Het jaar 1991 werd gekenmerkt door herdenkingen van het feit dat Wolfgang
Amadeus Mozart tweehonderd jaar geleden op 5 december 1791 in Wenen
overleed. Talrijk waren de eerbewijzen aan zijn opmerkelijk genie; wij
willen hier de aandacht richten op zijn meesterwerk en laatste voltooide
compositie, Die Zauberflöte. Al werd het libretto tot
voor kort belachelijk gemaakt als ‘kinderachtig’ en de prachtige
muziek onwaardig, toch heeft Goethe opgemerkt dat er 'meer kennis nodig
is om de betekenis van dit libretto te begrijpen dan om het te bespotten!’1
Om licht te werpen op de bedoeling van Mozart is het nodig de opera
te analyseren tegen de achtergrond van de denkbeelden, symbolen en ritueel
van de vrijmetselaars die verband houden met het inwijdingsproces, een
woord dat in die dagen veel werd gebruikt en toen net zo verkeerd werd
begrepen als in onze tijd.
Tijdens het leven van Mozart nam de vrijmetselarij in de Weense samenleving
een vooraanstaande plaats in. Mozart zelf was elf jaar toen hij een
lied componeerde op een maçonnieke tekst voor zijn arts, een
vrijmetselaar, die de jongen voor pokken behandelde en hem ervoor behoedde
door de pokken geschonden te worden. Toen hij twaalf was componeerde
Mozart ook Bastien und Bastienne, een klein werk dat af en
toe nog wordt uitgevoerd; de première had plaats in de tuinen
van dr. Anton Mesmer, wiens theorie van het dierlijk magnetisme door
Parijse medische tegenstanders als ‘kwakzalverij’ in diskrediet
werd gebracht. Dr. Mesmer is nu vooral bekend vanwege het ‘mesmerisme’,
dat heel vaak ten onrechte wordt gezien als hypnose.
Velen van degenen met wie Mozart in het begin in aanraking kwam waren
vrijmetselaars, sommigen heel goede vrienden. Anderen behoorden tot
de kringen van Illuminaten die in die tijd een bloei doormaakten. In
Parijs probeerde graaf Cagliostro – geen charlatan zoals bepaalde
belangengroepen ons tot op deze dag willen doen geloven – de bestaande
vrijmetselaarsloges in Frankrijk te zuiveren en richtte tenslotte zijn
eigen ‘Egyptisch Ritueel’ op, waar zowel mannen als vrouwen
werden toegelaten in een soort ‘Adoptie’-voorhof. Sommigen
zeggen dat Mozart Cagliostro kende en dat de naam Sarastro, die de componist
aan de Hogepriester van Isis en Osiris gaf, doelt op Cagliostro. Maar
in het algemeen denkt men echter dat de naam is afgeleid van die van
Zoroaster of Zarathoestra, een hervormer van de oude Perzische godsdienst.
Het verhaal van De Toverfluit gaat over het deelnemen aan
een geestelijke ontwikkelingstraining door prins Tamino, zoon van een
koning die kennelijk enigszins op de hoogte was van de training omdat
hij tegen Tamino nogal eens sprak over de Koningin van de Nacht, waardoor
Tamino een ‘grenzeloze bewondering’ voor haar kreeg. Dat
Tamino in Japanse kleren is gestoken geeft er al een oosters tintje
aan. Het begin van de opera duidt op het voorbereidende werk dat Tamino
en Pamina – de vrouwelijke hoofdrol – moeten doen op de
drempel van hun inwijding. Papageno, een vogelhandelaar, die de gemiddelde
mens voorstelt, en zijn latere gezellin Papagena, ondergaan overeenkomstige
minibeproevingen, ‘maar in de trant van een blijspel.’
De handeling vangt aan in een woeste bergachtige plaats waar Tamino
door een slang achterna wordt gezeten. Hij verliest het bewustzijn,
een zinnebeeldige dood, een ‘oefening’ voor de slot-inwijding
die zelf de bewuste ervaring is van wat ons in werkelijkheid onbewust
overkomt in het stervensproces. Dit wees duidelijk op wat vroeger, naar
men begreep, tijdens een inwijding in de grote mysteriën plaatsvond.
De kandidaat die slaagde ‘keerde terug’ tot zelfbewustzijn,
wist wat er allemaal was gebeurd en kon voortaan – als hij dat
wilde – met het 'gezag' van rechtstreekse kennis over die ervaring
spreken. Alleen kandidaten die de geweldige spanning konden doorstaan
van het feit dat de ziel zich van het in trance zijnde lichaam bevrijdt
en die opgewassen waren tegen de ervaring bewust mee te maken wat na
een normale dood plaatsvindt, werd toegestaan zich aan de beproevingen
te wagen.
