De essentie van religie
Alan E. Donant

 

Het materialisme en wat ermee gepaard gaat – hebzucht en zelfzucht – hebben het bewustzijn van de mensheid in de hele wereld zo in hun greep dat de religieuze uitingen van de mens in deze tijd hopeloos in de ban ervan zijn geraakt. We weten allemaal waar het om draait bij inzamelingen voor kerk, tempel of synagoge, het aanprijzen van een ‘hoogste bewustzijn’ door middel van een of andere techniek of een voorwerp, het toegeven aan verlangens het ledental te vergroten en het uitoefenen van politieke druk die noodzakelijk wordt geacht om een geestelijk programma te verwezenlijken? Is het zo vreemd dat velen zich afvragen: Wat is religie?

Vele religies spannen zich tegenwoordig ervoor in het lijden te verlichten, maar in welk opzicht verschillen ze van de vele wereldlijke dienstverlenende organisaties, als ze niet op een spiritueel niveau werken en eerder de oorzaken dan de gevolgen aanpakken? Aan bijna tweederde van het geweld op aarde liggen negatieve religieuze activiteiten ten grondslag. Daar komt nog bij dat eeuwen van dogmatiek en ritueel ons blind hebben gemaakt voor individuele geestelijke ervaringen, en we ons goden hebben geschapen die losstaan van onszelf en op wie we voor allerlei voorrechten een beroep kunnen doen. Is dit religie? De afgelopen dertig jaar zijn getuige van een opmerkelijke verandering die erop neerkomt dat men zich afwendt van vroegere religieuze praktijken. Voor sommigen echter was de gedachte een ruimere en vrije wereld in te gaan en zich op het eigen oordeel te verlaten beangstigend. De behoefte zich door een ander te laten vertellen wat geestelijk juist is, in plaats van zelf na te denken, gekoppeld aan het verlangen privileges te behouden door te voorkomen dat anderen vrij gaan denken en handelen, heeft gezorgd voor een wereldwijd opkomen van religieus fundamentalisme, fanatisme en dweepzucht. Waar blijft ons gevoel voor ware religie als er openlijke of subtiele dwang op onze medemensen wordt uitgeoefend, vaak om leringen te propageren die worden gevoed door een extreem vertoon van emoties, of om de innerlijke ontdekkingen van de ander te kleineren? Deze arrogantie om te proberen iemand van zijn eigen geloof af te brengen en te bekeren, moedigt in feite verdeeldheid en ontrouw aan – elementen die tegengesteld zijn aan ware religie.

In dit tijdperk van zelfzucht, die vanuit het onderbewuste wordt gevoed door een leer van persoonlijke verlossing, beginnen bij velen de schellen van de ogen te vallen. De mensen gaan weer op zoek naar universele waarheid – de hoogste religie. Welke geestelijke waarden zijn er nodig om deze transformatie te doen voortgaan en om de verstoffelijkende invloed van de uiterlijke wereld op de geestelijke te stoppen? H.P. Blavatsky zegt het als volgt:

Naar onze bescheiden mening zijn de enige ‘essentiële waarden’ in de religie van de mensheid – deugdzaamheid, moraliteit, broederlijke liefde en vriendelijke sympathie voor ieder levend wezen, of het een mens is of een dier. . . . de meest fundamentele verschillen tussen religies en sekten verliezen hun betekenis bij het enorme probleem een verzoening bij de mensheid tot stand te brengen, alle verschillende rassen tot één familie te verenigen en om allen ervan te overtuigen hoe volstrekt noodzakelijk het is om in dit tranendal gevoelens van broederlijke sympathie en verdraagzaamheid te kweken, zo niet van ware liefde.
     – Collected Writings, 4:502-3

Waar en hoe kunnen we de grondslag voor deze ‘essentiële waarden’ van religie ontdekken? Uit welke bron vloeien deugdzaamheid, moraliteit en broederlijke liefde? Hoe ontwikkelen we sympathie voor ieder levend wezen en hoe kunnen we de mensen zich met elkaar laten verzoenen? Omdat de wortel van het woord religie binden betekent, moeten onze grootste inspanningen erop zijn gericht om ons ervan bewust te zijn dat alle wezens met elkaar zijn verbonden in een universele broederschap. Wat zijn de blijvende, universele banden die ons samenbinden en hoe kunnen we, als we die uit het oog hebben verloren, het heilige weer zijn plaats teruggeven in het wereldse?

