Boekbespreking: A SourceBook for the Community of Religions,
red. Joel Beversluis, The Council for a Parliament of the World’s
Religions, Chicago, 1993; 252 blz., isbn 0-9637897-0-8, paperback.
Het heeft vijf jaar geduurd om het Parlement van de Religies van de
Wereld van 1993 voor te bereiden en om dit feit te gedenken en te documenteren,
publiceerden de organisatoren A SourceBook for the Community of
Religions. Het bestaat uit vier hoofdgedeelten – The Centennial
[het eeuwfeest], Religions of the World [religies van de wereld], Forming
a Community of Religions [het vormen van een gemeenschap van religies]
en Looking Toward the 21st Century [uitzien naar de 21ste eeuw]. ‘De
inhoud omvat werk vanuit vele perspectieven en benaderingen: historische,
bespiegelende, kritische, visionaire en strategische. Ze geven blijk
van een voortgaande discussie tussen mensen van religieuze orden en
instellingen, geleerden in geestes- en natuurwetenschappen, filosofen,
parlementariërs en leiders van organisaties en bewegingen die verandering
nastreven’ (blz. xi). Het is zeer leerzaam en inspirerend kennis
te maken met zo’n reeks toegewijde, vooruitziende en meelevende
religieuze denkers. Maar of dit boek een monument zal zijn voor een
belangrijk moment in de geschiedenis van de mens, of slechts een hoopgevend
aandenken, hangt af van wat wij – diegenen van ons die de religies
van de wereld vertegenwoordigen – doen met de aansporing tot een
religieuze gemeenschap die van het Parlement uitging.
Deel 1 overbrugt de twee Parlementen (1893 en 1993) en legt de nadruk
op het denkwerk van de voorbereidende raad. De leden daarvan hoopten
dat de gebeurtenis van 1993 interreligieuze dialogen zou aanmoedigen
(in plaats van de gebruikelijke monologen) en ertoe zou bijdragen de
deelnemers op de hoogte te brengen van het interreligieuze denken en
de discussies die in toenemende mate in de hele wereld plaatsvinden
sinds het Parlement van 1893. Zij wilden, wat er aan overeenkomsten
bestaat tussen de wereldreligies met betrekking tot maatschappelijke
en planetaire noden en doelstellingen – die soms duidelijk en
soms vaag zijn – naar voren brengen en tegelijk gelegenheden scheppen
voor wederzijdse deelneming aan religieuze diensten, liturgieën
en ceremoniën. In feite ‘wilden zij dat het eeuwfeest zelf
een religieus gebeuren zou zijn en niet slechts een week van
praten over religies’ (blz. 11).
Dr. Paulos Mar Gregorios, Metropolitaan van Delhi (de orthodoxe syrische
kerk van het Oosten) gaf uitdrukking aan zijn zorg, gedeeld door anderen,
of de westerse religies wel konden deelnemen zonder te domineren, en
of de parlementariërs wel bereid zouden zijn volgens hun eigen
geschriften te leven? ‘We kunnen allen praten over vrede. . .
. Prachtig. Maar tot voor kort ontstonden de meeste oorlogen in de wereld
uit religieuze conflicten. . . . we zullen onze aandacht moeten verleggen
van praten over vrede naar werken voor vrede’ (blz. 16). Dr. Daniel
Gómez-Ibáñez, uitvoerend directeur van de Raad
voor een Parlement van de Religies van de Wereld, was het ermee eens
en wees erop dat
Een achteloos mens in de wereld geen besef van zorgzame
betrokkenheid kan brengen. Een vreesachtig mens niet helder kan zien;
een zelfzuchtig mens niet de volheid van de hele schepping kan omvatten
en een verbolgen mens geen vrede in de wereld brengt. We moeten zelf
gaaf en gezond zijn als we de aarde willen genezen. Haar vrede begint
met de onze, thuis, in ons dagelijks leven, in ons vredig hart. –
blz. 27
Omdat voor een interreligieuze dialoog onderling begrip nodig is, geeft
Deel 2 een beeld in woorden van vele van de religies en verwante organisaties
op de wereld. Representatieve leden van vele tradities droegen korte
samenvattingen bij van hun geschiedenis, bijbelse aanhalingen, beschrijvingen
van erediensten, rituelen en vieringen. Dit te lezen is als het volgen
van een boeiende minicursus in vergelijkende godsdienststudie, geleid
niet zo zeer door academici dan wel door beoefenaars. Een goede, drie
bladzijden lange verhandeling, ‘Een Beeld van de Theosofie’
van dr. John Algeo, president van de Theosophical Society in America,
geeft een uiteenzetting van de theosofie en van de uitdagingen die zij
en de mensheid nu het hoofd moeten bieden. Veel aanhalingen uit de werken
van H.P. Blavatsky (medeoprichtster van de Society) en anderen zijn
erin opgenomen.
