niet verklaard.
    De onwil van wetenschappers om te accepteren wat ze met eigen ogen als bewijs zien is merkwaardig. Zijzelf hebben de kwestie aangeroerd, het juiste antwoord naar voren gebracht en in het geval van het Atlantische continentale landmassief is het, naar ze zeggen, wel mogelijk, zelfs waarschijnlijk, maar niet bewezen. Ik weet niet waarom. Zij hebben het aanvaard in het geval van de Grote Oceaan, maar nog niet voor de andere oceaan, en toch zijn de bewijzen er.
    Een van de redenen voor de weerzin van zoveel duizenden om aan te nemen dat het zo moet zijn ligt, denk ik, in een foutieve opvatting over deze vroegere geologische landgebieden. Ze schijnen het idee te hebben dat Atlantis, een geweldig uitgestrekt gebied dat in zijn soort overeenkomt met ons tegenwoordige stelsel van zee en land, in zijn geheel in één nacht is verzonken en dat uit de toen bestaande oceanen het nieuwe land opkwam, dat nu het onze is. Dat idee is dwaas. Iedereen weet nu wel dat overal op aarde land langzaam of vlug daalt en ander land bezig is even langzaam, maar ook met regelmaat omhoog te komen. Dit proces van wegzinken en oprijzen gedurende lange en korte geologische tijdperken is precies wat eerst in Lemurië en vele eeuwen later in Atlantis plaatsvond. Het duurde honderdduizenden jaren voor de voornaamste delen van het grote Atlantis-stelsel van vastelanden, grote en kleine eilanden en zeeën duidelijk van plaats veranderden – land dat wegzonk, oceanen die het wegzinkende land overspoelden en andere nieuwe stukken land die omhoogkwamen om hun plaats in te nemen. Dit zette zich in alle geologische tijden voort, het gebeurt ook nu en zal ook in de toekomst doorgaan. Toch zijn er gevallen geweest dat vrij grote eilanden snel verzonken of oprezen, zelfs in de korte tijd die wij mensen overzien – rampen, zoals in het geval van Poseidonis van Plato, een ware gebeurtenis in de Europese prehistorie zoals we de geschiedenis nu kennen; het zonk weg in een dag en een nacht, ongeveer elf- of twaalfduizend jaar geleden, na vreselijke aardbevingen en vloedgolven. Poseidonis was een eiland ter grootte van Ierland, of iets kleiner, dat in de oceaan lag op flinke afstand van wat nu de Straat van Gibraltar heet. Maar dat was een van de laatste eilandoverblijfselen van het grote Atlantische vasteland, niet meer dan een landtong als het ware, dat was blijven bestaan tot het tenslotte ook wegzonk.
    Iets dergelijks gebeurde met Lemurië, het woongebied van het derde wortelras, zoals theosofen zeggen. Het was niet één groot land. Het was een stelsel van continenten, grote en kleine eilanden, oceanen en zeeën, net zoals we die nu hebben. Er bestaan trouwens van Lemurië nog enkele overblijfselen die boven het water van de oceaan uitsteken en ook van Atlantis. Over wetenschappelijke bewijzen gesproken! De noodzaak van het bestaan van een dergelijke landverbinding is zo groot dat we niet om bewijzen van het bestaan zouden moeten vragen, maar om een bewijs dat ze niet heeft bestaan. Dat is een volkomen gerechtvaardigd en zelfs sterk argument. Ik herhaal: zelfs nu, en in het eoceen, mioceen en plioceen waren en zijn de flora en de fauna in zoveel opzichten zo gelijk in ver van elkaar gelegen plaatsen of streken, dat er eens een landverbinding tussen die afzonderlijke landen moet hebben bestaan. Het enige alternatief zou zijn dat er in die lang vervlogen geologische tijden een zeer hoogontwikkelde en machtige groep mensenrassen heeft bestaan, die met mechanische hulpmiddelen, die de onze evenaren of overtreffen, het planten- en dierenleven van het ene continent naar het andere konden overbrengen, in samenhang met hun eigen landverhuizingen en kolonisaties; maar dat komt op hetzelfde neer.
    Als we weten dat land verzinkt en land oprijst, en dat dit in alle geologische tijden zo is geweest, zoals de geologische geschiedenis bewijst, en dat dit in de hele wereld onafgebroken, duizenden jaren, ja in feite miljoenen jaren lang doorgaat, wat is dan het antwoord? Bewijs me dat Atlantis niet heeft bestaan. Men zou een dag en een nacht kunnen doorpraten, alleen al over de vrijwel ontelbare feiten die alle mogelijke wetenschappers op dit terrein hebben verzameld. Alleen al over deze onderwerpen zijn tientallen boeken geschreven.
