Nieuwe milieu-ethiek en oude wijsbegeerte
Rudi Jansma

 

Lezing ter gelegenheid van het Parlement van de Religies van de Wereld in Chicago, op 1 september 1993.


 

Er is de afgelopen honderd jaar veel gebeurd; toch hebben we nog niet het punt bereikt waarop het geestelijk erfgoed van de mensheid geheel is geïntegreerd in een veelzijdige dogmaloze religie-wetenschap-filosofie. Nog steeds ontmoeten we eilanden van benaderingen tot de waarheid, waarvan de bewoners weigeren in te zien dat al die benaderingen behoren bij hetzelfde ecosysteem van gedachten. Ecologie leert dat alle organismen met elkaar en hun milieu in relatie staan. Zou dus ecologie niet de eerste wetenschap moeten zijn die zich realiseert dat ook alle systemen van denken met elkaar in relatie staan en dat alle wijsgerige, religieuze en wetenschappelijke benaderingswijzen samen het wereldomvattende ecosysteem van denken, kennis en intuïtie vormen? De mensheid oefent, ten gevolge van haar fysieke inwerking op haar omgeving, de meeste invloed uit op het milieu. Maar is ons gedrag niet gebaseerd op onze manier van denken, onze kennis en op de mate waarin we intuïtief kunnen waarnemen wat het goede, het ware en het schone is?

Laten we eens een aantal van de fundamentele uitgangspunten van de westerse ecologie onder de loep nemen en deze vervolgens in verband brengen met enkele van de grondstellingen van het theosofische en niet-westerse denken zoals die worden gepresenteerd in de Vishnu Purana en proberen een theorie te formuleren die universeler is en meer bevredigend voor de kritische wetenschappelijke geest. Vervolgens zullen we een aantal van de ethische consequenties van die kennis bespreken.

Ecologie is een wetenschap die zich bezighoudt met de onderlinge relaties tussen organismen en hun milieu, inclusief de invloed die de mens op het milieu heeft. Als een wetenschap in de strikte zin van het woord, bestudeert zij alleen de feiten die door de zintuigen en de instrumenten die daar uitbreiding aan geven kunnen worden waargenomen. Maar zodra het om verklarende theorieën gaat, begint de menselijke factor een rol te spelen, namelijk de activiteit van het denken. Het denken is echter begrensd door onze culturele, religieuze, filosofische, psychologische en emotionele achtergrond. Niettemin werkt het denken langs dezelfde lijnen als de natuur – dat kan niet anders. Hoe zouden we de werking van de natuur kunnen verklaren indien dit niet binnen het begripsvermogen van het denken zou liggen? Aldus is elke verklaring per definitie antropomorf, dat wil zeggen, afhankelijk van hoe het menselijk denkvermogen werkt. Ons denken is een aspect dat niet te scheiden is van de natuur, een instrument waardoor de natuur zichzelf kan begrijpen.

Theosofisch gezien is het denkvermogen als beginsel opgevat een aspect van het oneindige en doordringt het de hele kosmos. Het hogere aspect ervan kent geen deling of afgescheidenheid, maar de lagere zijde schept de illusie van eindigheid, van afgescheidenheid, van u en ik als van elkaar onafhankelijke wezens. Het denken is het eerste aspect dat ontwaakt na een periode van kosmische slaap, wanneer het eerste kosmische verlangen tot ontwaken wederom opkomt. Aldus bestond het denken al voordat enig ding of schepsel vorm kreeg. Het menselijk denken is van dezelfde aard. Wanneer we ons denken helder maken door illusies en de daaruit voortvloeiende handelingen uit de weg te ruimen, zullen we de natuur zien zoals ze werkelijk is, in haar oneindigheid, zonder belemmeringen, zonder beperkingen.

In de ecologie bestuderen we hoe planten, dieren, mensen, en hun omgeving van elkaar afhankelijk zijn – voor voedsel, energie, materialen, beschikbare ruimte, enzovoort. Maar we willen niet alleen weten hoe, maar ook waarom ecosystemen zijn zoals ze zijn; we willen hun verspreiding over de aardbol en hun complexiteit verklaren. Een ecoloog zal deze dingen verklaren in termen van succesvolle aanpassing aan de heersende omstandigheden, zoals klimaat, de aanwezigheid van roofdieren of een veranderend milieu. Dat het succes van de een inhoudt dat de ander het onderspit delft, is tot op zekere hoogte juist. Kennelijk is dat de manier waarop de natuur de mentale krachten op de bewustzijnsniveaus die zich manifesteren in het planten-, dieren- en een deel van het mensenrijk traint en stimuleert. Maar wetenschappers en filosofen die competitie als de enige verklaring van de natuur zien, brandmerken zichzelf als kinderen van hun materialistische tijd, niet als werkelijke universalisten. Dit is een antropomorfisme dat alleen de lagere aspecten van de menselijk geest weerspiegelt, vol begeerte, zelfzucht en competitie, geleid door een onscherpe waarneming van de ware aard van de dingen.

