De
schat van de katharen
Paul Johnson
Boekbespreking: Histoire de la France Secrète, deel 1, Montségur
et l’enigme cathare, Jean Markale, Éditions Pygmalion/Gérard
Watelet, Parijs, 1986, 320 blz., geïllustreerd.
De opleving op het brede terrein van new age publicaties krijgt in
de Amerikaanse media aanzienlijke aandacht, en ook in Europa zijn er
talrijke tekenen van een new age stroming. Een sleutelrol in die belangstelling
speelt de algemene tendens om de Europese religieuze geschiedenis te
herwaarderen in het licht van mogelijke verborgen invloeden. Het opmerkelijke
en algemene succes van Jean Markale’s Histoire de la France
secrète (De geheime geschiedenis van Frankrijk) is een duidelijk
bewijs van de aantrekkingskracht van het Franse lezende publiek voor
wat we het onderzoek van de esoterische geschiedenis mogen noemen.
Histoire de la France secrete is een meerdelige studie van
zekere mysterieuze en onopgeloste kwesties in Frankrijks religieuze,
politieke en etnografische geschiedenis. Het eerste deel van de reeks:
Montségur et l’énigme cathare (Montségur
en het kathaarse raadsel) werd in 1986 gepubliceerd en snel opgevolgd
door Gisors et l’énigme des Templiers (Gisors
en het raadsel van de Tempeliers), Le Mont Saint-Michel et l’énigme
du dragon (de berg Saint-Michel en het raadsel van de draak), en
het meest recent Carnac
et l’énigme de l’Atlantide (Carnac en het
raadsel van Atlantis). Elk werd een bestseller en uitgekozen door de
Boek-van-de-Maand Club in Frankrijk. Voor de publicatie van deze reeks
had Jean Markale al een reputatie opgebouwd als autoriteit op het gebied
van de Keltische geschiedenis met zeven van zijn acht voorgaande boeken.
In de nieuwe reeks breidt hij zijn historische horizon uit en beperkt
hij zich in geografisch opzicht. Het resultaat is, althans in het eerste
deel, een zeer aantrekkelijke combinatie van een dramatisch reisverhaal,
een helder uiteengezette religieuze geschiedenis, en een boeiende ontknoping
van een zorgvuldig aangehouden spanning.
Het eerste deel van Montségur, ‘De Plaatsen,’
beschrijft de streek van Zuid-Frankrijk die het bolwerk was van het
katharisme, ook bekend als de ketterij van de Albigensen. Montségur
is een van de vier kastelen in de Pyreneeën en het voorgebergte,
die van belang zijn in de geschiedenis van de katharen. In die tijd
(12de en 13de eeuw n.Chr.) was deze streek bekend als Occitanië
en was onafhankelijk van het Franse koningshuis. Markale volgt tot in
details ieder herkenningspunt van de katharen en geeft een overzicht
van de uitroeiing van het katharisme door de gecombineerde krachten
van de Roomse kerk en de Franse monarchie. Daarmee geeft hij een beeld
van het ‘raadsel’ dat de Fransen al zo lang bezighoudt:
Wat was de ‘schat’ van de katharen, die naar men zegt uit
Montségur werd gesmokkeld vlak voor hun overgave aan de belegerende
strijdkrachten en het verbranden van 205 Katharen als ketters op 16
maart 1244? Wat gebeurde er met die schat? Welke sleutels uit de omgeving
van Montségur kunnen ons helpen om deze vragen te beantwoorden?
In deel 2 van het boek, ‘Wie waren de Katharen?’, graaft
hij diep door de vele lagen van de Indo-Europese religieuze ontwikkeling,
wat het tot een aantrekkelijk en zeer lezenswaardig boek maakt. Het
fundamentele dualisme van de kathaarse leringen ziet hij als een ontwikkeling
van de stelling ‘volgens welke het heelal . . . het resultaat
[is] van een confrontatie tussen twee strijdige beginselen’ (blz.
