De dood van David Bohm op 27 oktober 1992 is niet alleen een groot
verlies voor de natuurkundige gemeenschap maar ook voor al degenen die
belangstelling hebben voor de filosofische implicaties van de moderne
wetenschap. David Bohm was een van de meest vooraanstaande theoretische
fysici van zijn generatie en een onbevreesd uitdager van de wetenschappelijke
orthodoxie. Zijn interesses en invloed strekten zich ver buiten de fysica
uit en omvatten biologie, psychologie, filosofie, religie, kunst en
de toekomst van de maatschappij. Aan zijn vernieuwende benadering van
veel uiteenlopende kwesties lag het fundamentele denkbeeld ten grondslag
dat er achter de zichtbare, tastbare wereld een diepere impliciete orde
van een onverdeelde heelheid aanwezig is.
David Bohm werd in 1917 in Wilkes-Barre, Pennsylvanië, geboren.
Op jonge leeftijd kreeg hij belangstelling voor de wetenschap en als
jongen vond hij een drupvrije theepot uit; zijn vader, een succesvol
zakenman, drong er bij hem op aan te proberen met zijn vinding winst
te maken. Maar toen hij hoorde dat de eerste stap het uitvoeren van
een huis-aan-huis onderzoek was om de markt te peilen, taande zijn belangstelling
voor zaken en besloot hij in plaats daarvan een theoretisch fysicus
te worden.
In de jaren dertig bezocht hij het Pennsylvanië State College
waar hij diepe belangstelling kreeg voor de quantumfysica, de fysica
op subatomair gebied. Na zijn eindexamen bezocht hij de Universiteit
van Californië, Berkeley. Tijdens deze periode werkte hij op het
Lawrence Radiation Laboratory waar hij, na het behalen van zijn doctorsgraad
in 1943, zijn baanbrekend werk met plasma’s begon (een plasma
is een gas dat een hoge dichtheid van elektronen en positieve ionen
bevat). Bohm ontdekte tot zijn verbazing dat zodra elektronen zich in
een plasma bevonden, ze zich niet langer gedroegen als individuen en
zich gingen gedragen alsof ze een deel van een groter en onderling verbonden
geheel waren. Later merkte hij op dat hij vaak de indruk kreeg dat de
zee van elektronen in zekere zin leefde.
In 1947 aanvaardde Bohm de functie van assistent-hoogleraar aan de
Princeton Universiteit, waar hij zijn onderzoek uitbreidde tot de studie
van elektronen in metalen. Opnieuw ontdekte hij dat de schijnbaar toevallige
bewegingen van individuele elektronen erin slaagden hooggeorganiseerde,
allesomvattende effecten teweeg te brengen. Bohm’s vernieuwende
arbeid op dit terrein vestigde zijn naam als theoretisch fysicus.
In 1951 schreef Bohm een klassiek leerboek, getiteld Quantum Theory,
waarin hij een heldere uiteenzetting gaf van de orthodoxe Kopenhaagse
interpretatie van de quantumfysica. De Kopenhaagse interpretatie werd
in de twintiger jaren voornamelijk geformuleerd door Niels Bohr en Werner
Heisenberg en heeft nu nog steeds veel invloed. Maar zelfs al vóór
het boek werd gepubliceerd, begon Bohm te twijfelen aan de onderstellingen
die aan de conventionele benadering ten grondslag lagen. Hij had er
moeite mee te aanvaarden dat subatomaire deeltjes geen objectief bestaan
hadden en pas vaste eigenschappen aannamen als fysici probeerden ze
te observeren en te meten. Ook kon hij moeilijk geloven dat de quantumwereld
werd gekenmerkt door een absoluut indeterminisme en toeval en dat de
dingen zomaar zonder de geringste reden gebeurden. Hij begon te vermoeden
dat er wellicht diepere oorzaken konden liggen achter de schijnbaar
willekeurige en ongeregelde subatomaire wereld.
Bohm zond een exemplaar van zijn boek aan Bohr en Einstein. Bohr reageerde
niet, maar Einstein belde hem op om te zeggen dat hij het met hem wilde
bespreken. Tijdens het eerste onderhoud, dat zou uitlopen op een zes
maanden durende reeks van levendige gesprekken, vertelde Einstein Bohm
enthousiast dat hij nog nooit zo’n duidelijke weergave van de
quantumtheorie had gezien en gaf toe dat hij over de orthodoxe benadering
even onvoldaan was als Bohm. Ze hadden beiden bewondering voor het vermogen
van de quantumtheorie verschijnselen te kunnen voorspellen, maar konden
niet aanvaarden dat ze volledig was en dat het onmogelijk was tot een
duidelijker begrip te komen van wat er in het quantumrijk plaatsvond.
