God en de goden
Patrick Powell

 

Wij zijn vertrouwd met de term God. Voor velen van ons vertegenwoordigt hij een entiteit of een wezen dat verantwoordelijk is voor alles wat er met ons gebeurt, is gebeurd of zal gebeuren; hij alleen weet het waarom van de gebeurtenissen, zowel persoonlijk, mondiaal als universeel. Het is het wezen naar wie mensen, als de dingen niet goed gaan, uitzien voor leiding en vergeving en verklaringen van de dingen om hen heen. In de bijbel, de hoeksteen van de orthodoxe christelijke religie, staat in het boek Genesis dat het heelal is geschapen door ’elohim, een meervoudig Hebreeuws woord dat ‘goddelijke wezens’ betekent. In de vertaling door de monotheïstische Hebreeërs en door de christenen die de geschriften overnamen, werd het woord omgezet in het enkelvoud – goddelijk wezen. Langgeleden in de joods-christelijke traditie werd dus over goden gesproken. Deze goden moeten altijd hebben bestaan, want als zij de hemelen schiepen en de aarde waarop wij leven, moeten zij daarvoor hebben bestaan. In alle religies komt het begrip goden veelvuldig voor, of men spreekt over engelen, feeën of deva’s, enz. In 1 Korinthiërs 8:5 spreekt Paulus over ‘goden in menigte en heren in menigte’.

Wat is het doel van deze goden? Vanwaar zijn ze gekomen? Staan ze in relatie met ons? Misschien kunnen we deze goddelijke wezens een plaats geven in het plan van de dingen. Wij hebben eerder in vroegere tijdsperioden bestaan en het doel van die verschijningen was de ontwikkeling van de ziel. Teruggaande in de tijd zover we kunnen, zover als ons denken dat toestaat, begonnen we onze reis als niet-zelfbewuste vonken van het Onbekende. Wat is het Onbekende? Die vraag tart een antwoord. Het doel van onze evolutiereis is het bewustzijn te ontwikkelen – we spreken niet over het stoffelijke, maar over het spirituele.

Om zelfbewustzijn te ontwikkelen moeten we door ieder aspect van stof en geest gaan dat bestaat. Als we onze evolutie beginnen in deze kosmische periode – slechts één van vele – belichamen we ons op deze bol. Deze bol heeft niet eeuwig bestaan. Hij evolueerde, net als de materie die wij nodig hadden om te kunnen bestaan. De goden of geesten, die wezens die aan ons voorafgingen, ontwikkelden de stof, zodat de monadische essentie die wij zelf zijn, de voertuigen en omgeving zou hebben die nodig zijn voor onze evolutionaire groei. Deze goden werden op hun beurt geholpen door wezens die geestelijk nog hoger waren geëvolueerd dan zijzelf. We krijgen hier een beeld van een zich voortzettende evolutie.

Het Hermetische axioma – ‘zo boven, zo beneden; zoals het in het groot is, is het in het klein’ – kunnen we op onszelf toepassen. Het gebod van het Orakel van Delphi, ‘Ken u zelf’, is heel belangrijk, want als we onszelf bestuderen, bestuderen we in feite het hele scheppingsproces. Alle dingen die in onszelf gebeuren, gebeuren op alle gebieden, van het kleinste tot het hoogste en grootste. Als we deze gedachte logisch uitbreiden kunnen we zeggen dat het hoogste geestelijke wezen dat we ons kunnen indenken, eens een mens was – meer dan dat, zelfs een atoom. We kunnen zelfs nog verder gaan als we van deze dingen een diepe studie maken.

Theosofisch gesproken is alles bewustzijn: een atoom heeft bewustzijn, evenals de samenstellende delen van een atoom, elektronen, protonen, enz. Hun bewustzijn verschilt enorm van het onze want wij zijn zelfbewust. Toch hebben ook deze uiterst kleine deeltjes hun leven en bestaan. Voor ons is hun levensduur zeer kort, maar voor henzelf kan het een eeuwigheid zijn. Hun leven staat niet los van het onze, ze zijn een deel van ons, ze helpen ons bij de bouw van de voertuigen voor onze monadische essentie. Ze zijn niet toevallig maar karmisch met ons verbonden. Ze bestaan en ontvangen hun leven door onze vitale essentie en zijn daardoor verantwoordelijk jegens ons, zoals wij verantwoordelijk zijn voor hen. Zij leven en ondergaan hun stoffelijke dood voor ons en wij helpen hen op onze beurt met hun groei. Als wij op een of andere wijze in strijd handelen met de wet van harmonie die alle dingen doordringt, vertragen wij in feite de ontwikkeling van deze evoluerende entiteiten. Wij zijn in werkelijkheid hun goden.

Als we deze gedachte uitbreiden, kunnen we onszelf zien als een elektron of proton die leeft binnen een atoom, dat zelf zijn bestaan heeft in een molecule, die zich in een wezen bevindt, dat op een lichaam of planeet bestaat dat tot een zonnestelsel behoort, dat op zijn beurt zijn plaatsheeft in een melkwegstelsel, dat zich in een nog groter heelal bevindt, enzovoort ad infinitum – een prachtige filosofie die geen begin of einde toestaat. We kunnen proberen hierover na te denken tot de grootheid van de gedachte ons doet duizelen. Het hoogste geestelijke wezen dat het hoogste geestelijke wezen kan kennen is niet meer dan een elektron in een nog veel groter wezen. Andersom is het elektron het hoogste geestelijke wezen dat zijn elektron kan kennen. Dit zijn gedachten die het verstand verbijsteren. Paulus zegt hierover: ‘In Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij . . . Want wij zijn ook van zijn geslacht’ (Handelingen 17:28) – een evolutieproces zonder begin en zonder einde.