123). Dit speelt ook duidelijk een rol in de strijd tussen Zeus en Kronos
in de Griekse mythologie, in de tegenstelling tussen Odin en Loki in
de Oud-Noorse mythen, en in de oorlogen tussen wedijverende partijen
van goden in de Keltische legenden. Het dualisme van deze voorchristelijke
tradities vindt zijn weerklank in de bijbelse versie van de val van
de mens uit het paradijs van Eden in de aardse ellende door de verleiding
van de slang. Het mazdeïsme, de oude religie van de Perzen, zette
het beginsel van het goede, voorgesteld door de God Ahura Mazda, naast
dat van het kwaad, voorgesteld door de God Ahriman, die in een universele
strijd zijn verwikkeld. Alle leven wordt gezien als het gevolg van het
tegenover elkaar staan van deze twee beginselen, waarbij de uiteindelijke
overwinning van het Goede wordt beloofd aan het einde der tijden.
Een latere afspiegeling van dit dualisme kan men zien in het boeddhistische
onderscheid tussen nirvana en samsara. Hoewel blijkt dat het christendom,
het judaïsme, en de islam veel verschuldigd zijn aan het mazdeïstische
dualisme, is toch de meest rechtstreekse erfgenaam van de mazdeïstische
religie het manicheïsme, zoals dat werd gepredikt door Mani tussen
242 en 273 n.Chr. in het hele Perzische rijk. Mani, die verklaarde de
opvolger van Boeddha, Zarathoestra en Jezus te zijn, onderwees een gnostisch
stelsel dat een beeld gaf van de kosmische strijd die zijn hoogtepunt
zou vinden in de uiteindelijke overwinning van de God van het licht
over de wereld van de stof. De katharen ontleenden veel van hun eschatologie
[de leer over dood, oordeel, hemel en hel] aan het manicheïsme.
Ze erfden ook het onderscheid tussen een extreem ascetische klasse van
adepten en een minder ascetische klasse van gewone aanhangers: de ‘Uitverkorenen’
en ‘Toehoorders’ onder de manicheeërs werden de ‘Volmaakten’
en ‘Gelovigen’ onder de katharen.
Markale besluit zijn historische schets met een verslag van de overdracht
door de Bogomilen van de manicheïstische invloed in het middeleeuwse
Frankrijk, samen met het geloof in reïncarnatie. Deze sekte, opgekomen
in Bulgarije, verbreidde zich naar het westen, eerst naar Joegoslavië,
toen naar Noord-Italië en Zuid-Frankrijk. In Frankrijk werden de
Bogomilen opgevolgd door de katharen die door hun katholieke vervolgers
algemeen als ketters werden beschouwd. Er wordt heel wat getwist over
de vraag wat de relatie is tussen de Bogomilen en de katharen, die uiterlijk
veel meer christelijk waren. De auteur laat zien dat hoewel de katharen
de christelijke terminologie en literatuur overnamen, zij toch de erfgenamen
waren van een voorchristelijke traditie.
Markale onderzocht de ‘schatten’ die de katharen zo succesvol
maakten als propagandisten in Occitanië. De geringe waarde die
zij aan het materiële leven hechtten en hun doel te ontsnappen
aan de cyclus van wederbelichaming, leidden tot een scherpe kritiek
op de corrupte kerk en het Franse koningschap. Door hun verdienste als
oprechte burgers, werden hele districten aangetrokken tot een nieuwe,
half-kloosterachtige maatschappelijke orde, gebaseerd op het leiderschap
van ongehuwde Volmaakten, door de invloed die ze uitoefenden op de gewone
Gelovigen en vriendelijke plaatselijke katholieken. De vestiging van
een nieuwe maatschappelijke orde, die werd geleid door niet-katholieken
en een onafhankelijk Occitanië versterkte, was een gruwel voor
de koning van het katholieke Frankrijk en voor de Paus in Rome. Daarom
werd door de religieuze en politieke autoriteiten de ‘ketterij’,
waarvan Montségur het laatste symbolische bolwerk was, geleidelijk
uitgeroeid.
