Terwijl de mechanistische wetenschap zich concentreert op het herleiden
van de dingen tot fundamentele stoffelijke bouwstenen, erkent het
opkomende holistische paradigma dat systemen eenheid vormende gehelen
zijn, waarvan de eigenschappen niet kunnen worden teruggebracht tot
die van kleinere eenheden. De twee fundamentele thema’s van deze
systeembenadering van het leven zijn de universele onderlinge verbondenheid
en afhankelijkheid van alle verschijnselen en de intrinsieke dynamische
aard van de werkelijkheid.
Dergelijke ideeën stemmen overeen met de theosofie, maar
een analyse van de systeemtheorie, zoals die wordt samengevat
in Fritjof Capra’s boek Het Keerpunt1,
laat zien dat er essentiële verschillen bestaan.
De systeemtheorie aanvaardt noch de traditionele wetenschappelijke
opvatting van evolutie als een kansspel, noch de westerse religieuze
zienswijze van een ordelijk heelal, ontworpen door een goddelijke schepper.
De evolutie wordt gepresenteerd als iets dat volkomen open en onbepaald
is, zonder zin of doel, en toch met een herkenbaar ontwikkelingspatroon.
Er vinden toevallige fluctuaties plaats, die er de oorzaak van zijn
dat een systeem op een bepaald moment instabiel wordt. Als het ‘het
kritisch punt nadert, “beslist” het welke kant het op zal
gaan, en deze beslissing bepaalt de verdere evolutie’.2
Capra ziet het evolutieproces niet als een product
van het blinde toeval, maar als een ontplooiing van orde en complexiteit
die overeenkomt met een leerproces, en zowel onafhankelijkheid van de
omgeving als vrijheid van keuze inhoudt. Hij blijft echter in gebreke
te verklaren hoe zogenaamde trage stof kan ‘beslissen’,
‘kiezen’ en ‘leren’. Dit geloof dat de evolutie
doelloos en toevallig is en toch een herkenbaar patroon vertoont, lijkt
op dat van de bioloog Lyall Watson, die er vanuit gaat dat de evolutie
wordt geleid door toeval maar dat toeval ‘een eigen patroon en
reden kent’.3 Met andere woorden,
Watson geeft een nieuwe definitie van toeval waardoor het praktisch
gelijk is aan intelligentie!
Capra noemt twee belangrijke verschijnselen van zelforganisatie: zelfvernieuwing,
‘de mogelijkheid die levende systemen hebben om voortdurend hun
bestanddelen te vernieuwen en de stoffen ervan opnieuw te gebruiken
terwijl ze de hen overkoepelende structuur intact houden’; en
zelfoverstijging, ‘de mogelijkheid om op een creatieve manier
over lichamelijke en geestelijke grenzen heen te reiken zoals dat gebeurt
in leer-, ontwikkelings- en evolutieprocessen’.4
Hij stelt dat de aanpassing van soorten via genetische mutatie (genotypische
verandering) slechts één kant van de evolutie is. De andere
is creativiteit: de ontwikkeling van nieuwe structuren en functies die
steeds ingewikkelder worden, onafhankelijk van de druk van de omgeving,
als een uiting van het vermogen van zelfoverstijging dat alle organismen
eigen is.
Terwijl Capra ervan uitgaat dat zelftransformatie en zelfoverstijging fundamentele
eigenschappen van het heelal zijn, geeft hij toe dat ze op dit moment
niet verder kunnen worden verklaard. Misschien zou het juister zijn
te zeggen dat ze niet op materialistische wijze kunnen worden
verklaard, hetzij reductionistisch of holistisch. Capra verschaft een
sleutel tot een mogelijke verklaring als hij verwijst naar de opvatting
van gelaagde ordening en gelaagde systemen, en zegt ‘op elk niveau
van ingewikkeldheid treffen we systemen aan die geïntrigeerde,
zichzelf organiserende gehelen zijn, opgebouwd uit kleinere onderdelen
en tegelijkertijd functionerend als onderdelen van grotere gehelen’;
‘orde op een bepaald niveau van het systeem is het gevolg van
zelforganisatie op een hoger niveau’.5
De cruciale vraag is of dit alleen slaat op systemen binnen het stoffelijk
heelal, of dat de stoffelijke wereld ook wordt beïnvloed door hogere
werelden die uit energie-substanties bestaan van een andere trillingsfrequentie.
