*Lezing gehouden op de Mythologie Conferentie: Inter-Theosophical
Student’s Networking Symposium gehouden op 14-15 februari 1987
in Santa Monica, Californië; bijeengeroepen door Jerry J. Ekins.,
voorzitter, So. Calif. Federation of Lodges, T.S. (Adyar). Het ligt
in de bedoeling de voordrachten te publiceren.
De oude man legde zijn karos [mantel van dierenhuiden] beter over
zijn schouders en zei: ‘Indaba, mijn kinderen,’ zo begon
hij, ‘luister goed, . . .’ terwijl de aanwezige Zoeloes
ademloos wachtten om de eeuwenoude wijsheid te horen, verhalen over
het begin van de wereld, over hun eigen goddelijke afkomst, en over
de betekenis van het leven. De Skald, in het verre IJsland, zong de
oude sagen, sprak over de dapperheid van krijgers van weleer en van
de roemruchte daden van de goden die heersen over de vele gebieden van
het heelal. In China en Peru, in het hete Soedan en het ijzige Lapland
hielden de verhalen over de goden en helden van de mensheid de luisteraars
in hun ban: verhalen die oppervlakkig gezien maar sprookjes waren, maar
die toch direct tot de ziel van hun toehoorders spraken en hen bewust
deden worden van de innerlijke betekenis, en die de sluimerende zaden
van begrip deden ontkiemen.
Mythen zijn natuurlijke uitingen van de werkelijkheid. Ze zijn niet
bedacht of kunstmatig, maar weerspiegelen de eeuwige waarheid die boven
de schijn uitgaat. Voor de duidelijkheid maken ze gebruik van algemeen
bekende dingen, van gebeurtenissen waarmee hun gehoor vertrouwd is en
die passen in de tijd. Daarom is hun boodschap altijd toegankelijk voor
hen die wakker zijn en ervoor openstaan. Als we daarover nadenken, vertegenwoordigt
ieder stoffelijk ding – ook het heelal zelf – een onstoffelijke
gedachte. Het is een symbool van een waarheid. En op zijn beurt vertegenwoordigt
een idee een ideaal, dat weer een sluier of schaduw van een bewustzijn
is, Men zou ook kunnen zeggen dat een zichtbaar organisme – een
mens bijvoorbeeld – een onzichtbare ziel vertegenwoordigt, die
weer uitdrukking geeft aan een nog etherischer geest, die op zijn beurt
een vonk is van het eeuwige vuur van leven en bewustzijn, Daarom kunnen
de eigenschappen van de natuurlijke wereld worden gebruikt om de eigenschappen
van andere werelden te illustreren, die opgebouwd zijn uit andere substanties
dan die waarmee wij vertrouwd zijn. Omdat de wereld bestaat, bestaat
er een oorspronkelijke wijsheid die haar gedeeltelijk kan verklaren.
Ze is het natuurlijke bezit van de menselijke ziel en de inspiratie
van het menselijke denken. En daarom vinden we in elk werelddeel beeldhouwwerken,
monumenten, tekeningen, symbolische tekens, beelden – allerlei
min of meer blijvende getuigenissen die ideeën kunnen overbrengen
en informatie verschaffen over de meest essentiële dingen in het
menselijke leven. Wat er het meest aan opvalt – en dat geldt nog
meer voor de mondelinge overleveringen uit lang vervlogen tijden –
is dat de ideeën die ze bevatten overal opmerkelijk veel op elkaar
lijken. Hoever ze ook uiteen liggen in tijd en plaats, hoeveel ze ook
van elkaar verschillen in taal en culturele vorm, ze brengen alle bepaalde
sleutelgedachten die te vinden zijn achter de gebruikte symboliek. Deze
sleutelgedachten betreffen de oorsprong van het leven, de zin van het
bestaan, en het doel van de evolutie, in het bijzonder de menselijke
evolutie.
