Het materialisme en wat ermee gepaard gaat – hebzucht en zelfzucht
– hebben het bewustzijn van de mensheid in de hele wereld zo in
hun greep dat de religieuze uitingen van de mens in deze tijd hopeloos
in de ban ervan zijn geraakt. We weten allemaal waar het om draait bij
inzamelingen voor kerk, tempel of synagoge, het aanprijzen van een ‘hoogste
bewustzijn’ door middel van een of andere techniek of een voorwerp,
het toegeven aan verlangens het ledental te vergroten en het uitoefenen
van politieke druk die noodzakelijk wordt geacht om een geestelijk programma
te verwezenlijken? Is het zo vreemd dat velen zich afvragen: Wat is
religie?
Vele religies spannen zich tegenwoordig ervoor in het lijden te verlichten,
maar in welk opzicht verschillen ze van de vele wereldlijke dienstverlenende
organisaties, als ze niet op een spiritueel niveau werken en
eerder de oorzaken dan de gevolgen aanpakken? Aan bijna tweederde van
het geweld op aarde liggen negatieve religieuze activiteiten ten grondslag.
Daar komt nog bij dat eeuwen van dogmatiek en ritueel ons blind hebben
gemaakt voor individuele geestelijke ervaringen, en we ons goden hebben
geschapen die losstaan van onszelf en op wie we voor allerlei voorrechten
een beroep kunnen doen. Is dit religie? De afgelopen dertig jaar zijn
getuige van een opmerkelijke verandering die erop neerkomt dat men zich
afwendt van vroegere religieuze praktijken. Voor sommigen echter was
de gedachte een ruimere en vrije wereld in te gaan en zich op het eigen
oordeel te verlaten beangstigend. De behoefte zich door een ander te
laten vertellen wat geestelijk juist is, in plaats van zelf na te denken,
gekoppeld aan het verlangen privileges te behouden door te voorkomen
dat anderen vrij gaan denken en handelen, heeft gezorgd voor een wereldwijd
opkomen van religieus fundamentalisme, fanatisme en dweepzucht. Waar
blijft ons gevoel voor ware religie als er openlijke of subtiele dwang
op onze medemensen wordt uitgeoefend, vaak om leringen te propageren
die worden gevoed door een extreem vertoon van emoties, of om de innerlijke
ontdekkingen van de ander te kleineren? Deze arrogantie om te proberen
iemand van zijn eigen geloof af te brengen en te bekeren, moedigt in
feite verdeeldheid en ontrouw aan – elementen die tegengesteld
zijn aan ware religie.
In dit tijdperk van zelfzucht, die vanuit het onderbewuste wordt gevoed
door een leer van persoonlijke verlossing, beginnen bij velen de schellen
van de ogen te vallen. De mensen gaan weer op zoek naar universele waarheid
– de hoogste religie. Welke geestelijke waarden zijn er nodig
om deze transformatie te doen voortgaan en om de verstoffelijkende invloed
van de uiterlijke wereld op de geestelijke te stoppen? H.P. Blavatsky
zegt het als volgt:
Naar onze bescheiden mening zijn de enige ‘essentiële
waarden’ in de religie van de mensheid – deugdzaamheid,
moraliteit, broederlijke liefde en vriendelijke sympathie voor ieder
levend wezen, of het een mens is of een dier. . . . de meest fundamentele
verschillen tussen religies en sekten verliezen hun betekenis bij
het enorme probleem een verzoening bij de mensheid tot stand te brengen,
alle verschillende rassen tot één familie te verenigen
en om allen ervan te overtuigen hoe volstrekt noodzakelijk het is
om in dit tranendal gevoelens van broederlijke sympathie en verdraagzaamheid
te kweken, zo niet van ware liefde.
– Collected Writings,
4:502-3
Waar en hoe kunnen we de grondslag voor deze ‘essentiële
waarden’ van religie ontdekken? Uit welke bron vloeien deugdzaamheid,
moraliteit en broederlijke liefde? Hoe ontwikkelen we sympathie voor
ieder levend wezen en hoe kunnen we de mensen zich met elkaar laten
verzoenen? Omdat de wortel van het woord religie binden betekent,
moeten onze grootste inspanningen erop zijn gericht om ons ervan bewust
te zijn dat alle wezens met elkaar zijn verbonden in een universele
broederschap. Wat zijn de blijvende, universele banden die ons samenbinden
en hoe kunnen we, als we die uit het oog hebben verloren, het heilige
weer zijn plaats teruggeven in het wereldse?
