Theosofie aan het werk
Raymond Rugland

 

‘Je hebt wat gereedschap nodig om dat karweitje te doen’, zei de timmerman tegen zijn twaalfjarige zoon. Zonder enige aarzeling opende de vakman zijn eigen metalen gereedschapskist – die hij altijd meenam bij werkjes buitenshuis – en begon gereedschap bij elkaar te zoeken; zagen, een hamer, beitels, grote en kleine boren, linialen en winkelhaken. Alles wat hij zocht vond hij in zijn eigen werkplaats. Het was geen speelgoed of kindergereedschap, maar werktuigen die de toets van tijd en ervaring hadden doorstaan. We zullen niet stilstaan bij het feit dat de timmerman graag wat weggaf en voor zijn zoon alleen het beste wilde. Daarna werd de timmerman de leraar. ‘Zaag niet meer dan je voor je kist nodig hebt. Zaag elk stuk precies zoals je het hebt getekend. Breng mij de stukken als je ze gezaagd hebt en ik zal je laten zien hoe je de kist in elkaar moet zetten.’ De timmerman verliet zijn zoon om het werk te doen en nam nauwelijks de tijd om het ‘Dank je, pa’ van de jongen te beantwoorden. Met deze raad lukte het de jongen de ‘volmaakte’ kist te maken – een succesvolle prestatie die hij nooit zal vergeten.

Dit verhaal heeft veel gemeen met ons thema: theosofie aan het werk. Of wij het persoonlijk een religie, een wetenschap of een filosofie willen noemen, in wezen is ze een werktuig of verzameling werktuigen. Wat haar waardevol maakt is dat ze is ontstaan uit levenservaring. Dit is het werktuig dat, in de handen van een ervaren vakman, hoofd en hart van de mensheid kan veranderen en kan leiden naar broederschap en vrede op aarde. Ze is een werktuig gesmeed door generaties van wijzen en zieners, die eens mannen en vrouwen waren zoals wij, die hebben gezocht naar het heilig pad dat naar het hart van het heelal voert en die dat hebben gevonden. Deze grote zielen, voor wie de natuur weinig geheimen heeft, vormen de Broederschap van Mededogen en Vrede, een keten van Adept-mensen die hun levenservaringen met de waarheden van de natuur, de oude wijsheid, of geheime leer ‘doorgeven’. Soms, uit een gevoel van genegenheid als tussen verwanten, oudere broeders genoemd, zijn ze met ons verbonden in het geestelijke deel van onze natuur, of we geloven een ziel te hebben of niet. Ze hebben een voorbeeldfunctie en staan tot ons in verhouding zoals de meester-timmerman tot zijn zoon, wie hij ‘graag wat gaf’.

Hebben we de theosofie eenmaal in ons leven toegelaten en de oude wijsheid als een geschenk aanvaard van haar bewaarders, de wijzen en zieners die haar onder hun hoede hebben, dan is het niet meer dan natuurlijk en terecht dat we dit geschenk met anderen willen delen. Maar de mensheid helpen is niet zo gemakkelijk als het klinkt. Als we de geschiedenis bestuderen, blijkt dat heel wat goedwillende vorsten, staatslieden, en martelaren hebben geprobeerd de mensheid in hogere banen te dwingen (dachten ze), met als enig gevolg dat hun pogingen schipbreuk leden en eindigden in conflicten. Het is nu eenmaal een feit dat wij mensen enorm gecompliceerd zijn. Zonder visie draaien we in een kring rond en verkiezen we de behaaglijkheid van onze grot en haar duisternis boven het licht daarbuiten. Als onze visie ruimere perspectieven opent, waaronder een verheven bestemming voor onszelf en de mensheid, wordt dit in toom gehouden door het verlangen onze nieuwverworven kennis te gebruiken om te helpen de last te verlichten die onze planeet dreigt te verpletteren. Kortom, we zijn geneigd eropuit te trekken en ‘iets te doen’.

De wijsheid om er niet op uit te trekken en iets te doen, kan men zien in de rustige manier waarop de theosofische beweging duizenden jaren lang de mensheid heeft aangespoord tot hogere perspectieven van begrip en ervaring. Als het heelal bestaat voor de ervaring van de ziel – en iedere vorm van geopenbaard leven bezit er een – wie zal dan het bestaan ontkennen van een verheven stuwkracht die ieder wezen aanspoort hogerop te komen?