Mythologie omvat alles, tenminste in beginsel. We vinden er spirituele
waarheden, logische filosofische gedachten, zelfs wetenschappelijke
feiten. Veel van deze verhalen zinspelen enerzijds op dingen die pas
kort geleden in de atoomfysica en de chemie werden ontdekt; en anderzijds
doelen ze op goddelijke krachten die de sterren in de ruimte bezielen.
De grootste hinderpaal om mythen te begrijpen is het feit dat hun goden
als mensen worden voorgesteld. Laten we het conventionele beeld dat
we hebben gekregen van een soort ‘supermensen’, met alle
zwakheden van mannen en vrouwen en maar heel weinig deugden, nu eens
vergeten, en in de plaats daarvan de verschillende karakters in mythen
zien als natuurkrachten, onpersoonlijke intelligenties in een bepaald
verband, onbezielde energieën in een ander verband, maar allemaal
natuurkrachten die ieder hun eigen taak vervullen in het kosmische patroon.
Als we erin slagen de symbolische code van mythen te ontcijferen en
eerlijk naar de feitelijke inhoud kijken, zullen we misschien ontdekken
dat de wetenschap nu pas begint toe te komen aan wat misschien de meest
complete natuurwetenschap in de wereld is: het is in ieder geval de
oudste natuurwetenschap in de wereld – een die altijd
beschikbaar was in de vele vormen van de mythologie, maar die steeds
werd genegeerd.
Wat maakt dat mythen in deze tijd niet serieus worden genomen is juist
het feit, hoe vreemd het ook klinkt, dat ze doelen op waarheden die
pas kortgeleden door onze knapste onderzoekers werden ontdekt: we zijn
in de waan gebracht dat de mens van nu als de top van de evolutielijn
moet worden beschouwd, en daarom geloven we niet dat er iets belangrijks
kan zijn geweest voordat onze soort technologie opkwam. Mythische wetenschap
wordt daarom onmiddellijk afgewezen: zinspelingen daarin op onze eigen
recente ontdekkingen moeten alleen toevallig zijn omdat primitieve rassen
niet veel konden weten zonder de soort instrumenten die wij nu gebruiken.
Al doen bijvoorbeeld de grote maalstroom, de draaikolken en de kosmische
molens die in de oudste overleveringen algemeen voorkomen, sterk denken
aan de nog steeds problematische zwarte gaten van de astronomie, wie
gelooft er dat de voorhistorische mythe-makers daarvan afwisten?
Het is zeker onwaarschijnlijk dat de barden en skalden telescopen bezaten
die vergelijkbaar zijn met de computergeleide camera’s die nu
worden gebruikt, of met elektronische microscopen met magnetische velden
als ‘lens’; aan de andere kant vertrouwen wij in deze eeuw
van de ruimte zo op de technologie, dat we vergeten dat weten
een eigenschap van de geest is, iets dat behoort tot het terrein
van de psychologie en misschien van de pneumatologie: geestelijke wetenschap.
Als dat zo is, dan is ze niet noodzakelijk afhankelijk van materiële
technieken. Er kunnen directere wegen zijn om de waarheid te benaderen
die bij ons nog niet zijn opgekomen. Wie kan bepalen welke andere manieren
om kennis te verkrijgen, kunnen zijn gebruikt door de mythe-schrijvers
in het allereerste beginstadium van het leven van de aarde? Of tot wat
voor begrip en direct inzicht we zelfs nu toegang zouden hebben als
we meer vertrouwen stelden in onze intuïtie? Terwijl we onze tijd
en middelen verdoen met het bonzen op de materiële poorten van
de tempel van kennis, liggen de sleutels misschien onvermoed in de bronnen
van wijsheid die ons aan alle kanten omringen.
Er zijn beslist goede redenen waarom H.P. Blavatsky van zoveel mythologische
bronnen gebruikmaakte, die betrekking hadden op de onderwerpen die ze
in haar boeken behandelde. Haar Geheime Leer wemelt van verwijzingen
naar mythische verhalen, die de leringen die ze bracht illustreren.