Kunnen fysieke stof en haar werkingen op voldoende wijze het leven verklaren,
de alomtegenwoordigheid van ordening, waarneming en wil, creativiteit
en intuïtie, mystieke bewustzijnstoestanden en een hele reeks
van goed geverifieerde parapsychologische verschijnselen? Of is het
noodzakelijk te stellen dat er subtielere krachten en energieën
bestaan boven en buiten de stoffelijke wereld?
Dr. William Tiller, een beroemd kristallograaf in Stanford, kwam, na
het bewijsmateriaal voor ESP en levensvelden te hebben bestudeerd, tot
de conclusie dat we te maken hebben met energievelden die totaal verschillen
van die welke via de conventionele wetenschap bekend zijn. Hij stelt dat ‘het heelal informatie schijnt te verzamelen en uit te stralen
in andere dimensies dan alleen de fysieke ruimte-tijd’,
en verder dat ‘wij allen op een bepaald niveau onderling zijn
verbonden met elkaar en met alle dingen op deze planeet’.6
Volgens de theosofie zijn er hogere of innerlijke gebieden of sferen,
onzichtbaar voor onze stoffelijke zintuigen, die ons eigen bestaansgebied doordringen en die daarop inwerken. Het stoffelijk heelal
is niet zozeer zelf-organiserend, maar wordt geleid door innerlijke
werelden; het heelal wordt van binnen naar buiten bestuurd en geleid.
Capra spreekt over kosmische geest, die hij omschrijft als de zichzelf
organiserende dynamiek van de hele kosmos. Maar dit is een nogal vreemd
gebruik van het woord geest, dat normaal gesproken niet alleen
zelfregulering inhoudt, maar ook denken, willen, voelen, herinneren,
enz. Elders zegt hij dat het juister is zelforganisatie te zien als
een geestelijk proces en niet als geest zelf. Maar als we aannemen
dat een geestelijk proces geest inhoudt en dat geest niet kan worden
herleid tot een gevolg van fysieke stof, dan is er niets onredelijks
aan de opvatting dat zulke processen de automatische werkingen zijn
op stoffelijk gebied van een universele geest die is geworteld in hogere
werelden.
Volgens de theosofie is het stoffelijk heelal te zien als slechts het uiterlijke kleed
van de universele geest. De natuurwetten zijn uitdrukkingen van de
willen en energieën van hogere wezens of geestelijke intelligenties
die tezamen de universele geest vormen. Het zijn geest en intelligentie
die de ordening en harmonie van het stoffelijk heelal doen ontstaan
en niet de toevalspatronen of de beslissingen van de zelforganiserende
stof. Net als Capra verwerpt de theosofische filosofie de traditionele
theologische idee van een bovennatuurlijke, buitenkosmische
goddelijke schepper. Ze trekt ook Capra’s idee in twijfel dat
zo’n buitenkosmische God de zichzelf organiserende dynamiek van
het stoffelijk heelal is. Aan de andere kant gelooft de theosofie wél in het bestaan van ontelbare bovenmenselijke, intrakosmische
intelligenties (of goden), die in vervlogen evolutiecyclussen het
menselijk stadium al zijn gepasseerd; eens zullen wijzelf hun stadium
bereiken.
