De Indiaanse Renbaan is gelegen op een plateau boven de vallei van
de Animas rivier in het noordwesten van Nieuw Mexico. Ze bestaat uit
vier parabolische bogen van rivierkeien, gelijkmatig verdeeld in rijen,
op ongeveer drie meter van elkaar, en hebben een lengte van ongeveer
135 meter. Ik heb de baan gemeten van het noordoostelijke tot het zuidoostelijke
einde van de boog. De holle kant van de boog ligt aan de oostzijde.
Twee hopen rivierkeien, op twee meter van elkaar, liggen aan weerszijden
van de dag- en nachteveningslijn, ongeveer 133 meter verwijderd van
het oostelijke centrum van de bogen. De steenhopen bestaan uit ongeveer
één laag keien en hebben een doorsnede van zes meter.
De kromming van de bogen, die de vroegste kolonisten deed denken aan
een moderne renbaan, was aanleiding tot de naam Indiaanse Renbaan.
De Animas rivier, een zijrivier van de San Juan rivier, stort zich
langs de berghellingen omlaag en komt Nieuw Mexico in het noordwesten
binnen, waar ze door de steden Aztec en Farmington stroomt vóór
ze samenvloeit met de San Juan rivier op haar reis naar de Colorado
rivier.
Voorhistorische volkeren vestigden zich rond de Animas vallei. De Chaco
Canyon ligt ten zuiden van de vallei en de rotswoningen van Mesa Verde
liggen in het noordwesten. Er waren ook grote nederzettingen in de stroomgebieden
van de La Plata, Mancos en McElmo. Verspreid over de vallei van de beneden-Animas
liggen pueblo’s [Indiaanse nederzettingen] en dorpen, die een
voorbeeld zijn van een blijkbaar succesvol samengaan van culturele invloeden.
Waarschijnlijk is de meest bekende voorhistorische pueblo in de Animas
vallei te vinden bij het Nationale Monument van de Azteekse ruïnes.
Gezien vanaf de Indiaanse Renbaan, ligt de oude pueblo in het noordoosten,
aan de andere kant van de Animas rivier. Twee hoogvlakten van 1900 meter
ten oosten van de Indiaanse Renbaan waren de woonplaatsen van de Anasazi
Indianen (de Ouden). Er ligt ook een vervallen pueblo achter in de vallei
op het Blancett terrein, even ten noorden van de Indiaanse Renbaan.
De niervormige hoogvlakte waarop de Indiaanse Renbaan ligt, is betrekkelijk
vlak en heeft een spaarzame begroeiing van grassen, bijvoet en jeneverbesbomen.
Het hele gebied beslaat ongeveer 50 ha. Potscherven of stenen voorwerpen
zijn op de hoogvlakte niet gevonden.
Vanaf de hoogvlakte zijn bijna alle belangrijke voorhistorische plaatsen
in de vallei te zien. Misschien waren voor de Anasazi Indianen die het
bouwwerk tot stand brachten, de belangrijkste punten waarop ze hun aandacht
richtten, de punten aan de horizon waar de zon opkwam en onderging.
Earl Morris (1889-1956) was waarschijnlijk de eerste archeoloog die
de Indiaanse Renbaan bezocht. Er wordt verteld dat Joe Boettcher, die
zijn hele leven in Aztec, Nieuw Mexico, woonde, contact zocht met Earl
Morris in de hoop dat hij het mysterie van de vier bogen zou kunnen
verklaren. De conclusie daaruit zou kunnen zijn dat Earl Morris inderdaad
de plaats had bezocht en iets zou kunnen weten van de betekenis van
de vier bogen. Het is niet bekend of de heer Boettcher antwoord ontving
van Earl Morris. Op de direct oostelijk gelegen hoogvlakte, bevinden
zich in het Gillentine-terrein, LA 5626* in zuidoostelijke richting
lopende greppels, die door gedeelten van de ruïne zijn gegraven.
Deze uitgravingen zijn waarschijnlijk gedaan door Earl Morris. De Indiaanse
Renbaan werd pas in juli 1968 onderzocht en beschreven door Henry A.
Jackson, leider van het San Juan County archeologische genootschap.
Het werd toen aangeduid met LA 9050.
*Het Antropologisch Laboratorium geeft nummers aan voorhistorische
en historische plaatsen in Nieuw Mexico die zijn ontdekt en onderzocht.
Geïntrigeerd door het mysterie van de vier bogen, hebben archeologen
en andere wetenschappers het terrein bezocht. De mogelijkheid dat de
twee keienhopen in het oosten konden zijn geplaatst op de lijn gericht
naar de opgaande zon tijdens de dag- en nachtevening, was mijn eerste
aanwijzing dat de Indiaanse Renbaan op de zon zou kunnen zijn afgesteld.