De manier waarop we naar de wereld kijken, bepaalt de diepte van inzicht in de enorme problemen waarmee de mensheid heeft te kampen. Het kan, om te beginnen, helpen als men religie en wetenschap eerder ziet als elkaar aanvullende middelen tot het begrijpen van het onbekende, dan als elkaars tegengestelden. De waarheid, zelfs al wordt ze maar gedeeltelijk begrepen, kan en moet op veel manieren tot uitdrukking worden gebracht. In vroegere eeuwen waren wetenschapper en mysticus partners die samenwerkten om de aard van het heelal en van onszelf te leren begrijpen – ons verleden en onze bestemming. De grondslagen van wetenschap en de essentiële waarden van religie liggen voor het grijpen, als we maar ‘de ogen hebben om te zien en de oren om te horen’.

Overal zien we vorm – zelfs chaos wordt nu beschreven als vorm die we nog niet begrijpen. En waar kan een vorm of patroon bestaan zonder een vormgevende macht – bewustzijn? Kunnen er, als het heelal oneindig is, beperkingen bestaan of een ‘opperste’ godheid, met een andere godheid daarbuiten als tegenstander? Het oneindige moet vanzelfsprekend ons eindige bevattingsvermogen te boven gaan en woorden zijn volstrekt ontoereikend om over te brengen waar het op lijkt of wat het is. Misschien kunnen we alleen door een zorgvuldige waarneming van haar verschillende vormen enig inzicht verkrijgen in haar aard en doel.

De kosmogonieën van de wereld spreken over het Ene en het vele. Sommigen kennen aan het Ene het vermogen toe het vele te ‘scheppen’ uit niets, een tarting van de logica; anderen opperen dat het vele emaneert vanuit en door middel van het Ene dat niet iets is. Het heelal is de uitdrukking van het ontwakende, zich uitbreidende bewustzijn van het Ene en voor ons denken is het de onmetelijke uitgestrektheid waarop in christelijke bewoordingen wordt gezinspeeld als het Ene waarin we leven, bewegen en zijn. Hieruit volgt dat er geen openbaring bestaat zonder bewustzijn en alle eenheden – zichtbaar gemanifesteerd of abstract bepaald – levende, evoluerende wezens zijn. Alles lijkt dus voort te komen uit een goddelijke oorsprongloze oorsprong met als doel de evolutie van het bewustzijn. Als vonken van het oneindige, manifesteren ze zich periodiek om de evolutionaire uitbreiding van het bewustzijn voort te zetten. De stof, die medewerker en instrument van de evolutie van het bewustzijn is, ontvouwt voortdurend van binnenuit op alle gebieden het onbeperkte potentieel van het leven. Wij mensen zijn, als uitingen van bewustzijn, niet alleen direct verantwoordelijk als de inrichters van onze wereld, maar hebben in ons de talenten om verbeteringen en toevoegingen aan te brengen. Als we deze kosmische dimensies in ons denken betrekken, welke wonderen zouden we dan tot stand kunnen brengen! De mogelijkheden tot verbetering van alle levende wezens worden alleen beperkt door de gezamenlijke en individuele handelingen die we dagelijks verrichten. Zelfs als we schijnen te falen, kunnen we moed putten uit het besef dat we altijd een nieuwe kans krijgen. We kunnen er zeker van zijn dat in alle handelingen rechtvaardigheid zegeviert, want wat we voortbrengen, ontvangen we weer terug – wat we zaaien zullen we oogsten. Hierop berusten, van het universele tot het bijzondere, zeden en normen, evenals universele en onvoorwaardelijke sympathie, zo niet liefde, voor alle wezens.

We zijn van nature religieus. Onze onwetendheid – en als gevolg daarvan ons lijden – spruit voort uit het feit dat we meer op ons stoffelijk zelf gericht zijn dan op het goddelijke in ons. De eerste stap naar een religieuze ervaring, en paradoxaal ook de laatste, is het beseffen van onze eenheid met alle wezens. Geest en stof zijn één. Om onszelf te zien zoals we werkelijk zijn, moeten we dienovereenkomstig handelen. Het wordt tijd dat we ons met ons hart en denken inzetten om de uitdagingen aan te pakken. Als we ons geboorterecht als geestelijke wezens aanvaarden, aanvaarden we dit recht ook voor anderen, tegelijk met de verantwoordelijkheid die ermee gepaard gaat. Er wordt ons niets geschonken dat we niet verdienen; geen kracht van buiten brengt ons in verzoeking, als ze geen deel is van onszelf. We moeten leren niet te handelen uit angst voor straf of hoop op beloning, wat niets anders dan zelfzucht is, maar omdat we een uitdrukking zijn van een zich ontvouwend bewustzijn met oneindige mogelijkheden.

