‘Je hebt wat gereedschap nodig om dat karweitje te doen’,
zei de timmerman tegen zijn twaalfjarige zoon. Zonder enige aarzeling
opende de vakman zijn eigen metalen gereedschapskist – die hij
altijd meenam bij werkjes buitenshuis – en begon gereedschap bij
elkaar te zoeken; zagen, een hamer, beitels, grote en kleine boren,
linialen en winkelhaken. Alles wat hij zocht vond hij in zijn eigen
werkplaats. Het was geen speelgoed of kindergereedschap, maar werktuigen
die de toets van tijd en ervaring hadden doorstaan. We zullen niet stilstaan
bij het feit dat de timmerman graag wat weggaf en voor zijn zoon alleen
het beste wilde. Daarna werd de timmerman de leraar. ‘Zaag niet
meer dan je voor je kist nodig hebt. Zaag elk stuk precies zoals je
het hebt getekend. Breng mij de stukken als je ze gezaagd hebt en ik
zal je laten zien hoe je de kist in elkaar moet zetten.’ De timmerman
verliet zijn zoon om het werk te doen en nam nauwelijks de tijd om het
‘Dank je, pa’ van de jongen te beantwoorden. Met deze raad
lukte het de jongen de ‘volmaakte’ kist te maken –
een succesvolle prestatie die hij nooit zal vergeten.
Dit verhaal heeft veel gemeen met ons thema: theosofie aan het werk.
Of wij het persoonlijk een religie, een wetenschap of een filosofie
willen noemen, in wezen is ze een werktuig of verzameling werktuigen.
Wat haar waardevol maakt is dat ze is ontstaan uit levenservaring.
Dit is het werktuig dat, in de handen van een ervaren vakman, hoofd
en hart van de mensheid kan veranderen en kan leiden naar broederschap
en vrede op aarde. Ze is een werktuig gesmeed door generaties van wijzen
en zieners, die eens mannen en vrouwen waren zoals wij, die hebben gezocht
naar het heilig pad dat naar het hart van het heelal voert en die dat
hebben gevonden. Deze grote zielen, voor wie de natuur weinig geheimen
heeft, vormen de Broederschap van Mededogen en Vrede, een keten van
Adept-mensen die hun levenservaringen met de waarheden van de natuur,
de oude wijsheid, of geheime leer ‘doorgeven’. Soms, uit
een gevoel van genegenheid als tussen verwanten, oudere broeders genoemd,
zijn ze met ons verbonden in het geestelijke deel van onze natuur, of
we geloven een ziel te hebben of niet. Ze hebben een voorbeeldfunctie
en staan tot ons in verhouding zoals de meester-timmerman tot zijn zoon,
wie hij ‘graag wat gaf’.
Hebben we de theosofie eenmaal in ons leven toegelaten en de oude wijsheid
als een geschenk aanvaard van haar bewaarders, de wijzen en zieners
die haar onder hun hoede hebben, dan is het niet meer dan natuurlijk
en terecht dat we dit geschenk met anderen willen delen. Maar de mensheid
helpen is niet zo gemakkelijk als het klinkt. Als we de geschiedenis
bestuderen, blijkt dat heel wat goedwillende vorsten, staatslieden,
en martelaren hebben geprobeerd de mensheid in hogere banen te dwingen
(dachten ze), met als enig gevolg dat hun pogingen schipbreuk leden
en eindigden in conflicten. Het is nu eenmaal een feit dat wij mensen
enorm gecompliceerd zijn. Zonder visie draaien we in een kring rond
en verkiezen we de behaaglijkheid van onze grot en haar duisternis boven
het licht daarbuiten. Als onze visie ruimere perspectieven opent, waaronder
een verheven bestemming voor onszelf en de mensheid, wordt dit in toom
gehouden door het verlangen onze nieuwverworven kennis te gebruiken
om te helpen de last te verlichten die onze planeet dreigt te verpletteren.
Kortom, we zijn geneigd eropuit te trekken en ‘iets te doen’.
De wijsheid om er niet op uit te trekken en iets te doen,
kan men zien in de rustige manier waarop de theosofische beweging duizenden
jaren lang de mensheid heeft aangespoord tot hogere perspectieven van
begrip en ervaring. Als het heelal bestaat voor de ervaring van de ziel
– en iedere vorm van geopenbaard leven bezit er een – wie
zal dan het bestaan ontkennen van een verheven stuwkracht die ieder
wezen aanspoort hogerop te komen?