Het was tijdens het schrijven van zijn Quantum Theory dat
Bohm in conflict kwam met het McCarthyisme. Hij werd opgeroepen om voor
het Comité van Onamerikaanse Activiteiten te verschijnen om tegen
zijn collega’s en studiegenoten te getuigen. Omdat hij een beginselvast
man was, weigerde hij. Het gevolg was dat hij, toen zijn contract met
Princeton was afgelopen, geen werk in de VS kon krijgen. Hij verhuisde
eerst naar Brazilië, vervolgens naar Israël en tenslotte in
1957 naar Engeland, waar hij eerst werkzaam was aan de Universiteit
van Bristol en later als hoogleraar in de Theoretische Fysica aan het
Birkbeck College, Universiteit van Londen, tot aan zijn pensionering
in 1987. Men zal zich Bohm vooral herinneren wegens twee radicale wetenschappelijke
theorieën: de causale interpretatie van de quantumfysica en de
theorie van de impliciete orde en de onverdeelde heelheid.
In 1952, het jaar na zijn gesprekken met Einstein, publiceerde Bohm
twee artikelen waarin hij schetste wat later de causale interpretatie
van de quantumtheorie zou worden genoemd die, naar hij zei, ‘de
deur opent naar de creatieve werkzaamheid van dieperliggende en toch
subtielere bestaansniveaus’.1 Hij
ging door met het uitwerken en verfijnen van zijn ideeën tot het
eind van zijn leven. Volgens hem zijn subatomaire deeltjes zoals elektronen
geen eenvoudige, structuurloze deeltjes, maar hooggecompliceerde, dynamische
entiteiten. Hij verwerpt de opvatting dat hun beweging fundamenteel
onzeker is; ze volgen een nauwkeurig pad, maar een pad dat niet alleen
door conventionele fysische krachten wordt bepaald maar ook door een
subtielere kracht die hij de quantumpotentiaal noemt. De quantumpotentiaal
leidt de beweging van deeltjes door het verschaffen van ‘actieve
informatie’ omtrent de hele omgeving. Bohm geeft de analogie van
een schip dat door radarsignalen wordt geleid: de radar draagt informatie
over van al het omringende en leidt het schip door vorm te geven aan
de beweging die wordt voortgebracht door de veel grotere maar ongevormde
kracht van zijn machines.
De quantumpotentiaal doordringt de hele ruimte en legt rechtstreeks
verband tussen quantumsystemen. In 1959 ontdekten Bohm en een jeugdige
researchstudent Yakir Aharonov een belangrijk voorbeeld van de onderlinge
quantumverbondenheid. Ze stelden vast dat in bepaalde omstandigheden
elektronen in staat zijn de aanwezigheid van een naburig magnetisch
veld te ‘voelen’ ook al reizen ze in gebieden van de ruimte
waar de kracht van het veld nul is. Dit verschijnsel is nu bekend als
het Aharonov-Bohm (AB) effect, en toen de ontdekking voor het eerst
werd bekendgemaakt reageerden veel natuurkundigen met ongeloof. Zelfs
nu nog, ondanks het feit dat in talrijke experimenten de werking is
bevestigd, verschijnen er nu en dan artikelen die beweren dat het niet
bestaat.
In 1982 werd een opmerkelijk experiment verricht door een onderzoeksteam
onder leiding van de natuurkundige Alain Aspect in Parijs, om de onderlinge
quantumverbondenheid te toetsen. Het oorspronkelijke denkbeeld was vervat
in een gedachtenexperiment (ook bekend als de ‘EPR paradox’)
in 1935 voorgesteld door Albert Einstein, Boris Podolsky en Nathan Rosen,
maar een belangrijk deel van de latere theoretische basis werd gelegd
door David Bohm en een van zijn enthousiaste medestanders, John Bell
van CERN, het centrum voor natuurkundig onderzoek bij Genève.
