Spinoza en het grensgebied van de wetenschap*
Bernhard Mollenhauer

*Met toestemming van de schrijver overgenomen uit Prabuddha Bharata (Ontwaakt India), juli 1984, Calcutta.


 

Er is in de geschiedenis van de filosofie geen oorspronkelijker en zelfstandiger figuur dan de beroemde joodse denker Benedictus de Spinoza. Dat het Holland van de 17de eeuw een dergelijke geest kon voortbrengen is niet verwonderlijk, want zelfs in die tijd van strijd en godsdienstig fanatisme heerste er een liberale traditie in dat kleine, maar grootmoedige land. Wat in de 17de eeuw vrijheid werd genoemd, liet veel te wensen over in het licht van huidige idealen. Niettemin vonden joodse vluchtelingen en onderdrukte liberalen in Holland een mate van vrijheid die ze in hun respectievelijke geboortelanden werd ontzegd.

Spinoza werd op 24 november 1632 in Amsterdam geboren en bezocht de synagoge-school waar hij de trots van zijn leraren werd. Maar de kleine joodse gemeenschap was heel conservatief en bekommerde zich niet om de nieuwe wetenschap die het Europese denken wakker schudde, en daarom zocht Spinoza, die toen nog een jongen was, elders zijn opleiding in het Latijn, toen de taal van de wetenschap. Het was de Hollander en vrijdenker, F.A. van den Ende, die hem in de nieuwe wereld van wetenschap, wiskunde en politiek denken binnenleidde.

Al spoedig begonnen de ouderen van de synagoge Spinoza ervan te verdenken dat hij ten huize van Van den Ende heel wat meer leerde dan Latijn en grammatica. Nauwelijks waren Spinoza’s schooldagen voorbij, of hem werd diplomatiek verzocht zijn onorthodoxe inzichten over religie op te geven. Zijn vader was een man van aanzien in de gemeenschap en niemand wilde een schandaal. De ouderen kwamen tot de ontdekking dat de jonge rebel een heel zachtmoedige man was maar doof voor hun smeekbeden en dreigementen. Ten slotte kwam het tot een crisis. In 1656, niet lang na de dood van zijn vader, werd hij officieel door de joodse autoriteiten uitgestoten om de ‘verfoeilijke ketterijen die hij bedrijft en onderwijst’. Zelfs zijn stiefzus klaagde hem aan en trachtte hem te onterven. Hij veranderde zijn naam van Baruch in Benedictus, wat gezegende betekent.

De tijd waarin Spinoza leefde was aan de beperkingen van het middeleeuwse denken ontgroeid. Denkers hadden gebroken met de oude tradities en werden geboeid door de nieuwe wetenschap van Galilei, hoewel de alchemisten nog steeds zochten naar de steen der wijzen. De heersende ideeën van de 17de eeuw gingen ervan uit dat de natuur een mechanisme is, dat de menselijke rede en niet de magie het meest geschikt is om de natuurwetten te begrijpen en te verklaren, en dat de waarheid omtrent de natuur in wezen wiskundig is.

Al was Spinoza een mysticus en een diep religieuze geest, toch was hij een typische denker van die wetenschappelijke eeuw. Het moderne denken begon met zich intellectueel onafhankelijk te verklaren en zijn vertrouwen uit te spreken in de rede. Na enige tijd zette een reactie in, waarna er jaren volgden van twijfel en innerlijke conflicten, waarvan de gevolgen tot de huidige dag merkbaar zijn. Men geloofde dat de rede het niet kon opnemen tegen onze diepere religieuze gevoelens. Men beweerde dat, als men de natuur eenmaal ziet als een mechanisme, het nog maar één stap is naar het materialisme dat ervan uitgaat dat de mens een machine is wiens gedachteleven slechts een voorbijgaand licht is in het duister van blinde krachten. Inderdaad was Hobbes in de 17de eeuw al tot een consequent materialisme gekomen. Spinoza was zich scherp bewust van het conflict tussen wetenschap en religie, geloof en rede, en had het knappe geschrift van Maimonides gelezen, waarin deze poogde de bijbelteksten met de opvattingen van Aristoteles te verenigen. Hij moet ook een innerlijke strijd hebben gekend, maar besefte al als jongeman dat het opgeven van het geloof in de rede en de natuurwetten de terugval naar de Middeleeuwen zou betekenen. Hij ging verder, in de overtuiging dat Gods wereld een zeer redelijke wereld is, die het goddelijke denken tot uitdrukking brengt door onveranderlijke wetten. Hij geloofde dat het wetenschappelijke denken, mits juist begrepen en ver genoeg doorgevoerd, zou leiden tot een veelomvattend wereldbeeld en een niveau van filosofisch denken van waaruit de mens het leven zou kunnen begrijpen.