Maar waarom kijken we niet tevens naar de hogere menselijke vermogens die in de natuur weerspiegeld zijn? Het menselijk wezen is een reflectie van de vermogens van de oneindige natuur, dus waarom zouden we niet onze hogere vermogens om de natuur te begrijpen doen ontwaken? We bestaan niet alleen uit gulzigheid en zelfzucht. We hebben ook werkelijke, onpersoonlijke liefde als deel van onze geaardheid, werkelijk mededogen, een bereidheid onszelf te offeren, het verlangen om de essentie van de meest verafgelegen ster aan het firmament te begrijpen; we hebben in ons de stille stem van de innerlijke wijsheid en een wilskracht die ver uitgaat boven ons eigenbelang. Als we nauwkeurig waarnemen, zullen we deze en nog vele andere aspecten in de natuur herkennen; en wanneer we dat eenmaal zien, kan zij onze lerares zijn.

De theosofie leert dat mensen samengestelde wezens zijn: we zijn niet alleen lichamelijk, maar ook astraal en we hebben levenskracht, verlangens en een lager zowel als een hoger denkvermogen, en vermogens die veel grootser zijn dan het denken, zoals geestelijke intuïtie, wijsheid en mededogen. Uiteindelijk zijn we atman, onze spirituele essentie. Ieder menselijk wezen is een hiërarchie, die zich uitstrekt van het meest materiële tot het meest geestelijke, waarvan alle aspecten zijn opgebouwd uit levende elementale wezens, zoals atomen – stoffelijk, astraal zowel als vitaal – verlangens, gedachten en hogere elementen. Ook de natuur is een hiërarchie, samengesteld uit haar elementen, die worden vertegenwoordigd door de diverse natuurrijken. We kunnen deze elementen zowel in de natuur als in onszelf herkennen.

Onze verklaringen van de natuur blijven even antropomorf wanneer zij de hogere aspecten van onze geaardheid weerspiegelen. De westerse wetenschap en wijsbegeerte zijn nog niet verfijnd genoeg om onderzoek te doen naar de eindeloze klassen van wezens waaruit de innerlijke natuur bestaat – dit zal het werk zijn van de ecologen van de toekomst. We kunnen hun bestaan aanvoelen door hun zichtbare invloed. Deze invloeden kan men gezamenlijk met ‘het goddelijke’ aanduiden. Wat bijvoorbeeld te zeggen van schoonheid? De natuur is bijna eindeloos in haar vormexpressies. Het ‘motief’ van een plant om zijn bloemen voort te brengen, of van een nachtegaal om zijn lied te zingen, staat in verband met de ingeboren drang tot voortplanting. Misschien beseft het gewone bewustzijn van de plant of de nachtegaal niets omtrent de schoonheid die het voortbrengt – of, wie weet, beseft het dat wel. Wanneer we stil zijn vanbinnen, vervult de natuurlijke schoonheid met haar duizend gezichten ons wellicht met een bijna ademloos respect, een niet uitgesproken gevoel dat er meer moet zijn dan alleen maar strijd voor de persoonlijke veiligheid.

Als we welke expressie van schoonheid dan ook in het mineralen-, planten- of dierenrijk nauwkeurig bekijken, zien we dat ieder een eigen verhaal te vertellen heeft. Iedere uitdrukkingsvorm in het plantenrijk schijnt een gevoel te vertegenwoordigen dat we ook in onszelf kunnen herkennen. Zelfs al staat de plant lager op de evolutionaire ladder dan wij, toch lijkt iedere plant een symbool en kan functioneren als een poort tot een of ander dieper gebied van kennis omtrent wie we zijn, en ons de goddelijke wetten die de natuur beheersen onthullen.

In het dierenrijk herkennen we onze persoonlijke verlangens en wat bij ons beschouwd zou worden als begerigheid, hartstochten, zelfs wreedheid en gemeenheid. In deze zin kan men zeggen dat het dierenrijk het gebied is dat het verst afstaat van het goddelijke, het diepst gedompeld is in onwetendheid, dat gebied van onszelf, dat wij mensen dienen te overwinnen, omdat het ons verleden vertegenwoordigt, niet onze toekomst. Als we ons overgeven aan onze dierlijke natuur, gaan we tegen onze eigen evolutie in. Tegelijkertijd vertegenwoordigt het dierenrijk een enorme rijkdom aan schitterende vormen, kleuren, geluiden, bewegingen en vernuft. Het goddelijke is aanwezig in alle aspecten ervan, maar de individuele ontwikkeling van de dieren vindt plaats op het gebied van de begeerte, gebaseerd op een onzelfbewuste geest met zijn illusie van afgescheidenheid.

