Hoe kunnen we het best door de sluiers van de illusie heendringen,
waarmee we ons omgeven? De religies en filosofieën van de wereld
bevatten tal van uitgangspunten, verschillende benaderingen, die ons
aansporen om te streven naar zelf-hervorming. Eén weg die ik
heb ervaren als een zeer praktische hulp, is die van Epictetus, de Stoïcijnse
filosoof die omstreeks de eerste eeuwwisseling A.D. leefde. Zelfs nu
nog doet het Stoïcisme ons denken aan iemand die het leven met
innerlijke kalmte onder ogen ziet, onaangedaan door de omstandigheden.
Deze instelling behoort tot een wereldbeschouwing die zich bezighoudt
met de aard en oorsprong van het heelal en de mens en met de juiste
manier van leven. Ze zegt dat het heelal ontspringt aan de godheid,
aan Zeus; en als zijn cyclus is voltooid, wordt het opnieuw in hem opgenomen.
Mensen zijn burgers van het heelal, kinderen van Zeus, en bijgevolg
zijn ze allen broeders en zusters in een zeer wezenlijke zin. De mensheid
vormt een geheel, en ieder mens kan alleen worden gezien als een deel
daarvan, verbonden met anderen door natuurlijke verwantschappen die
gerespecteerd moeten worden. Leven alsof we los van elkaar staande wezens
zijn, of uitsluitend voor ons genoegen, is in strijd met de natuurlijke
orde der dingen. Vriendelijkheid, matigheid, anderen eerder leren door
ons voorbeeld dan door kritiek, blijmoedig onze verantwoordIijkheden
nakomen, als kind, echtgenoot(note), ouder, burger en lid van het menselijk
ras, zijn kenmerken van de Stoïcijnse benadering.
Het Stoïcijnse ideaal is de mens in harmonie te brengen met de
hele natuur. Dat is mogelijk omdat ieder mens als de wortel van zijn
wezen een zaad of vonk van de goddelijke logos bezit, net als de kosmos.
Evenals Plato geloven de Stoïcijnen dat de mens in wezen goed is
en dat niemand met opzet het summum bonum of hoogste goed verwerpt.
Mensen handelen in de allereerste plaats verkeerd door onwetendheid
en onjuist oordeel, en doordat ze het hoogste goed in de stoffelijke
wereld zoeken, in het lichaam, in bezittingen, macht en andere dingen
buiten hun ware wezen. In werkelijkheid is het goede de harmonie met
het heelal, en het woont in dat wat onze essentie als mens is: ons innerlijk
zelf en de voortbrengselen van zijn wil. De moeilijkheid is, zoals Epictetus
opmerkt, dat iedereen meent dat hij al weet wat goed en wat verkeerd
is, wat de juiste manier is om de dingen te bezien, en hij verzet zich
tegen alles wat met zijn gebruikelijke standpunt in tegenspraak is.
Dat we ons in ons leven ongelukkig voelen en emotioneel in verwarring
verkeren, bewijst dat er iets niet klopt in onze gewone benadering.
Aan hen die naar innerlijke harmonie streven zegt Epictetus met nadruk
dat we moeten zoeken naar de juiste interpretatie van wat we waarnemen
en dienovereenkomstig moeten handelen, en dat we een scherp onderscheid
moeten maken tussen wat ‘van ons’ en wat ‘niet van
ons’ is. De dingen die we kunnen beheersen – en die werkelijk
van onszelf zijn – zijn onze meningen, impulsen, onze keuzen iets
te doen of na te laten, alles wat van onszelf uitgaat en aan onze wil
is onderworpen. Wat die dingen betreft zijn we vrij, niemand kan ons
hinderen of dwingen, we kunnen handelen zoals we willen. Tot de dingen
die we niet kunnen beheersen behoren andere mensen, omstandigheden,
reputatie, bezittingen, gezag, alles wat niet helemaal ons eigen werk
is. Het zich ongelukkig voelen ontstaat doordat we als het onze beschouwen
wat geheel of gedeeltelijk door de wil van anderen wordt beheerst: we
vrezen de dood, ziekte en lichamelijk letsel; we zijn boos of teleurgesteld
als we niet krijgen wat we willen, geërgerd wanneer mensen en omstandigheden
zich niet voegen naar onze wensen. We maken ons zorgen over de toekomst,
over onze bezittingen, het lot van anderen, enzovoort, dit alles omdat
we weigeren de dingen te accepteren zoals ze zijn en we onze wil willen
opleggen aan wat buiten onze macht ligt.