Deel 3 oppert de gedachte dat de schat verband hield met de politieke
strijd tussen Blanche de Castille (de moeder van Lodewijk IX, de ‘Heilige’
Lodewijk) en Raymond, Graaf van Toulouse en verdediger van de katharen.
Markale schrijft:
De hypothese waaraan we denken zou de volgende kunnen
zijn: Blanche de Castille wist dat Raymond VII, Trencavel, en zonder
twijfel een aantal van hun vazallen, documenten in hun bezit hadden
of mondelinge overleveringen met betrekking tot het Franse koningshuis.
Het is waarschijnlijk dat deze documenten of overleveringen werden
overgebracht door de katharen, of op zijn minst in kathaarse kringen,
door de geestelijkheid of personen die ze misschien hebben gebruikt
om er een soort afpersing mee te bedrijven.
Een ander moeilijk feit is een bepaalde relatie –
af te leiden uit de teksten zelf, zoals we hebben gezien – tussen
de katharen en de versie van de Graal volgens de Duitse Wolfram van
Eschenbach. In de 13de eeuw waren zekere Duitse intellectuelen, die
opgingen in het occultisme, ervan overtuigd dat er een verband bestond
tussen de kathaarse ketters en de bewaarders van de Graal, en dat
de Graal daarom mogelijk een kathaarse ‘talisman’ was.
Deze gedachte, die min of meer was vergeten, werd weer tot leven gewekt
aan het einde van de 19de eeuw door Duitse intellectuelen en Franse
occultisten, en als gevolg hiervan, wijd verbreid.
De theorie is dat de Graal, die na Chrétien
de Troyes als een ideologisch symbool door verscheidene filosofische
scholen in ere werd hersteld, een schakel vormt tussen de ‘schat’
van de katharen, . . . [en] deze documenten of overleveringen met
betrekking tot het Franse koningshuis. – blz.
291-2
De hypothese, die helaas te vaak wordt voorgesteld
als een feit, is dus dat de ‘schat’ van de katharen .
. . een bewijs [is] van het bestaan van een Merovingische lijn, een
goddelijke en authentieke dynastie, verdrongen door de Karolingische
overweldigers en hun Capetingische opvolgers. Dat zou de belangstelling
van Blanche de Castille verklaren voor deze ‘schat’, die
twijfel dreigde te zaaien over de legitimiteit van haar zoon Lodewijk
IX en, natuurlijk van de hele Capetingische dynastie . . . Wat dit
[de hypothese] betreft, kan men alleen maar antwoorden ‘Waarom
niet?’ – blz. 299
Lezers die de controversiële bestseller uit 1982 Holy Blood,
Holy Grail kennen, door Michael Baigent, Richard Leigh, en Henry
Lincoln, zullen zien dat Markale’s conclusies identiek zijn met
die in hun boek en het vervolg daarvan, The Messianic Legacy.
De auteurs, een BBC producer, een romanschrijver en een wetenschapper,
hebben in het eerste boek een aantal raadsels uit de Franse geschiedenis
gedocumenteerd, wat leidde tot zeer betwistbare conclusies. Holy
Blood, Holy Grail betoogt dat een geheim genootschap, de Prieuré
de Sion, sinds de kruistochten een geheime genealogie heeft bewaard
die ook de Merovingische dynastie omvat, en die, via huwelijken met
joden in het zuiden van Frankrijk, teruggaat tot het ‘zaad van
David’ via een getrouwde Jezus. Deze veronderstellingen werden
algemeen veroordeeld door geschiedschrijvers als geforceerde interpretaties
van zwak bewijsmateriaal. De boekbespreker voor de New Statesman,
Nicolas Walter, gaf als commentaar:
De draad die dit boek bijeenhoudt, bestaat uit dubieus
bewijsmateriaal, ontleend aan duistere passages in beide delen van
de bijbel, kronieken en legenden uit de Middeleeuwen, en bizarre documenten
en geruchten van de moderne occulte ondergrondse beweging. Het resultaat
is geweldig, een mengelmoes van sensationele journalistiek en politieke
waanzin, maar het is geen serieuze geschiedenis.
