Er zijn inderdaad tijden die heilig zijn. Denk aan het Engelse woord
‘holiday’ (heilige dag) voor vakantie. Of is misschien elke
tijd heilig als we hem de nodige aandacht schenken en respect? Vier
tijden in het jaar – de zonnestilstanden en de dag- en nachteveningen
– worden nog steeds gevierd, al weten we misschien niet waarom
ze die speciale aandacht krijgen. Hun heilige karakter moet te danken
zijn aan iets dat een bijzondere betekenis heeft voor het menselijk
ras. Omdat het bewustzijn van de mens nauw is verbonden met dat van
de bestuurders die de hemellichamen in beweging brengen en verantwoordelijk
zijn voor de bewegingen en eigenschappen van de hemelse wezens in het
zonnestelsel, beschouwen we die tijden als heilig, waarin bepaalde hemellichamen
hun psychologische, gravitationele, geestelijke of psychische invloeden
op hun omgeving concentreren.
De zonnestilstanden bijvoorbeeld vinden plaats twee weken voordat de
aarde de hoofdas van haar baan om de zon begin januari en juli passeert.
Oude astrologen benaderden deze perioden van twee weken met bijzondere
eerbied, omdat ze een nauwere aanraking mogelijk maken tussen mensen
en goden – het rijk boven dat van de mens waarover de christelijke
traditie spreekt als engelen (‘boodschappers’), aartsengelen,
tronen, overheden, krachten, enz. We zijn geneigd te vergeten dat we
een deel zijn van een levend universeel organisme, waarin bewustzijnen
levenservaringen opdoen. Alle nuttige ervaringen vinden plaats in onze
bewuste ego die langgeleden in andere sferen en vroegere bestaansgebieden
door de rijken trok lager dan die van de mens. De mensheid heeft zich
ontwikkeld uit minerale, plantaardige en dierlijke toestanden, maar
we zijn nog niet volledig menselijk. Als we ten volle mens worden, zijn
we gereed een stap omhoog te gaan en goden van de laagste rang te worden.
Het menselijke stadium is kritiek omdat daarin voorkeuren en intelligentie
de wil leiden. De individuele evolutie kan erin worden versneld door
systematische training en discipline, bijgestaan door hen die eens stonden
waar wij ons nu op de ladder van ervaring bevinden. Die grote geestelijke
wezens die aanwijzingen voor innerlijke groei hebben nagelaten –
Boeddha en Jezus zijn voorbeelden van dergelijke voorlopers –
zijn verlangend anderen te helpen ter wille van het hele menselijke
ras, want iedere toename van geestelijk ontwaken in een mens geeft een
voorwaartse impuls aan de hele mensheid omdat het algemene gedachtenklimaat
erdoor wordt verbeterd.
Er is veel gezegd maar weinig bekend over het verschijnsel dat inwijding
wordt genoemd. Inwijding betekent beginnen – het beginnen
van een nieuw leven, een nieuwe bestaansfase waarin de mens zich openstelt
voor een ruimer terrein van bewustzijn en ervaring. Dat gebeurt als
een mens, na zich in hoofdzaak met zichzelf en zijn stoffelijke belangen
te hebben beziggehouden, zich verbindt met de geestelijke ziel en haar
dienaar leert zijn, wat de groei naar de volgende bestaansfase bevordert.
Inwijding is niet iets kunstmatigs of iets dat is bedacht, maar een
natuurlijk gebeuren in de ontwikkeling van het menselijk bewustzijn
naar het hogere niveau dat het moet bereiken voor we gereed zijn deel
te nemen aan de leiding van de universele natuur. Bij een natuurlijke
inwijding moet het bewustzijn van de kandidaat zichzelf tegemoettreden,
onbewogen door de hel van zijn eigen zwakheden gaan, de persoonlijke
ziel confronteren en verenigen met de geestelijke egoloze ziel, die
zich aan de wortel van ons wezen bevindt. Een belangrijke inwijding
is een dood. De mens die in staat is zich van alle persoonlijke beslommeringen
los te maken zonder dat er een greintje gehechtheid overblijft, die
ten volle bereid en in staat is zijn onbetekenend zelf te doen opgaan
in het geheel, die als het ware kan oplossen in zijn onpersoonlijke
natuur, wordt ‘beheerst vuur’, waarbij het individuele opgaat
in het ene Al, bevrijd van de duizend draden waarin we gewoonlijk zijn
verward. Inwijding is een reis, en toch weer geen reis, want we hervinden
ons waar we zijn, hebben niets verloren maar iets onmeetbaars gewonnen
dat in al onze levens bij ons zal blijven. Die ervaring, als een natuurlijk
proces, niet als een door mensen bedacht ritueel, wacht ons allen –
sommigen vroeger, sommigen later; het verschil in tijd is onbelangrijk.