Ofschoon er duidelijke verschillen in geloofsopvattingen bestaan, geeft
dit deel blijk van waardering en een daaraan ten grondslag liggende
belangstelling voor het geheel. Indianen beklemtonen hun geloof in de
‘onderlinge verbondenheid van de hele schepping’; shintoïsten
eerbiedigen het leven en de rechten van iedereen; Bahá’í
erkennen het essentiële eenzijn van religie; hindoes zien alle
leven als heilig; de jains wijden zich aan een leven van ahimsa
(geweldloosheid) en verklaren dat alle levende wezens elkaar wederzijds
onderhouden; Sikhs zijn van oordeel dat dienen een teken van goddelijk
eerbetoon is: ‘Wat iemand doet in onzelfzuchtig dienen wordt beschouwd
als een waarachtig gebed’; de volgelingen van Swedenborg zijn
het ermee eens dat ‘waarachtig eerbetoon bestaat uit het uitvoeren
van rituele gebruiken en zo metterdaad te tonen dat men zich om anderen
bekommert’; de islamitische koran legt de nadruk op ‘samenwerking
ter bevordering van deugdzaamheid en gerechtigheid’ in interreligieuze
dialogen en bevestigt de ‘eenheid en gelijkheid van de mensheid’;
de boeddhistische benadering van vrede is welbekend omdat twee ‘recente
Nobelprijswinnaars boeddhisten waren – Zijne Heiligheid de 14e
dalai lama uit Tibet en Daw Aung San Suu Kyi uit Birma.’
Het is verbazingwekkend te zien hoeveel ideeën uit andere religies
het westerse denken zijn binnengeslopen: ‘Veel mensen beoefenen
dagelijks chi-kung, tai-chi chuan en acupunctuur,
zelfs zonder te weten dat ze taoisme beoefenen,’ en zonder te
beseffen dat ze de Tao Te Ching (6e eeuw v.Chr.) aanhalen als
ze zeggen: ‘De reis van duizend mijl begint met uw eerste stap’.
Shrimad Rajchandra, een hechte vriend van Mahatma Gandhi, was een jain
en zijn opvatting over geweldloosheid diende tot ‘richtsnoer bij
Gandhi’s burgerlijke ongehoorzaamheid’. De leer van Zarathoestra
heeft veel opvattingen gemeen met de joodse leer en het christendom
en schonk aan deze religies termen als satan, paradijs en amen.
Religieuze afscheidingen zijn ruimschoots bekendgemaakt, maar minder
goed bekend is de omvang van de religieuze integratie die plaatsvond
– terwijl velen praten over verzoening en dialoog, zijn
er anderen die handelen. Als onderdeel van de viering van 1993 als ‘het
Jaar van interreligieus begrip en samenwerking’, onderzoekt Deel
3 van het SourceBook de huidige interreligieuze beweging, die
haar oorsprong vond in het Wereldparlement van Religies van 1893. Het
bevat tevens suggesties en waarschuwingen met betrekking tot het opstellen
van interreligieuze programma’s, beschrijvingen en adressen van
veel gevestigde groeperingen en samenvattingen of kopieën van hun
constitutie, ethiek, beginselverklaring en gebeden. Deze wereldomvattende
beweging droeg bij aan het tot stand brengen van het Parlement van 1993
in Chicago en aan de grote conferenties van 1993 in Barcelona, Bangalore
en Nieuw Delhi. Het ‘Launch’ evenement van dit jaar, voorbereid
door een multireligieus comité, vond plaats in het Global Co-operation
House in Londen. ‘Een ceremonie, waarbij water uit de heilige
plaatsen van negen religieuze tradities naar een centrale fontein werd
gebracht, van waaruit het vervolgens vermengd verder vloeide gedurende
de hele ochtend’ (blz. 112).