Het begrip goden heeft niet alleen betrekking op bepaalde hooggeëvolueerde wezens die, naar wij menen, niet met ons in relatie staan. Wij als mensen zijn potentiële goden. Wat maakt een adept tot adept? We kunnen objectief spreken over de innerlijke structuur van een mens, maar kunnen we begrijpen wat een volmaakt mens werkelijk is? Iemand die een onbeperkt mededogen bezit, die (met ons vergeleken) een onbeperkte kennis bezit, iemand die in navolging van het bodhisattva-ideaal bereid is zijn eigen verlossing op te geven om de ‘verweesde mensheid’ te helpen of ‘tot het moment dat het laatste grassprietje nirvana binnengaat’? Voor mij zijn deze mensen goddelijk en bezitten ze verheven geestelijke vermogens en waarden; toch zijn wij in eenzelfde positie voor de zich ontwikkelende entiteiten die hun bestaan hebben in ons wezen.

onze menselijke ziel is een god in embryo; . . . Onze menselijke ziel zal in een toekomstig manvantara een monade worden. Als de mens de manvantarische reis met succes volbrengt, is het zijn bestemming de samengestelde logos van een volgende hiërarchie te worden, zoals hij nu in feite in de lagere hiërarchie, die hijzelf is, de logos is van het bijna oneindige aantal lagere wezens waaruit zijn persoonlijke natuur bestaat. .
      – Beginselen van de Esoterische Filosofie, blz. 182

We hebben gesproken over goden, maar hoe staat het met God? Wie of wat is God? We hebben God beperkt in een poging hem te doen passen in ons kennis- en begripspatroon. Bijgevolg geven we hem eigenschappen die hem omlaaghalen tot een niveau dat we kunnen begrijpen. We maken God naar ons beeld en zeggen ‘dat is God’. Dat is niet juist, want God is het Absolute. Absoluut komt van het Latijnse absolutum, dat ‘bevrijd, losgemaakt, vervolmaakt, compleet’ betekent. Het Absolute is dat waaruit alle dingen voortkomen en toch, hoe paradoxaal ook, zijn wij er één mee. Dit is niet hetzelfde als het oneindige dat de joodse Kabbala ’eyn soph (zonder grenzen) noemt, dat de hindoes Tat (Dat) noemen en de taoïsten Tao (‘Het Tao dat genoemd kan worden is niet het onsterfelijke Tao’). Zelfs onze hoogste geestelijke eigenschap is slechts betrekkelijk vergeleken met Dat. We zullen altijd worstelen om het oneindige te beschrijven, omdat het elke beschrijving en definitie te boven gaat, het heeft geen eigenschappen en bezit toch alle eigenschappen. Het heeft geen vorm, omdat vorm op beperking duidt. Het denkt niet, omdat het uitgaat boven het denken. Misschien is de beste benadering tot begrip er in negatieve zin over te spreken en te zeggen wat het niet is.

De kosmische evolutie en het begin ervan worden in het algemeen in oude kosmogonieën als volgt beschreven:

‘In het begin was dat’; en dit begin betekende niet een absoluut begin van de hele oneindigheid, wat absurd is, maar een van de beginpunten van een stelsel in de grenzeloze duur. Als zijn tijd begint, komt de logos tevoorschijn en met de logos wordt een van deze ontelbare monadische punten in dat bedoeld; en uit deze ene logos ontwikkelt zich een hiërarchie – hetzij een kosmische hiërarchie, of een zonnestelsel, een mens of een atoom. . . .

In en om al zulke manifestaties van kosmische logoi of heelallen . . . is het naamloze, dat evenzeer de intuïtie van de hoogste goden in alle gemanifesteerde heelallen te boven gaat als het begripsvermogen van de mens. Het is de onbegrensde oneindigheid, de begin- en eindeloze duur en het volslagen onbegrijpelijke grenzeloze leven dat eeuwig is.
     – Bron van het Occultisme, blz. 102-3

Het oneindige staat boven goed of kwaad, boven afmeting – alle eigenschappen beperken het alleen. Het staat boven alles; en alles wat ooit was, is en zal zijn, zal uiteindelijk terugkeren tot Dat waaruit ze voortkwamen.

Toch zijn wij in het hart van het hart van onszelf Dat, of zoals de Hindoes het zeggen: Tat tvam asi (Dat bent u). Uit dit alles zouden we de heiligheid moeten beseffen van al datgene waaruit we zijn samengesteld en van dat grotere wezen van wie we een samenstellend deel zijn. We kunnen dit toepassen op onszelf en onze medemensen en op alle wezens beneden ons. Er is inderdaad niets waarvan we zijn gescheiden. Al is het juist aan goden te denken als hoogontwikkelde en geestelijke wezens, we moeten ook naar binnen zien, naar onze eigen samengestelde natuur, want we zijn werkelijk goden en grotere goden in wording. Als we deze dingen bestuderen, zien we op onze beurt alle dingen in al het andere. Al zijn God en de goden ons op het eerste gezicht ver vooruit op de evolutionaire ladder, ze zijn in wezen ons zeer nabij.

 

Uit het tijdschrift Sunrise mrt/apr 1993

© 1993 Theosophical University Press Agency


 

 

Een mens zonder humor is als een wagen zonder veren. Hij hobbelt ongemakkelijk over iedere steen op de weg.    – Henry Ward Beecher