Ik begon mijn onderzoek van de archeo-astronomische mogelijkheden van
het terrein op 19 augustus 1985. Met toestemming van de eigenaar, de
heer James Asworth, die de archeo-astronomische betekenis van het terrein
begreep, begon ik met het plaatsen van vlagstokken langs de bogen. Het
feitelijke in kaart brengen gebeurde onder leiding van een professionele
landmeter, zodat de kaart van het terrein werd verdeeld in vierkante
yards in plaats van vierkante meters. Roger Moore, een archeoloog van
het ‘Division of Conservation Archaeology’ in Salmon Ruin,
bij Bloomfield, Nieuw Mexico, stemde erin toe mij te helpen met de waarnemingen.
Moore was ook aanwezig bij volgende waarnemingen bij de Indiaanse Renbaan
en gaf met zijn technische ervaring zeer gewaardeerde adviezen.
Op de ochtend van de herfstnachtevening waren Roger, een groep andere
archeologen, de landmeter en ik op het terrein aanwezig. Toen de zon
opkwam tussen de steenhopen door, kon ik nauwkeurig in de keienbogen
de plaats aangeven van de dag- en nachteveningslijn. Dat was belangrijk,
omdat ik dan precies de plaats voor opgravingen kon bepalen die iets
interessants zouden kunnen opleveren.
Om vandalen om de tuin te leiden (er waren nogal wat nieuwsgierige
kinderen in het gebied) begon ik met het graven van drie proefputjes
achter de meest westelijke keienboog. Toen begon ik te graven langs
de equinoxlijn achter de meest westelijke boog. Ik ging 30 cm diep en
ontdekte iets dat op een paalgat leek in steriele grond, precies op
de lijn van de dag- en nachtevening. Het rechthoekige gat was ongeveer
5 cm diep, 4 cm lang en 3 cm breed. De grond in het paalgat was anders
dan het door de wind aangevoerde leem dat ik had weggegraven. Deze grond
had een fijnere structuur en was lichter van kleur.
Het noordelijke uiteinde van de bogen scheen overeen te komen met mijn
berekeningen van de plaats waar de zon bij de winterzonnestilstand opkomt.
Ik groef drie proefputjes aan het noordelijke uiteinde van de bogen.
Dat bevestigde mijn idee dat de bogen daar ophielden. Om nogmaals vandalen
te misleiden, groef ik nog een proefputje ongeveer vier meter vanaf
het noordelijke uiteinde van de meest oostelijke boog. Om de diepte
van de boog te weten te komen, groef ik daarna twee proefputjes aan
de oostkant van de meest westelijke boog. Op dat noordelijke punt is
de meest westelijke boog één steen hoog. Toen de uitgravingen
voltooid waren, werden alle putjes weer opgevuld en werden herkenningstekens
in de grond gestopt om het datumpunt, belangrijke kenmerken en het punt
van de zonsopkomst aan te geven.

Op 21 december 1985 werden waarnemingen gedaan van de zonsopgang bij
de winterzonnestilstand. Ik hield een paal rechtop in de richting van
de opkomende zon en de paal wierp een schaduw door de noordeinden van
de bogen. Uit die waarneming bleek dat de Anasazi Indianen de diagonaal
van de winterzonnestilstand hadden gebruikt als richtlijn voor de constructie
van de bogen. Men vermoedt dat de Pueblo Indianen van Arizona en Nieuw
Mexico afstammelingen zijn van de Anasazi’s. Uit etnologisch Pueblo
materiaal kom ik tot de conclusie dat het noordelijke uiteinde van de
bogen de plaats is waar de constructie van het werk begon.
In The Zuni Indians beschrijft Matilda Coxe Stevenson de scheppingsmythe
als volgt: ‘De Goddelijken wierpen een streep meel uit [die] licht
voortbracht, dat hen naar het noorden voerde.’ De scheppingsmythe
begint in de zuidoosthoek van de kosmologische Zuni-wereld, het gebied
waar de zon bij de winterzonnestilstand opkomt. In The Pueblo Indian
World zeggen Edgar L. Hewett en Bertha P. Dutton:
In Laguna zijn de ceremoniën van de winterzonnestilstand
de eerste van de jaarlijkse vieringen. De datum staat niet vast, maar
ligt gewoonlijk dicht bij 21 december. Tegen die tijd beseffen de
Laguna’s dat de zon zijn meest zuidelijke punt aan de hemel
heeft bereikt, ‘de zuidhoek tijd.’
Ze vertellen ook dat men in de Santa Ana Pueblo ‘het meest zuidelijke
punt van de winterzon ‘oost-zuidhoek tijd’, noemt.