Wat we kunnen beheersen zijn onze meningen en onze houding, onze benadering
van alles wat ons overkomt. We kunnen iedere situatie met innerlijke
opgewektheid en gelijkmoedigheid tegemoet treden, of niet – de
keus is aan ons. Als we eenmaal beseffen dat de dingen die buiten onze
beheersing liggen niet echt een deel van ons zijn, en aanvaarden dat
wij daarover geen macht hebben – en zij niet over ons innerlijk
zelf – bevrijden we ons in emotionele zin en kunnen we situaties
verwerken zonder dat persoonlijke gehechtheid haar destructieve invloed
uitoefent. Dit innerlijk niet gehecht zijn betekent volstrekt niet onverschilligheid,
gebrek aan sympathie of achteloosheid bij het omgaan met anderen. Menselijke
gevoelens zijn op hun plaats zolang ze niet in strijd zijn met de liefde
voor het Al, het goddelijke, of ‘de innerlijke mens overweldigen
in een ‘golf van dodelijk tumult’ en zijn diep besef verduisteren
van de grote morele doeleinden waarvoor hij werd geboren en die hij
moet nastreven. . .’*
*T.W. Rolleston in The Teaching of Epictetus,
vert. uit het Grieks met Inleiding en Aantekeningen van T.W. Rolleston:
John B. Alden, N.Y., 1889; blz. xxvi.
Onszelf in harmonie brengen met de natuur is moeilijk maar niet onmogelijk,
en Epictetus geeft heel wat praktische raad aan zijn leerlingen. Het
vereist, zegt hij, voortdurende oefening en zelfdiscipline, omdat
Iedere vaardigheid en elk vermogen in stand wordt
gehouden en versterkt door overeenkomstige daden; . . . En dat geldt
ook voor spirituele dingen. Wanneer u boos bent, weet dan dat geen
enkel kwaad u treft zonder dat u de neiging daartoe hebt versterkt,
en als het ware olie op het vuur hebt geworpen. . .
Wilt u daarom niet langer boosaardig zijn? Geef dan
geen voedsel aan uw neiging daartoe, geef haar niets dat haar versterkt,
wees van meet af aan kalm en tel de dagen dat u niet boos bent geweest
. . . Want uw neiging wordt eerst verzwakt, en dan vernietigd.
– Gesprekken 2:18
De sleutel is nieuwe gewoonten in ons denken en handelen te vormen,
en om dit te doen is het van primair belang dat we niet te haastig oordelen.
Wat onze eerste reactie ook mag zijn, we moeten nadenken en haar onderzoeken.
Als ze ongewenst is,
laat ze u dan niet tot richtlijn dienen en u geen
beeld geven van wat er dient te volgen, anders zal ze u in bezit nemen,
en u meevoeren waarheen ze wil. Maar stel u daartegenover liever een
ander zuiver en edel beeld voor en werp daarmee het verachtelijke
beeld van u af. – 2:18
Als we kunnen vermijden door onze eerste indrukken te worden meegesleept,
en steeds opnieuw een positieve reactie in de plaats stellen van een
negatieve, zal onze vroegere beperkende kijk op de dingen worden verzwakt
en tenslotte worden vernietigd.
Om met grotere bedachtzaamheid te bepalen hoe te reageren, kunnen we
in een bepaalde situatie op onze neiging vooruitlopen. Als iemand bijvoorbeeld
bij het verrichten van een bepaalde taak gauw geprikkeld raakt, kan
hij voor hij begint, voor zichzelf een beeld vormen van wat er waarschijnlijk
gaat gebeuren en denken, ‘Ik ga deze taak uitvoeren en mijn kalmte
bewaren.’ En wanneer hij dan voelt dat hij geprikkeld of boos
begint te worden, kan hij zich dat besluit als tegenwicht voor de geest
halen. Om een stap verder te gaan met dit zelfonderzoek, beveelt Epictetus
ook de oude stelregel van Pythagoras aan: sluit niet uw ogen bij het
slapen gaan voordat u iedere daad van die dag hebt overzien, van de
eerste tot de laatste – wat verkeerd werd gedaan, wat werd gedaan,
wat ongedaan werd gelaten. Nog een punt dat onze taak lichter maakt,
is te proberen de constructieve kant van een situatie te ontdekken.
Als bijvoorbeeld een vriend van ons onrecht doet, kunnen we ons concentreren
op de vriendschap in plaats van op het onrecht. Wanneer we er een gewoonte
van maken onszelf te onderzoeken en te handelen vanuit onze innerlijke
visie, brengen we onze gedachten en gedrag in toenemende mate in harmonie
met de stoffelijke en spirituele werkelijkheden om ons heen. Al zullen
we waarschijnlijk langzaam vooruitgaan, hoofdzaak is dat we beginnen
en ons blijven inspannen.
