Wij zijn vertrouwd met de term God. Voor velen van ons vertegenwoordigt
hij een entiteit of een wezen dat verantwoordelijk is voor alles wat
er met ons gebeurt, is gebeurd of zal gebeuren; hij alleen weet het
waarom van de gebeurtenissen, zowel persoonlijk, mondiaal als universeel.
Het is het wezen naar wie mensen, als de dingen niet goed gaan, uitzien
voor leiding en vergeving en verklaringen van de dingen om hen heen.
In de bijbel, de hoeksteen van de orthodoxe christelijke religie, staat
in het boek Genesis dat het heelal is geschapen door ’elohim,
een meervoudig Hebreeuws woord dat ‘goddelijke wezens’ betekent.
In de vertaling door de monotheïstische Hebreeërs en door
de christenen die de geschriften overnamen, werd het woord omgezet in
het enkelvoud – goddelijk wezen. Langgeleden in de joods-christelijke
traditie werd dus over goden gesproken. Deze goden moeten altijd hebben
bestaan, want als zij de hemelen schiepen en de aarde waarop wij leven,
moeten zij daarvoor hebben bestaan. In alle religies komt het begrip
goden veelvuldig voor, of men spreekt over engelen, feeën of deva’s,
enz. In 1 Korinthiërs 8:5 spreekt Paulus over ‘goden
in menigte en heren in menigte’.
Wat is het doel van deze goden? Vanwaar zijn ze gekomen? Staan ze in
relatie met ons? Misschien kunnen we deze goddelijke wezens een plaats
geven in het plan van de dingen. Wij hebben eerder in vroegere tijdsperioden
bestaan en het doel van die verschijningen was de ontwikkeling van de
ziel. Teruggaande in de tijd zover we kunnen, zover als ons denken dat
toestaat, begonnen we onze reis als niet-zelfbewuste vonken van het
Onbekende. Wat is het Onbekende? Die vraag tart een antwoord. Het doel
van onze evolutiereis is het bewustzijn te ontwikkelen – we spreken
niet over het stoffelijke, maar over het spirituele.
Om zelfbewustzijn te ontwikkelen moeten we door ieder aspect van stof
en geest gaan dat bestaat. Als we onze evolutie beginnen in deze
kosmische periode – slechts één van vele –
belichamen we ons op deze bol. Deze bol heeft niet eeuwig bestaan. Hij
evolueerde, net als de materie die wij nodig hadden om te kunnen bestaan.
De goden of geesten, die wezens die aan ons voorafgingen, ontwikkelden
de stof, zodat de monadische essentie die wij zelf zijn, de voertuigen
en omgeving zou hebben die nodig zijn voor onze evolutionaire groei.
Deze goden werden op hun beurt geholpen door wezens die geestelijk nog
hoger waren geëvolueerd dan zijzelf. We krijgen hier een beeld
van een zich voortzettende evolutie.
Het Hermetische axioma – ‘zo boven, zo beneden; zoals het
in het groot is, is het in het klein’ – kunnen we op onszelf
toepassen. Het gebod van het Orakel van Delphi, ‘Ken u zelf’,
is heel belangrijk, want als we onszelf bestuderen, bestuderen we in
feite het hele scheppingsproces. Alle dingen die in onszelf gebeuren,
gebeuren op alle gebieden, van het kleinste tot het hoogste en grootste.
Als we deze gedachte logisch uitbreiden kunnen we zeggen dat het hoogste
geestelijke wezen dat we ons kunnen indenken, eens een mens was –
meer dan dat, zelfs een atoom. We kunnen zelfs nog verder gaan als we
van deze dingen een diepe studie maken.
Theosofisch gesproken is alles bewustzijn: een atoom heeft bewustzijn,
evenals de samenstellende delen van een atoom, elektronen, protonen,
enz. Hun bewustzijn verschilt enorm van het onze want wij zijn zelfbewust.
Toch hebben ook deze uiterst kleine deeltjes hun leven en bestaan. Voor
ons is hun levensduur zeer kort, maar voor henzelf kan het een eeuwigheid
zijn. Hun leven staat niet los van het onze, ze zijn een deel van ons,
ze helpen ons bij de bouw van de voertuigen voor onze monadische essentie.
Ze zijn niet toevallig maar karmisch met ons verbonden. Ze bestaan en
ontvangen hun leven door onze vitale essentie en zijn daardoor verantwoordelijk
jegens ons, zoals wij verantwoordelijk zijn voor hen. Zij leven en ondergaan
hun stoffelijke dood voor ons en wij helpen hen op onze beurt met hun
groei. Als wij op een of andere wijze in strijd handelen met de wet
van harmonie die alle dingen doordringt, vertragen wij in feite de ontwikkeling
van deze evoluerende entiteiten. Wij zijn in werkelijkheid hun goden.
Als we deze gedachte uitbreiden, kunnen we onszelf zien als een elektron
of proton die leeft binnen een atoom, dat zelf zijn bestaan heeft in
een molecule, die zich in een wezen bevindt, dat op een lichaam of planeet
bestaat dat tot een zonnestelsel behoort, dat op zijn beurt zijn plaatsheeft
in een melkwegstelsel, dat zich in een nog groter heelal bevindt, enzovoort
ad infinitum – een prachtige filosofie die geen begin
of einde toestaat. We kunnen proberen hierover na te denken tot de grootheid
van de gedachte ons doet duizelen. Het hoogste geestelijke wezen dat
het hoogste geestelijke wezen kan kennen is niet meer dan een elektron
in een nog veel groter wezen. Andersom is het elektron het hoogste geestelijke
wezen dat zijn elektron kan kennen. Dit zijn gedachten die
het verstand verbijsteren. Paulus zegt hierover: ‘In Hem leven
wij, bewegen wij ons en zijn wij . . . Want wij zijn ook van zijn geslacht’
(Handelingen 17:28) – een evolutieproces zonder begin
en zonder einde.