Zozeer zelfs dat de knapste geleerden verbaasd staan over haar vermogen
om uit zo’n rijke verscheidenheid van materiaal te putten, in
het bijzonder in het licht van de buitengewoon karige research mogelijkheden
die haar ten dienste stonden toen ze dat werk schreef.
Men kan zich nauwelijks een meer effectieve manier voorstellen om de
groei en het volwassen worden van de mens te begeleiden dan door de
tijdloze anonieme sagen, die zich rechtstreeks richten tot het waarnemend
bewustzijn in ons. We hebben geen woordenboek of vertaling nodig om
de ‘stem van de stilte’ te herkennen, ‘de duisternis
op de vloed’, ‘de geest die zweeft over de wateren (van
de ruimte)’ intuïtief te begrijpen. Wat een schitterende
muziek zit er in de eerste sloka’s van de Stanza’s van Dzyan
die de inleiding vormen van De Geheime Leer:
De eeuwige moeder, gewikkeld in haar altijd onzichtbare
gewaden, had opnieuw zeven eeuwigheden lang gesluimerd. De tijd was
niet, want hij lag in slaap in de oneindige schoot van de duur.
Zulke ongeëvenaarde poëzie spreekt instinctmatig tot dat
deel in ons dat herkent dat ook wij zijn geworteld in Dat
– het oneindige en eeuwige.
We vinden in mythen een overvloed van verwijzingen naar de theosofie.
Al zijn ze vaak verminkt doordat men ze niet goed herinnerde en ze bijna
altijd in symbolische taal zijn gehuld, zijn ze toch heel goed herkenbaar
als we enig idee hebben waar we naar moeten uitzien. De drie grondstellingen
van de geheime leer worden in iedere mythologie behandeld, zoals wanneer
de Oud-Noorse Odin (bewustzijn) de optekeningen uit het verleden raadpleegt
en ziet dat er negen levensbomen waren die aan onze huidige wereld voorafgingen.
Hij herinnert zich dat hij ‘negen hele nachten hing aan een boom
die door de wind werd geschud’ – een offer aan zijn eigen
hogere zelf – en dat hij ‘runen van wijsheid aanhief’
met gezang.
Volgens de theosofie is de Ruimte het enige blijvende oneindige beginsel;
de mythen geven aan dat ene blijvende beginsel verschillende namen.
De Grieken noemden het Poseidonis; de Oud-Noren noemden het Aegir. Andere
stelsels gebruikten andere namen. Het is de altijd aanwezige Werkelijkheid
waarin heelallen komen en gaan, voortgestuwd door Noodzaak of Urd (karma,
welke naam men er ook aan geeft).
De scheppende goden staan los van dit onuitsprekelijke beginsel. Het
zijn godheden in vele graden die zich belichamen in levende werelden
en gebruikmaken van titanen of reuzen (trage stof), ook van velerlei
graden. Hogere goden helpen lagere goden en deze staan de mensen bij
in hun evolutionaire groei. Van sommige goden wordt gezegd dat ze van
titanen afstammen, wat wil zeggen dat vroegere stoffelijke wezens werden
bezield en een of meer treden opklommen van de eindeloze ladder van
levens. Onze stoffelijke materie is, zoals we weten, een dun schijfje
van wat een oneindige continuïteit van geest-stof gradaties blijkt
te zijn: de geest is de bewustzijnskant van de stof, de stof is de inerte
vorm die de geest bekleedt.
De theosofie spreekt over rijken van levens zowel boven als onder het
menselijke stadium van ontwikkeling. Die zich boven ons bevinden in
evolutie worden dhyani-chohans genoemd in verschillende graden; de minder
ontwikkelde dan wij worden elementale entiteiten genoemd. In mythen
zijn de eerstgenoemden goden, hogere en lagere (in de Bijbel engelen,
aartsengelen, tronen, machten, enz.), terwijl de elementalen, dwergen,
trollen, heksen, feeën van allerlei aard worden genoemd. Dat zijn
de verschillende natuurkrachten – levensvormen die zich uitstrekken
van lager dan het minerale rijk tot de dierlijke natuur in de menselijke
constitutie. Van de laagste elementalen weten we weinig, en van de rijken
boven het menselijke weten we zelfs nog minder. We weten ook heel weinig
van het binnenste van de aarde, dat traditioneel werd beschouwd als
het rijk van de gnomen en trollen, of van de gebieden van de magnetosfeer
waarvan de wentelende maalstromen tot ver voorbij de Van Allen gordels
gaan. Misschien kunnen de mythen ons ook daarover iets leren.
