Voordat men zich afvraagt: ‘Wat is de essentie van de mens?’,
kan men de vraag stellen, Wat is de mens? Waaruit is hij opgebouwd?
Paulus meende dat de mens is samengesteld uit een lichaam, een ziel
en een geest. Waar zou hij het bewustzijn hebben geplaatst? In de geest,
in de ziel, of ergens anders? Wat vormt de essentie, het eigenlijke
grondbeginsel van de mens?
Als we zo de onderdelen van de mens op een rijtje zetten, lijkt het
redelijk om te zeggen: het lichaam is niet de essentie; immers, het
lichaam is een hulpmiddel voor iets anders, namelijk ons voelen en ons
denken. Maar ons denken kan op zijn beurt worden gezien als een hulpmiddel
van onze wil, of omgekeerd, er is een deel van ons bewustzijn dat het
denken gebruikt. Dit bewustzijn of dit stukje van ons zelf is dus essentiëler
dan het denken. De essentie van de mens gaat dan het denken en het lichaam
te boven.
Vormen onze gevoelens dan misschien onze essentie? Dit lijkt niet het
geval te zijn, want onze gevoelens variëren nogal. Onze zintuigen
geven vaak aanleiding tot uiteenlopende gevoelens, Als we door het veranderlijke
karakter van onze waarnemingen – of door onze reacties daarop
– worden geactiveerd, wordt onze essentie dan op dezelfde manier
beïnvloed? Soms kunnen we met ons denken onze reacties beheersen,
maar dit lukt pas na voortdurend oefenen. Zo komen we tot de conclusie
dat deze soort gevoelens niet de essentie van de mens vormen. Ons woord
‘zelfbeheersing’ veronderstelt dat er een ‘zelf is
dat essentiëler is dan onze gevoelens, en dat deze kan beheersen.
Soms gebruiken we het woord ‘gevoelens’ om andere niveaus
van ons bewustzijn aan te geven – bijvoorbeeld gevoelens van liefde
en onzelfzuchtigheid, opgevat in de hoogste zin. In dit licht kan men
de mens opvatten als een reeks aaneengeschakelde bewustzijnslagen; het
lichaam is dan de laatste of onderste schakel van de keten, en elke
schakel daarboven is essentiëler. Op het bewustzijnsniveau waar
de hogere gevoelens van de mens werkzaam zijn, zoals de gevoelens van
altruïsme en liefde, vervagen de grenzen van de persoonlijkheid
– daar beginnen we inderdaad te werken voor het welzijn van het
grotere geheel.
Als men figuurlijk gesproken de ‘schakels’ volgt ‘terug
omhoog’, of anders gezegd steeds verder naar de diepste essentie
van de mens, dan nadert men steeds meer tot het denkbeeld dat wij allen
in essentie één zijn, en dit is de basis van de broederschapsgedachte.