Het begrip goden heeft niet alleen betrekking op bepaalde hooggeëvolueerde
wezens die, naar wij menen, niet met ons in relatie staan. Wij als mensen
zijn potentiële goden. Wat maakt een adept tot adept? We kunnen
objectief spreken over de innerlijke structuur van een mens, maar kunnen
we begrijpen wat een volmaakt mens werkelijk is? Iemand die een onbeperkt
mededogen bezit, die (met ons vergeleken) een onbeperkte kennis bezit,
iemand die in navolging van het bodhisattva-ideaal bereid is zijn eigen
verlossing op te geven om de ‘verweesde mensheid’ te helpen
of ‘tot het moment dat het laatste grassprietje nirvana binnengaat’?
Voor mij zijn deze mensen goddelijk en bezitten ze verheven geestelijke
vermogens en waarden; toch zijn wij in eenzelfde positie voor de zich
ontwikkelende entiteiten die hun bestaan hebben in ons wezen.
onze menselijke ziel is een god in embryo; . . .
Onze menselijke ziel zal in een toekomstig manvantara een monade worden.
Als de mens de manvantarische reis met succes volbrengt, is het zijn
bestemming de samengestelde logos van een volgende hiërarchie
te worden, zoals hij nu in feite in de lagere hiërarchie, die
hijzelf is, de logos is van het bijna oneindige aantal lagere wezens
waaruit zijn persoonlijke natuur bestaat. .
– Beginselen van de Esoterische
Filosofie, blz. 182
We hebben gesproken over goden, maar hoe staat het met God? Wie of
wat is God? We hebben God beperkt in een poging hem te doen passen in
ons kennis- en begripspatroon. Bijgevolg geven we hem eigenschappen
die hem omlaaghalen tot een niveau dat we kunnen begrijpen. We maken
God naar ons beeld en zeggen ‘dat is God’. Dat is niet juist,
want God is het Absolute. Absoluut komt van het Latijnse absolutum,
dat ‘bevrijd, losgemaakt, vervolmaakt, compleet’ betekent.
Het Absolute is dat waaruit alle dingen voortkomen en toch, hoe paradoxaal
ook, zijn wij er één mee. Dit is niet hetzelfde als het
oneindige dat de joodse Kabbala ’eyn soph (zonder grenzen)
noemt, dat de hindoes Tat (Dat) noemen en de taoïsten
Tao (‘Het Tao dat genoemd kan worden is niet het onsterfelijke
Tao’). Zelfs onze hoogste geestelijke eigenschap is slechts betrekkelijk
vergeleken met Dat. We zullen altijd worstelen om het oneindige te beschrijven,
omdat het elke beschrijving en definitie te boven gaat, het heeft geen
eigenschappen en bezit toch alle eigenschappen. Het heeft geen vorm,
omdat vorm op beperking duidt. Het denkt niet, omdat het uitgaat boven
het denken. Misschien is de beste benadering tot begrip er in negatieve
zin over te spreken en te zeggen wat het niet is.
De kosmische evolutie en het begin ervan worden in het algemeen in
oude kosmogonieën als volgt beschreven:
‘In het begin was dat’; en dit begin
betekende niet een absoluut begin van de hele oneindigheid, wat absurd
is, maar een van de beginpunten van een stelsel in de grenzeloze duur.
Als zijn tijd begint, komt de logos tevoorschijn en met de logos wordt
een van deze ontelbare monadische punten in dat bedoeld; en uit deze
ene logos ontwikkelt zich een hiërarchie – hetzij een kosmische
hiërarchie, of een zonnestelsel, een mens of een atoom. . . .
In en om al zulke manifestaties van kosmische
logoi of heelallen . . . is het naamloze, dat evenzeer de intuïtie
van de hoogste goden in alle gemanifesteerde heelallen te boven gaat
als het begripsvermogen van de mens. Het is de onbegrensde oneindigheid,
de begin- en eindeloze duur en het volslagen onbegrijpelijke grenzeloze
leven dat eeuwig is.
– Bron van het Occultisme,
blz. 102-3
Het oneindige staat boven goed of kwaad, boven afmeting – alle
eigenschappen beperken het alleen. Het staat boven alles; en
alles wat ooit was, is en zal zijn, zal uiteindelijk terugkeren tot
Dat waaruit ze voortkwamen.
Toch zijn wij in het hart van het hart van onszelf Dat, of zoals de
Hindoes het zeggen: Tat tvam asi (Dat bent u). Uit dit alles
zouden we de heiligheid moeten beseffen van al datgene waaruit we zijn
samengesteld en van dat grotere wezen van wie we een samenstellend deel
zijn. We kunnen dit toepassen op onszelf en onze medemensen en op alle
wezens beneden ons. Er is inderdaad niets waarvan we zijn gescheiden.
Al is het juist aan goden te denken als hoogontwikkelde en geestelijke
wezens, we moeten ook naar binnen zien, naar onze eigen samengestelde
natuur, want we zijn werkelijk goden en grotere goden in wording. Als
we deze dingen bestuderen, zien we op onze beurt alle dingen in al het
andere. Al zijn God en de goden ons op het eerste gezicht ver vooruit
op de evolutionaire ladder, ze zijn in wezen ons zeer nabij.