Om iets over theosofie te weten te komen is gemakkelijk. De honderd jaar die zijn verlopen sinds The Theosophical Society werd gesticht was lang genoeg om theosofie tot een bekend woord te maken en enkele van haar grondgedachten te doen doordringen in de gedachtenatmosfeer van de mensheid. Maar de Theosophical Society is een uitdrukkingsvorm van een geestelijke beweging die tot de wortel van het universele zijn gaat, en deel uitmaakt van de structuur van het leven zelf, zodat de toets van elke waarheid haar universaliteit is. Al vele jaren is de voornaamste voorwaarde voor het lidmaatschap van de Society de aanvaarding van het beginsel van universele broederschap. Het is in het begin niet belangrijk verder te gaan dan ons gewone begrip van broederschap. Het is voldoende als men het lot van de mens wil verbeteren en bereid is de aarde te delen met planten en dieren. De mens die alleen voor zichzelf leeft en geen tijd heeft anderen te helpen of iets met anderen te delen – welk recht heeft zo iemand speciale aandacht van ‘boven’ te verwachten? Zelfs als de beginneling het aanvaarden van dit beginsel ziet als een bescheiden voorwaarde, dan plaatst dit hem of haar nog altijd in de rijen van de hiërarchie van mededogen. Al bevindt men zich dicht bij de oever en de ondiepten van de rivier van het leven, men kan niettemin evenzeer deel zijn van de rivier als de krachtige stroom in het midden.

Als het gemakkelijk is om iets van theosofie te weten te komen, hoe zit het dan met het occultisme? Als men zegt dat het te maken heeft met ‘verborgen’ zaken, vertelt men niet het hele verhaal, vooral niet als men dit woord verbindt met satanisme, voodoo, en zwarte magie. Maar aan de wortel van het occultisme ligt de gedachte dat niets vertrouwder, ‘natuurlijker’ is, dan het besef dat wij de natuur zijn. Laten we ons verheugen, positief denken, en ons zeker voelen over de rechtvaardigheid van het goddelijke plan! Als we als individu het punt bereiken dat we de mensheid meer zouden willen helpen, maar ons terdege bewust zijn van het gevaar eropuit te trekken en ‘iets te doen’, dan zijn we gereed voor enig praktisch occultisme. In Brieven die me hebben geholpen beschrijft William Q. Judge de ideale occultist:

Misschien zie ik in jou – ik hoop dat ik me niet vergis – een zuiver verlangen om de waarheid te zoeken om de waarheid zelf, en dat alle anderen er voordeel van hebben. Dus zou ik je willen wijzen op de enige koninklijke weg, het enige middel. Verricht al die handelingen, fysieke, mentale, ethische, omdat ze moeten worden gedaan, en laat onmiddellijk alle interesse ervoor los, offer ze op het altaar. Welk altaar? Welnu, het grote spirituele altaar, en dat is, als men dat wil, in het hart. Maar maak daarbij nog altijd gebruik van een aards onderscheidingsvermogen, voorzichtigheid, en wijsheid.

Niet dat je dwaas of stoutmoedig eropuit moet gaan om te doen, te doen. Doe wat je vindt dat er te doen is. Verlang er vurig naar om het te doen, en zelfs wanneer je er slechts in zult slagen om kleine plichten te vervullen, enkele waarschuwende woorden te zeggen, zal je sterke verlangen als een Vulcanus de harten treffen in de wereld, en plotseling zul je dat zien gebeuren wat jij had gehoopt te doen. Verheug je dan dat iemand anders zo gelukkig was om zo’n verdienstelijk karma te hebben.    – blz. 2

Wat men mahatma’s, rishi’s, of wijzen noemt zijn mensen die eens waren zoals wij, en daarom zijn ze volkomen vertrouwd met de soort ervaringen die deze periode van het bestaan ons verschaft. Het is hun verantwoorderlijkheid en plicht – die ze met vreugde op zich nemen – ons te helpen na misschien vele, vele eeuwen onze geestelijke bestemming te bereiken, die ons tot goden maakt. Door hun voorbeeld wordt de theosofie van boekenwijsheid levende waarheid, en kunnen we begrijpen waarom grote zielen bereid zijn hun kostbare schatten te schenken. Hoe kan men een prijskaartje hangen aan wat onbetaalbaar is? Goedbeschouwd is kennis niet meer dan een werktuig. Daarom verbaast het ons niet als een verlicht wezen in alle oprechtheid verklaart: we zouden graag al onze kennis willen delen als die erin zou slagen de last van menselijke ellende te verlichten. Het is niet weelde of intellect, maar moeizaam verworven deugdzaamheid die het hart van de natuur opent.

