Occultisme*
H.P. Blavatsky

 

*Samengesteld uit twee artikelen (‘Praktisch occultisme’ en ‘Occultisme tegenover de occulte kunsten’) geschreven door H.P. Blavatsky in 1887-8 voor haar tijdschrift Lucifer. De twee volledige artikelen zijn opgenomen in H.P. Blavatsky: Geselecteerde artikelen, deel 3 .

Er zijn in het Westen onder de honderden enthousiastelingen die zich ‘occultisten’ noemen, nog geen half dozijn mensen die ook maar bij benadering een juist idee hebben van de aard van de wetenschap waarin ze zich willen bekwamen. Op enkele uitzonderingen na bevinden ze zich allemaal op het pad van tovenarij. Voordat ze tegen deze bewering protesteren, zouden ze enige orde moeten scheppen in de chaos die er in hun denken heerst. Laten ze eerst de ware verhouding leren kennen waarin de occulte wetenschappen tot het occultisme staan, en ook wat het verschil is tussen die twee, en dan kunnen ze verontwaardigd zijn als ze nog steeds denken gelijk te hebben. Laten ze intussen leren dat het occultisme evenzeer van de magie en andere geheime wetenschappen verschilt, als de luisterrijke zon van een nachtpitje, als de onveranderlijke geest van de mens ­ de weerspiegeling van het absolute, oorzaakloze en onkenbare AL ­ verschilt van het sterfelijke omhulsel, het menselijk lichaam.

In ons beschaafde Westen, waar de moderne talen zijn gevormd en op basis van ideeën en gedachten nieuwe woorden werden bedacht ­ zoals dat in iedere taal gebeurt ­ werden deze ideeën en gedachten steeds materialistischer in de kille atmosfeer van westers egoïsme en het najagen van aardse goederen; hoe meer dit gebeurde des te geringer werd de behoefte aan nieuwe woorden voor wat stilzwijgend als achterhaald ‘bijgeloof’ werd beschouwd. Zulke woorden pasten alleen bij ideeën waarvan men haast niet kon geloven dat een beschaafd mens ze in zijn geest zou koesteren. ‘Magie’, een synoniem voor goochelarij; ‘tovenarij’, een equivalent voor grove onwetendheid; en ‘occultisme’, het trieste overblijfsel van dwaze middeleeuwse vuurfilosofen, van de Jakob Böhme’s en de Saint-Martins, zijn termen waarvan men geloofde dat ze het hele terrein van ‘oplichterij’ meer dan voldoende bestreken. Het zijn woorden van minachting, en worden gewoonlijk alleen gebruikt voor de waardeloze overblijfselen uit de middeleeuwen en de daaraan voorafgaande perioden van heidendom. We hebben in onze taal dan ook geen woorden om het verschil en de nuance tussen zulke abnormale vermogens, of de wetenschap die tot de verkrijging ervan leidt, zo nauwkeurig te beschrijven als in oosterse talen, vooral het Sanskriet.

Zelfs in de exoterische Purana’s worden vier namen gegeven (gekozen uit vele andere) voor de verschillende soorten esoterische kennis of wetenschappen. Ze zijn (1) yajñavidya, kennis van het opwekken van occulte krachten in de natuur, door het verrichten van bepaalde religieuze ceremoniën en rituelen; (2) mahavidya, de ‘grote kennis’, de magie van de kabbalisten en van de tantrika eredienst, vaak tovenarij van de ergste soort; (3) guhyavidya, kennis van de mystieke krachten die in het geluid (ether) wonen, dus in de mantra’s (gezongen gebeden en toverspreuken), en die bepaald worden door de gebruikte ritmes en melodieën; met andere woorden een magische verrichting gebaseerd op kennis van de natuurkrachten en hun wisselwerking; en (4) atmavidya, een woord dat door de oriëntalisten eenvoudig wordt vertaald met ‘kennis van de ziel’, ware wijsheid, maar dat veel meer betekent.

Laatstgenoemde is het enige soort occultisme dat iedereen die verstandig en onzelfzuchtig is, zou moeten nastreven. Alle andere soorten zijn een of andere tak van de ‘occulte wetenschappen’, d.w.z. kunsten die op de kennis berusten van de uiteindelijke essentie van alle dingen in de natuurrijken, zoals mineralen, planten en dieren. Die kennis betreft dus dingen die tot het gebied van de stoffelijke natuur behoren, hoe onzichtbaar die essentie misschien ook is, en hoezeer ze tot nu toe ook aan de greep van de wetenschap is ontsnapt.