De manier waarop we naar de wereld kijken, bepaalt de diepte van inzicht
in de enorme problemen waarmee de mensheid heeft te kampen. Het kan,
om te beginnen, helpen als men religie en wetenschap eerder ziet als
elkaar aanvullende middelen tot het begrijpen van het onbekende, dan
als elkaars tegengestelden. De waarheid, zelfs al wordt ze maar gedeeltelijk
begrepen, kan en moet op veel manieren tot uitdrukking worden gebracht.
In vroegere eeuwen waren wetenschapper en mysticus partners die samenwerkten
om de aard van het heelal en van onszelf te leren begrijpen –
ons verleden en onze bestemming. De grondslagen van wetenschap en de
essentiële waarden van religie liggen voor het grijpen, als we
maar ‘de ogen hebben om te zien en de oren om te horen’.
Overal zien we vorm – zelfs chaos wordt nu beschreven als vorm
die we nog niet begrijpen. En waar kan een vorm of patroon bestaan zonder
een vormgevende macht – bewustzijn? Kunnen er, als het heelal
oneindig is, beperkingen bestaan of een ‘opperste’ godheid,
met een andere godheid daarbuiten als tegenstander? Het oneindige moet
vanzelfsprekend ons eindige bevattingsvermogen te boven gaan en woorden
zijn volstrekt ontoereikend om over te brengen waar het op lijkt of
wat het is. Misschien kunnen we alleen door een zorgvuldige waarneming
van haar verschillende vormen enig inzicht verkrijgen in haar aard en
doel.
De kosmogonieën van de wereld spreken over het Ene en het vele.
Sommigen kennen aan het Ene het vermogen toe het vele te ‘scheppen’
uit niets, een tarting van de logica; anderen opperen dat het vele emaneert
vanuit en door middel van het Ene dat niet iets is. Het heelal is de
uitdrukking van het ontwakende, zich uitbreidende bewustzijn van het
Ene en voor ons denken is het de onmetelijke uitgestrektheid waarop
in christelijke bewoordingen wordt gezinspeeld als het Ene waarin we
leven, bewegen en zijn. Hieruit volgt dat er geen openbaring bestaat
zonder bewustzijn en alle eenheden – zichtbaar gemanifesteerd
of abstract bepaald – levende, evoluerende wezens zijn. Alles
lijkt dus voort te komen uit een goddelijke oorsprongloze oorsprong
met als doel de evolutie van het bewustzijn. Als vonken van het oneindige,
manifesteren ze zich periodiek om de evolutionaire uitbreiding van het
bewustzijn voort te zetten. De stof, die medewerker en instrument van
de evolutie van het bewustzijn is, ontvouwt voortdurend van binnenuit
op alle gebieden het onbeperkte potentieel van het leven. Wij mensen
zijn, als uitingen van bewustzijn, niet alleen direct verantwoordelijk
als de inrichters van onze wereld, maar hebben in ons de talenten om
verbeteringen en toevoegingen aan te brengen. Als we deze kosmische
dimensies in ons denken betrekken, welke wonderen zouden we dan tot
stand kunnen brengen! De mogelijkheden tot verbetering van alle levende
wezens worden alleen beperkt door de gezamenlijke en individuele handelingen
die we dagelijks verrichten. Zelfs als we schijnen te falen, kunnen
we moed putten uit het besef dat we altijd een nieuwe kans krijgen.
We kunnen er zeker van zijn dat in alle handelingen rechtvaardigheid
zegeviert, want wat we voortbrengen, ontvangen we weer terug –
wat we zaaien zullen we oogsten. Hierop berusten, van het universele
tot het bijzondere, zeden en normen, evenals universele en onvoorwaardelijke
sympathie, zo niet liefde, voor alle wezens.
We zijn van nature religieus. Onze onwetendheid – en als gevolg
daarvan ons lijden – spruit voort uit het feit dat we meer op
ons stoffelijk zelf gericht zijn dan op het goddelijke in ons. De eerste
stap naar een religieuze ervaring, en paradoxaal ook de laatste, is
het beseffen van onze eenheid met alle wezens. Geest en stof zijn één.