Een wetenschappelijke beschouwing van de natuur betekent dat men de illusie van de zintuigen overwint en de dingen begrijpt in termen van orde, wetmatigheid, oorzaak en gevolg. Dan lijkt de natuur niet langer grillig en vijandig. Moderne schrijvers stellen het zoeken van de mens naar kennis en een rationeel leven soms voor als een idealistisch gevecht tegen een vijandig en onverschillig heelal, tegen een universele orde die niet welwillend staat tegenover het diepere geloof van de mens. Maar voor Spinoza gaan de aard van het heelal en de aard van de mens hand in hand. Hij geloofde in de waardigheid en de betekenis van de mens als een moreel wezen. Hij zegt:

Wat het menselijk denkvermogen betreft, geloof ik dat het ook een deel is van de natuur; want ik houd staande dat er in de natuur een oneindige denkkracht bestaat, die, omdat ze oneindig is, subjectief de hele natuur omvat, en zijn gedachten ontstaan op dezelfde manier als de natuur – dat wil zeggen in de sfeer van ideeën. Verder ga ik ervan uit dat het menselijk denken identiek is met genoemde kracht, niet dat het oneindig is en de hele natuur overziet, maar dat het eindig is en slechts het menselijk lichaam waarneemt. Daarom beweer ik dat het menselijk denken deel uitmaakt van een oneindig begrijpen.*

*Uit Spinoza’s brief aan Henry Oldenburg (1665), #32, van Vlotan editie.

De centrale gedachte van Spinoza over wereldeenheid en menselijke intelligentie als een vonk van het kosmisch denkvermogen is betrekkelijk gemakkelijk te vatten. Het is niet de vage abstractie van een intellectuele betweter, wiens overwegingen doortrokken zijn van middeleeuwse scholastiek. Integendeel, het harmonisch samengaan van rede en geest is de poolster van Spinoza’s filosofie. Het menselijk welzijn is zelden uit zijn gedachten.

De eindeloze verscheidenheid die we ervaren in deze jachtige wereld van verandering, is de uitdrukking van de goddelijke wet, die het menselijk leven beheerst zoals de hogere waarheid de lagere beheerst en zoals de storm de regendruppel beheerst. Alles in de natuur is geworteld in en omsloten door het goddelijke denken. God heeft zijn allesdoordringende aard neergeschreven in de onveranderlijke wetten van de stof zowel als in de wetten van het denken. Niets is het product van toeval of van een blinde gril. Alle dingen zijn rationeel verbonden en staan in verband met de uiteindelijke oorzaak. Onze wereld is een wereld van wetmatigheid die geen uitzonderingen maakt en geen gunsten verleent, een ordelijke kosmos waarin niets toevallig leeft.

Alles moet worden gezien als het resultaat van zijn eigen aard of van een hogere aard. Als dit zo is, zegt Spinoza, dan moet er achter de betrekkelijkheid van elk eindig standpunt een opperst wezen zijn dat al het overige verklaart en begrijpt. Het godsbegrip van Spinoza is voor ons gemakkelijker te vatten, omdat drie eeuwen wetenschap ons hebben geoefend de samenhang der dingen, de betrekkelijkheid en onderlinge afhankelijkheid van alle vormen van leven en activiteit te zien. Hij ontkende het onderscheid dat voortdurend wordt gemaakt tussen geest en stof, zonder de werkelijkheid van bewustzijn te ontkennen. Beide zijn parallelle kenmerken van God of Substantie – de laatste term heeft het voordeel vrij te zijn van misleidende theologische associaties. Door de beperktheid van ons begripsvermogen kennen wij van Substantie slechts de twee kenmerken van denken en uitgebreidheid of ruimtelijkheid. Maar God is meer dan dat. Zijn aard is als een eindeloos heilig geschrift dat een oneindig aantal malen in vele talen is vertaald, of als een kosmische symfonie die een oneindig aantal malen voor verschillende instrumenten of spelers is getoonzet. Er bestaan waarschijnlijk ontelbare soorten van leven die onze stoutste verbeelding te boven gaan, al kunnen we niet gissen hoe die zijn. Spinoza eerde de rede, maar beschouwde de grenzen van ons vernuft niet als de grenzen van de waarheid. Vragen naar onsterfelijkheid en de grondslagen van geloof, behoren tot het grensgebied, de verder gelegen grenzen van de wetenschap. Ze voeren ons in het gebied van de filosofie en de religie.