Dergelijke gebeurtenissen worden iets vergemakkelijkt wanneer er sprake
is van bepaalde samenvallende standen in het zonnestelsel: de hoogste
inwijdingen vinden plaats als de toestand ideaal is en een aantal gebeurtenissen
gelijktijdig plaatsvindt die de omstandigheden verschaffen waarin de
noodzakelijke magnetische invloeden zo’n groot mogelijke uitwerking
hebben. Met lange cyclische tussenpozen staan de binnenplaneten Mercurius,
Venus en Aarde op een rij, een syzygie geheten. Als deze hemellichamen
die gunstige positie innemen en het nieuwe maan is, bij voorkeur bij
een zonsverduistering, worden de vijf hemellichamen door een min of
meer rechte lijn verbonden. Dat maakt dat de ziel, nadat ze haar ‘dode’
lichaam in een trancetoestand op aarde achterlaat, door natuurlijke
aantrekking door de sferen van Balthasar (Maan), Melchior (Venus) en
Caspar of Gaspar (Mercurius) naar het centrum van onze geestelijke hiërarchie
reist. Dit zijn de namen van de Koningen of Magiërs uit de middeleeuwse
christelijke legende die hun geschenken brachten. Op ieder planetair
gebied laat de ziel die eigenschappen achter die bij dat gebied behoren
en gaat, ontdaan van de overtollige bagage, op weg naar het zuivere
goddelijke vuur waarvan ze een vonk is. Daarin opgenomen heeft ze deel
aan universele wijsheid voor ze haar terugreis aanvaardt om de wereld
van de Aarde te laten delen in wat haar werd gegeven; op elk station
neemt ze haar unieke eigenschappen weer op die daar waren achtergelaten
(gesymboliseerd door de mirre, de wierook en het goud van de Magiërs).1
In de mysteriescholen van alle tijden werden steeds minder ceremoniën
in acht genomen naarmate de leerlingen in hun groei vorderden. Want
vooruitgang is stellig een zaak van groei en rijping en niet
van kennis opdoen. Eerst is er wel sprake van kennis opdoen, totdat
de student de gevolgen voelt van wat hij in theorie heeft geleerd en
de waarheid van zijn eigen kennis herkent. Er is altijd sprake van geheimhouding
als het om de hogere graden van training gaat, niet omdat iemand anderen
kennis wil onthouden, maar omdat begrip zich op natuurlijke wijze moet
ontwikkelen. Als wij willen leren wat de goden voelen, denken en weten,
moeten we voelen, denken en weten als de goden. Als een voorbeeld daarvan
vinden we in de Tevijja Sutta het verhaal van een wijze:
En hij laat zijn geest één kwart van
de wereld doordringen met Liefdevolle gedachten, en zo ook het tweede,
het derde en het vierde. En zo blijft hij de hele wijde wereld, boven,
beneden, rondom en overal doordringen met harteliefde, verreikend,
sterk toegenomen, en buitenmate . . .
En hij laat zijn geest één kwart van
de wereld doordringen met gedachten van medelijden, sympathie en gelijkmoedigheid
en zo ook het tweede, het derde en het vierde. En zo blijft hij de
hele wijde wereld, boven, beneden, rondom en overal doordringen met
hartemedelijden, sympathie en gelijkmoedigheid, verreikend, sterk
toegenomen en buitenmate. — hfst.III,1,3.
Dit betekent evolutie en is de juiste weg voor de vooruitgang van de
mensheid.
Mensen worden altijd geboeid door het onbekende en vooral als het om
metafysische dingen gaat. Ze willen alles weten over de mysteriën
van de natuur zonder zich af te vragen of ze daartoe gereed zijn. Ze
beseffen weinig hoe geweldig groot de kloof is die de minst- van de
verstontwikkelde mensen scheidt en dat wat de een of de ander kenmerkt
geen knapheid, bekwaamheid of kennis is, maar het essentiële karakter.
Er zijn treffende gevallen bekend van mensen die een snelle, ogenblikkelijke
‘bekering’ ondergingen, waardoor hun ondeugden tot deugden
werden in een plotselinge verandering van leefrichting, zoals in het
geval van keizer Asoka van India. Er hebben zich ook tragische gevallen
voorgedaan van omgekeerde bekering, waarin veelbelovende discipelen
geïncarneerde duivels werden als gevolg van het zich concentreren
op persoonlijke in plaats van universele waarden. Er kan misschien geen
grotere schade worden toegebracht aan het menselijk ras dan door toe
te geven aan geestelijke trots, de zelfvoldoening die zich kan voordoen
als men gelooft een bijzondere plaats in te nemen in het algemene plan.
