‘CHAOS’
– Een nieuwe wetenschap?
I.M. Oderberg
Boekbespreking: Science, Order and Creativity, David Bohm
en F. David Peat, Bantam Books, 1987; 280 blz., geïllustreerd,
index, paperback.
De eminente wetenschappers David Bohm en F. David Peat zeggen in hun
intrigerende boek over de ‘creatieve wortels van wetenschap en
leven’, dat in de laatste jaren het ‘hele thema van toeval
en willekeur het kernpunt is geworden van een nieuwe wiskundige ontwikkeling,
die de chaostheorie wordt genoemd’. Er ontwikkelt zich inderdaad
een nieuwe wetenschap die een verklaring moet geven van wat willekeurige
gebeurtenissen in de natuur schijnen te zijn. Natuurkundigen onderzoeken
verschijnselen die men vroeger tot de onverklaarbare rekende, omdat
ze buiten het terrein van een normale analyse schenen te vallen.
‘Wetenschap van de chaos’ klinkt als een tegenstelling
in de gebruikte woorden, en roept herinneringen op aan het ernstige
meningsverschil tussen Einstein en Bohr over het – ordelijke of
willekeurige – gedrag van individuele atomen en subatomaire
deeltjes. Van een stroom daarvan kan men voorspellen dat ze zich onder
experimentele omstandigheden op een bepaalde manier gedraagt, maar welke
delen daaraan voldoen en welke een individuele gedragslijn volgen, is
onvoorspelbaar. Hoewel hij een van de grondleggers was van de kwantumtheorie,
gaf Einstein zijn standpunt niet prijs dat als er orde heerst op het
grote gebied van het heelal of de macrokosmos, dat ook het geval moet
zijn op het kleinere gebied of de microkosmos. Er was geen voldoende
bewijsmateriaal om definitieve conclusies te trekken.
Dankzij de vernuftige apparatuur die tegenwoordig beschikbaar is, komen
sommige wetenschappers naar voren met de idee dat er ‘lagen’
van ordelijkheid en willekeur kunnen zijn; dat er een patroon ten grondslag
ligt aan de schijnbare toevalligheid van weersveranderingen, het fibrilleren
van het menselijk hart, de plotselinge spiraalsgewijs draaiende winden
die het woestijnzand doen dwarrelen, enzovoort. Met andere woorden,
wat willekeurige voorvallen schijnen te zijn – chaos
– blijken reacties te zijn op een van te voren onvermoed patroon,
dat op een of andere wijze achter de schermen of binnen de verschijnselen
actief is.1 Hoewel men in het algemeen lange
tijd van mening is geweest dat de functies van het verstand terug te
voeren zijn tot fysieke en chemische processen, dat wil zeggen dat ‘bewustzijn
een begeleidend verschijnsel van de hersenen is’, brengen Bohm
en Peat een alternatieve gedachte naar voren, en wel:
dat de werkelijkheid onuitputtelijk is en dat, wat
we van een bepaald ding ook mogen zeggen, het iets meer en ook iets
anders is. Vandaar dat als we bijvoorbeeld zeggen dat bewustzijn een
stoffelijk proces is, dat heel goed tot op zekere hoogte juist kan
zijn. Maar het is ook meer. De basis ervan ligt in de oneindige diepten
van de daarin besloten en daaruit voortvloeiende ordeningen, die zich
uitstrekken van het betrekkelijk waarneembare tot een steeds grotere
subtiliteit. – blz. 210
Een van de toepassingen van de chaostheorie geldt beweging, waarvan
het schijnbaar chaotisch breken van de oceaangolven op de rotsen langs
de kust een voorbeeld is.
