De heilige zonnestilstand
Elsa-Brita Titchenell

 

Er zijn inderdaad tijden die heilig zijn. Denk aan het Engelse woord ‘holiday’ (heilige dag) voor vakantie. Of is misschien elke tijd heilig als we hem de nodige aandacht schenken en respect? Vier tijden in het jaar – de zonnestilstanden en de dag- en nachteveningen – worden nog steeds gevierd, al weten we misschien niet waarom ze die speciale aandacht krijgen. Hun heilige karakter moet te danken zijn aan iets dat een bijzondere betekenis heeft voor het menselijk ras. Omdat het bewustzijn van de mens nauw is verbonden met dat van de bestuurders die de hemellichamen in beweging brengen en verantwoordelijk zijn voor de bewegingen en eigenschappen van de hemelse wezens in het zonnestelsel, beschouwen we die tijden als heilig, waarin bepaalde hemellichamen hun psychologische, gravitationele, geestelijke of psychische invloeden op hun omgeving concentreren.

De zonnestilstanden bijvoorbeeld vinden plaats twee weken voordat de aarde de hoofdas van haar baan om de zon begin januari en juli passeert. Oude astrologen benaderden deze perioden van twee weken met bijzondere eerbied, omdat ze een nauwere aanraking mogelijk maken tussen mensen en goden – het rijk boven dat van de mens waarover de christelijke traditie spreekt als engelen (‘boodschappers’), aartsengelen, tronen, overheden, krachten, enz. We zijn geneigd te vergeten dat we een deel zijn van een levend universeel organisme, waarin bewustzijnen levenservaringen opdoen. Alle nuttige ervaringen vinden plaats in onze bewuste ego die langgeleden in andere sferen en vroegere bestaansgebieden door de rijken trok lager dan die van de mens. De mensheid heeft zich ontwikkeld uit minerale, plantaardige en dierlijke toestanden, maar we zijn nog niet volledig menselijk. Als we ten volle mens worden, zijn we gereed een stap omhoog te gaan en goden van de laagste rang te worden.

Het menselijke stadium is kritiek omdat daarin voorkeuren en intelligentie de wil leiden. De individuele evolutie kan erin worden versneld door systematische training en discipline, bijgestaan door hen die eens stonden waar wij ons nu op de ladder van ervaring bevinden. Die grote geestelijke wezens die aanwijzingen voor innerlijke groei hebben nagelaten – Boeddha en Jezus zijn voorbeelden van dergelijke voorlopers – zijn verlangend anderen te helpen ter wille van het hele menselijke ras, want iedere toename van geestelijk ontwaken in een mens geeft een voorwaartse impuls aan de hele mensheid omdat het algemene gedachtenklimaat erdoor wordt verbeterd.

Er is veel gezegd maar weinig bekend over het verschijnsel dat inwijding wordt genoemd. Inwijding betekent beginnen – het beginnen van een nieuw leven, een nieuwe bestaansfase waarin de mens zich openstelt voor een ruimer terrein van bewustzijn en ervaring. Dat gebeurt als een mens, na zich in hoofdzaak met zichzelf en zijn stoffelijke belangen te hebben beziggehouden, zich verbindt met de geestelijke ziel en haar dienaar leert zijn, wat de groei naar de volgende bestaansfase bevordert. Inwijding is niet iets kunstmatigs of iets dat is bedacht, maar een natuurlijk gebeuren in de ontwikkeling van het menselijk bewustzijn naar het hogere niveau dat het moet bereiken voor we gereed zijn deel te nemen aan de leiding van de universele natuur. Bij een natuurlijke inwijding moet het bewustzijn van de kandidaat zichzelf tegemoettreden, onbewogen door de hel van zijn eigen zwakheden gaan, de persoonlijke ziel confronteren en verenigen met de geestelijke egoloze ziel, die zich aan de wortel van ons wezen bevindt. Een belangrijke inwijding is een dood. De mens die in staat is zich van alle persoonlijke beslommeringen los te maken zonder dat er een greintje gehechtheid overblijft, die ten volle bereid en in staat is zijn onbetekenend zelf te doen opgaan in het geheel, die als het ware kan oplossen in zijn onpersoonlijke natuur, wordt ‘beheerst vuur’, waarbij het individuele opgaat in het ene Al, bevrijd van de duizend draden waarin we gewoonlijk zijn verward. Inwijding is een reis, en toch weer geen reis, want we hervinden ons waar we zijn, hebben niets verloren maar iets onmeetbaars gewonnen dat in al onze levens bij ons zal blijven. Die ervaring, als een natuurlijk proces, niet als een door mensen bedacht ritueel, wacht ons allen – sommigen vroeger, sommigen later; het verschil in tijd is onbelangrijk.