Toch is iedereen uniek en bijzonder als bijdrager aan het geheel. Als
een afzonderlijk wezen is hij van geen belang: alleen als deel van het
Al heeft ieder van ons grote betekenis; als zodanig zijn we onmisbaar
– zowel voor de wereld als voor onszelf.
Aan de andere kant zal iemand die wijs kan worden in occulte zin niet
slaafs een ander volgen en geloven wat hem wordt verteld zonder het
zelf te onderzoeken. Wat nodig is, is een volledig zelfvertrouwen en
initiatief. Het leven is een ontdekkingsreis en wij allen zijn pioniers.
Wijsheid wordt niet overgedragen, ze moet worden verdiend. De kandidaat
voor inwijding moet vertrouwen op zijn innerlijke zintuigen en zijn
eigen beroep doen op de natuur om haar te leren. Alleen zulke onderzoekers
van de onbekende diepten van het bewustzijn kunnen hopen de noodzakelijke
ontdekkingen van de waarheid te doen.
Er is heel wat drukinkt verspild aan het onderwerp van meesters en
chela's maar slechts weinigen weten wat voor een dergelijke relatie
nodig is. Sommige mensen zijn nieuwsgierig en eerzuchtig, wat maakt
dat ze in contact willen komen met iemand die, naar ze geloven, een
hogere plaats inneemt en ze vallen gemakkelijk ten prooi aan valse profeten
die in overvloed voorkomen. Zij die voorzichtiger zijn, zullen tevreden
zijn met de inspiratie die op de juiste wijze voortkomt uit het hoger
zelf en proberen de bron van waarheid in zichzelf te vinden. Enkelen
voelen de drang diegenen te dienen die, naar algemeen wordt erkend,
de dienaren van de mensheid zijn en die zich in hun leven concentreren
op de poging om aan alle mannen en vrouwen in de wereld, zonder begunstiging
of vooroordeel, verlichting te brengen.
Als zij erin slagen, ondanks belemmeringen, trouw te blijven aan hun
altruïstische gevoelens als helpers van de helpers, zullen ze eens
die training ontvangen die hen tenslotte in staat zal stellen de enorme
taak te ondernemen in het nieuwe leven ingewijd te worden als een ‘tweemaal
geborene’ of ‘uit een maagd geborene’ die het ruimere
gebied is binnengegaan van het volmaakte menszijn met zijn grotere verplichtingen
– geen triomfantelijk te koop lopen met miraculeuze vermogens,
maar een eindeloos offeren en een voortdurend pogen zonder het einde
daarvan tegemoet te kunnen zien.
Wat ligt er op onze weg als wezens die zich tot planetaire en te zijner
tijd solaire entiteiten zullen ontplooien? Die hemelse wezens schijnen
in bepaald opzicht minder vrijheid te bezitten dan wij mensen. Wij hebben
de vrije keuze om medewerkers met de natuur te worden of tegenstanders
van de vooruitgaande evolutie; de grotere zielen hebben langgeleden
hun keuze in deze zaak gedaan en vrijwillig het pad gekozen dat neerkomt
op instemming met het proces dat het gemeenschappelijk welzijn het best
bevordert. Zij gehoorzamen aan natuurwetten die we zelfs niet eens kennen,
zetten aeonenlang hun voortdurende beweging voort, voeden de kleinere
wezens waaruit ze zijn opgebouwd, steunen en helpen de evolutie van
de van hen afhankelijke rijken op een wijze die in overeenstemming is
met de kosmische harmonie, hoe halsstarrig wij mensen onze geduldige
planeet ook misbruiken. Wat zij hebben geleerd moeten wij nog leren,
niet alleen met ons verstand, maar met ons hart en ons begrip.
Als het grootste verlangen van een mens is de vooruitgang van de hele
mensheid naar een edeler toestand te bevorderen, dan hebben de heilige
jaargetijden een bijzondere betekenis en kunnen ze een zeker ontwaken
teweegbrengen van het hogere deel van een sensitieve natuur, dat onmiskenbaar
een inwijding betekent in een sfeer die hogere plichten met zich brengt.
Het is heel goed mogelijk dat onze hele toekomst – de uwe en de
mijne – ten goede zal veranderen omdat een onzelfzuchtige ziel,
juist in deze tijd, zijn kracht toevoegt aan de allesdoordringende invloed
van geestelijke solidariteit die zich in dit jaargetijde doet gevoelen.
Noot
- Vgl. G. de Purucker, De Esoterische Traditie,
blz. 666-9.