– 103 (20), 22 januari 1982
Jean Markale is echter heel voorzichtig wat zijn instemming betreft
met de speculaties van Baigent, Leigh en Lincoln. In zijn bespreking
van de Franse vertaling van The Messianic Legacy,1
in het oktober 1987 nummer van La Revue, geeft hij als commentaar:
‘Men kan wel een aantal hypothesen in dit boek betwisten, maar
van belang is dat dit onderzoek werd ondernomen en, . . . al blijft
het beroemde en raadselachtige genootschap ‘Prieuré de
Sion’ – dat in al deze bladzijden steeds aanwezig is, net
als in Holy Blood, Holy Grail – een beetje te dubieus
om overtuigend te zijn, moet men toegeven dat zoveel toevalligheden,
op die manier bijeengebracht, zeer veel overredingskracht bezitten,
wanneer ze eenmaal worden onderworpen aan onze eigen criteria van objectiviteit
en intellectuele eerlijkheid."
Een publicatie uit Engeland van 1987 biedt een heel andere oplossing
van het mysterie van de schat van de katharen. The Treasure of Montségur,2
door Walter Birks en R A. Gilbert, begint met een eigen verslag van
Birks deelname aan het neo-kathaarse occultisme in de jaren dertig van
deze eeuw. Zijn ouders waren lid van de White Eagle Lodge, een spiritistische
groepering in Londen, die geïnteresseerd raakte in de kathaarse
schat door berichten die werden doorgegeven door de mediums Ivan en
Grace Cooke. Hoe het ook zij, vijf jaar actieve dienst in W.O. II hadden
een ‘ontwrichtende invloed’ op Birks’ droom ‘mijn
leven te wijden aan het occulte’ (blz. 11). Sindsdien is hij behoorlijk
kritisch geworden ten aanzien van de neo-kathaarse beweging en het occultisme
in het algemeen. In deel 1 beschrijft hij de twintigste-eeuwse neo-kathaarse
beweging, en kruidt zijn opmerkingen over bepaalde interpretaties van
de katharen met bitterheid:
Al vijftig jaar hebben de neo-katharen de betekenis
van de schat niet kunnen begrijpen; als wij willen slagen waar zij
hebben gefaald en de waarheid willen begrijpen die hen voortdurend
is ontgaan, dan moeten we hun alarmsignalen en afdwalingen negeren
en ons wenden tot de katharen zoals ze in werkelijkheid waren. Om
te weten wat de schat was, moeten we weten wat het katharisme was
en waar het vandaan kwam, we moeten weten wat de katharen zelf geloofden
en wat ze leerden. – blz. 50
In deel 2 reconstrueert Birks wat er van de katharen bekend is op een
heel andere manier dan Markale. Waar Markale wijst op een geschiedenis
van ideeën en hun ontwikkeling in verschillende religies, concentreert
Birks zich op specifieke details. Hij analyseert de plaats van het katharisme
met betrekking tot het vroege christendom en verschillende christelijke
ketterijen, terwijl Markale zich meer richt op voorchristelijke bronnen.
De twee schrijvers zijn even overtuigend, maar op een heel andere wijze.