Om iets over theosofie te weten te komen is gemakkelijk. De honderd
jaar die zijn verlopen sinds The Theosophical Society werd gesticht
was lang genoeg om theosofie tot een bekend woord te maken en enkele
van haar grondgedachten te doen doordringen in de gedachtenatmosfeer
van de mensheid. Maar de Theosophical Society is een uitdrukkingsvorm
van een geestelijke beweging die tot de wortel van het universele zijn
gaat, en deel uitmaakt van de structuur van het leven zelf, zodat de
toets van elke waarheid haar universaliteit is. Al vele jaren is de
voornaamste voorwaarde voor het lidmaatschap van de Society de aanvaarding
van het beginsel van universele broederschap. Het is in het begin niet
belangrijk verder te gaan dan ons gewone begrip van broederschap. Het
is voldoende als men het lot van de mens wil verbeteren en bereid is
de aarde te delen met planten en dieren. De mens die alleen voor zichzelf
leeft en geen tijd heeft anderen te helpen of iets met anderen te delen
– welk recht heeft zo iemand speciale aandacht van ‘boven’
te verwachten? Zelfs als de beginneling het aanvaarden van dit beginsel
ziet als een bescheiden voorwaarde, dan plaatst dit hem of haar nog
altijd in de rijen van de hiërarchie van mededogen. Al bevindt
men zich dicht bij de oever en de ondiepten van de rivier van het leven,
men kan niettemin evenzeer deel zijn van de rivier als de krachtige
stroom in het midden.
Als het gemakkelijk is om iets van theosofie te weten te komen, hoe
zit het dan met het occultisme? Als men zegt dat het te maken heeft
met ‘verborgen’ zaken, vertelt men niet het hele verhaal,
vooral niet als men dit woord verbindt met satanisme, voodoo, en zwarte
magie. Maar aan de wortel van het occultisme ligt de gedachte dat niets
vertrouwder, ‘natuurlijker’ is, dan het besef dat wij de
natuur zijn. Laten we ons verheugen, positief denken, en ons
zeker voelen over de rechtvaardigheid van het goddelijke plan! Als we
als individu het punt bereiken dat we de mensheid meer zouden willen
helpen, maar ons terdege bewust zijn van het gevaar eropuit te trekken
en ‘iets te doen’, dan zijn we gereed voor enig praktisch
occultisme. In Brieven die me hebben geholpen beschrijft William
Q. Judge de ideale occultist:
Misschien zie ik in jou – ik hoop dat ik me
niet vergis – een zuiver verlangen om de waarheid te zoeken
om de waarheid zelf, en dat alle anderen er voordeel van hebben. Dus
zou ik je willen wijzen op de enige koninklijke weg, het enige middel.
Verricht al die handelingen, fysieke, mentale, ethische, omdat ze
moeten worden gedaan, en laat onmiddellijk alle interesse ervoor los,
offer ze op het altaar. Welk altaar? Welnu, het grote spirituele altaar,
en dat is, als men dat wil, in het hart. Maar maak daarbij nog altijd
gebruik van een aards onderscheidingsvermogen, voorzichtigheid, en
wijsheid.
Niet dat je dwaas of stoutmoedig eropuit moet gaan
om te doen, te doen. Doe wat je vindt dat er te
doen is. Verlang er vurig naar om het te doen, en zelfs wanneer je
er slechts in zult slagen om kleine plichten te vervullen, enkele
waarschuwende woorden te zeggen, zal je sterke verlangen als een Vulcanus
de harten treffen in de wereld, en plotseling zul je dat zien gebeuren
wat jij had gehoopt te doen. Verheug je dan dat iemand anders zo gelukkig
was om zo’n verdienstelijk karma te hebben. –
blz. 2
Wat men mahatma’s, rishi’s, of wijzen noemt zijn mensen
die eens waren zoals wij, en daarom zijn ze volkomen vertrouwd met de
soort ervaringen die deze periode van het bestaan ons verschaft. Het
is hun verantwoorderlijkheid en plicht – die ze met vreugde op
zich nemen – ons te helpen na misschien vele, vele eeuwen onze
geestelijke bestemming te bereiken, die ons tot goden maakt. Door hun
voorbeeld wordt de theosofie van boekenwijsheid levende waarheid,
en kunnen we begrijpen waarom grote zielen bereid zijn hun kostbare
schatten te schenken. Hoe kan men een prijskaartje hangen aan wat onbetaalbaar
is? Goedbeschouwd is kennis niet meer dan een werktuig. Daarom verbaast
het ons niet als een verlicht wezen in alle oprechtheid verklaart: we
zouden graag al onze kennis willen delen als die erin zou slagen de
last van menselijke ellende te verlichten. Het is niet weelde of intellect,
maar moeizaam verworven deugdzaamheid die het hart van de natuur opent.