Alchemie, astrologie, occulte fysiologie, chiromantie bestaan in de natuur, en de exacte wetenschappen ­ misschien wel zo genoemd omdat ze in deze eeuw van paradoxale filosofieën het tegenovergestelde hiervan blijken te zijn ­ hebben al een flink aantal geheimen van bovengenoemde kunsten ontdekt. Maar helderziendheid, in India gesymboliseerd door het ‘oog van Siva’, in Japan het ‘oneindige gezicht’ genoemd, is geen hypnotisme, het onwettige kind van het mesmerisme, en kan door zulke kunsten niet worden verworven. Alle andere kan men aanleren, en de verkregen resultaten kunnen goed, slecht of neutraal zijn; maar atmavidya beschouwt ze als van geringe waarde. Ze omvat ze allemaal, en kan ze zelfs nu en dan gebruiken, maar ze doet dit met heilzame bedoelingen, na ze te hebben gezuiverd en ervoor te zorgen dat ze van elk element van egoïsme zijn ontdaan.

Laten we dit toelichten. Iedere man of vrouw kan één of alle hierboven opgesomde ‘occulte kunsten’ bestuderen zonder zich intensief voor te bereiden, en zelfs zonder een al te strenge levenswijze te volgen. Men zou het zelfs zonder een hoge morele standaard kunnen doen. Tien tegen één dat de leerling zich in het laatste geval ontpopt als een knappe tovenaar, en halsoverkop tot zwarte magie vervalt.

Occultisme is geen magie. Het is relatief gemakkelijk toverkunstjes te leren en de methoden om de subtielere, maar niettemin stoffelijke krachten van de fysieke natuur te gebruiken; de vermogens van de dierlijke ziel in de mens worden gauw opgewekt; de krachten die door zijn liefde, zijn haat, zijn begeerte kunnen worden geactiveerd, zijn al snel tot ontwikkeling gebracht. Maar dit is zwarte magie ­ tovenarij. Het motief, en alleen het motief, bepaalt of het uitoefenen van een vermogen zwarte en kwaadaardige dan wel witte en goedaardige magie is. Het is onmogelijk om spirituele krachten te gebruiken als er in de handelende persoon ook maar een zweem van egoïsme is overgebleven. Als de bedoelingen namelijk niet volkomen zuiver zijn, zal het spirituele zich omvormen tot het paranormale, zal het op het astrale gebied werken, en kunnen er daardoor verschrikkelijke gevolgen worden teweeggebracht. De [paranormale] vermogens en krachten van de dierlijke natuur [de psychische natuur] kunnen zowel door egoïstische en wraakzuchtige, als door onzelfzuchtige en vergevensgezinde mensen worden gebruikt; de vermogens en krachten van de geest staan alleen ter beschikking van hen die volkomen zuiver van hart zijn ­ en dat is goddelijke magie.

Maar de belangstelling van onze lezers zal waarschijnlijk uitgaan naar hen die onweerstaanbaar tot het occulte worden aangetrokken, maar die zich niet bewust zijn van de ware aard van wat ze nastreven, en ook niet vrij van begeerten zijn geworden, laat staan dat ze werkelijk onzelfzuchtig zijn.

Hoe staat het met deze ongelukkigen, zal men ons vragen, die aldus door tegenstrijdige krachten worden verscheurd? Het is al zo vaak gezegd dat het eigenlijk niet hoeft te worden herhaald, en bovendien is het voor iedere waarnemer overduidelijk dat, wanneer het verlangen naar het occultisme eenmaal in het hart van een mens is ontwaakt, er voor hem in de hele wereld geen hoop op vrede, geen plaats van rust en vertroosting overblijft. Hij wordt opgejaagd naar de woeste en troosteloze gebieden van het leven door een voortdurend knagende onrust die hij niet kan bedwingen. Zijn hart is te zeer vervuld van begeerte en egoïstische verlangens om door de gouden poort te kunnen gaan; in het gewone leven kan hij geen rust of vrede vinden. Moet hij dan onvermijdelijk tot tovenarij en zwarte magie vervallen en vele incarnaties lang voor zichzelf een vreselijk karma opbouwen? Is er voor hem geen andere weg?

Ons antwoord is, die is er wél. Laat hij niet streven naar meer dan hij denkt te kunnen volbrengen. Laat hij geen last op zich nemen die voor hem te zwaar is om te dragen. Laat hij, zonder ooit een mahatma, een boeddha, of een groot heilige te worden, de filosofie en de ‘wetenschap van de ziel’ bestuderen, en dan kan hij een van de bescheiden weldoeners van de mensheid worden, zonder enige ‘bovenmenselijke’ vermogens. De siddhi’s (of de vermogens van een arhat) zijn alleen voor hen die in staat zijn ‘het leven te leiden’, de vreselijke offers te brengen die zo’n training vereist, en ze stipt naar de letter te volbrengen. Laten zij direct weten en altijd onthouden dat het ware occultisme of theosofie de ‘grote verzaking van het zelf’ is, onvoorwaardelijk en absoluut, zowel in ons denken als in ons handelen. Het is altruïsme, . . . ‘Niet voor zichzelf, maar voor de wereld leeft hij’.