Markale is opmerkelijk goed in het geven van een synthese, terwijl Birks
uitmunt in het analyseren. Toch is Birks in zijn gevolgtrekkingen niet
minder stoutmoedig dan Markale:
Het was dus geen materiële schat die Amiel Aicard
en zijn metgezellen uit Montségur redden. Om omlaag te kunnen
glijden langs een afgrond, in het donker en in het geheim, hadden
ze aan zichzelf genoeg. Maar in henzelf was de schat, de kracht om
de apostolische opvolging, misschien wel het zaad van een hogere vorm
van christendom door te geven, om te worden onthuld wanneer de wereld
gereed is haar te ontvangen. – blz. 150
Hoewel Markale ons alleen zou willen laten vragen ‘Waarom niet?’
als een reactie op zijn conclusies omtrent de kathaarse schat, zullen
sommigen de vraag stellen ‘Waarom een werelds motief toekennen
aan een zo onwereldse sekte?’ Waarom zouden we niet liever de
mogelijkheid overwegen dat de katharen, die geleidelijk in vergetelheid
werden gedreven in de 200 jaar na Montségur, een ‘schat’
hadden bewaard in de vorm van een geheime leer, en/of een heilig voorwerp
dat de kennis symboliseerde die werd overgedragen aan de Volmaakten
tijdens de inwijdingen? Markale wijst sterk op de noodzaak om het onbuigzame
dualisme van de katharen te temperen met een meer evenwichtige opvatting.
Als expert in de Keltische cultuur met haar opvallend pantheïsme,
spijt het Markale dat de katharen nooit uitstegen boven hun meedogenloze,
wanhopige veronderstelling dat het kwaad onvermijdelijk deze wereld
regeert. Kan het zijn dat de geheime ongeschreven leringen van de Volmaakten
wel uitstegen boven hun denkbeeld dat de stof en het kwaad gelijk zijn?
Als zij werkelijk geloofden in een legendarische afstamming die het
Merovingische koningshuis verbond met Jezus, waarom is dat dan belangrijk?
Zeker niet vanwege de kleine kans dat het letterlijk waar zou zijn (en
wat dan nog?), maar omdat het idee van zo’n afstamming hun alledaagse
materiële wereld op dramatische wijze zou redden, als ze zouden
kunnen inzien dat die is onderworpen aan een goddelijke autoriteit in
plaats van aan duivelse slavernij.
Misschien heeft het ondergronds bewaren van de oude wijsheid in het
middeleeuws Europa iets heel waardevols opgeleverd van de kant van de
katharen – hun geheime schat, zo u wilt: het feit dat ze op de
leer van reïncarnatie de ideeën van evolutie en cyclussen
toepasten. Alleen het begrip evolutie kan hun tamelijk starre exoterische
opvatting over reïncarnatie en het wereldse leven als een valstrik
voor de gevallen ziel, veranderen in een wat positievere levenshouding.
Alleen de opvatting dat we een plaats innemen in een levende en zich
ontwikkelende kosmos kan de ideeën van ‘val en verlossing’
verenigen met die van het Eeuwige Nu en ‘U bent Dat.’
Er is in Montségur een heel speciale kamer, een diepe kerker,
die weinig daglicht ontvangt. Op de dag van de zomerzonnestilstand daalt
er een zuil van licht af in deze kerker, en verlicht één
enkel altaar, waardoor de kerker een heiligdom wordt. De intuïtie
zegt dat de geheime schat die de katharen na een tien maanden durend
beleg uit Montségur smokkelden, verband houdt met deze zonnestilstands-lichtzuil
in de kerker. Betekent dat niet dat het licht de diepste duisternis
overwint, dat het leven de dood overwint, en dat het eeuwige het moment
verlicht? Dat uiteindelijk samsara nirvana is? Deze wetenschap is zeker
een schat. Wat op het altaar was geplaatst, was misschien het meest
heilige voorwerp van Montségur, een steen, boekrol, kelk, of
een of andere vorm van een rozenkruis, misschien.
Dit brengt ons bij een andere en heel wezenlijke ‘kathaarse schat.’