De ontmoeting van Tamino met de slang wordt opgelost door drie gesluierde
dames die het monster doden. Deze dames stellen de boodschappers voor
van de Koningin van de Nacht, die het zinnebeeld is van de ‘nog
ongerepte en nog niet ontwikkelde Natuur’. Papageno komt op en
eist de eer op de prins te hebben gered, maar hij wordt gestraft door
de boodschappers. Zijn mond wordt van een slot voorzien om hem te beletten
te kwebbelen (zijn naam betekent heel toepasselijk papegaai). Nadat
hem een portret is getoond van Pamina, de ontvoerde dochter van de Koningin,
belooft Tamino haar te bevrijden. De boodschappers geven hem een toverfluit
en aan Papageno een klokkenspel.2
Later komt de Prins, door drie jongens geleid, bij drie tempels, aangeduid
als Tempel van Wijsheid, Tempel van de Rede en Tempel van de Natuur.
Tamino verneemt dat Sarastro niet het kwaadwillende wezen is waarover
hem werd verteld. Hij vindt Papageno, die bij Pamina is. Monostatos,
een slechte Moor die zijn zinnen op Pamina heeft gezet, jaagt hem weg,
maar het klokkenspel van Papageno drijft hem op de vlucht.
Dan komt Sarastro op met zijn gevolg. Hij straft de Moor voor zijn
wandaden en als hij Tamino en Pamina samen ziet scheidt hij hen zodanig
dat elk over de beproevingen kan zegevieren. Tamino en Papageno worden
naar de ondergrondse gewelven van de tempel gebracht, waar ze aan verschillende
verzoekingen worden blootgesteld, die ze in stilte moeten overwinnen.
Tamino gehoorzaamt, maar Papageno vindt het vrijwel onmogelijk om te
zwijgen.
Intussen geeft de Koningin van de Nacht aan Pamina een dolk om er Sarastro
mee te doden. Monostatos probeert Pamina te verleiden en bemachtigt
de dolk waarmee hij haar bedreigt. Maar Sarastro verschijnt en jaagt
hem weg. Pamina komt haar wanhoop te boven en gaat weg om zich bij Tamino
te voegen. Omdat Papageno gehecht blijft aan wereldse genoegens geeft
Sarastro hem een gezellin van zijn eigen soort: Papagena. In de gewelven
van de tempel ondergaat Tamino tenslotte, vergezeld door Pamina, de
beproeving van het Vuur en het Water3: hij
is waardig zijn geliefde te winnen. De krachten van de Nacht zijn overwonnen.
Wat betekent dit allemaal? Wat is het hoofdthema van de opera? Hij
doelt stellig op de karakterverandering van ruw materiaal in verlichting,
het proces van onze rijping tot volledig menszijn. Tamino moest verschillende
beproevingen ondergaan, waaronder de inleidende beproeving van zijn
moed, menslievende eigenschappen en intuïtie. Op dat punt worden
zijn motieven om inwijding te zoeken onderzocht. Wanneer hij tenslotte
zijn doel bereikt, wordt hij verenigd met Pamina die, na haar eigen
beproeving te hebben ondergaan, ook de verlichting heeft bereikt. Deze
rollen vertegenwoordigen op één niveau verschillende aspecten
van de menselijke natuur, waarmee een drama wordt uitgebeeld dat in
ieder van ons plaatsvindt.
Nu moeten we naar de betekenis zien van de symbolen in de samenhang
van de opera: in de filmversie van Ingmar Bergman bevonden zich bijvoorbeeld
kompassen in het toneeldecor. Het kompas is een nu algemeen bekend symbool
van de maçonnieke ‘Grote Bouwmeester’ van het heelal,
gewoonlijk geïnterpreteerd als God, een gepersonifieerd beeld van
de grote scheppende intelligenties die in de kabbalistische opvatting
van Genesis worden aangeduid met het meervoudige woord Elohim.