Dergelijke gebeurtenissen worden iets vergemakkelijkt wanneer er sprake is van bepaalde samenvallende standen in het zonnestelsel: de hoogste inwijdingen vinden plaats als de toestand ideaal is en een aantal gebeurtenissen gelijktijdig plaatsvindt die de omstandigheden verschaffen waarin de noodzakelijke magnetische invloeden zo’n groot mogelijke uitwerking hebben. Met lange cyclische tussenpozen staan de binnenplaneten Mercurius, Venus en Aarde op een rij, een syzygie geheten. Als deze hemellichamen die gunstige positie innemen en het nieuwe maan is, bij voorkeur bij een zonsverduistering, worden de vijf hemellichamen door een min of meer rechte lijn verbonden. Dat maakt dat de ziel, nadat ze haar ‘dode’ lichaam in een trancetoestand op aarde achterlaat, door natuurlijke aantrekking door de sferen van Balthasar (Maan), Melchior (Venus) en Caspar of Gaspar (Mercurius) naar het centrum van onze geestelijke hiërarchie reist. Dit zijn de namen van de Koningen of Magiërs uit de middeleeuwse christelijke legende die hun geschenken brachten. Op ieder planetair gebied laat de ziel die eigenschappen achter die bij dat gebied behoren en gaat, ontdaan van de overtollige bagage, op weg naar het zuivere goddelijke vuur waarvan ze een vonk is. Daarin opgenomen heeft ze deel aan universele wijsheid voor ze haar terugreis aanvaardt om de wereld van de Aarde te laten delen in wat haar werd gegeven; op elk station neemt ze haar unieke eigenschappen weer op die daar waren achtergelaten (gesymboliseerd door de mirre, de wierook en het goud van de Magiërs).1

In de mysteriescholen van alle tijden werden steeds minder ceremoniën in acht genomen naarmate de leerlingen in hun groei vorderden. Want vooruitgang is stellig een zaak van groei en rijping en niet van kennis opdoen. Eerst is er wel sprake van kennis opdoen, totdat de student de gevolgen voelt van wat hij in theorie heeft geleerd en de waarheid van zijn eigen kennis herkent. Er is altijd sprake van geheimhouding als het om de hogere graden van training gaat, niet omdat iemand anderen kennis wil onthouden, maar omdat begrip zich op natuurlijke wijze moet ontwikkelen. Als wij willen leren wat de goden voelen, denken en weten, moeten we voelen, denken en weten als de goden. Als een voorbeeld daarvan vinden we in de Tevijja Sutta het verhaal van een wijze:

En hij laat zijn geest één kwart van de wereld doordringen met Liefdevolle gedachten, en zo ook het tweede, het derde en het vierde. En zo blijft hij de hele wijde wereld, boven, beneden, rondom en overal doordringen met harteliefde, verreikend, sterk toegenomen, en buitenmate . . .

En hij laat zijn geest één kwart van de wereld doordringen met gedachten van medelijden, sympathie en gelijkmoedigheid en zo ook het tweede, het derde en het vierde. En zo blijft hij de hele wijde wereld, boven, beneden, rondom en overal doordringen met hartemedelijden, sympathie en gelijkmoedigheid, verreikend, sterk toegenomen en buitenmate. — hfst.III,1,3.

Dit betekent evolutie en is de juiste weg voor de vooruitgang van de mensheid.

Mensen worden altijd geboeid door het onbekende en vooral als het om metafysische dingen gaat. Ze willen alles weten over de mysteriën van de natuur zonder zich af te vragen of ze daartoe gereed zijn. Ze beseffen weinig hoe geweldig groot de kloof is die de minst- van de verstontwikkelde mensen scheidt en dat wat de een of de ander kenmerkt geen knapheid, bekwaamheid of kennis is, maar het essentiële karakter. Er zijn treffende gevallen bekend van mensen die een snelle, ogenblikkelijke ‘bekering’ ondergingen, waardoor hun ondeugden tot deugden werden in een plotselinge verandering van leefrichting, zoals in het geval van keizer Asoka van India. Er hebben zich ook tragische gevallen voorgedaan van omgekeerde bekering, waarin veelbelovende discipelen geïncarneerde duivels werden als gevolg van het zich concentreren op persoonlijke in plaats van universele waarden. Er kan misschien geen grotere schade worden toegebracht aan het menselijk ras dan door toe te geven aan geestelijke trots, de zelfvoldoening die zich kan voordoen als men gelooft een bijzondere plaats in te nemen in het algemene plan. Toch is iedereen uniek en bijzonder als bijdrager aan het geheel. Als een afzonderlijk wezen is hij van geen belang: alleen als deel van het Al heeft ieder van ons grote betekenis; als zodanig zijn we onmisbaar – zowel voor de wereld als voor onszelf.

