Mozarts
sleutel tot het geluk
Ida Postma
Op 22 april 1787 schreef een zoon aan zijn vader:
Ik ontvang zojuist een bericht dat mij erg bedroeft
en dit te meer omdat uw laatste brief mij deed veronderstellen dat
u zich zo goed voelde; maar nu hoor ik dat u echt ziek bent. Ik hoef
u niet te zeggen hoezeer ik verlang naar een beter bericht van u om
mij te troosten, en ik hoop van harte dit te ontvangen, ofschoon ik
er altijd op ingesteld ben het ergste te verwachten. Aangezien de
dood (welbeschouwd) het werkelijke doel van ons leven is, heb ik mezelf
zo volkomen vertrouwd gemaakt met deze goede en trouwe mensenvriend,
dat niet alleen zijn beeld niets afschrikwekkends meer voor mij heeft,
maar veeleer iets dat bijzonder vredig en troostrijk is; en ik dank
mijn hemelse Vader dat Hij mij heeft vergund het geluk te beleven
en mij de gelegenheid heeft gegeven (u begrijpt me wel) te leren dat
de dood de sleutel tot ons ware geluk is. Ik ga ’s
avonds nooit slapen zonder te bedenken (zo jong als ik ben) dat ik
er misschien niet meer zal zijn als de volgende morgen aanbreekt.
En toch zal niemand die mij kent, kunnen zeggen dat ik ooit in mijn
omgang met hen humeurig of zwaarmoedig was. Ik dank mijn Schepper
iedere dag voor zo’n opgewekte gemoedstoestand en wens van harte
dat al mijn medeschepselen hetzelfde mogen ervaren.
De schrijver van de brief was Wolfgang Amadeus Mozart. Omdat hij toen
een jongeman van 31 jaar was, op het hoogtepunt van zijn loopbaan, gelukkig
getrouwd en vol joie de vivre, wisten latere generaties niet
goed raad met deze vertrouwelijke onthullingen aan zijn vader. Dat zijn
filosofische houding hem niet immuun maakte voor gevoelens van diep
verdriet bij een geleden verlies blijkt uit de volgende regels aan zijn
vriend Gottfried von Jacquin op 28 mei van hetzelfde jaar: ‘Ik
moet je berichten dat ik vandaag bij mijn terugkeer naar huis de droevige
boodschap ontving van de dood van mijn voortreffelijke vader. Je kan
je de toestand waarin ik mij bevind wel indenken.’ Sommige biografen
hebben Mozart een ziekelijke aandacht voor de dood toegeschreven; maar
zijn eigen uitspraken dat hij nooit ‘humeurig of zwaarmoedig’
was maar zich in ‘een opgewekte gemoedsgesteldheid’ verheugde,
spreken dat beslist tegen. Voor een verklaring van zijn standpunt kunnen
we misschien beter een aanwijzing volgen van de Romeinse redenaar en
staatsman Cicero. Tijdens zijn leven in de laatste eeuw vóór
Christus waren de mysteriescholen aan de Middellandse Zee in een toestand
van ernstig verval, maar niettemin dankte hij zoveel verlichting aan
zijn inwijdingen, dat hij in zijn Wetten (2:14, 36) schreef:
‘We hebben van [deze rituelen] het begin van het leven geleerd
en hebben het vermogen verworven niet alleen gelukkig te leven, maar
ook met meer hoop te sterven.’
In de boodschap aan zijn vader gebruikte Mozart bedekte termen, maar
zijn uitspraken dat de dood ‘de sleutel tot ons ware
geluk’ is en ‘het ware doel van ons leven’ –
waarvan hij wist dat Leopold ze onmiddellijk in hun juiste samenhang
zou plaatsen – verwijzen duidelijk naar wat hij in de loges van
de Vrijmetselarij had geleerd. Weinig bewijsstukken zijn hiervan overgebleven,
omdat elke brief die een uitwisseling van deze aard met zijn broeder
vrijmetselaars bevatte, werd vernietigd. Omdat de toespelingen in zijn
brief over de dood zo subtiel waren, is deze er misschien doorgeglipt.