Nog zo’n goddelijk, universeel aspect van de natuur is vreugde. De Brihadaranyaka Upanisad stelt dat ieder wezen een portie van de goddelijke vreugde bezit en dat bij iedere trede omhoog langs de hiërarchische evolutie-ladder van levende wezens, deze vreugde honderdvoudig toeneemt. Welke andere motiverende kracht is er in de natuur dan vreugde? Zou een koe haar gras eten als ze daar geen genoegen in had? Zowel ons gevoel van schoonheid als dat van vreugde zijn een zwakke weerspiegeling van verschillende manieren waarop we iets universeels herkennen, iets werkelijks, iets dat geen tegengestelde heeft.

Wil is een kracht van goddelijke omvang dat elk wezen doordringt. Iedere individuele wil is een klein deel van de alomtegenwoordige goddelijke wil. De vorm, kenmerken en kleuren van een dier of plant zijn afhankelijk van de bijzondere wil van het individu om uitdrukking te geven aan zijn specifieke karakter, en het verlangen naar voedsel en voortplanting zijn de voornaamste drijvende krachten daarachter. De hele chemische en technische complexiteit, inclusief de specifieke uitdrukking van schoonheid, is ondergeschikt aan dat verlangen, zelfs als dat verlangen naar menselijke maatstaven kwaadaardig of wreed is, zoals dat het geval is bij heel wat dieren.

Zonder twijfel is er een meer dan menselijke intelligentie en meer dan menselijk gevoel voor schoonheid nodig om een plant, dier, of menselijk wezen te ontwerpen via de processen van evolutie. We kunnen van een god niet verwachten dat hij een dier ontwerpt om een wreed doel te dienen, want dit zou in strijd zijn met de universele wet van mededogen. Dit is kennelijk niet de manier waarop de goddelijke geest werkt. Dieren, planten, mensen of mineralen worden niet ontworpen op de manier waarop wij een machine ontwerpen. In de natuur is er sprake van een wisselwerking en samenspel van vele intelligente krachten, waarvan sommige van het niveau zijn van de hoogste abstracte intelligentie, sommige van het niveau van bijna automatische dienst. En deze hele hiërarchie van levende krachten voorziet in de mogelijkheden van een bepaalde monade om uit te drukken wat hij uit moet drukken overeenkomstig zijn stadium van ontwikkeling.

De meest fundamentele kracht echter, die ieder atoom doordringt, is mededogen. Maar hoe kunnen we dit in overeenstemming brengen met de natuurlijke wreedheid die we zien, vooral onder dieren, en bij mensen die er voor kiezen in hun dierlijke natuur te leven? Dit lijden is een onvermijdelijke reactie op de gedachten en handelingen die tegen de hogere wetten van het heelal ingaan. In feite bestaat lijden als het gevolg van onze strijd om onze geest te trainen en onze hogere vermogens te ontwikkelen – onze innerlijke drijvende kracht in de richting van zelfbewust god-zijn. Maar mededogen is overal zichtbaar. De hele wereld van de groene planten is voortdurend bezig een atmosfeer rond onze aarde te creëren waarin we gezond en aangenaam kunnen leven. Alleen al het feit dat de gevoelens van ‘genoegen’ en ‘geluk’ in onze psychologische gesteldheid voorkomen is het bewijs van het mededogen van de natuur. Een door de mens gemaakte machine heeft zulke gevoelens niet. De hele plantenwereld is aan het werk om uit zonlicht voedsel en een overdaad aan zoete vruchten te produceren. Voor iedere ziekte bestaat er een remedie in de planten- of mineralenwereld, omdat alles wat in ons bestaat naar analogie overal bestaat, omdat alles is opgebouwd uit dezelfde elementen onder dezelfde goddelijke invloeden.