Dat is de invloed die incarnatie in het kathaarse milieu kan hebben
gehad op de spirituele ontwikkeling van de betrokken individuen. De
bekoring die het katharisme uitoefent op de verbeeldingskracht van lezers
van nu in Frankrijk, Engeland en Amerika, kan zelfs een weerspiegeling
zijn van een cyclische terugkeer van zielen die destijds waren belichaamd
als katharen.3 Dit is de conclusie, getrokken
door Arthur Guirdham, een Brits psychiater (bekritiseerd door Birks)
die in de jaren zestig en zeventig een onderzoek instelde naar wat herinneringen
uit een vorig leven zouden zijn van een groep waarvan hij meende dat
ze voormalige katharen waren.
Het lijkt aannemelijk dat er enig verband bestaat tussen de katharen
en de soefi’s, waarmee Markale zich niet bezighoudt. De 13de eeuw
was het hoogtepunt van soefi-literaire creativiteit in de islamitische
beschaving die zich uitstrekte van Spanje (slechts ongeveer honderd
mijl van Montségur) tot Afghanistan. De Afghaan Rumi, de Perzische
dichter Saadi, en de Spaanse leraar Ibn-el-Arabi, brachten allen in
deze periode hun meesterwerken voort. Occitanië was bezet door
moslims gedurende het begin van de achtste eeuw, en de soefi-invloed
op de tradities van troubadours en de ridderschap is met zekerheid vastgesteld.
De Arabische wereld speelt een grote rol in Walter Birks’ oplossing
van het raadsel van de katharen, hoewel hij zich concentreert op de
christelijke traditie. In zijn Epiloog van The Treasure of Montségur
geeft Birks een beschrijving van zijn ontdekking in Syrië, van
wat hij de werkelijke betekenis acht van de schat van Montségur
en de Graal. In een ontmoeting met een religieuze leider van de Alawieten
en Nosairiërs (hun religie bevat zowel islamitische als christelijke
elementen en een voorchristelijke basis) vertelt hij Birks, ‘Deze
Graal waarover u spreekt is een symbool en staat voor de leer die Christus
alleen onderwees aan Johannes de Geliefde. Wij hebben hem nog steeds.’
Birks schrijft:
De twee belangrijkste symbolen in de religie van
de Nosairiërs (althans in haar ‘noordelijke’ vorm)
zijn Licht en de beker of kelk met de gewijde wijn, en als de gelovige
daarvan drinkt, zegt hij ‘Ik drink op het licht.’ . .
.
Hier, in deze bergstreek, is als een fossiel inderdaad
een kostbaar relikwie bewaard gebleven van wat ik de Alternatieve
Traditie heb genoemd. De Nosairiërs . . . hebben alle kenmerken
behouden die daar zijn opgetekend: de gedachte dat een goddelijke
geest in de mens woont, van Christus als de man die zijn goddelijke
aard tot werkelijkheid maakte, de mogelijkheid in anderen om zijn
voorbeeld te volgen, het onderscheid tussen de toehoorders (Amma)
en de uitverkorenen (Khassa); en tenslotte het omdoen van
een gordel die de Nosairi ingewijde kenmerkt, zoals destijds de Essenen,
de Paulicianen en de katharen.
– blz. 154
In het laatste deel van de achtste eeuw was het Occitaanse gebied,
kort gezegd, een half-onafhankelijk joods staatje, dat een randstaat
vormde tussen de christelijke en islamitische gebieden. Het soefi-element
van de 13de eeuwse islamitische cultuur in Spanje bestond naast en in
onderlinge afhankelijkheid met de volledige ontwikkeling van de Hebreeuwse
kabbala, die probeerde het judaïsme, de islam en het christendom
tot elkaar te brengen. De kabbala infiltreerde in de Europese gedachtestroom
gedurende verscheidene volgende eeuwen, en de katharen hielpen ongetwijfeld
mee om in Occitanië een milieu te scheppen dat de ondergrondse
overdracht van de ‘ketterse’ gedachte bevorderde.