Om onszelf te zien zoals we werkelijk zijn, moeten we dienovereenkomstig
handelen. Het wordt tijd dat we ons met ons hart en denken inzetten
om de uitdagingen aan te pakken. Als we ons geboorterecht als geestelijke
wezens aanvaarden, aanvaarden we dit recht ook voor anderen, tegelijk
met de verantwoordelijkheid die ermee gepaard gaat. Er wordt ons niets
geschonken dat we niet verdienen; geen kracht van buiten brengt ons
in verzoeking, als ze geen deel is van onszelf. We moeten leren niet
te handelen uit angst voor straf of hoop op beloning, wat niets anders
dan zelfzucht is, maar omdat we een uitdrukking zijn van een zich ontvouwend
bewustzijn met oneindige mogelijkheden.
Met welke middelen kunnen we deze universele wetten ontdekken, of het
bestaan van zo’n groots bewustzijn bewijzen? Misschien is het
meest geavanceerde middel om onze ontdekking te testen en te verifiëren
de combinatie van verstand en hart, samengebracht door de intuïtie.
Ongetwijfeld wordt uit vriendelijke daden en onzelfzuchtig dienen wijsheid
geboren. Als we daarmee beginnen met dezelfde intense kracht en hetzelfde
diepe geloof waarmee we onze stoffelijke instrumenten voor wetenschappelijk
onderzoek bouwen en gebruiken, kunnen we in ons inzicht een stap voorwaarts
doen die de hele mensheid ten goede zal komen.
Het ontwaken van het bewustzijn bij de vroege mensheid, zoals dat in
de mythologieën van de wereld wordt verteld, was een belangrijk
feit, dat in bepaalde opzichten een voorbode vormde van de gebeurtenissen
in de verre toekomst. In dit grootse verleden werd de mensheid in het
algemeen niet bezwaard door woorden, ideeën of begrippen die religie
omschrijven. Ze kenden geen uiterlijke rituele structuren en geen scheiding
tussen het heilige en het wereldlijke. Niettemin voelden ze dat ze met
elkaar en met alle wezens , aardse of stellaire, waren verbonden, als
erfdeel van goddelijke generaties. Zoals vaak gezegd wordt, verkeerde
deze vroege mensheid met de goden en getuigde hun leven van eerbied
en wijsheid. Het zou niet juist zijn om deze oude volkeren te veel te
idealiseren; ze hadden immers ook hun problemen. Wat ze echter gemeen
hadden was het besef dat de aarde, de natuurkrachten en de seizoenen
verheven uitingen van bewustzijn waren. Achter de uiterlijke sluiers
van de natuur zagen ze de essentie van het leven. Ons denkvermogen heeft
nu dezelfde mogelijkheden, maar het rumoer en de verlokkingen van het
bestaan vormen tegenwoordig een te grote afleiding. De zogenaamde wilden
of aboriginals, die dichtbij de natuur zijn blijven leven, bezitten
zelfs in deze tijd een innerlijke kennis van de universele wetten, al
zeggen ze misschien niet waarop ze die kennis baseren. De mensheid had
vroeger geen snelwegen om zich naar de opening van nieuwe winkelcentra
te spoeden, maar zag wel hoe wilde bloemen zich openen en leerde daaruit
de hartslag van het oneindige leven kennen. De nacht was niet zozeer
vervuld van angst voor de medemens, als wel van het wonder van het opkomen
en ondergaan van de sterrenhemel boven ons.
Misschien kunnen we in ons voordiluviaans verleden een bruikbaar model
vinden voor de toepassing van deugden en moreel gedrag en het verheffen
van de mensheid die niet in dogma’s en rituelen zijn te vinden,
maar zijn verweven met de structuur van het bestaan zelf. Dan zien we
wellicht ieder wezen weer als een uiting van eenheid. Door ervaring
kunnen we leren dat de universele geest werkt vanuit ons innerlijk zelf,
dezelfde geest die de sterren boven ons en de bloemen aan onze voeten
bezielt. In alle dingen kunnen we de belichaming van het allerhoogste
herkennen. Geen woning is dan te klein of onbetekenend. Geen schepsel,
man of vrouw, dier of plant zal als minderwaardig worden beschouwd,
maar elk zal gezien worden in zijn ware rol als onderhouder van de universele
orde. Dat zijn de grondslagen en de bron van religie en het ervaren
ervan verbindt ons allen.