Daarnaast veel discussies over aan de gang zijnde maatschappelijke
en milieuacties: plannen voor vrede, programma's ter bestrijding van
het daklozen-probleem, AIDS en honger. Dit alleen al te lezen hernieuwt
het vertrouwen in de mensheid, want als een religie, filosofie, wetenschap
of een geestelijk pad of leven niet leidt naar een werkelijke verbetering
van alle leven op onze planeet – wat hebben ze dan voor zin? Als
we onze religie, wetenschap en spiritualiteit niet kunnen integreren
met de meest wereldse aspecten van ons leven, blijven we onszelf en
onze planeet versnipperen, in plaats van tot een geheel maken. Als het
wetenschappelijk materialisme de enige effectieve kracht wordt
in het omgaan met de praktische aspecten van het dagelijks leven, dan
zal de religie wellicht nog verder naar de achtergrond worden gedrongen
dan nu al het geval is. Sommigen suggereren dat er een aangeboren menselijke
behoefte om te geloven bestaat die de religieuze impuls veroorzaakt.
Als dat zo is, zouden we kunnen bedenken dat de mens het even gemakkelijk
vond ‘het gouden kalf’ te vereren als het goddelijke.
Dr. Gregorios herinnerde de deelnemers aan het Parlement eraan dat
in onze poging religieuze conflicten uit te bannen, we bijna de religie
hebben uitgeroeid – we moeten samenwerken om onze instituties
te inspireren. Terwijl enkelen hopen op integratie van de wereldreligies,
is het meer algemene doel, zoals ds. Marcus Braybrooke, voorzitter van
het Wereldcongres van Religies suggereert, te pogen het mechanisme tot
coördinatie en samenwerking, zowel tussen interreligieuze organisaties
zelf als tussen zulke organisaties en de dialoog-instanties van de religieuze
gemeenschappen te versterken’ (blz. 108).
Het laatste en langste deel, Deel 4, ‘Uitzien naar de 21ste eeuw’,
is een samenvatting van gedachten over de toekomst. Veel aandacht is
gericht op de noodzaak voor de religies zich te kunnen verenigen met
wetenschappelijke waarnemingen. Dr. Thomas Berry, katholiek theoloog,
antropoloog en filosoof, schreef: ‘Westerse theologen hebben zich
weinig bekommerd om de wereld van de natuur als belangrijkste drager
van het religieus bewustzijn. Dit is een van de fundamentele redenen
dat zowel de stoffelijke als de geestelijke overlevingskans van de planeet
in gevaar zijn gebracht’ (blz. 184). Hij waarschuwt dat we onze
problemen niet kunnen oplossen door eenvoudig onze geloofsovertuiging
opnieuw te formuleren. We moeten de kosmos bestuderen als een religieuze
uitdrukkingsvorm om zo deelnemers te worden in het scheppingsproces
zelf.
De onlangs overleden Dom Bede Griffiths (een katholieke monnik, ook
bekend als Swami Dayananda) heeft eveneens een bijdrage geleverd. Hij
schreef dat de wetenschap ons voorziet van een nieuwe methode om ons
heelal te begrijpen
dat niet langer wordt geacht te bestaan uit vaste
lichamen die zich in ruimte en tijd voortbewegen, maar, overeenkomstig
de quantumtheorie, eerder uit een energieveld, doordrongen van bewustzijn.