Het is zeker dat de katharen veel van de vormen van de oude mysteriescholen
herhaalden, waaronder het onderscheid tussen ingewijden en novicen.
Als de kennis die werd overgedragen aan de Volmaakten toereikend was
om hen volledig toegewijd te maken aan de kathaarse gemeenschap, dan
moet die een of andere oplossing hebben verschaft voor de nogal kille
opvattingen die in de exoterische geschriften bewaard zijn gebleven.
Deze geschriften geven een beeld van de overwinning waarnaar men uitzag,
van de krachten van het licht als een overweldigende en volledige revolutie.
De geleidelijke evolutie van het bewustzijn leidt inderdaad tot de overwinning
van het licht over de duisternis, hoewel niet noodzakelijkerwijs op
de dramatische manier zoals de katharen zich dat voorstelden.
Maar natuurlijk heeft ieder van ons recht op zijn eigen interpretatie
van de katharen. De beste vragen zijn wellicht die welke nooit bevredigend
beantwoord kunnen worden. De verklaringen van Markale geven voldoende
onbevooroordeelde informatie om het ons mogelijk te maken onze eigen
hypothesen te ontwikkelen. Voor Engelstalige lezers wordt Walter Birks’
onderzoek van het mysterie van Montségur aanbevolen als een fascinerende
en informatieve studie. Hoewel zijn oplossing van het mysterie bevredigender
lijkt dan die van Markale, ontbreekt bij Birks het theosofische perspectief
dat Markale’s meer ambitieuze en meerdelige werk bevat.
Op dit moment zou het wat voorbarig zijn de theosofische waarde van
Markale’s onderzoekingen te beoordelen. Zelfs al is geen van zijn
oplossingen van de mysteriën volledig bevredigend, dan nog doet
zijn benadering vanuit verschillende gezichtspunten ons de geest herinneren
van Blavatsky’s Isis Ontsluierd en Caves and Jungles
of Hindustan. Markale is een begaafd schrijver en een zeer toegankelijk
geleerde. Met zijn speurtocht naar de waarheid omtrent Gisors en de
Tempelieren, de berg Saint-Michel en de draak, en Carnac en Atlantis,
heeft hij een geweldige maar zeer lonende taak op zich genomen.
Als de drie volgende delen van zijn reeks van gelijke kwaliteit zijn
als Montségur er l’énigme cathare, en als
ze alle vier in het Engels worden vertaald, heeft Jean Markale er recht
op in de hele wereld te worden geëerd als een uniek zoeker van
de twintigste eeuw naar ‘de geheime leer der eeuwen.’
Noten
- Le Message.
- A Study of the Cathar Heresy and the Nature of
the Cathar Secret, Crucible/Aquarian Press, Thorsons Publishing
Group, Engeland, 166 blz.
- Een ander bewijs van de plaats die de katharen (verwant
aan de moderne neo-katharen die Birks heeft ontmoet) in de moderne
tijd innemen, is de bouw van een neo-kathaarse kerk in 1890 door Jules
Doinel, een bibliothecaris in Carcassonne. Volgens Holy Blood,
Holy Grail, zou Doinels kerk zijn ingewijd door een oosterse
bisschop in Parijs – ten huize van Lady Caithness, weduwe van
de Graaf van Caithness, Lord James Sinclair. Dit feit zal theosofen
zeker interesseren omdat Lady Caithness de eerste voorzitter was van
de Parijse afdeling van de Theosophical Society, en een vriendin van
Helena Blavatsky en Henry Olcott vanaf 1870 tot haar dood in 1895.
Baigent, Leigh en Lincoln hechten waarde aan dit feit, omdat de ‘Prieuré
documenten’ waarop hun boeken zijn gebaseerd, een verband leggen
tussen de familie Sinclair en de Merovingische afstammingslijn.