Op het eerste gezicht lijkt dit volstrekt onregelmatig,
maar een nader onderzoek brengt aan het licht dat er vele subordeningen
bestaan in de vorm van draaikolken, stromingen en wervelingen. Het
woord chaotisch geeft een goede beschrijving van de ordening
van een dergelijke beweging. Binnen het verband van de ordening die
voor het oog van de oplettende toeschouwer zichtbaar is, omvat deze
beweging een aantal subordeningen en is verre van willekeurig. Niettemin
worden deze subordeningen voor een toeschouwer op afstand zo fijn
dat ze niet meer door het oog worden waargenomen en de ordening willekeurig
zou worden genoemd. – blz. 126
Zo lijkt het ook alsof het gekrioel van mieren op de grond ongeordend
of willekeurig is. Maar als we het rijk van de mierenwereld konden ingaan,
zouden we kunnen ontdekken dat er orde heerst achter het schijnbare
gebrek aan regelmaat. Dat geldt ook voor andere wezens en voorvallen
in de wereld van het kleine, waarbij vergeleken de mens een reus is,
die in een tijdcyclus werkt die de onmetelijkheid omvat. Laten we ons
een ‘denkend’ molecuul of atoom in ons stoffelijk lichaam
voorstellen dat met de bloedstroom meegaat, en na zijn ‘lange
eeuwen’ een ‘godheid’ ontdekt – het menselijk
hart – die het steeds weer opnieuw uitzendt. Zou het zich iets
kunnen voorstellen dat ook maar enigszins de werkelijkheid benadert
van ons zelfbewuste scheppende denkvermogen? Zouden wij cellen
kunnen zijn in de solaire kosmos?
De schrijvers speculeren over de mogelijkheid dat er een oneindig subtiel
gebied bestaat dat niet als toevallig kan worden aangemerkt; wat wij
willekeurig noemen kan heel goed slechts één aspect zijn
van een algemeen spectrum van orde. Aan het ene einde
van het spectrum bevinden zich de eenvoudige ordeningen van lage graad.
Aan het andere einde de willekeurige ordeningen, en daartussenin ligt
een hele wereld van ingewikkelde en subtiele ordeningen, waaronder
taal en muziek, evenals andere voorbeelden die men aan de kunst, architectuur,
spelen van allerlei aard, maatschappelijke structuren en riten kan
ontlenen. Maar deze discussie behoeft niet te worden beperkt tot alleen
menselijke activiteiten. Het is duidelijk dat het leven zelf zo’n
oneindige en subtiele ordening is. – blz.
130-1
Wat dit boek ons biedt is de gedachte dat er een plan ten
grondslag ligt aan de wezens en processen die ons deel van het heelal
bezielen. De schitterende kleuren en patronen van de vleugels van vlinders
onthullen zelfs nog verbluffender aspecten van de creativiteit van de
natuur wanneer men deze vleugels door een microscoop bekijkt! Tot diep
in de microwereld, die buiten het bereik van het gewone gezichtsvermogen
ligt, vinden we een uiterst nauwkeurige coördinatie, die sterk
doet denken aan een krachtige en subtiele intelligentie die deze en
andere verschijnselen leidt.
In hetzelfde jaar verscheen nog een opmerkelijk boek. Chaos:
Making a New Science2 van James
Gleick, redacteur en verslaggever van de New York Times, dat een verzameling
bevat van gegevens, theorieën en voorbeelden die door wetenschappelijke
onderzoekers van vele wetenschappelijke disciplines zijn aangereikt.
Overal waar dat mogelijk is, gebruikt Gleick de woorden van de wetenschappers
zelf en geeft hij ons een begrijpelijke ‘vertaling’ van
de wetenschappelijke, wiskundige terminologie; en hij neemt zelfs vragen
van kinderen over zoals ‘hoe vormen de wolken zich?’ en
‘hoe maakt het water in een rivier draaikolken?’
Hij verwijst naar de ontdekking van het ‘vlindereffect’,
dat de eminente weerkundige Edward Lorenz vond in weersveranderingen
die men onvoorspelbaar achtte. Dat heeft betrekking op ‘het idee
dat een vlinder die vandaag in Peking de lucht in beroering brengt,
de volgende maand in New York stormvelden kan omvormen’ (blz.
8). Hij ontdekte dat voorspellingen van weersveranderingen nooit nauwkeurig
kunnen zijn, omdat de metingen nooit ‘volmaakt’ kunnen zijn.