We kunnen ons een voorstelling maken van de vele veranderingen en mutaties
die er plaatsvonden sinds de eerste dageraad van de planeet, toen enorme
mistballen door en in de aardse nevelvlek dreven; er moesten nog heel
wat veranderingen volgen voordat steeds vaster wordende bezielde vormen
zich over een zich geleidelijk verhardende bol bewogen totdat, nog altijd
in het verre verleden, de stoffelijke middelbare leeftijd van de planeet
werd bereikt. Tegen die tijd droeg de stenige aardkorst vegetatie en
lichamen van mensen en dieren die zelfs uit grovere stof bestonden dan
nu.
Maar voordat dit laagste, meest stoffelijke punt werd bereikt, vond
er een belangrijke gebeurtenis plaats die ten nauwste onszelf betreft.
Dat was het ontwaken van het denkvermogen in het protomenselijke ras
– de derde mensheid van de huidige levenscyclus van onze planeet
(volgens theosofische berekening). Zoals alles wat leeft, hadden ook
de eerste mensenrassen instinct, maar de tijd brak aan waarin verdere
evolutie bewust moest plaatsvinden, geleid door een individuele intelligentie,
die dan de plaats moest innemen van de automatische leiding van de natuur.
Iedere mythologie beschrijft op haar eigen manier de daad van mededogen
van de goden die ons vermogen tot denken wekten, tot kiezen en het bewust
volgen van onze menselijke bestemming. De eerste menselijke denkers
moesten niet alleen leren wie ze waren en wat hun taak zou zijn in de
wereld die ze hielpen vormen; hen werd ook de kennis bijgebracht om
lichamelijk te overleven als zelfbewuste, denkende organismen, die creativiteit
en kunstzinnigheid bezaten. Hen werd zelfs iets van de wijsheid van
de goden zelf ingeprent en rechtstreekse kennis van de goddelijke wet.
Wat de goden aan de eerste mensen hebben geleerd blijft ons nog steeds
bij als een aangeboren herkenning van de waarheid.
Deze komst van intelligentie in de oorspronkelijke mensheid kwam tot
stand doordat de goden hun superieure, meer ervaren bewustzijn verbonden
met het potentiële denken van de rudimentaire mens. De uitwerking
die dat moest hebben op het ontwaken van de wil en van begrip in het
jonge menselijke ras wordt in elke mythologische geschiedenis verteld,
zij het op verschillende manieren. De Griekse Prometheus heeft vele
parallellen: bijvoorbeeld, de Amerikaans-Indiaanse Coyote bracht ook
het goddelijk vuur naar de mens; het bijbelse verhaal is welbekend:
de mens die de vruchten plukte van de boom van de kennis van goed en
kwaad en de daaropvolgende verdrijving uit het paradijs van onwetendheid
en onschuld. Een van de duidelijkste verhalen is waarschijnlijk de Oud-Noorse
sage van de komst van Rig: Rig betekent een ‘afdaling’ of
‘inwikkeling’. Hij is een goddelijke energie die drie keer
naar de aarde komt om zich met de eerste mensheid te verenigen, Hij
bezoekt eerst de overgrootouders van het menselijk ras, daarna de grootouders,
en de derde keer de ouders. Bij ieder laat hij een halfgoddelijk nageslacht
achter. Deze drie afdalingen van de goddelijke geest deden drie mensenrassen
ontstaan, waarvan elk bekwamer was dan het vorige.