Wat ons tot universeel begrip zal leiden, zijn de zeven juwelen van wijsheid, of sapta-ratnani, ideeën die sinds onheuglijke tijden de ladder zijn waarlangs ontelbare wijzen en zieners zijn opgeklommen. Elk van de heilige leringen is een sleutel die een deur zal openen en die het ons mogelijk maakt ons begrip van de wereld die voor ons ligt te verruimen. Als we bijvoorbeeld geloven dat er niets meer is dan één leven, dan wordt ons uitzicht onnodig beperkt. Reïncarnatie is de sleutel die ons schildersdoek vergroot tot we beseffen dat we meer zijn dan onze persoonlijkheid en dat het leven meer is dan de korte episode die maar weinige jaren omvat. We gaan begrijpen dat we het produkt zijn van ontelbare levens – een uniek produkt van onze eigen voorkeuren en beslissingen – en dat toch het stempel draagt van een individualiteit die van oorsprong goddelijk is. Hiermee hangt de tweede sleutel samen: karma, de vriendelijkste van alle leermeesters. In één opzicht betekent het de beoordeling van onze daden door ons hoger zelf, wat we kunnen aanvaarden als we het begrijpen omdat het voldoet aan onze criteria van eerlijkheid en rechtvaardigheid.

Een derde begrip dat ons helpt het pad van mahatmaschap te vinden is dat van de hiërarchieën. Wellicht hebben we weinig directe kennis van de vele soorten van leven die het heelal bevolken, maar dat is niet nodig. Elk jaar komen we meer en meer te weten van de onderlinge afhankelijkheid van de levens die op deze planeet wonen. De ziener breidt deze onderlinge afhankelijkheid een stap verder uit en verklaart: alles bestaat in al het andere.

Een vierde sleutel die onze horizon uitbreidt, is de leer van svabhava, ‘de leer van de essentiële karakteristiek van een entiteit, van een geestelijke radicaal; ook de leer van zelfvoortbrenging of zelfwording in het gemanifesteerde bestaan, die een bevestiging is van onze eigen verantwoordelijkheid’.1

Een vijfde sleutel heeft betrekking op het uiteindelijke doel van het dubbelproces van involutie en evolutie, waardoor geest en stof wederzijds in elkaar tot uitdrukking kunnen komen; het gevolg daarvan is het doel van het universele zijn – tenslotte het lagere op te heffen door het hogere. Dat is niet mogelijk als elk leven alleen voor zichzelf probeert te werken. Vanaf het allereerste begin staan we tegenover het zesde juweel: de keuze tussen twee paden: pratyekayana, ‘het pad voor zichzelf’, en amritayana, ‘het pad van zelfbewustzijn in onsterfelijkheid’.2 Dit allesbeslissende moment, het moment van uiteindelijke zelfopoffering, betekent dat men weet het recht te hebben verworven één te worden met het universele zijn en in het geluk te delen van dat bestaan, en toch af te zien van deze beloning omdat anderen die zich omhoogworstelen een gids nodig hebben die hen de weg wijst. Het zevende juweel is atmavidya, ‘kennis van het zelf’ – zowel ons individuele zelf als het kosmische zelf dat onze ouder is.

Er zijn meer sleutels, maar zelfs de studie van deze zeven maakt het begrip waarheid tot een levende werkelijkheid – de school die een levend heelal is en waarvan we, om het te leren kennen, een deel moeten worden in al zijn geledingen.

De sleutel der sleutels, het juweel der juwelen is broederschap – de mystieke leidster van het heelal. Laten wij als burgers van het heelal onze ware bestemming volbrengen. De natuur aanvaardt ons zoals we zijn en waar we zijn. Als we eenmaal onze plaats vinden op de koninklijke weg waarover W.Q. Judge spreekt, en overtuigd zijn van de juistheid ervan, dan brengt elke dag, elk moment ons die omstandigheden die bepalen wat we zullen doen. Elk van deze momenten is heilig. Ze toetsen ons ‘onderscheidingsvermogen, onze voorzichtigheid en wijsheid’. Als we de theosofie aan het werk zetten, krijgt ons leven een nieuwe betekenis, waarvan de draagwijdte algauw duidelijk wordt.

 

Noten

  1. G. de Purucker, Beginselen van de Esoterische Filosofie, blz. 186.
  2. Op.cit, blz. 186.
 

Uit het tijdschrift Sunrise jan/feb 1993

© 1993 Theosophical University Press Agency