Er zijn twee tegengestelde opvattingen over bewustzijn: de westerse
wetenschappelijke opvatting die de stof ziet als primair en bewustzijn
als een bijproduct van ingewikkelde stoffelijke patronen verbonden met
een bepaald stadium van biologische evolutie; en de mystieke opvatting
die het bewustzijn ziet als de primaire werkelijkheid en grond van al
het bestaande. De systeemtheorie aanvaardt de conventionele materialistische
opvatting dat bewustzijn een uitingsvorm is van levende systemen met
een bepaalde mate van ingewikkeldheid, hoewel de biologische structuren
zelf uitdrukkingen zijn van ‘onderliggende processen die de zelforganisatie
van het systeem vormen, en dus de geest ervan. In deze betekenis kunnen
we materiële structuren niet langer als de uiteindelijke werkelijkheid
beschouwen.’7 Het is duidelijk dat
Capra gelooft dat de stof inderdaad primair is in de zin dat de stoffelijke
wereld het eerst komt en leven, geest en bewustzijn in een later stadium
verschijnen. Dat hij de zichzelf organiserende dynamiek van het heelal
met de naam ‘geest’ aanduidt doet niet terzake. Als bewustzijn
wordt gezien als de onderliggende werkelijkheid, is het onmogelijk het
ook te zien als een eigenschap van de stof die in een bepaald stadium
van evolutie tevoorschijn komt.
Terwijl de materialistische en mystieke opvattingen van geest onverenigbaar
en onverzoenlijk schijnen, kan het dualisme geest/stof worden
opgelost als we geest en stof als fundamenteel één zien,
als verschillende graden van bewustzijn-leven-substantie. De wetenschap
is al van oordeel dat fysieke stof en energie in elkaar kunnen worden
omgezet, dat de stof geconcentreerde energie is; de theosofie voegt
hieraan toe dat bewustzijn de hoogste en meest subtiele vorm van energie
is en dat stof daarom gekristalliseerd bewustzijn is.Volgens deze opvatting
bestaat er geen absoluut dode en onbewuste stof in het heelal. Alles
is een levende, evoluerende, bewuste entiteit en elke entiteit is samengesteld
en bestaat uit bundels krachten en substanties die op verschillende
gebieden thuishoren, van het astraal-stoffelijke via het psycho-mentale
tot het goddelijk-geestelijke.
Het is duidelijk dat de graad van geopenbaard leven en bewustzijn sterk
verschilt van entiteit tot entiteit; maar in het hart van iedere entiteit
bevindt zich een inwonend geestelijk atoom of bewustzijnscentrum in
een bepaald stadium van evolutionaire ontplooiing. Meer ingewikkelde
stoffelijke vormen scheppen geen bewustzijn, maar verschaffen alleen
een verder ontwikkeld voertuig waardoor deze geestelijke monade
zijn krachten en vermogens tot uitdrukking kan brengen. De evolutie
is verre van doelloos en onbepaald: onze menselijke monaden kwamen eonen
geleden uit de goddelijke bron voort als niet-zelfbewuste godsvonken
en door ons in alle rijken van de natuur te belichamen en ervaringen
op te doen, zullen we ons tenslotte opheffen tot de toestand van zelfbewuste
goden.
Al gaat de systeemtheorie dus verder dan de oude mechanistische evolutietheorie,
ze blijft toch nog vasthouden aan verscheidene fundamentele materialistische
dogma’s. Terwijl materialisten geloven dat de stoffelijke wereld
de primaire werkelijkheid is en dat leven en bewustzijn de producten
van fysieke stof zijn, kan de stoffelijke wereld evengoed worden gezien
als slechts de buitenkant van hogere werelden, waaraan oneindig leven
en bewustzijn ten grondslag liggen.
Noten
- Fritjof Capra, Het keerpunt, Contact, 1991.
- Op.cit., blz. 296.
- Supernature II, Sceptre, 1987, blz. 24.
- Het keerpunt, blz. 277.
- Op.cit., blz. 289-90.
- ‘New fields, new laws’, Future Science,
John White en S. Krippner (red.), Doubleday, 1977, blz. 60.
- Het keerpunt, blz. 306.