Met haar onafhankelijkheid verwierf de mensheid verantwoordelijkheid
voor haar daden, mentaal zowel als fysiek, terwijl diep in de ziel een
gevoel achterbleef van wat goed is, een ingeboren wijsheid die we nooit
kwijt kunnen raken zolang we in verbinding blijven met de bron van ons
bestaan. Meestal zijn we ons hiervan niet bewust, maar als we die innerlijke
leiding nodig hebben, is ze er en kunnen we erop bouwen.
Een essentieel deel van deze gedachte is vervat in de mythen die het
tweevoudig gebruik beschrijven van het denken en het geheugen. In de
Oud-Noorse mythologie zijn het de raven van Odin die dagelijks over
het ‘slagveld’ of ‘veld van wijding’ vliegen
om berichten over te brengen naar het gods-bewustzijn. In de Griekse
verhalen is het herinnering. Mnemosyne, die de moeder van de Muzen is:
van alle kunsten en takken van wetenschap. Dit is iets om over na te
denken. Het is beslist onmogelijk dat er enige groei van bewustzijn
plaatsvindt als ze niet kan voortbouwen op eerder verworven vermogens
en vaardigheden die door ervaring zijn verworven – onze eigen
persoonlijke Mnemosyne. Het geheugen vormt samen met het denken de basis
voor alle verdere ontwikkeling, groei van het begrip en potentiële
verlichting.
Het is van belang te bedenken dat de menselijke evolutie afhankelijk
is van een toenemend begrijpen. Dieren en planten kunnen hun stoffelijke
vormen en eigenschappen veranderen om die aan hun omgeving en behoeften
aan te passen, maar bij mensen is evolutie een zaak van mentale verlichting
en spirituele groei. Lichamelijke verfijning of verandering van maatschappelijke
waarden komen niet op de eerste plaats, al volgen ze wel wanneer mensen
door een groter begrip hun sympathieën zo verruimen, dat ze meer
van de wereld omvatten dan het eigen ik. Die groei van de ziel van dag
tot dag, in leven na leven, die neerkomt op een meer broederlijke menselijkheid,
is nodig voor de menselijke levensgolf om op de juiste manier haar hoogtepunt
te bereiken.
Waar de theosofie spreekt over de training van mensen die zich met
de goden verbinden en ernaar streven de vooruitgang van het ras te bevorderen,
vertellen de mythen over helden die draken verslaan, of de minotaurus,
of een ander monster bij hun zoeken naar de graal, het gulden vlies,
of de schone slaapster. Dit zijn verhalen die ook betrekking hebben
op onze huidige situatie, omdat ze laten zien hoe de hoofdpersoon door
een betovering zijn zoektocht vergeet en door illusies op zijwegen wordt
gebracht, tot hij de betovering van de stoffelijke wereld van zich afschudt
en voor een reeks beproevingen komt te staan die hem uiteindelijk zullen
doen slagen – of falen. We vinden deze aanwijzingen voor de vooruitgang
van de ziel in alle delen van de wereld, of de held nu Pwyll heet of
Gilgamesh, Tristan, Sigurd, Shen I, Hunahpu, Herakles, of Beowulf.
Deze en nog andere figuren keren steeds weer terug als geïnspireerde
leraren om de oorspronkelijke inspiratie te versterken die de groten,
die het eerst het denken in de mens ontstaken, ons hebben nagelaten.
Maar hoe weinig werd dat doel begrepen in de dagen van H.P. Blavatsky!
Wij hebben veel voor op haar tijdgenoten, want hun visie werd gehinderd
door de negentiende-eeuwse opvattingen, met alle vooroordelen en dogma’s
van die tijd. Zij wist dat broederschap niet kan worden voorgeschreven
of dat mededogen niet kan worden georganiseerd: dat altruïsme een
eigenschap is van de rijpende ziel en dat die op natuurlijke wijze volgt
als het begrip groeit. Daarom blies ze de eeuwige mythen weer nieuw
leven in en gaf ze ons enkele sleutels om ze te begrijpen, zodat de
komende generaties de weg kunnen vinden die naar de waarheid leidt en
worden aangespoord hun leven bevredigender te laten verlopen dan dit
nu en in het recente verleden het geval is geweest.