Als onderdaan van het Oostenrijkse Keizerrijk uit die tijd, werd Mozart
als katholiek geboren. Te oordelen naar de feiten, moet hij echter vanaf
jonge leeftijd maçonnieke invloeden hebben ondergaan. Een Duitse
operette ‘Bastien en Bastienne’, op twaalfjarige leeftijd
door hem gecomponeerd, werd bijvoorbeeld opgevoerd in de tuinen van
dr. Anton Mesmer, een vrijmetselaar, het meest bekend als degene die
het begrip ‘dierlijk magnetisme’ introduceerde. In 1772
schreef Mozart een aria op een maçonnieke hymne. Op zijn reis
naar Frankrijk in 1778 had hij een aanbevelingsbrief bij zich van een
Oostenrijkse vrijmetselaar aan de loges in Parijs. Onder zijn familieleden,
collega’s en vrienden waren vrijmetselaars. Daarom moet het een
vrij natuurlijke ontwikkeling zijn geweest toen hij zelf op 14 december
1784 toetrad. Zijn snelle vorderingen getuigen van zijn geestdrift,
want al op 26 maart 1785 werd hij als gezel ingewijd en op 22 april
van hetzelfde jaar als meester. Bovendien ‘bekeerde’ hij
zijn vader, evenals de componist Haydn. Voor de rest van zijn korte
leven bleef Mozart echter katholiek, hoewel in latere jaren misschien
meer in naam dan naar de geest. Anders dan in sommige andere Europese
landen, werd de Pauselijke Encycliek van 1738 tegen de Vrijmetselarij
nooit bekendgemaakt door de regering in Oostenrijk, zodat iedereen beide
denkrichtingen tegelijkertijd kon aanhangen. Als gevolg daarvan breidde
de Vrijmetselarij zich in Oostenrijk uit, zodat er in 1784 zesenzestig
loges waren.
De loge ‘Zur Wohltätigkeit’ (Liefdadigheid) waarin
Mozart was opgenomen, volgde zoals de meeste loges in Wenen uit die
dagen, de Rite van de Strikte Observantie. Deze werd in 1754 geïntroduceerd
door baron Carl Gothelff von Hund und Altengrottkau, die beweerde dat
de oorsprong ervan tot de Tempeliers terugging, een Orde van Ridders,
die tijdens de kruistochten was gesticht. Het was voor Europese geheime
organisaties uit die tijd niet ongewoon zulke legendarische oorsprongen
te veronderstellen. Eigenlijk betekende het niet meer (en niet minder)
dan dat ze zich in geestelijk opzicht als erfgenamen beschouwden van
de oude mysteriescholen en ook van de middeleeuwse alchemie en de hermetische
overleveringen. Hun belangstellingssfeer was een mengsel van experimentele
alchemie, metafysische leringen en sociale omgang, Onder het systeem
van de Strikte Observantie had Mozart misschien de hogere graden kunnen
bereiken, die meer kennis zouden hebben gebracht, maar uit niets blijkt
dat hij dit deed. Maar het is waarschijnlijk dat dit muzikaal genie,
wiens werken ons eigen leven nog steeds verrijken en verheffen, zelfs
als meester kennis had van de kosmologieën zoals de Ouden zich
die dachten en van de ingeboren goddelijkheid van de mens - de mens
die niettemin de schijnbaar eindeloze wegen van leven en dood moet bewandelen
voor hij zich weer met de Bron kan verenigen.