Hoe kan men dan denken dat iemand door de ‘nauwe poort’ van het occultisme naar binnen kan gaan als zijn gedachten dagelijks in beslag worden genomen door wereldse zaken, door het verlangen naar bezittingen en macht, door wellust, ambities en plichten die, hoe eervol ook, nog altijd van de aarde en materialistisch zijn? . . . hij die de wijsheid van het universele denkvermogen wil ervaren, moet deze verwerven via de hele mensheid zonder onderscheid van ras, huidskleur, religie of maatschappelijke status. Ze is altruïsme, geen egoïsme, zelfs niet in de meest gewettigde en edele opvatting ervan, die de afzonderlijke eenheid ertoe kan brengen zijn kleine zelf te doen opgaan in de universele zelven. Aan dit werk en aan deze behoeften van anderen dient de ware leerling van het echte occultisme zich te wijden, als hij theo-sofie, goddelijke wijsheid en kennis wil verwerven.

En, hoewel in de eerste plaats het motief bepaalt of er witte dan wel zwarte magie wordt beoefend, kunnen de gevolgen, zelfs van onopzettelijke, onbewuste tovenarij, niets anders dan slecht karma opleveren. Er is al genoeg gezegd om aan te tonen dat tovenarij elke vorm van slechte invloed is die op anderen wordt uitgeoefend, die daardoor lijden of andere personen laten lijden. Karma is een zware steen die in de rustige wateren van het leven wordt geworpen; en het moet steeds groter wordende kringen van rimpelingen teweegbrengen, die verder en verder gaan, bijna oneindig. Zulke teweeggebrachte oorzaken moeten gevolgen oproepen, en deze worden weerspiegeld in de rechtvaardige wetten van vergelding.

Veel hiervan kan worden voorkomen als de mensen zich niet halsoverkop in praktijken zouden storten waarvan ze noch de aard noch de betekenis begrijpen. Van niemand wordt verwacht dat hij een last draagt die zijn krachten en vermogens te boven gaat. Er zijn ‘geboren magiërs’, geboren mystici en occultisten, op grond van wat ze rechtstreeks hebben geërfd uit een reeks van incarnaties en eonen van lijden en mislukkingen. Ze zijn zogezegd bestand tegen begeerten. Geen vuur van aardse oorsprong kan een van hun zintuigen of verlangens tot een vlam aanwakkeren; geen menselijke stem kan weerklank vinden in hun ziel, behalve het luide hulpgeroep van de mensheid.

Alleen zij kunnen zeker zijn van succes, maar men zal ze slechts zelden tegenkomen. Zij kunnen door de nauwe poorten van het occultisme gaan, omdat ze geen persoonlijke bagage aan menselijke vergankelijke sentimenten meedragen. Ze hebben zich ontdaan van het gevoel van de lagere persoonlijkheid, . . . en de gouden, maar nauwe poort wordt voor hen opengedaan. Dit geldt niet voor hen die nog verschillende incarnaties lang de last van de zonden die in vorige levens en zelfs in hun huidige leven zijn begaan, moeten dragen. Als ze niet heel voorzichtig te werk gaan, kan voor hen de gouden poort van wijsheid veranderen in de ruime poort en de brede weg ‘die tot vernietiging leidt’, en daarom zullen er ‘velen zijn die die weg inslaan’. Dit is de poort van de occulte kunsten, beoefend uit egoïstische motieven, waarbij de beteugelende en weldadige invloed van atmavidya ontbreekt.

We bevinden ons in kaliyuga en zijn noodlottige invloed is duizend keer zo sterk in het Westen als in het Oosten; vandaar dat men zo gemakkelijk ten prooi valt aan de krachten van de Eeuw van Duisternis in deze cyclische strijd, en vandaar ook de vele waanbeelden waaraan de wereld nu lijdt. Een hiervan is het betrekkelijke gemak waarmee de mens denkt de ‘poort’ van het occultisme te kunnen bereiken en de drempel ervan zonder enig groot offer te kunnen overschrijden. Het is de droom van de meeste theosofen, een droom die wordt ingegeven door het verlangen naar macht en door persoonlijk egoïsme, maar deze gevoelens kunnen hen nooit naar het begeerde doel leiden. Zoals terecht is gezegd door iemand van wie men gelooft dat hij zich voor de mensheid heeft opgeofferd ­ ‘Nauw is de poort, en smal de weg die naar het [eeuwige] leven leidt’, en daarom zullen ‘weinigen hem weten te vinden’.

 
Andere artikelen over occultisme
 

Uit het tijdschrift Sunrise jan/feb 1983

© 1983 Theosophical University Press Agency