Spinoza was te goed onderlegd in het wetenschappelijke denken om de beperkingen daarvan niet te zien. Hij kende ook de zwakheid van de kritiek op hiaten in de wetenschappelijke kennis, die vaak werd geleverd door vooraanstaande mensen uit de godsdienst, die erop uit waren hun positie veilig te stellen door op feiten te wijzen die de wetenschap niet direct kon verklaren. Al vroeg in zijn leven was Spinoza ervan overtuigd dat het conflict tussen wetenschap en religie in de grond van de zaak was te wijten aan een tekort van het ongeoefende of onverlichte menselijke bewustzijn, dat in zijn onwetendheid kunstmatige muren optrekt binnen het domein van de wijsheid.

De mysteriën waarmee we te maken krijgen in het grensgebied van de wetenschap houden ten nauwste verband met het probleem van het menselijk begripsvermogen. Ze vragen om een kritisch onderzoek van alle motieven achter onze opvattingen, achter de verstandelijke processen zelf. Kant had niet het monopolie van kritiek op het kernproces. Lang vóór hem had Spinoza zich gewaagd aan kritiek op de rede. Spinoza wees erop dat leren een actief proces is dat ten slotte moet uitlopen op een serene eerbied voor de goddelijke openbaring van de waarheid in de natuurwetten en in de oneindige kracht.

De gedachte van oneindige kracht of activiteit heeft een materialistisch tintje gekregen in de kosmologieën van denkers als Spencer en Huxley. Maar in de laatste jaren is het materialisme ouderwets geworden en wiskundigen-natuurwetenschappers staan nu welwillend tegenover de gedachte van God als de opperste wiskundige. Een vooraanstaand astronoom, Sir James Jeans, zei dat het heelal meer op een gedachte dan op een machine lijkt. Elk jaar geeft het mysterieuze heelal meer van zijn geheimen prijs aan het ontsluierend wiskundig denken. Zonder twijfel zou Spinoza, als minnaar van de wiskunde, zich kunnen verenigen met de gedachte dat het oneindige denkvermogen, dat reikt tot voorbij de verstverwijderde uithoeken van de grenzeloze ruimte, zich uiterlijk als wiskundige wetten manifesteert. Maar het is niet waarschijnlijk dat hij zonder voorbehoud de gedachte zou hebben aanvaard dat God de opperste wiskundige is. Niet omdat hij niet geloofde in een superpersoonlijke God, maar omdat de aard van God niet volledig tot uitdrukking komt in het ruimtelijk bestaan dat de wiskunde omvat, en dat niet meer vertegenwoordigt dan een fractie van Gods openbaring. Wat wij daar in de ruimte zien, bestaat uit vormen van slechts één eigenschap van God, en wel uitgebreidheid. Het denken is nog een eigenschap van de Godheid, dat met zijn velerlei vormen de innerlijke gebieden van verstand en geest vormt.

In het licht van de astronomie en de geologie is de geschiedenis van de mens als een flits die aan het oog van de eeuwigheid voorbijschiet. We verbeelden ons niet langer dat we de enige wezens zijn die op deze aarde zijn geplaatst om zin te geven aan het leven, dat zonder ons het universum geestloos en doelloos zou zijn! De wetenschap heeft ons een ruimere en meer filosofische visie gegeven. Toen een wetenschapper werd gevraagd of God het wel de moeite waard vond zich om mensen te bekommeren, antwoordde hij dat dit afhing van hoe groot de God was waarin men geloofde. Spinoza’s God is zo absoluut oneindig, dat we ons zonder hem niets kunnen voorstellen. ‘Vandaar dat we duidelijk begrijpen’, zei Spinoza, ‘dat onze verlossing, of zaligheid, of vrijheid bestaat uit een voortdurende en eeuwige liefde tegenover God, of uit de liefde van God tegenover de mensen.’*

*Ethica, deel 5.

 
Filosofie (diverse filosofen en mystici)
 

Uit het tijdschrift Sunrise mrt/apr 1985

© 1985 Theosophical University Press Agency