Wat ons tot universeel begrip zal leiden, zijn de zeven juwelen van
wijsheid, of sapta-ratnani, ideeën die sinds onheuglijke
tijden de ladder zijn waarlangs ontelbare wijzen en zieners zijn opgeklommen.
Elk van de heilige leringen is een sleutel die een deur zal openen en
die het ons mogelijk maakt ons begrip van de wereld die voor ons ligt
te verruimen. Als we bijvoorbeeld geloven dat er niets meer is dan één
leven, dan wordt ons uitzicht onnodig beperkt. Reïncarnatie is
de sleutel die ons schildersdoek vergroot tot we beseffen dat we meer
zijn dan onze persoonlijkheid en dat het leven meer is dan de korte
episode die maar weinige jaren omvat. We gaan begrijpen dat we het produkt
zijn van ontelbare levens – een uniek produkt van onze eigen voorkeuren
en beslissingen – en dat toch het stempel draagt van een individualiteit
die van oorsprong goddelijk is. Hiermee hangt de tweede sleutel samen:
karma, de vriendelijkste van alle leermeesters. In één
opzicht betekent het de beoordeling van onze daden door ons hoger zelf,
wat we kunnen aanvaarden als we het begrijpen omdat het voldoet aan
onze criteria van eerlijkheid en rechtvaardigheid.
Een derde begrip dat ons helpt het pad van mahatmaschap te vinden is
dat van de hiërarchieën. Wellicht hebben we weinig directe
kennis van de vele soorten van leven die het heelal bevolken, maar dat
is niet nodig. Elk jaar komen we meer en meer te weten van de onderlinge
afhankelijkheid van de levens die op deze planeet wonen. De
ziener breidt deze onderlinge afhankelijkheid een stap verder uit en
verklaart: alles bestaat in al het andere.
Een vierde sleutel die onze horizon uitbreidt, is de leer van svabhava,
‘de leer van de essentiële karakteristiek van een entiteit,
van een geestelijke radicaal; ook de leer van zelfvoortbrenging of zelfwording
in het gemanifesteerde bestaan, die een bevestiging is van onze eigen
verantwoordelijkheid’.1
Een vijfde sleutel heeft betrekking op het uiteindelijke doel van het
dubbelproces van involutie en evolutie, waardoor geest en stof wederzijds
in elkaar tot uitdrukking kunnen komen; het gevolg daarvan is het doel
van het universele zijn – tenslotte het lagere op te heffen door
het hogere. Dat is niet mogelijk als elk leven alleen voor zichzelf
probeert te werken. Vanaf het allereerste begin staan we tegenover het
zesde juweel: de keuze tussen twee paden: pratyekayana, ‘het
pad voor zichzelf’, en amritayana, ‘het pad van
zelfbewustzijn in onsterfelijkheid’.2
Dit allesbeslissende moment, het moment van uiteindelijke zelfopoffering,
betekent dat men weet het recht te hebben verworven één
te worden met het universele zijn en in het geluk te delen van dat bestaan,
en toch af te zien van deze beloning omdat anderen die zich omhoogworstelen
een gids nodig hebben die hen de weg wijst. Het zevende juweel is atmavidya,
‘kennis van het zelf’ – zowel ons individuele zelf
als het kosmische zelf dat onze ouder is.
Er zijn meer sleutels, maar zelfs de studie van deze zeven maakt het
begrip waarheid tot een levende werkelijkheid – de school die
een levend heelal is en waarvan we, om het te leren kennen, een deel
moeten worden in al zijn geledingen.
De sleutel der sleutels, het juweel der juwelen is broederschap –
de mystieke leidster van het heelal. Laten wij als burgers van het heelal
onze ware bestemming volbrengen. De natuur aanvaardt ons zoals we zijn
en waar we zijn. Als we eenmaal onze plaats vinden op de koninklijke
weg waarover W.Q. Judge spreekt, en overtuigd zijn van de juistheid
ervan, dan brengt elke dag, elk moment ons die omstandigheden die bepalen
wat we zullen doen. Elk van deze momenten is heilig. Ze toetsen ons
‘onderscheidingsvermogen, onze voorzichtigheid en wijsheid’.
Als we de theosofie aan het werk zetten, krijgt ons leven een nieuwe
betekenis, waarvan de draagwijdte algauw duidelijk wordt.
Noten
- G. de Purucker, Beginselen van de Esoterische
Filosofie, blz. 186.
- Op.cit, blz. 186.