Winden en andere weersverschijnselen, al leken het herhalingen, ‘waren
nooit precies gelijk. Er was een patroon, maar met storingen. Een ordelijke
wanorde’ (blz. 15).
Omdat fouten in berekeningen vaak heel klein zijn, is men geneigd er
geen aandacht aan te schenken, omdat ze van geen belang zijn voor een
resultaat dat grote waarden omvat. Zo ontstond er een onuitgesproken
‘wet’ dat men uitsluitend bij benadering de waarde van iets
kan berekenen. Eén geleerde had de gewoonte zijn studenten te
zeggen dat een vallend blad op een planeet ergens ver weg in de ruimte,
geen invloed hoeft te hebben op een biljartbal die hier op aarde over
een tafel rolt. Toch was Einstein van mening dat het verbazingwekkende
van het heelal zijn fundamentele eenvoud is, want de macrokosmos schijnt
zeer goed te functioneren volgens de wetten die de microkosmos beheersen.
Als er al sprake is van verschillen, dan kunnen die worden toegeschreven
aan de omstandigheden waaronder de waarneming plaatsvindt. Wij zijn
ingesteld op de dimensies van een ‘midden’ gebied: de tijdcyclussen
van het zeer kleine verlopen zo snel voor onze zintuigen, dat we geen
onderdelen kunnen onderscheiden. Een heel ontwikkelingstijdperk zou
besloten kunnen liggen in slechts een van onze minuten! Aan het andere
einde van het spectrum kent het ons omringende heelal cyclussen die
in duur overeenstemmen met zijn omvang, en een millennium van onze jaren
zou te vergelijken zijn met een kosmische oogwenk!
Het orfisme van het oude Griekenland zag de chaos vanuit een metafysisch
oogpunt als de Moeder Nacht waaruit de nieuwe wereld tevoorschijn kwam.
Gleick merkt op dat, ‘volgens sommige natuurkundigen chaos eerder
een wetenschap is die zich bezighoudt met een proces dan met een toestand;
eerder met wording dan met zijn’ (blz. 5). Wanneer sterren oud
worden en sterven, worden hun substantie en energie als kringloopmateriaal
gebruikt voor de geboorte en evolutie van nieuwe sterrenstelsels. Daarom
denken sommige astrofysici aan een reeks van ‘grote knallen’
in plaats van aan een eenmalige geboorte van de kosmos. Dat is volstrekt
geen nieuw idee, want het werd al door de oude hindoes in hun geschriften
tot uitdrukking gebracht en ook door de astronoom E.J. Öpik in
The Oscillating Universe, gepubliceerd in 1960.
Natuurlijk is er sindsdien op het terrein van de astrofysica veel meer
aan het licht gekomen. Zo verscheen er bijvoorbeeld in Engineering
and Science, voorjaar 1988, uitgegeven door het California Institute
of Technology, een samenvatting van een lezing ‘Waarom bestaan
er galactische stelsels?’ die in januari 1988 door prof. Martin
Rees3 werd gehouden. Hij merkt op: ‘Elk
atoom op aarde kan worden teruggevoerd tot sterren die stierven voordat
het zonnestelsel werd gevormd’ (blz. 12). ‘De dynamiek van
het jonge heelal moet zuiver zijn afgestemd’ om sterren en melkwegstelsels
de gelegenheid te geven zich in het toegestane gebied te vormen. ‘Was
het eerder opnieuw ingestort, dan zou er geen tijd zijn geweest voor
stellaire evolutie: Als het veel sneller was geëxplodeerd, ‘dan
zou de kinetische energie de zwaartekracht teniet hebben gedaan en zouden
de wolken die zich tot melkwegstelsels ontwikkelden niet in staat zijn
geweest zich samen te trekken’ (blz. 19).