Zou de scheppingsmythe overeenstemmen met enkele architectonische ontwerpen
van de Anasazi Indianen, dan zou men tot de conclusie kunnen komen dat
een prehistorisch werk als de Indiaanse Renbaan werd gebouwd met gedeelten
van de oude scheppingsmythe als leidraad.
Er werden ook waarnemingen bij zonsopkomst gedaan op 21 juni 1986,
tijdens de zomerzonnestilstand, maar de opgaande zon kwam niet op één
lijn met een van de bijzondere kenmerken langs de steenbogen. De bogen
lopen nog ongeveer veertig meter door naar het zuiden, vanaf het punt
dat de zomerzonnestilstand zou moeten aangeven op de bogen.
Als de Indiaanse Renbaan echt gebouwd was als een object voor tijdberekening
of als een astronomisch observatorium, dan zou ze waarschijnlijk zijn
geëindigd op het punt van de zomerzonnestilstand diagonaal. De
bogen zouden dan aanwijzingen geven voor de zonsopkomst bij de zomer-
en winterzonnestilstanden en de dag- en nachteveningen. De mogelijkheid
om de tijd van het jaar vast te stellen uit wat bijna een kwart cirkel
is, zoals de Indiaanse Renbaan, zou door oefening kunnen worden verwezenlijkt
zolang de waarnemer onthoudt in welke richting de zon zich beweegt langs
de rij keien. De steenhopen die de tijd aangeven van de dag- en nachtevening
zouden de bewegingsrichting van de zon aanduiden. Het feit dat de vier
bogen doorlopen voorbij het punt van de zomerzonnestilstand zou erop
kunnen wijzen dat ze bedoeld waren als fundering voor een grote Pueblo.
De Indiaanse Renbaan is aanzienlijk groter dan het eerste bouwstadium
van Pueblo Bonito in Chaco Canyon, maar komt er wel mee overeen.
Als er op de fundering zou zijn gebouwd, had men een ruimte geconstrueerd
die de tijd van de zomerzonnestilstand zou hebben weerspiegeld. Andere
vertrekken hadden misschien andere tijden van het jaar aangegeven. Dan
lijkt het waarschijnlijk dat vertrekken die op die manier zijn gebouwd,
zouden kunnen hebben gediend als tijdaanwijzing voor agrarische doeleinden.
Waarom werd de grote Pueblo niet voltooid? Een kloof met steile wanden
ten westen van het terrein blijkt een overvloed van aan de oppervlakte
liggende zandsteen te bevatten die uitgehouwen had kunnen worden voor
de nederzetting. De Animas rivier, die door de sneeuwval in de bergen
wordt gevoed, stroomt het hele jaar door. Het antwoord op de vraag waarom
de vertrekken nooit zijn afgebouwd op de fundering van de pueblo en
wie de fundamenten heeft gelegd, is misschien te vinden op het Gillentine
terrein. Dit is de niet-uitgegraven ruïne, even ten oosten van
de Indiaanse Renbaan. Ze bevat een groot aantal kamerblokken, kiva’s
en één losstaande grote Kiva. Dit terrein kan bewoond
zijn geweest door het Mesa Verde volk of het Chaco volk. De bouwers
van de Indiaanse Renbaan kunnen afkomstig zijn van een van deze culturen.
Wat de reden ook mag zijn, het skelet van wat een grote Pueblo had
kunnen zijn – misschien de grootste die de wereld ooit heeft gekend,
gelegen op een eenzame hoogvlakte in het noordwesten van Nieuw Mexico
– blijft een raadsel.
Bibliografie
- Hewett, Edgar L. en Bertha P. Dulton, The Pueblo
Indian World. The University of New Mexico Press, 1945.
- Hewett, Nancy, ‘The Old Indian Racetrack.’
Lezing gehouden voor de Pecos Conferentie, Hermosillo, Mexico, 30
juli 1976.
- Jackson, Henry A., ‘Laboratory of Anthropology
Site Report #9050.’ Laboratory of Anthropology, Museum van Nieuw
Mexico, Santa Fe, Nieuw Mexico, juli 1968.
- Lekson, Stephen H., Great Pueblo Architecture
of Chaco Canyon. The University of New Mexico Press, 1986.
- Lister, Robert H. en Florence C., Earl Morris
and Southwestern Archaeology. The University of New Mexico Press,
1968.
- Morris, Earl H., Archaeological Studies In the
La Plata District. Carnegie Institution of Washington, Washington,
D.C., 1939.
- Richert, Roland, Excavation of a Portion of the
East Ruin, Aztec Ruins National Monument, New Mexico, Southwestern
Monuments Association, Technical Series, Vol. 4, 1964.
- Stevenson, Matilda Coxe, The Zuni Indians,
Twenty-third Annual Report of the Bureau of American Ethnology, 1901-1904,
Washington, D.C., Government Printing Office, 1905.
|