De resultaten van het experiment wezen duidelijk uit dat subatomaire
deeltjes die ver van elkaar verwijderd zijn met elkaar verbinding kunnen
hebben langs wegen die niet kunnen worden verklaard door de overdracht
van fysische signalen, die zich met de snelheid van het licht of een
lagere snelheid voortbewegen. Veel natuurkundigen, onder wie Bohm, beschouwen
deze ‘niet-lokale’ verbindingen als volstrekt ogenblikkelijk.
Een alternatief standpunt is dat het gaat om subtielere, niet-fysieke
krachten die zich sneller bewegen dan het licht, maar dit standpunt
heeft weinig aanhangers omdat de meeste natuurkundigen nog steeds geloven
dat niets de snelheid van licht kan overtreffen.
De causale interpretatie van de quantumtheorie ontmoette aanvankelijk
onverschilligheid of vijandigheid van de kant van andere fysici die
weinig op hadden met Bohm’s krachtige uitdaging aan de algemene
consensus. De laatste jaren heeft de theorie evenwel aan ‘respectabiliteit’
gewonnen. Bohm’s benadering leent zich ervoor om in verschillende
richtingen te worden ontwikkeld. Een aantal natuurkundigen bijvoorbeeld,
onder wie Jean-Paul Vigier en verscheidene anderen aan het Institut
Henri Poincaré in Frankrijk, verklaren de quantumpotentiaal in
termen van fluctuaties in een onderliggende ether.
In de jaren zestig begon Bohm het begrip orde nauwkeuriger te bekijken.
Op een dag zag hij op de televisie een apparaat dat dadelijk sterk op
zijn verbeelding werkte. Het bestond uit twee concentrische glazen cilinders
waarvan de tussenruimte was gevuld met glycerine, een zeer viskeuze
vloeistof. Als een druppel inkt in de vloeistof wordt gedaan en de buitenste
cilinder wordt gedraaid, dan wordt de druppel uitgerekt tot een draad
die tenslotte zo dun wordt dat hij onzichtbaar wordt; de inktdeeltjes
zijn ‘ingevouwen’ of impliciet aanwezig in de glycerine.
Maar als de cilinder daarna in tegengestelde richting wordt gedraaid,
verschijnt de draadvorm weer en wordt opnieuw een druppel; de druppel
is dan weer ontvouwd. Bohm besefte dat toen de inkt in de glycerine
werd verspreid deze zich niet in een toestand van ‘wanorde’
bevond, maar een verborgen, niet-gemanifesteerde orde bezat.
Naar de mening van Bohm zijn alle afzonderlijke voorwerpen, entiteiten,
structuren en gebeurtenissen in de zichtbare of expliciete wereld om
ons heen betrekkelijk autonome, stabiele en tijdelijke ‘subtotaliteiten’,
voortgekomen uit een diepere, impliciete orde van onverbroken heelheid.
Bohm geeft de analogie van een stromende rivier:2
Aan het oppervlak van deze rivier is misschien een
voortdurend veranderend patroon te zien van draaikolken, rimpelingen,
golven, enzovoort, die duidelijk niet onafhankelijk bestaan. Het zijn
abstracties van aspecten van de vloeiende beweging, die in het totale
proces van de stroom ontstaan en weer verdwijnen. Dit tijdelijke bestaan
van deze geabstraheerde vormen impliceert slechts een relatieve onafhankelijkheid
of zelfstandigheid in gedrag, en geen absolute onafhankelijkheid als
ultieme substanties.
We moeten leren alles te zien als een deel van een ‘onverdeelde
vloeiende heelheid’.3
Een ander beeld dat Bohm gebruikt om de impliciete orde te illustreren
is dat van het hologram. Om een hologram te maken wordt laserlicht gesplitst
in twee stralen, waarvan de één door een voorwerp wordt
weerkaatst naar een fotografische plaat waar hij interfereert met de
tweede straal. De ingewikkelde warrelingen van het interferentiepatroon
dat op de fotografische plaat wordt vastgelegd, doen zich aan het blote
oog voor als zinloos en wanordelijk. Maar net als de druppel inkt die
in de glycerine wordt verspreid, bezit het patroon een verborgen of
ingesloten orde, want wanneer het met laserlicht wordt verlicht, geeft
het een driedimensionaal beeld van het oorspronkelijke voorwerp, dat
vanuit iedere hoek kan worden bekeken. Een opmerkelijk kenmerk van een
hologram is dat als een holografische film in stukken wordt geknipt,
elk stuk een beeld produceert van het hele voorwerp, al is het beeld
vager naarmate het stuk kleiner is. Het is duidelijk dat de vorm en
structuur van het hele voorwerp in elk deel van de fotografische plaat
zijn vastgelegd.