Aan de andere kant zal iemand die wijs kan worden in occulte zin niet slaafs een ander volgen en geloven wat hem wordt verteld zonder het zelf te onderzoeken. Wat nodig is, is een volledig zelfvertrouwen en initiatief. Het leven is een ontdekkingsreis en wij allen zijn pioniers. Wijsheid wordt niet overgedragen, ze moet worden verdiend. De kandidaat voor inwijding moet vertrouwen op zijn innerlijke zintuigen en zijn eigen beroep doen op de natuur om haar te leren. Alleen zulke onderzoekers van de onbekende diepten van het bewustzijn kunnen hopen de noodzakelijke ontdekkingen van de waarheid te doen.

Er is heel wat drukinkt verspild aan het onderwerp van meesters en chela's maar slechts weinigen weten wat voor een dergelijke relatie nodig is. Sommige mensen zijn nieuwsgierig en eerzuchtig, wat maakt dat ze in contact willen komen met iemand die, naar ze geloven, een hogere plaats inneemt en ze vallen gemakkelijk ten prooi aan valse profeten die in overvloed voorkomen. Zij die voorzichtiger zijn, zullen tevreden zijn met de inspiratie die op de juiste wijze voortkomt uit het hoger zelf en proberen de bron van waarheid in zichzelf te vinden. Enkelen voelen de drang diegenen te dienen die, naar algemeen wordt erkend, de dienaren van de mensheid zijn en die zich in hun leven concentreren op de poging om aan alle mannen en vrouwen in de wereld, zonder begunstiging of vooroordeel, verlichting te brengen.

Als zij erin slagen, ondanks belemmeringen, trouw te blijven aan hun altruïstische gevoelens als helpers van de helpers, zullen ze eens die training ontvangen die hen tenslotte in staat zal stellen de enorme taak te ondernemen in het nieuwe leven ingewijd te worden als een ‘tweemaal geborene’ of ‘uit een maagd geborene’ die het ruimere gebied is binnengegaan van het volmaakte menszijn met zijn grotere verplichtingen – geen triomfantelijk te koop lopen met miraculeuze vermogens, maar een eindeloos offeren en een voortdurend pogen zonder het einde daarvan tegemoet te kunnen zien.

Wat ligt er op onze weg als wezens die zich tot planetaire en te zijner tijd solaire entiteiten zullen ontplooien? Die hemelse wezens schijnen in bepaald opzicht minder vrijheid te bezitten dan wij mensen. Wij hebben de vrije keuze om medewerkers met de natuur te worden of tegenstanders van de vooruitgaande evolutie; de grotere zielen hebben langgeleden hun keuze in deze zaak gedaan en vrijwillig het pad gekozen dat neerkomt op instemming met het proces dat het gemeenschappelijk welzijn het best bevordert. Zij gehoorzamen aan natuurwetten die we zelfs niet eens kennen, zetten aeonenlang hun voortdurende beweging voort, voeden de kleinere wezens waaruit ze zijn opgebouwd, steunen en helpen de evolutie van de van hen afhankelijke rijken op een wijze die in overeenstemming is met de kosmische harmonie, hoe halsstarrig wij mensen onze geduldige planeet ook misbruiken. Wat zij hebben geleerd moeten wij nog leren, niet alleen met ons verstand, maar met ons hart en ons begrip.

Als het grootste verlangen van een mens is de vooruitgang van de hele mensheid naar een edeler toestand te bevorderen, dan hebben de heilige jaargetijden een bijzondere betekenis en kunnen ze een zeker ontwaken teweegbrengen van het hogere deel van een sensitieve natuur, dat onmiskenbaar een inwijding betekent in een sfeer die hogere plichten met zich brengt. Het is heel goed mogelijk dat onze hele toekomst – de uwe en de mijne – ten goede zal veranderen omdat een onzelfzuchtige ziel, juist in deze tijd, zijn kracht toevoegt aan de allesdoordringende invloed van geestelijke solidariteit die zich in dit jaargetijde doet gevoelen.

 

Noot

  1. Vgl. G. de Purucker, De Esoterische Traditie, blz. 666-9.
 
Andere artikelen over heilige jaargetijden
 

Uit het tijdschrift Sunrise nov/dec 1991

© 1991 Theosophical University Press Agency