De slang die Tamino achtervolgt is dezelfde als de bijbelse slang die
Adam en Eva verleidde van de vrucht van de Boom van Kennis van Goed
en Kwaad te eten om zelfbewustzijn te verwerven en daardoor het ontzagwekkende
vermogen om hun (onze) eigen manier van denken, spreken en handelen
te kiezen: onze eigen levensweg. Jean en Brigitte Massin schreven in
hun studie over Mozart:
Een jonge nutteloze aristocraat is op jacht en ervaart
te zijn ontwapend doordat hij plotseling wordt bevangen door zijn
meest verborgen levensinstincten (de symboliek van de slang heeft
niet op Jung behoeven te wachten, maar was in die zin in alle hiëroglyfische
overleveringen reeds vastgesteld). De eerste bewustwording is die
van liefde. Op de alarmkreten die hij slaakte toen hij alleen was
en van aangezicht tot aangezicht tegenover zichzelf stond, komt als
antwoord de oproep uit zichzelf tevoorschijn te treden. . .4
Dit klopt misschien wel met de tegenwoordige theorieën van de
psychologie, maar het is ontoereikend vanuit een theosofisch gezichtspunt,
dat ervan uitgaat dat De Toverfluit en andere werken die hun
ontstaan vinden in de hogere natuur van de mens ons in aanraking brengen
met de mysteriën van de kosmos en van onszelf als een onlosmakelijk
deel daarvan. In dit verband is Sarastro als Hogepriester en Groothiërofant
de inwijder en onthuller van de mysteriën die in oude tijden een
betekenis hadden die heel wat verschilt van wat men nu aanneemt. De
Hiërofant was de hoofdvertolker van de heilige kennis. De plechtigheid
van de inwijdingsscène in de piramide is duidelijk, vooral voor
hen die proberen door te dringen tot de geest ervan. De betekenis van
de slotscène is groot als het ‘huwelijk’ van Tamino
en Pamina werkelijk wordt gezien als de vereniging van het hogere met
het lagere zelf in ieder mens.
De uitwerking op ons is enerzijds het gevolg van de prachtige muziek
en anderzijds van de interpretatie van het libretto door Mozart –
want hij heeft niet alleen geprobeerd tot het wezen ervan door te dringen,
maar bewerkte ook de tekst van Schikaneder (wat ook anderen sinds de
eerste opvoering hebben gedaan, zodat soms de vraag rijst: ‘welk
libretto?’). Met andere woorden, de ontroering die de opera als
geheel wekt is een gevolg van de magische vermenging van waardevolle
filosofische ideeën en de muziek van Mozart.
Laten we enkele symbolen uit de opera naar voren halen: de fluit is
‘betoverend in de zin dat ze betovering teweegbrengt.’
Pamina onthult later in de opera de herkomst ervan: ze kwam niet
van de Koningin van de Nacht, maar van haar gemaal, de vroegere Groothiërofant
– een ‘Priester-Koning’, die doet denken aan Hermes
Trismegistus – voorganger van Sarastro. (Zie afbeelding).

In dit diagram5 worden de voornaamste rollen
uit de opera in verband gebracht met de Zon en de Maan en de vier Elementen
uit de oudheid: Vuur, Lucht, Water en Aarde. Dit zijn de subtiele
essenties van de elementen waaruit onze stoffelijke wereld en de
kosmos werden gevormd – niet te verwarren met de gewone ons vertrouwde
elementen. We zien Tamino en Papageno op een vertikale lijn die afdaalt
van Sarastro/Zon, terwijl Pamina en Monostatos afdalen vanuit de Koningin
van de Nacht/Maan. Op een horizontale lijn verwarmt Vuur het Water uit
zijn bevroren toestand; Lucht verlicht het grove aspect van Aarde.
Een innig gevoel van verbondenheid of een soort dialoog tussen iedere
toeschouwer en de opera is nodig om door te dringen tot de betekenis
van de symbolen en zelfs van het toneeldecor. Dan rijst in onszelf de
ware magie van begrip, .die geboren wordt in het hart, in het centrum
van ons wezen. Het gevolg zal bij iedereen anders zijn en de betekenis
zal zich meer en meer ontvouwen, telkens als zo’n nauw contact
wordt gelegd.
Noten
- The Magic Flute, Masonic Opera: An Interpretation
of the Libretto and the Music (Alfred A. Knopf, New York, 1971),
door Jacques Chailley, componist en vooraanstaand muziekleraar; hij
leverde het op gedegen onderzoek berustende materiaal dat zowel recht
doet aan de muziek als aan het libretto. Het werpt licht op de hele
opera door zijn kennis van de muziek uit het laatste deel van de 18de
eeuw en van de ideeën die circuleerden aan de hoven in Europa
en onder de geleerden.
- Het woord zauber wordt vertaald met ‘tover’
maar het is de fluit die ‘magie’ schept in de zin van
betovering. Dit stemt overeen met het standpunt van Wieland, die zei
dat het doel was ‘de moeilijkheden van de opdracht weg te nemen.’
Mogelijk is er een esoterische betekenis die niet precies kan worden
aangeduid. Zo is het ook met het ‘klokkenspel’ van Papageno,
dat in de partituur stromento d’acciajo (of staal-instrument)
wordt genoemd. Misschien was dat bedoeld als vermakelijkheid, als
een soort tegenhanger van de toverfluit (blz. 123-5).
- Dit doet denken aan de toespeling in de bijbel, nl.
op het dopen door water en door vuur: dit laatste stelt het volledig
ontwaken van het denkvermogen voor.
- Geciteerd in Chailley, blz. 119.
- Overgenomen uit Chailley, blz. 100.