Het was de tijd van de herfstoverstromingen. Elke beek stortte zich
in de rivier, die in haar troebele loop steeds hoger steeg. De oevers
weken zover uiteen dat het niet mogelijk was een koe van een paard te
onderscheiden.
Toen lachte de Geest van de Rivier vol vreugde over alle schoonheid
van de aarde die om hem was verzameld. Stroomafwaarts reisde hij naar
het oosten, tot hij de oceaan bereikte. Toen hij daar oostwaarts keek
en geen einde zag aan de golven, veranderde zijn gezicht. En terwijl
zijn blik rondwaarde over de uitgestrekte wateren, zuchtte hij en sprak
tot de Geest van de Oceaan: ‘Een bekend spreekwoord zegt, dat
hij die slechts een deel van de waarheid heeft gehoord, meent dat niemand
hem evenaart. En zo iemand ben ik.
‘Toen ik vroeger mensen hoorde die de wijsheid van Confucius
kleineerden, of de heldenmoed van Poh I onderschatten, geloofde ik dat
niet. Maar nu ik uw onuitputtelijkheid heb aanschouwd – wee mij
als ik uw verblijf niet had bereikt, want ik zou voor altijd het mikpunt
van spotternij zijn geweest voor hen wier verlichting alomvattend is!’
Waarop de Geest van de Oceaan antwoordde:
‘Men kan over de oceaan niet spreken met een bron-kikvors, een
schepsel uit een beperkter sfeer. Men kan niet over ijs spreken met
een zomer-insect, een schepsel van een seizoen. Men kan niet over TAO
spreken met een pedagoog, zijn gezichtskring is te beperkt. Maar nu
je uit je beperkte sfeer bent getreden en de grote oceaan hebt gezien,
ken je je eigen onbeduidendheid en kan ik met je spreken over grote
beginselen.
Onder het hemelgewelf bestaat geen grotere watermassa dan de oceaan.
Alle stromen storten zich daar zonder ophouden in, en toch loopt hij
niet over. Voortdurend wordt er water aan onttrokken en toch is hij
nooit leeg. Lente en herfst brengen geen verandering; overstromingen
en droogten zijn evenzeer onbekend. Daarom steekt hij ver uit boven
de gewone rivieren en beken – hoewel ik het niet zou wagen me
daarop te beroemen, want ik krijg mijn vorm van het heelal, en mijn
levenskracht van de Yin en Yang. In het heelal ben
ik slechts als een kleine steen of een boom op een reusachtige berg.
En me aldus bewust van eigen onbelangrijkheid, wat blijft er dan te
pochen over?
De Vier Zeeën – zijn zij voor het heelal niet slechts als
poelen in een moeras? Het Rijk van het Midden, is het voor de omringende
oceaan niet als een zaadje onkruid in een graanschuur? Van alle ontelbare
geschapen wezens, is de mens er slechts één. En van allen
die het land bewonen, leven van de vruchten van de aarde en zich voortbewegen
in kar en boot, is de individuele mens er slechts één.
Is hij vergeleken met de hele schepping niet slechts als het puntje
van een haar op de huid van een paard?
De opeenvolging van de Vijf Heersers, de naijver van de Drie Koningen,
het hartzeer van de filantroop, het werk van de administrateur, zijn
slechts dat en niets meer. Poh I weigerde de troon om de roem. Confucius
voerde gesprekken om een reputatie van geleerdheid op te bouwen. Deze
overschatting van het zelf van hun kant, was deze niet in hoge mate
die van jou met betrekking tot het water?’
‘Welnu,’ antwoordde de Geest van de Rivier, "moet
ik dan het heelal als groot beschouwen en de punt van een haar als klein?’
‘Zeker niet,’ zei de Geest van de Oceaan, ‘afmeting
kent geen grenzen; de tijd is eindeloos. Omstandigheden zijn niet onveranderlijk
en tijdsperioden niet beslissend. Dus onderzoekt de wijze mens de ruimte,
en acht het kleine niet te weinig en het grote niet te veel, want hij
weet dat er geen grens aan afmeting is. Hij kijkt terug in het verleden
en voelt geen droefheid over wat veraf is, noch vreugde over wat nabij
is; want hij weet dat tijd zonder einde is. Hij onderzoekt het volkomene
en het verval, verheugt zich niet als hij slaagt, en klaagt niet als
hij faalt; want hij weet dat omstandigheden niet onveranderlijk zijn.
Hij die duidelijk het plan van het bestaan begrijpt, verheugt zich niet
over het leven, noch mort hij over de dood; want hij weet dat tijdsperioden
niet beslissend zijn.
Wat een mens weet is niet te vergelijken met wat hij niet weet. De tijd
van zijn bestaan is niet te vergelijken met de tijd van zijn niet-bestaan.
Met het kleine proberen het grote uit te putten, brengt hem zeker in
verwarring en hij zal zijn doel niet bereiken. Hoe zou men dan kunnen
zeggen dat het puntje van een haar het ne plus ultra van kleinheid
is, of dat het heelal het ne plus ultra van grootheid is?’
‘Dialectici van deze tijd,’ antwoordde de Geest van de
Rivier, ‘zeggen allen dat het onmeetbaar kleine geen vorm heeft,
en dat het onmeetbaar (oneindig?) grote alle maat te boven gaat. Is
dat zo?’
‘Als we grootheid beschouwen in vergelijking met wat klein is,’
zei de Geest van de Oceaan, ‘dan is er geen grens aan; en als
we kleinheid beschouwen in vergelijking met wat groot is, ontsnapt het
aan onze waarneming. Het onmeetbaar kleine is een onderverdeling van
het kleine; het kolossale is een uitbreiding van het grote. In dit opzicht
laten ze zich in twee categorieën verdelen.
Zowel kleine als grote dingen moeten een vorm bezitten. Het verstand
kan zich geen ding zonder vorm voorstellen, noch kan het zich een denkbeeld
vormen van een vorm van onbegrensde afmeting. De grootheid van iets
kan onderwerp van gesprek zijn, en de kleinheid van iets kan mentaal
worden verwerkt. Maar dat wat noch een onderwerp van gesprek kan zijn,
noch mentaal kan worden verwerkt, kan noch groot, noch klein zijn.
Daarom zal de werkelijk grote mens, ofschoon hij anderen niet te kort
doet, zichzelf geen barmhartigheid en mededogen toeschrijven. Hij zoekt
geen gewin, maar veracht zijn volgelingen niet die dit wel doen. Hij
streeft niet naar weelde, maar vindt het geen verdienste dat niet te
doen. Hij vraagt de hulp van niemand, maar acht het geen verdienste
op zichzelf te vertrouwen, noch veracht hij hen die naar promotie streven
door middel van vrienden. Hij handelt anders dan de gewone menigte,
maar acht zijn uitzonderlijkheid niet een verdienste, noch veracht hij
hen als huichelaars die met de meerderheid meegaan. Rangen en extra
beloningen van de wereld zijn voor hem geen reden tot vreugde; haar
straffen en schande geen reden tot oneer. Hij weet dat positief en negatief
niet onderscheiden kunnen worden, dat groot en klein niet bepaald kunnen
worden.
Ik heb horen zeggen, dat de Taoïst geen reputatie heeft; volmaakte
deugd heeft niets nodig; de werkelijk grote mens negeert het zelf; dit
is het hoogtepunt van zelfdiscipline.’