In zijn gesprekken legt Epictetus er de nadruk op dat we ons bewust
moeten zijn van onze verbinding met het goddelijke. Hij richt zich tot
de innerlijke mens, meer tot het spirituele en rationele dan tot het
stoffelijke en emotionele wezen. Volgens de Stoïcijnen is ieder
mens in zijn hart een spermatikos logos (zaadlogos), een zaadje
van het goddelijk vuur of het kosmische denken. Als zodanig heeft ieder
mens een directe schakel met het goddelijke dat diep in hem woont. ‘U
bent een deel van God,’ zegt hij, ‘U heeft in u iets dat
een deel is van hem. Waarom bent u dan onbekend met uw hoge afkomst?
. . . Ongelukkige! u draagt een God met u mee, en weet het niet!’
(Gesprekken 2:8). Als we ons bewust zouden blijven van het
goddelijke in ons, hoe anders zouden onze gedachten en daden dan zijn.
Onze gewone waarnemingen komen van de dier-mens die de schaal vormt
van onze persoonlijkheid. Maar als we nadenken over onze eerste reacties,
doen we een beroep op het diepere deel van ons dat een natuurlijke affiniteit
heeft met de goddelijke harmonie die de kosmos bezielt en instandhoudt.
Het is dit deel van onszelf dat kalm en evenwichtig blijft onder pijn,
verdriet, of tegenslag, omdat het daardoor niet wordt aangedaan. Bovendien
is het dit aspect van ons dat ons tot broeders maakt van de overige
mensheid. Wanneer we ons vereenzelvigen met dit goddelijk-menselijk
zaadje in ons, voelen we nog steeds de hele reeks van emoties, maar
omdat we een universeler perspectief hebben, zullen we er niet door
worden meegesleept; we zullen ze leiden in plaats van erdoor te worden
beheerst.
Vanuit een ander gezichtspunt is de wereld en alles daarin een openbaring
van de goddelijke wil, en als we met het goddelijke willen meewerken,
moeten we alles wat zich voordoet bereidwillig aanvaarden, als het niet
in onze macht ligt het te veranderen. Epictetus dringt er bij zijn leerlingen
op aan ‘eensdenkend te zijn met God, en goden noch mensen verwijten
te maken’, verlangen ‘van een mens een god te worden’
en zich hun gemeenschap met Zeus te herinneren (Gesprekken
2:19). Als we met het goddelijke samenwerken, met de dingen zoals ze
zijn in plaats van daartegenin, zijn we gelukkig en voorspoedig, wat
er ook mag gebeuren en hoe het naar wereldse wijsheid ook mag schijnen.
Epictetus gaat in feite zo ver dat hij zegt dat, tenzij we de blik alleen
op God gericht houden en ons aan zijn geboden wijden, we ons leven zullen
doorbrengen ‘met kreunend en weeklagend’ na te jagen ‘wat
sterker is’ dan wij, en we het geluk zoeken in dingen buiten onszelf
en het niet zullen vinden (Gesprekken 2:16).
Ieder van ons is omgeven door een wereld die we zelf hebben gemaakt,
een wereld van waarnemingen die we interpreteren en kleuren door onze
houding, emoties en begeerten. We proberen macht te verkrijgen over
uiterlijke dingen, terwijl we verzuimen controle uit te oefenen over
ons psychische zelf, onze meningen, houding en impulsen. We moeten niet
vergeten dat onze werkelijke filosofie blijkt uit de manier
waarop we leven, de manier waarop we ons dag in dag uit gedragen, hoe
we reageren en anderen behandelen. Wanneer we hardvochtig of kritisch
zijn tegenover onze omgeving, of wanneer we gedeprimeerd raken, ons
ergeren of ons zorgen maken, biedt het Stoïcisme praktische hulp
bij het herwinnen en bewaren van ons innerlijk evenwicht. Naarmate we
er een gewoonte van maken ons tot het eeuwige middelpunt in ons te wenden,
waar de waarheid woont en waar de misvormingen van de persoonlijkheid
niet kunnen komen, begint de weldadige invloed hiervan in ons alledaagse
zelf te stromen, en wordt onze persoonlijkheid geleidelijk afgestemd
op haar goddelijk perspectief. Mettertijd en als we volhouden, kunnen
we eensdenkend met God worden, in harmonie met het goddelijke, dat zowel
in ons als overal om ons heen is, en een zegen zijn voor de hele mensheid.