Volgens Bohm kan het hele heelal worden gedacht als een soort reusachtig,
vloeiend hologram, of holobeweging, waarbij een totale orde
is vervat, in een impliciete zin, in elk gebied van de ruimte en de
tijd. De expliciete orde is een projectie van multidimensionale gebieden
van de werkelijkheid, en de schijnbare stabiliteit en soliditeit van
de voorwerpen en entiteiten die haar samenstellen, worden verwekt en
onderhouden door een onafgebroken proces van ‘invouwen en ontvouwen’,
want subatomaire deeltjes lossen voortdurend op in de impliciete orde
en kristalliseren daarna opnieuw.
De quantumpotentiaal, waarvan in de causale interpretatie wordt uitgegaan,
komt overeen met de impliciete orde. Bohm beweert echter dat de quantumpotentiaal
zelf wordt georganiseerd en geleid door een superquantumpotentiaal,
die een tweede impliciete orde, of superimpliciete orde, vertegenwoordigt.
Hij veronderstelt dat er mogelijk een oneindige reeks kan zijn en misschien
wel hiërarchieën van impliciete (of ‘generatieve’)
ordes, waarvan sommige betrekkelijk gesloten lussen vormen en andere
niet. Hogere impliciete ordes organiseren de lagere, die op hun beurt
de hogere beïnvloeden.
Bohm gelooft dat leven en bewustzijn diep in de generatieve orde zijn
besloten en dus in uiteenlopende graden van ontvouwing in alle stof
aanwezig zijn, met inbegrip van de zogenaamde ‘dode stof’
zoals elektronen of plasma’s. Hij beweert dat er een ‘protointelligentie’
in de stof is, zodat nieuwe evolutionaire ontwikkelingen niet toevallig,
maar op creatieve wijze verschijnen als betrekkelijk geïntegreerde
gehelen uit impliciete bestaansniveaus. De mystieke betekenis van Bohm’s
denkbeelden wordt onderstreept door zijn opmerking dat het impliciete
domein ‘evengoed idealisme, geest, bewustzijn zou kunnen worden
genoemd. De scheiding van de twee – stof en geest – is een
abstractie. De basis is altijd één’.4
Zoals bij alle waarlijk grote denkers kwamen de filosofische denkbeelden
van David Bohm tot uitdrukking in zijn karakter en levensstijl. Zijn
leerlingen en collega’s beschrijven hem als volstrekt onzelfzuchtig
en vrij van wedijver, steeds bereid zijn laatste opvattingen met anderen
te delen, altijd toegankelijk voor nieuwe ideeën, en doelgericht
gewijd aan een rustig maar hartstochtelijk onderzoek van de aard van
de werkelijkheid. In de woorden van een van zijn oudleerlingen, ‘Men
kan hem slechts karakteriseren als een wereldlijke heilige’.5
Bohm geloofde dat de algemene geneigdheid van individuen, naties, rassen,
maatschappelijke groeperingen, enz., om elkaar als fundamenteel verschillend
en afgescheiden te beschouwen, een voorname bron van conflicten in de
wereld was. Hij hoopte dat de mensen uiteindelijk tot de erkenning zouden
komen van de essentiële onderlinge verwantschap van alle dingen
en zich zouden aaneensluiten om een meer holistische en harmonische
wereld op te bouwen. Hoe kunnen we het leven en het werk van David Bohm
beter eren dan deze boodschap ter harte te nemen en het ideaal van universele
broederschap tot de grondtoon van ons leven te maken.
Verwijzingen
- David Bohm & F. David Peat, Science, Order
& Creativity, Bantam Books, New York, 1987, blz. 88.
- David Bohm, Heelheid en de Impliciete Orde,
Lemniscaat, Rotterdam, 1985, blz. 23.
- Ibid., blz. 57.
- Aangehaald in Michael Talbot, The Holographic
Universe, HarperCollins, New York, 1991, blz. 271.
- J. Hiley & F. David Peat (red.), Quantum Implications:
Essays in Honour of David Bohm, Routledge & Kegan Paul, Londen,
1987, blz. 48.