Dr. Rees stelt interessante vragen: ‘Waarom werd het heelal gevormd,
om op deze tamelijk bijzondere manier uit te dijen? . . . waarom vertoont
het heelal kleinschalige beginfluctuaties die nodig zijn als ‘zaden’
voor de vorming van melkwegstelsels, terwijl het over de hele linie
toch zo homogeen blijft?’ De ‘kleinschalige beginfluctuaties’
in de kosmos zouden betrekking kunnen hebben op de ‘willekeur’
die vanaf grote afstand wordt gezien en die in werkelijkheid in het
organisme dat wordt bestudeerd een aantal inwendige activiteiten verbergt.
In hetzelfde nummer van Engineering and Science staat een
toespraak die op 1 oktober 1987 werd gehouden door nobelprijswinnaar
Murray Gell-Mann, ‘Simplicity and Complexity in the Description
of Nature’ (Eenvoud en Complexiteit in de Beschrijving van de
Natuur). Hij liet enkele beelden zien van ‘fractalen’ –
een term die wordt gebruikt in het nieuwe geometrische stelsel en idioom,
en werd bedacht door Benoît B. Mandelbrot om daarmee zijn begrip
van ‘zelfgelijkheid’ te beschrijven, dat laat zien dat ‘een
grove structuur bestaat uit structuren van dezelfde soort in miniatuur’
(blz. 3). Prof. Gell-Mann vraagt of ‘dit fractaal een eenvoudig
of een complex stelsel is’, waarmee hij de vraag herhaalt die
door Mandelbrot zelf werd gesteld.
Het geval wil dat Bohm en Peat in hun boek een interessant deel hebben
gewijd aan het onderwerp van de fractalen, waarin ze de opvatting van
Mandelbrot samenvatten dat ‘de geometrie van fractalen veel dichter
bij de vormen van de natuur ligt dan cirkels, driehoeken en rechthoeken
van de Griekse geometrie’ (blz. 154). Verder merken ze op: ‘Hoewel
de fractalfiguren . . . heel ingewikkeld schijnen, kan men ze nauwelijks
onordelijk noemen, want ze bestaan uit een heel eenvoudige orde, die
één enkel zelfde verschil vertoont dat zich op steeds
kleinere schaal herhaalt’ (blz. 156).
Mandelbrot zelf gebruikte als voorbeeld een kustlijn met haar verschillende
vormen, inhammen, enz., terwijl het begrip fractalen ook is toegepast
op de wiskunde, en op andere gebieden zoals muziek, elektrische geluiden,
geologie en vormen van chaotisch gedrag.
De homogeniteit van de kosmos geeft ons een sleutel tot de aard van
het geopenbaarde leven, ja, van de essentie van het leven zelf! Het
is duidelijk dat ons fysieke lichaam een organisch geheel is, een ‘homogeniteit’
van onderling met elkaar verbonden delen en processen, maar toch bestaat
het uit biljoenen individuele entiteiten, ieder met een eigen identiteit,
die samenwerken om het organisme te vormen en in stand te houden. Omdat
alle processen die in de macrowereld worden waargenomen erop wijzen
dat alle stelsels, wals planeten, zonnestelsels, melkwegstelsels, enz.,
in onderlinge relatie staan, kan men veilig aannemen dat wat we in de
ruimte zien eveneens van toepassing is op de eenvoudige en toch ingewikkelde
microkosmossen van de aarde. Wij behoren tot de samenstellende delen
van het grote heelal, en daaraan ontlenen we de drang om in steeds grotere
mate uitdrukking te geven aan de potentialiteiten in de ‘vormloze’
velden van de levenskrachten. Zoals de astronoom Harlow Shapley het
jaren geleden zei, wij, Moeder Aarde en al haar kinderen, zijn gevormd
uit ‘sterrenstof’.
Noten
- Dr. Douglas Hofstadter drukt deze gedachte op beknopte
wijze uit: ‘Het blijkt dat achter een schijnbare orde een vreemd
soort chaos kan schuilgaan – en toch schuilt er diep verborgen
in de chaos een nog vreemder soort orde.’
- Viking Press, 1987; 354 blz., geïllustreerd,
index, gebonden.
- Directeur van het Instituut voor Sterrenkunde aan
de Universiteit van Cambridge.