Het leven brengt ons voortdurend iets nieuws en onverwachts.
Zelfs als we het rustigste, minst opwindende en meest alledaagse bestaan
leiden, hoeft het leven niet eentonig te zijn als we onze weg met
open en verwachtende ogen gaan. Als het leven voor u eentonig is,
bestaat die eentonigheid in uzelf en niet in de wereld. –
Phillips Brooks
Meer dan twee eeuwen geleden bedacht de Engelse politicus en romanschrijver
Horace Walpole het woord ‘serendipity’, dat in het Nederlands
wordt vertaald met serendipiteit. Hij kwam op het idee door het sprookje
De drie prinsen van Serendip, of zoals men tegenwoordig zou
zeggen ‘van Sri Lanka’, want in de oudheid was Serendip
de naam die aan dit eiland werd gegeven. Deze drie prinsen ‘ontdekten
steeds door toeval en schranderheid dingen waar ze niet naar zochten’.
Ze hadden de verkwikkende ervaring dat ze aan een of andere onderneming
of expeditie met een bepaald doel voor ogen begonnen en iets geheel
anders bereikten.
Het begrip serendipiteit is een woord in onze taal geworden en het
kan een rol spelen in de manier waarop we leven. Franklin P. Adams merkte
op: ‘Ik heb ontdekt dat een groot deel van de informatie die ik
bezit, werd verkregen doordat ik iets opzocht in een encyclopedie en
daarbij iets anders vond.’ Ik kan die uitspraak bevestigen. Want
doordat ik erachter probeerde te komen wat serendipiteit is, heb ik
voldoende materiaal verzameld om een verhandeling over sereniteit te
schrijven, en voor het geval ik het ooit nodig mocht hebben, weet ik
nu meer dan genoeg over Rudolph Serking, Rod Serling en Seretse Khama;
en mocht u ooit inlichtingen nodig hebben over bijvoorbeeld serenade,
laat het mij dan maar weten! Een encyclopedie is een serendipiteit-valkuil
en een gevaarlijke plaats voor iemand die weinig tijd heeft, en helaas
behept is met de eigenschap zich door zijn nieuwsgierigheid te laten
meeslepen.
Serendipiteit is een aspect van het leven waar velen van ons zó
vaak mee in aanraking komen, dat het vreemd is dat er al niet veel eerder
een eenvoudiger woord voor is gevonden. Will Durant vertelt ons dat
de Egyptologie aanvankelijk een bijprodukt was van het Napoleontische
imperialisme. Totdat Napoleon één van zijn militaire expedities
in 1798 naar Egypte zond, kende de westerse wereld alleen de piramiden
en de sfinx. In militair opzicht was de expeditie van Napoleon een mislukking,
maar het geval wilde dat hij een aantal ingenieurs en tekenaars had
meegenomen om het terrein te onderzoeken en in kaart te brengen, en
ook enkele geleerden die een bijzondere belangstelling voor Egypte hadden.
De wetenschappers hadden veel vrije tijd en gebruikten die voor het
onderzoeken van de monumenten en inscripties die ze overal in overvloed
aantroffen. Het resultaat van hun werk was de eerste gedetailleerde
beschrijving van de monumenten van het Nijldal en werd een eerste mijlpaal
in de wetenschappelijke studie van deze vergeten beschaving. Het jaar
daarop groef één van de officieren van Napoleon in de
omgeving van de monding van de Nijl bij Rosette een plaat zwarte basalt
op met een inscriptie in drie soorten schrift: in het Oudgrieks, in
het demotisch (het oude Egyptische schrift) en in hiëroglyfen.
Deze steen die tegenwoordig de steen van Rosette wordt genoemd, verschafte
M. Champollion de eerste betrouwbare sleutel om terug in Parijs de Egyptische
hiëroglyfen te kunnen gaan ontcijferen.
Van Christophorus Columbus wordt gezegd dat hij het beroemdste geval
van serendipiteit uit de geschiedenis werd, toen hij het ene land ontdekte,
terwijl hij het andere zocht. Maar dit is geen goed voorbeeld, omdat
Columbus nooit heeft geweten wat hij had gevonden, net zomin als Leif
Erikson vijfhonderd jaar vóór hem. Luigi Galvani had een
meer wezenlijke ervaring van serendipiteit, toen hij de naar hem vernoemde
galvanische elektriciteit ontdekte doordat hij de poten van kikkers
ontleedde, en opmerkte dat de spieren samentrokken wanneer ze werden
aangeraakt met een mes. Alexander Fleming onderzocht de effecten van
enkele schimmels toen hij ontdekte, dat een bepaalde soort de bacteriën
er omheen doodde. Hij was niet naar penicilline op zoek, maar ineens
was het er! Wilhelm Röntgen die met fotografische platen bezig
was en ze bij een electrostatische machine had laten staan, zag dat
op deze platen beelden van lichtsluiers waren ontstaan. Dit leidde tot
de ontdekking van de röntgenstralen en opende zo de weg tot de
moderne radiologie. De geschiedenis van het uitvinden en de wetenschap
kent een overvloed van dergelijke gebeurtenissen. Als noodzaak de moeder
van het uitvinden is, is serendipiteit vaak de vader.
Serendipiteit kan voor ons ook nuttig zijn als we beseffen dat, wanneer
we ontdekkingen doen die we eigenlijk niet zoeken, dat niet louter een
kwestie van toeval, geluk of een samenloop van omstandigheden is. Al
is het waar dat serendipiteit niet van tevoren kan worden gepland, toch
kan het een kunst zijn en een vaardigheid die kan worden ontwikkeld.
Iemand kan de gewoonte aankweken om in het leven en in de mensen, en
in alle dingen die gebeuren, meer te zien dan aan de buitenkant waarneembaar
is. De paradox is dat men de subtielere aspecten van het leven niet
zo gemakkelijk zal vinden als men er doelbewust op uit is die te ontdekken.
We gaan pas beginnen ze waar te nemen als we van het leven houden en
er zo in opgaan het ten volle te beleven, dat de verborgen schoonheid
en betekenis ervan tot ons komen, zonder dat we er bewust naar hoeven
te zoeken.
We zullen moeten proberen de aansporing van Leonardo da Vinci te volgen:
‘O, ongelukkige stervelingen, opent uw ogen!’ Het is van
wezenlijk belang dat we het leven benaderen in een sfeer van verwachting
en dat we ons er steeds van bewust zijn dat er in mensen ongepeilde
diepten zijn en onze dagelijkse ervaringen diepere lagen hebben, waardoor
die mensen en die ervaringen voor ons een andere betekenis kunnen gaan
krijgen. Het boek Hebreeën in het Nieuwe Testament
drukt het zo eenvoudig en prachtig uit: ‘Vergeet de herbergzaamheid
niet, want hierdoor hebben sommigen onwetend engelen geherbergd.’
Ik las laatst een aardig verhaal over een man die er op dit punt een
nogal diepzinnige filosofie op nahield. Het was zijn gewoonte om tussen
zijn papieren en boeken bitterkoekjes te verstoppen, waar hij gek op
was, want hij genoot er veel meer van als hij ze onverwachts vond, dan
wanneer hij er welbewust voor naar de kast moest gaan. Hij schiep genoegen
in het onwetend herbergen, niet van engelen maar van bitterkoekjes!
Dit is, denk ik, hogere strategie. Verrassingen zijn in het leven veel
opwindender en aantrekkelijker dan dagelijkse sleur en routine. Lekkernijen
zijn vaak saai als ze gewoon, zoals dat hoort, op de keukenplank staan;
maar als we plotseling een snoepje tussen een stapel onbeantwoorde brieven
of onbetaalde rekeningen vinden, kan dat ons opvrolijken, al is de voedingswaarde
waarschijnlijk dezelfde. Wellicht is het dit wat de eminente Schotse
schrijver Christopher North bedoelde toen hij de Heer dankte dat hij
nooit zijn liefde voor slecht gezelschap had verloren; hij beleefde
daar meer aangename verrassingen dan onder ‘goede’ mensen.
Ralph Waldo Emerson herinnert ons eraan dat ‘we leven temidden
van geluiden die we niet horen, geuren die we niet ruiken en schouwspelen
die we niet zien’. We zouden een stap verder kunnen gaan en eraan
toevoegen: ‘En we leven elk ogenblik op de grens van nieuw inzicht
en begrip, maar we zullen daarvan verstoken blijven als we onze innerlijke
ogen ervoor sluiten.’ Dit alles is alleen voor diegenen weggelegd
die open staan voor alles wat de wereld hen kan leren, in welke vorm
het zich ook aandient.
Eén ervaring waar we allen vroeg of laat doorheen zullen gaan
en die ons in direct contact brengt met de diepten van het leven die
voor een oppervlakkige waarnemer verborgen blijven, is die van verdriet.
We krijgen allemaal te maken met nederlagen, frustraties, mislukkingen,
wanhoop, ziekte en verlies. Onze gebruikelijke reactie bij dergelijke
ervaringen is ze als ongewenste indringers in ons leven te beschouwen;
we verlangen vurig dat we van het lijden dat ermee gepaard gaat, verlost
zullen worden of er tegen zullen worden beschermd. Maar de enige praktische
vraag die we kunnen stellen is: ‘Hoe kan ik wat mij overkwam distilleren
en in iets hogers omzetten?’
Er is een zekere wijsheid die zegt dat vóór een mens
zich ten volle bewust is van de betekenis van zijn leven, hij eerst
door zorg en verdriet wordt bezocht. Zonder deze kunnen we nooit gaan
begrijpen wat ons leven werkelijk is en wat we zelf aan geduld, moed,
onbaatzuchtigheid en kracht in ons hebben. Maar al te vaak weten we
niet eens dat we die eigenschappen bezitten, tot we ze nodig hebben
om een ramp of verlies, die ons van een vitaal deel van onszelf berooft,
te doorstaan.
Velen van ons hebben door de pijn van verdriet gevonden, wat we misschien
niet hadden verwacht te zullen vinden: een ruimer en dieper mededogen
met onze medemensen. We gaan, misschien voor het eerst, beseffen dat
ook anderen het leed kennen een geliefde te moeten verliezen, dat ook
anderen hebben gezien of aan den lijve ondervonden hoe ziekte het levend
weefsel van iemand in de bloei van zijn leven kan verwoesten, of hoe
de laatste maanden van een mens op hoge leeftijd door pijn kunnen worden
verzwaard in plaats van dat er vrede en voldaanheid is, zoals zou horen
aan het einde van een welbesteed leven.
Verdriet is slechts één van de wegen naar een grotere
ontvankelijkheid voor de ongezochte waarden van het menselijk bestaan.
Elke moeilijke en schokkende ervaring die we meemaken, heeft diezelfde
kracht, of het nu gaat om het sterven van een dierbare, een ernstige
ziekte, een scheiding of het op latere leeftijd van beroep moeten veranderen.
Door ons eigen leven te bestuderen zouden we moeten weten dat de man
of vrouw voor wie het eigen geluk of morele volmaaktheid het overheersende
doel is, waarschijnlijk geen van deze beide zal bereiken of zelfs maar
benaderen. We volbrengen het beste waartoe we in staat zijn alleen door
met heel ons hart te werken voor iets buiten ons, dat het beste in ons
oproept en naar buiten brengt. Maar zonder die druk en de eisen die
het leven stelt, en zonder die discipline en inspanning en vaak pijn,
blijft het beste in ons niet meer dan een mogelijkheid. Zoals een oude
wijze predikant die ik ken het uitdrukte:
Het is een van de grote paradoxen van het leven,
dat we de volheid van het zijn niet bereiken door die te zoeken. Ze
komt over ons wanneer we door iets zo in beslag worden genomen dat
we onszelf geheel vergeten. Evenals groei, is volheid van het zijn
niet zelfbewust. Dit is niet een slim spelletje om langs een omweg
iets te bereiken dat men wenst, door voor te wenden dat men het niet
wenst. Om resultaat te hebben moet dit gericht zijn van onze aandacht
op iets buiten onszelf, oprecht zijn. Onderricht, kunst en religie
in hun vele uitingsvormen zijn voorbeelden van middelen die deze belangstelling
kunnen wekken.
Laten we deze schijnbaar willekeurige wegen eens met elkaar verbinden
en kijken welk patroon ze met elkaar vormen. We zouden ze de zes treden
van serendipiteit kunnen noemen die een trap omhoog vormen die waarschijnlijk
nog veel meer treden heeft. Niemand van ons is echter verplicht überhaupt
die trap te beklimmen. We zijn geheel vrij om, als we dat verkiezen,
veilig op de begane grond van ons leven te blijven. Maar dan moeten
we ook niet de geringste illusie koesteren dat we ooit vanaf die plaats
daarbeneden zullen kunnen zien wat we op de weg omhoog zullen waarnemen
– naar die hogere regionen waar we door inspanning en strijd zouden
kunnen komen.
De eerste trede is de zekerheid te gaan inzien van het feit dat er
in het leven, net als in de natuurkunde, een onzekerheidsprincipe is,
en te leren die realiteit te verwelkomen en er opgewekt mee te leven.
Dit houdt in dat we een bepaalde situatie of persoon nooit voldoende
kunnen begrijpen om met zekerheid te weten wat we zullen vinden als
we dieper graven. Zoals de baanbrekende psycholoog William James zei,
is er in de kern van alle dingen een zekere ‘onberekenbaarheid’,
een element dat het onmogelijk maakt exact te voorspellen wat er zal
gaan gebeuren. Dit brengt natuurlijk wel eens enige teleurstellingen
met zich mee, maar opent ook de weg naar verheugende ontdekkingen.
De tweede trede is om open en dus ontvankelijk te zijn en te beseffen
hoe juist Thoreau’s woorden waren toen hij zei: ‘Alleen
die dag daagt waarvan we ons bewust zijn.’ Zelfs op de platgetreden
paden die we zo vaak zijn gegaan, kunnen onverwachte vergezichten opdoemen
en verbergen de bermen soms ongeziene wonderen, maar om dat te zien,
moeten we waakzaam zijn. Serendipiteit is niet louter toeval, maar vereist
een vermogen in ons om te ontvangen, en de bereidheid het onvoorziene
te verwelkomen en tot ons toe te laten. Zonder die bereidheid gaan we
er achteloos aan voorbij.
De derde trede is in onze geestelijke plunjezak altijd het werktuig
bij ons te hebben waarmee we kunnen opgraven wat onder de oppervlakte
van het leven verborgen is. Dat werktuig is een rusteloze nieuwsgierigheid,
belangstelling en honger naar kennis – en meer nog, naar de wijsheid
die achter die kennis schuilgaat, maar zich niet altijd laat zien. Wie
zonder nieuwsgierigheid en verwondering zwoegend door het leven gaat,
zal nooit de vreugden van serendipiteit kennen want hij heeft het werktuig
om te ontdekken achtergelaten.
De vierde trede wil dat we voor een geschikte plaats zorgen om alle
onverwachte vondsten die we doen te bewaren, zodat we ze bij ons hebben
om ons te voeden en kracht te geven. Die plaats is natuurlijk de actieve
geest die we op mysterieuze wijze in de loop van de evolutie hebben
ontwikkeld, en die uiteindelijk alomvattend in zijn begrip zal worden
en uiterst gevoelig in zijn vermogen tot bewust waarnemen. De geest
is een land dat wij mensen nooit zullen kunnen overbevolken. Het hangt
van zijn openheid en gastvrijheid voor nieuwe waarheden en onbekende
ervaringen af, of we de rijkdom kunnen gaan ervaren van een leven op
basis van serendipiteit.
De vijfde trede is voortdurend te beseffen, dat zelfs het wezen van
onze beste vriend schatten kan herbergen die voor ons verborgen blijven;
en als dit al geldt voor hen die we goed kennen, hoeveel te meer is
dit dan niet het geval voor de talloos vele mensen waarmee we in ons
dagelijkse doen en laten alleen maar vluchtig in aanraking komen. De
kunst van serendipiteit is om zodanige banden met onze medemensen te
onderhouden, dat, zoals Kahlil Gibran het uitdrukte, er in onze betrekkingen
plaats is voor ‘ruimten in ons samenzijn’; ruimte voor de
onverwachte reactie en de verrassende ontwikkeling, die zich bijna zeker
zullen voordoen en onze omgang met anderen nieuwe dimensies van diepte
zullen geven.
Een voorbeeld van wat ik niet bedoel is het verhaal van de
pessimist die in zijn horoscoop las dat hij nieuwe vrienden moest maken
en afwachten wat er zou gaan gebeuren. Dus ging hij op pad en maakte
drie nieuwe vrienden – en er gebeurde niets. Nu beklaagt hij zich
dat hij met drie nieuwe vrienden zit opgescheept. Zijn probleem is misschien
dat hij ten aanzien van mensen niet ‘serendipitistisch’
genoeg is en niet verder dan hun buitenkant ziet.
De zesde en laatste trede leidt ons naar de religie. Op dit punt moeten
we met spijt in het hart afscheid nemen van de beperkte lessen, van
de dubieuze en beklemmende onbetekenende dogma’s en van de armzalige
zekerheden, die in het leven van de twintigste eeuw vaak voor ‘religie’
doorgaan. We kunnen achter ons religieus geloof geen punt meer zetten,
alsof het iets gevestigds en definitiefs zou zijn. Het leven kent geen
punten, of ‘full-stops’ zoals de Engelsen zo mooi zeggen.
Tot slot zouden we kunnen zeggen dat serendipiteit verliefd zijn op
de komma betekent, en dat we de geest van die komma elk gebied van het
dagelijks leven moeten laten bezielen en doordringen. Als ons religieus
geloof, zover als dit gaat, ons naar een komma voert en niet naar een
punt, is er hoop dat er meer zal volgen en er meer is om te begrijpen,
naarmate we zelf in wijsheid en volwassenheid groeien. Er doemt altijd
een nieuwe horizon op als de mensheid voorwaarts trekt op haar lange
tocht van het schemerduister van het niet-weten naar het vollere licht
(en de diepere schaduwen) van de kennis.
De meest hoopgevende waarheid van het menselijk bestaan is dat het
een vervolgverhaal is. Elk hoofdstuk eindigt met de woorden ‘Wordt
vervolgd’, en dit betekent: Zet nooit, maar dan ook nooit een
punt achter het verdiepen en verrijken van uw ervaringen. Laat bij alles
in het leven de zin onafgemaakt, de deur open, de weg vrij, want welke
leeftijd u ook volgens de kalender mag hebben, u bent nog niet aan het
einde van uw groei . . .