Voor het eerst hebben westerse wetenschappers serieus het feit onder
ogen gezien dat, als ze het heelal willen begrijpen, ze hun eigen
bewustzijn moeten begrijpen. . . . We zijn begonnen het naar eenheid
neigende bewustzijn te ontdekken dat het dualistisch bewustzijn te
boven gaat. – blz. 193
Dit besef leeft en bloeit buiten de nauw afgebakende gebieden van wetenschap
en religie, zoals blijkt uit de ‘Earth Summit’ gehouden
in Rio de Janeiro in juni 1992. 178 Regeringen werden het eens over
drie teksten (ten dele aangehaald en herdrukt in dit deel), waarvan
één de volgende verklaring inhield, ‘Wij verklaren
met kracht en eensgezind . . . dat de milieucrisis een innerlijke
spirituele dimensie heeft. De grondoorzaken van de uiterlijke problemen
zijn van morele en psychische aard’ (blz. 191).
Ook opgenomen zijn de ‘Verklaring van Sevilla over Geweld’,
een Resolutie over Tibet, voorstellen, uitspraken, overwegingen en gedichten
die positief denken en handelen voor de toekomst tot uitdrukking brengen.
De verhandelingen over maatschappelijke, economische en ecologische
kwesties zouden de indruk kunnen wekken dat dit deel te veel aandacht
schenkt aan wereldse zaken, maar zoals één schrijver verklaart,
‘Er bestaan sterke parallellen tussen de studie van religieuze
en milieueducatie. Het voornaamste motief voor beide is ervaring uit
de eerste hand. In eenvoudige woorden zou men kunnen zeggen dat de één
de studie is van Wie ben ik? en de ander van Waar ben ik mee bezig?’
(blz. 218).
Bijzonder aangrijpend zijn de vele discussies door en over jonge mensen.
‘Als wij tot werkelijke vrede in deze wereld willen komen, zullen
we met de kinderen moeten beginnen’, zei Gandhi (blz. 207). Uittreksels
en samenvattingen uit conventies en studies van unicef
en over de rechten van het kind vertellen ons hoe slecht we onze jeugd
behandelen. Het ligt in het vermogen van de wereldgemeenschap de dood
te voorkomen van meer dan tweederde van de 14 miljoen kinderen die nu
jaarlijks sterven. We moeten de spirituele en politieke wil daartoe
oproepen.
Robert Müller schetst in hoofdlijnen de ‘Opvoeding tot mondiaal
burgerschap’ en anderen komen met een voorstel dat studieprogramma's
omvat inzake vrede, religie, milieu en geestelijke waarden. Eén
opvoedkundige die zichzelf beschreef als een ‘voorstander van
creatief handelen’, moedigt kinderen aan op hun innerlijk zelf
te vertrouwen omdat, ‘Als je niet wordt wie je bent, zal wat je
aan de wereld zou kunnen bijdragen nooit een kans krijgen’ (blz.
207).
De laatste bladzijden zijn gevuld met multireligieuze opvoedkundige
wenken, suggesties voor creatief handelen en religieuze boodschappen
van hoop. Dit laatste hoofdstuk stelt de vraag: ‘Wat gaan wij
nu doen?’ Thich Nhàt Hanh, boeddhistisch Zen-meester en
vredesactivist, geeft een goed antwoord.
De bootvluchtelingen zeiden dat telkens als hun kleine
boten in een storm terechtkwamen, ze wisten dat hun leven in gevaar
was. Maar als één persoon aan boord kalm kon blijven
en niet in paniek raakte, was dat voor iedereen een grote steun. De
mensen luisterden naar hem of haar en bleven rustig en dan was er
een kans het gevaar te overleven. Onze aarde is als een kleine boot.
Vergeleken met de rest van de kosmos is ze inderdaad een kleine boot
en ze loopt gevaar te zinken. Wij hebben zo iemand nodig om ons te
inspireren met kalm zelfvertrouwen, om ons te zeggen wat we moeten
doen. Wie is die iemand? De mahayana-boeddhistische soetra’s
zeggen ons dat u zelf die persoon bent. Als u uzelf bent, als u het
beste in u bent, dan bent u die persoon. Alleen met zo iemand –
kalm, klaar, bewust – zal onze situatie verbeteren. Ik wens
u het beste. Wees alstublieft uzelf. Wees alstublieft die persoon.
– blz. 227
Voor diegenen die in de geest één waren met het Parlement
maar het niet konden bijwonen, kan dit boek het op één
na beste zijn.