De Griekse mysteriën legden de nadruk op de dood als de grondslag
waarop alle leven zich ontplooit – omdat het sterven slechts een
transmutatie is, die de essentie in staat stelt in een hogere vorm herboren
te worden. Dit was de waarheid vervat in de allegorie van de graankorrel
die in de aarde vergaat opdat de tarwe kan groeien. Mozart geeft in
zijn opera De Toverfluit aan deze gedachte gestalte. Dit werk
is vaak beschouwd als een ongelijksoortig maar niet onverenigbaar huwelijk
van verheven muziek met een enigszins absurde tekst. In werkelijkheid
werd het libretto door de componist uitvoerig besproken met baron Ignaz
von Born, die jarenlang de maçonnieke symbolen had bestudeerd
en in dit onderwerp een erkende autoriteit onder de vrijmetselaars in
Wenen was. De opera die oppervlakkig bezien fantasie lijkt, heeft dan
ook een diep symbolische betekenis. Ongetwijfeld geïnspireerd door
Mozarts eigen ervaringen met inwijdingen, gaat het motief van De
Toverfluit over de aspirant die zich voorbereidt en die, indien
waardig bevonden, een aantal beproevingen door aarde, lucht, vuur en
water ondergaat. Hij moet verschrikkelijk lijden en in zijn persoonlijkheid
sterven, maar door vastberadenheid en de wil om te overwinnen wordt
hij in een hoger licht herboren. Uit het maçonnieke rituaal moet
Mozart ook hebben geleerd zich voor te bereiden op die inwijding die
ons allen aan het einde van het leven wacht en die hen, die niet zo
bevoorrecht waren te ‘leren’ zoals hij, vaak met vrees en
droefgeestigheid vervult.
De dood van Mozart is omgeven door een sfeer van verdachtmaking. Zijn
eigen woorden ‘ik voel dat ik niet lang meer zal leven; ongetwijfeld
heeft iemand mij vergiftigd’ moeten de geruchten hebben versterkt
dat hij op onnatuurlijke manier aan zijn einde kwam. Toch zou zijn verval
van krachten eenvoudig kunnen zijn veroorzaakt door de ernstige spanning
waaronder hij leed door de slechte gezondheid van zijn vrouw, een nijpend
gebrek aan geld, en het uit de gunst raken bij het hof. Bovendien is
het mogelijk dat de druk een wonderkind te zijn geweest en de onafgebroken
uitstorting van scheppende energie hun hoog opgelopen tol hebben geëist
in de vorm van uitputting. De Toverfluit, begonnen als een
liefdedienst om de financiën van zijn broeder-maçon Emanuel
Schikaneder te versterken, dateert uit Mozarts laatste levensjaar. Ook
in deze tijd, die al vol van voorgevoelens van de naderende dood was,
werd hij benaderd door een lange boodschapper, gekleed in somber grijs,
met het verzoek een dodenmis te schrijven. Het hoge personage dat de
opdracht gaf bleef anoniem. Zoals later bleek, was er een logische verklaring
voor het hele mysterie, maar in zijn sensitieve toestand zag Mozart
in de donkere figuur een afgezant van de Dood en was hij overtuigd dat
hij het Requiem voor zichzelf schreef. In een verloren wedloop met de
tijd werkte hij met koortsachtige concentratie. Opera en mis hielden
hem op zijn doodsbed nog intens bezig en hun welluidende melodieën
vergezelden hem op die weg waarmee hij zich al jaren tevoren vertrouwd
had gemaakt. Behoeftige omstandigheden waren er de oorzaak van dat zijn
lichaam aan een onbekend graf werd toevertrouwd – een alom betreurd
feit. Maar wat kon er eigenlijk passender zijn geweest? Want daardoor
was het onmogelijk dat de verering voor stoffelijke overblijfselen ook
maar de geringste afbreuk kon doen aan zijn muzikale nalatenschap die,
rijk en uniek, duidelijk wijst naar de eeuwige geest.
Bibliografie
- Chailley, Jacques, The Magic Flute, Masonic Opera, An Interpretation
of the Libretto and the Music, Alfred A. Knopf, New York, 1971.
- Frick, Karl R.H., Die Erleuchteten, Akademische Druck-
u. Verlagsanstalt, Graz, Oostenrijk, 1973.
- Mackey, Albert G. en McClenachan, Charles T., Encyclopaedia
of Masonry, herziene editie, The Masonic History Co., New York
en Londen, 1920.
- Nohl, Louis, Life of Mozart, A.C. McClurg & Company,
Chicago, 1888.
- Wallace, Lady, vert., The Letters of Wolfgang Amadeus Mozart,
Oliver Ditson and Co., Boston, 1864.
|