    Welnu, mijn andere gedachte is deze: de Atlantiërs vormden een grote groep rassen, evenals wij nu; een grote groep rassen van verschillende huidskleur, met verschillende haarsoorten, met een ander verleden dan het onze, maar allemaal menselijk of halfmenselijk. Sommigen van hen waren goed. Maar naar abstracte maatstaven van goed en kwaad, waren de meesten van hen slecht – zelfs nog slechter dan wij. Wij kunnen niet de eerste steen werpen! De hemel weet dat wij nogal slecht zijn. Maar ten opzichte van onze Atlantische voorouders zijn we wel een verbetering. Want hoewel er in de miljoenen jaren dat Atlantis standhield miljoenen mensen waren die meer toegewijd waren aan het goddelijke en geestelijke dan aan het stoffelijke en aan zelfzuchtige macht, waren de meesten in die tijd vereerders van brute kracht, macht, stoffelijke dingen en persoonlijk overwicht. Zelfzucht was de dominerende grondtoon bij het Atlantische ras, zoals dat bij ons zelfs nu nog het geval is; maar onze huidige mensheid heeft het punt bereikt dat we haar niet langer verheerlijken, maar haar als zodanig herkennen en ons ervoor schamen. Dat wijst erop dat het geestelijke in ons bewustzijn binnendringt, al is het langzaam; en zelfs onder oplichters behoren eer, redelijkheid en rechtvaardigheid tot de sleutelwoorden waarmee men het menselijk hart en hoofd probeert te verleiden. Bij de Atlantiërs was het macht en kracht, materie, bezit. Maar niet bij allemaal. Er waren vele miljoenen die innerlijk het goddelijke, gerechtigheid en rechtvaardigheid vereerden en dat waren de uitverkorenen en uit die uitverkorenen werden de mysteriescholen gevormd die tot op de huidige dag zijn blijven bestaan, waaruit alle grote religies, filosofieën en wetenschappen uit de geschiedenis van de mens zijn voortgekomen, om de mensen te behoeden voor ergere dingen, om mannen en vrouwen en daardoor de beschaving te helpen, te verheffen, milder en humaner te maken.
    Zoals de huidige Theosophical Society daaruit is voortgekomen, zo was dat ook het geval met de theosofische bewegingen uit andere tijden, ons eigen voorgeslacht. Daar hadden ze hun oorsprong, in dat verafgelegen Atlantis: zij die meer gesteld waren op rechtvaardigheid en eer, oprechtheid, waarheid, redelijkheid en mededogen dan op kracht en macht en zelfzuchtige voorrechten. Zij waren wat we de zonen van het goddelijke noemen, Gods zonen; en ze verzamelden zich, sloten zich aaneen en vormden de eerste mysteriescholen, waarin de geest van waarheid werd vereerd, bewonderd en onderwezen, in plaats van de geest van macht en duister eigenbelang. Bedenk eens hoezeer deze gedachten het denken van de mens beïnvloeden. Kijk zelfs naar de wereld van vandaag en zie hoe een gedachte aan eigen voordeel of profijt of egoïsme de mens op een dwaalspoor kan brengen. Wij hebben de oude Atlantische geest zelfs nu nog in ons midden en dat bedoelde H.P. Blavatsky toen ze zei dat het karma van Atlantis nog zwaar op ons drukt, op onze ziel en op ons denken. We ondergaan nog steeds de invloed ervan, maar we worstelen ons eronderuit, uit de greep ervan.
    Een laatste woord in dit verband: er zijn tegenwoordig bepaalde groepen die, als ze het over theosofie hebben, zeggen: ‘Het is heel mooi, maar dat is de oosterse traditie. Wij volgen de westerse traditie.’ Het is onzin om over de Theosophical Society te spreken als de traditie van het oosten, want ze is de moeder van alle. Ze is niet oosters en ze is niet westers, niet uit het noorden en niet uit het zuiden, ze omvat alle tradities, want ze komen alle eruit voort. Theosofie is de bron ervan. Ze herkent haar kinderen in die verschillende gedaanten. Daarom is ze de grote verzoener, de grote brenger van harmonie en troost, de geestelijke ouder.
    Is het niet zo dat wij zelfs in deze tijd met hart en ziel hunkeren naar waarheid en dat het kenmerk van een edele mens, of een groot denker, dienstbaarheid en wijsheid is. Weet u dat het mooiste dat men van iemand kan zeggen is dat hij een leerling is, de goddelijke wijsheid bestudeert, van anderen in goede verstandhouding leert, welwillend staat tegenover anderen, het goede ziet in wat een ander te bieden heeft, alleen verlangt naar openhartigheid, eerlijkheid, zuiverheid, fatsoen van hoofd en hart. Dat is het Sesam open u voor het menselijk hart. Laat de geest van Atlantis sterven. Laat die met de doodsbeenderen van het verleden tot stof vergaan. Haat, afkeer, vijandigheid, onredelijkheid en onrecht zijn alle daaruit voortgekomen. Bekrompenheid en kleingeestigheid zijn de kinderen ervan.


Wind van de geest, blz. 313-8

© 2001 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag