We zijn onze eigen waarheid
Grace F. Knoche

 

Voor het speciale nummer van dit jaar hebben we als thema gekozen het zoeken naar waarheid omdat daarin de meest essentiële behoefte van de mens tot uitdrukking komt: de waarheid leren kennen omtrent onszelf en het heelal waarmee we zijn verbonden door schakels die hun oorsprong hebben in een ver en onbekend verleden. Wie zijn wij en hoe oud is deze band met het verheven wezen dat de kosmos bezielt en regeert? Astrofysici zeggen ons dat er voortdurend sterren worden geboren uit de sterrenstof van vroegere werelden en dat ze, aan het einde van hun levenscyclus gekomen, sterven in een glorieuze explosie. Wij mensen volgen een zelfde ritme van geboorte en dood en wedergeboorte, en de elementen van ons lichaam worden ‘in de smeltovens van de melkwegstelsels’ uit dezelfde voorvaderlijke sterrenstof ‘gesmeed’.

We hadden heel goed als titel kunnen nemen: Het Zoeken van het Pad of de Weg die leidt naar de bron van ons wezen, want het pad dat we gaan ligt niet buiten ons, is niet van ons afgescheiden en verwijderd. Zoals de draden van zijn toekomstige web uit de spin voortkomen, zo vloeien onze aspiraties, gedachten, emoties en motieven uit ons zelf voort, en worden zo de keuzen die we doen en de stappen die we nemen. Op overeenkomstige wijze zijn we ook onze eigen waarheid – een feit dat zo eenvoudig is dat we eraan voorbijgaan. Niettemin is er een deel van ons dat dit weet en het gevolg is dat we lijden, verscheurd als we worden tussen de aantrekkingskracht van uiterlijke dingen en de rustige volharding van onze innerlijke stem. Het zoeken naar waarheid is dus in werkelijkheid voor ieder mens uniek; niemand kan de weg van een ander gaan en niemand kan de waarheid van een ander zijn.

Toch verspilt menige zoeker kostbare tijd en energie door buiten zichzelf te zoeken, van de ene goeroe naar de andere te lopen en dan deze, dan die methode van training te beproeven, wat vaak in een teleurstelling eindigt. Maakt hij er ernst mee, dan vindt hij misschien tenslotte een filosofie of religie die aan de behoefte van zijn ziel beantwoordt. De vraag doet zich dan voor: Wat kan men doen om er zeker van te zijn dat de geestelijke winst die in dit leven wordt gemaakt, gewoonlijk met veel pijn en moeite, wordt meegevoerd naar het volgende leven? Ongetwijfeld kan men op karma vertrouwen: als we in geestelijke zin bouwen, verzamelen we schatten in het geestelijk deel van ons wezen, dat de dood van ons lichaam en onze mentaal/emotionele natuur overleeft. Maar we moeten ervoor oppassen dat we niet, in ons verlangen onze geestelijke bezittingen te bewaren, wat we misschien aan waarheid hebben verzameld aan ons binden, om dan tot de ontdekking te komen dat we de kwaliteit en de levensduur ervan hebben aangetast. Er is een soort zelfzucht, zo subtiel, dat ze moeilijker te hanteren is dan het gewone egoïsme. William Blake schreef daar een gedicht over:

Wie het geluk aan zichzelf wil binden
Verlamt het gevleugelde leven;
Maar wie het in ’t voorbijgaan kust
Zal het zonlicht der eeuwigheid vinden.

Zelfvergetelheid, altruïsme, is de grondtoon – meer gericht zijn op anderen dan op zichzelf – alles geven wat we zijn en het algemene welzijn dienen waar en wanneer we kunnen. Dat is het kenmerk van de Hoeders en Beschermers van de mensheid, een Broederschap van gevorderde mensen die elke vonk van mededogen voeden in hen die de geestelijke waardigheid eren van iedere levensvonk in de kosmos, van menselijke of andere aard. Van tijd tot tijd, en als karma het toelaat, zenden ze één uit hun midden de wereld in: in legenden en de geschiedenis bekend als lichtbrengers, brengen ze ons een deel van de waarheden omtrent de mens en de natuur, dat geschikt is voor het volk waarin ze leven en werken. Zo’n lichtbrenger was H.P. Blavatsky die, geïnspireerd door de Broederschap van Mededogen, in 1875 de Theosophical Society stichtte met het doel voor de komende eeuwen aan de ‘verzamelde wijsheid der eeuwen’ op ruimere wijze bekendheid te geven dan duizenden jaren lang het geval was:

haar enige opdracht is de toorts van de waarheid weer te ontsteken, die zo lang voor allen, behalve de zeer weinigen, was gedoofd, en die waarheid in leven te houden door de vorming van een broederschap van de mensheid, de enige bodem waarin het goede zaad kan groeien.

We brengen in dit nummer hulde aan William Q. Judge, leerling, vriend en collega van H.P. Blavatsky, omdat Sunrise, vanaf zijn begin, ernaar heeft gestreefd die ruime visie te bieden waarvan zijn tijdschrift, The Path, getuigde – een brug te vormen tussen hen die zoeken en de diepere inzichten die de theosofische wijsheid geeft. Kortom, aan te tonen dat een eerlijk onderzoek van de geestelijke overleveringen van de volkeren uit alle beschavingen, van primitieve tot beschaafde, de overtuiging brengt dat de mensheid – in feite de gehele kosmos – inderdaad een broederschap is op grond van een gemeenschappelijke goddelijke oorsprong.

Ons thema voor dit jaar, Het Zoeken naar Waarheid, is een uitdaging, want het is duidelijk dat het pad naar de waarheid geen einde kent en zich even ver uitstrekt in de diepten van de ruimte als in de kern van het atoom. En steeds is er de paradox: De waarheid bestaat als de bron van alles en is tegelijk een abstractie; ze heeft geen bestaan buiten wezens die er uitdrukking aan geven. Daarom moeten er evenveel waarheden zijn als er levensvonken zijn in de kosmos, die er alle naar streven hun wezenlijke aard te ontplooien, net zoals wij mensen, hoe blind ook, verlangen de waarheid die we zijn te worden en te zijn. Met dat voor ogen hebben onze medewerkers hun beschouwingen gegeven over het gouden pad naar de Waarheid dat in het hart van ieder levend wezen begint en eindigt.

 

Uit het tijdschrift Sunrise sep/okt 1986

© 1986 Theosophical University Press Agency