Met welke middelen kunnen we deze universele wetten ontdekken, of het bestaan van zo’n groots bewustzijn bewijzen? Misschien is het meest geavanceerde middel om onze ontdekking te testen en te verifiëren de combinatie van verstand en hart, samengebracht door de intuïtie. Ongetwijfeld wordt uit vriendelijke daden en onzelfzuchtig dienen wijsheid geboren. Als we daarmee beginnen met dezelfde intense kracht en hetzelfde diepe geloof waarmee we onze stoffelijke instrumenten voor wetenschappelijk onderzoek bouwen en gebruiken, kunnen we in ons inzicht een stap voorwaarts doen die de hele mensheid ten goede zal komen.

Het ontwaken van het bewustzijn bij de vroege mensheid, zoals dat in de mythologieën van de wereld wordt verteld, was een belangrijk feit, dat in bepaalde opzichten een voorbode vormde van de gebeurtenissen in de verre toekomst. In dit grootse verleden werd de mensheid in het algemeen niet bezwaard door woorden, ideeën of begrippen die religie omschrijven. Ze kenden geen uiterlijke rituele structuren en geen scheiding tussen het heilige en het wereldlijke. Niettemin voelden ze dat ze met elkaar en met alle wezens , aardse of stellaire, waren verbonden, als erfdeel van goddelijke generaties. Zoals vaak gezegd wordt, verkeerde deze vroege mensheid met de goden en getuigde hun leven van eerbied en wijsheid. Het zou niet juist zijn om deze oude volkeren te veel te idealiseren; ze hadden immers ook hun problemen. Wat ze echter gemeen hadden was het besef dat de aarde, de natuurkrachten en de seizoenen verheven uitingen van bewustzijn waren. Achter de uiterlijke sluiers van de natuur zagen ze de essentie van het leven. Ons denkvermogen heeft nu dezelfde mogelijkheden, maar het rumoer en de verlokkingen van het bestaan vormen tegenwoordig een te grote afleiding. De zogenaamde wilden of aboriginals, die dichtbij de natuur zijn blijven leven, bezitten zelfs in deze tijd een innerlijke kennis van de universele wetten, al zeggen ze misschien niet waarop ze die kennis baseren. De mensheid had vroeger geen snelwegen om zich naar de opening van nieuwe winkelcentra te spoeden, maar zag wel hoe wilde bloemen zich openen en leerde daaruit de hartslag van het oneindige leven kennen. De nacht was niet zozeer vervuld van angst voor de medemens, als wel van het wonder van het opkomen en ondergaan van de sterrenhemel boven ons.

Misschien kunnen we in ons voordiluviaans verleden een bruikbaar model vinden voor de toepassing van deugden en moreel gedrag en het verheffen van de mensheid die niet in dogma’s en rituelen zijn te vinden, maar zijn verweven met de structuur van het bestaan zelf. Dan zien we wellicht ieder wezen weer als een uiting van eenheid. Door ervaring kunnen we leren dat de universele geest werkt vanuit ons innerlijk zelf, dezelfde geest die de sterren boven ons en de bloemen aan onze voeten bezielt. In alle dingen kunnen we de belichaming van het allerhoogste herkennen. Geen woning is dan te klein of onbetekenend. Geen schepsel, man of vrouw, dier of plant zal als minderwaardig worden beschouwd, maar elk zal gezien worden in zijn ware rol als onderhouder van de universele orde. Dat zijn de grondslagen en de bron van religie en het ervaren ervan verbindt ons allen.

 

Uit het tijdschrift Sunrise jan/feb 1994

© 1994 Theosophical University Press Agency


 

Terecht is gezegd, dat in ieder opzicht, de religie van een mens voor hem het belangrijkste feit is. . . . Onder religie versta ik niet het kerkelijk geloof dat hij belijdt. . . . Dat noem ik geen religie, . . . maar dat wat een mens werkelijk gelooft, dat wat hem werkelijk na aan het hart ligt en waarvan hij overtuigd is, als het gaat om zijn wezenlijke relatie met dit mysterieuze heelal en zijn plicht en bestemming daarin, . . . dat is zijn religie.
      – Thomas Carlyle