Mededogen is een van de overheersende krachten van het menselijk hart, als we toestaan dat het tot uitdrukking komt. Alles helpt alles, hetzij door te onderwijzen, hetzij door het stimuleren van krachten die het beste in anderen naar buiten kunnen brengen. Zodra we er werkelijk op gericht zijn onze hogere vermogens te ontwikkelen, zullen we een helpende hand ontmoeten. De boeddha’s, christussen, zoroasters en quetzalcoatls zijn de grote gidsen van de mensheid. Zodra we hun leringen tot onze leidraad nemen en ons denken en handelen daarmee in harmonie brengen, komen wijsheid en mededogen langs natuurlijke weg naar boven, zonder inspanning, vanuit de stilte van ons hart. We hoeven alleen maar naar de stem van de stilte te luisteren en hem te volgen. Een uiterlijke goeroe kruist wellicht ons pad, en eens zullen we er misschien zelf één worden, maar laten we hem of haar niet zoeken uit persoonlijk verlangen. Ons eigen hart is onze eerste goeroe en onze innerlijke natuur is wijs genoeg om ons met een uiterlijke goeroe in contact te brengen als het daarvoor de juiste tijd is.

Als we ons wetenschappelijk begrip van de ecologie willen uitbreiden buiten onze enge twintigste-eeuwse materialistische gezichtspunten, moeten we ons richten tot de meer subtiele denkers van het Oosten en de rijken van intelligente en goddelijke wezens herkennen als een onafscheidelijk deel van de natuur, nauw verbonden met de hele schepping en evolutie. Aldus kunnen we de basis leggen voor een meer universele ecologie van de toekomst, wanneer de mensheid meer respect zal tonen voor de natuur en daardoor zelf meer respect waardig zal zijn. Het maakt eveneens duidelijk wat het werkelijk betekent wanneer sommigen beweren dat de aarde zelf een levend wezen is, een godin zelfs – Gaia in het Grieks – met een eigen wijsheid en intelligentie.

De theosofische leringen over de structuur van de kosmos zijn erg uitgebreid en ingewikkeld, en ontwikkeling van de intuïtie gaat vooraf aan het volledige begrip ervan. Dit systeem onderkent vele klassen van wezens naast de mineralen, planten, dieren en mensen, sommige lager geëvolueerd dan mineralen, andere veel hoger dan de mens. Alles leeft, is een uitdrukking van bewustzijn, inclusief atomen en mineralen, krachten en energieën. De niet-levende natuur is een inhoudsloos begrip, evenals afgescheidenheid. Alles kan alleen bestaan in relatie tot alle andere dingen. In de hindoese purana’s worden zulke klassen van onzichtbare wezens aangeduid met termen als rakshasa’s, gandharva’s, vairaja’s, etc. Men beschouwt onzichtbare werelden als even werkelijk als onze zichtbare wereld, bekend onder de term loka’s en tala’s: de respectievelijke geestelijke en materiële polen van iedere wereld. Op de laagste loka-tala bevindt zich onze zichtbare aardbol met zijn diverse natuurrijken. De andere loka’s en tala’s zijn onzichtbaar, samengesteld uit levende wezens die te etherisch zijn om door onze ogen te kunnen worden waargenomen. De Vishnu Purana (Boek III, hfdst. vii) zegt:

Dit heelal, dat is samengesteld uit zeven zones, met zijn zeven onderaardse regionen, en zeven bollen . . . wemelt overal van levende wezens, groot of klein, met kleinere en de kleinste, en grotere en de grootste; zodat er zelfs geen achtste van een duim is waarin ze niet overvloedig aanwezig zijn.

Al deze werelden zijn weerspiegeld in de menselijke constitutie, omdat we zijn opgebouwd uit hetzelfde materiaal als het heelal. Loka’s en tala’s begrijpen is hetzelfde als de structuur van de natuur begrijpen, ons eigen innerlijk wezen, onze toekomst wat betreft onze innerlijke evolutie, onze verbondenheid met de universele natuur, en onze verantwoordelijkheid binnen het universele ecosysteem.

Omdat de loka’s en tala’s niet alleen onze omgeving uitmaken, maar door analogie corresponderen met onze innerlijke toestand, corresponderen menselijke aspecten met een bepaalde loka en tala. Dit corresponderen is de sleutel tot de onderlinge verbondenheid en wederzijdse invloed die de wezens van alle werelden op elkaar hebben en tot de mogelijkheid van communicatie. Het loka-aspect van onze wereld kan worden beschouwd als de verblijfplaats van nadenkende en goede, normale mensen, die hoewel ze zich in de laagste loka bevinden, zich bewegen op de opwaartse, spirituele boog van de evolutiecyclus. De tegenpool, of het tala-aspect is de woonplaats van ons grove dierlijke lichaam en van ons persoonlijke zelf, dat gekenmerkt is door instinctief eigenbelang, drang tot zelfbehoud en bevrediging van de zinnen. Dus wanneer twee mensen door dezelfde straat wandelen, kan de een zich, psychologisch gesproken, in een loka bevinden, de ander in een tala. We kunnen ‘verschuiven’ van de ene naar de andere. Om in harmonie te verkeren met het universeel evoluerende ecologische milieu, dienen we de loka-zijde van de loka-tala-dualiteit te kiezen, omdat de mensheid zich nu op de opwaartse helft van de evolutiecyclus bevindt.

Men zegt dat de tweede en derde loka worden bewoond door half-goddelijke wezens die heel zuiver en heilig zijn, en door goden van een lagere klasse. De vierde loka, bewoond door de hoogste klasse van goden die nog een vorm hebben, is de sfeer van mededogen. Van bijzonder belang zijn de gandharva’s, de hemelse zangers en musici, machten die artistieke activiteiten onder hun hoede hebben en bekwaam zijn in de geneeskunst. Zij zijn onze leraren in de geheime wetenschappen en ontsluiten voor ons de mysteriën van de schepping, de geheimen van de hemel en van goddelijke waarheid. Hun leider, Narada, helpt mensen om goden te worden. Dus deze hoge goddelijke wezens, onbekend aan de westerse wetenschap, zijn de meest essentiële occulte leraren en helpers, geleid door mededogen.

De vijfde loka is de wereld van de kumara’s (‘maagdelijke jongelingen’), geboren uit het kosmisch denkvermogen, die onze hogere aspecten vormen. Langgeleden incarneerden ze zich in de onzelfbewuste menselijke wezens om het denkvermogen tot ontwaken te brengen. Vanaf dat moment werd de mens een zelfbewuste denker die een onderscheid kan maken tussen goed en kwaad en zijn eigen pad kan kiezen. Dit is nóg een schakel van mededogen tussen het hogere en het lagere. Het hogere offert zichzelf om degenen te helpen die voorbestemd zijn om denkende wezens te worden door het denken op te wekken en daarmee de mogelijkheid om uiteindelijk zelfbewuste goden te worden. De kumara’s zijn de diepe essenties van onszelf. De zesde en zevende loka’s zijn de rijken van nog hogere hemelse wezens.

Elke loka correspondeert met een ontwikkelingsfase van het menselijke bewustzijn, en elke tala met een neerwaarts gerichte psychologische tendens. De loka’s vertegenwoordigen achtereenvolgens menselijke wezens die meer en meer onzelfzuchtig worden, de smaak verliezen voor wereldse dingen, alle illusie te boven komen en zich verenigen met het hogere in hun kern. De tala-zijde is die van toenemende slavernij aan zintuiglijk verlangen en gehechtheid aan de materie. In het algemeen vertegenwoordigt de tala-zijde de mentale ontwikkeling zonder spiritualiteit. Zulke denkers kunnen hoog ontwikkeld zijn, zoals in die wetenschappen, waarbij wetenschappers uitsluitend materiële kennis nastreven zonder zich rekenschap te geven van de mogelijke gevolgen van hun onderzoek.

Nog vele andere natuurrijken kunnen worden onderscheiden dan die welke de wetenschap op dit moment onderkent: een aantal elementale rijken onder het mineralenrijk, dan planten, dieren, mensen, gandharva’s, kumara’s en vele andere en, aan de top, die welke oorspronkelijke goddelijke wezens genoemd worden. Er ligt nog een uitgebreid veld van studie vóór ons, indien we het hele milieu waarin we leven willen begrijpen.

Maar hoe kan zo’n ingewikkeld verhaal over loka’s en tala’s uit de hindoeleer onze tropische bossen redden of vervuiling, oorlogen en economische rampen voorkomen? Wat zijn de ethische implicaties? We moeten zeker doen wat we kunnen om de rampen die zich voordoen hier en nu te voorkomen of hun effecten te verzachten, maar de werkelijke oorzaak ligt in ieder van ons. Het is binnenin ons waar de verandering moet plaatsvinden; dan volgt de rest langs natuurlijke weg. Dit gaat niet van de ene dag op de andere, maar we moeten op de lange termijn denken, aan het volgende millennium. Een compleet ethisch systeem met vastgestelde regels uitwerken, gebaseerd op de theosofie van de purana’s zou alleen maar nieuwe dogma’s creëren. Hopelijk zullen mensen van de onmiddellijke toekomst serieus en op een intuïtieve manier studie maken van de oude geschriften, waarvan de leringen afkomstig zijn van de bewoners van hogere loka’s, en mediteren op de subtiele betekenis en de ermee verbonden ethiek. Dan zal onze toenemende wijsheid worden gereflecteerd in onze eigen woorden en handelingen. Zulke studies verenigen wijsbegeerte, religie en wetenschap, en binnen de wetenschap biologie, psychologie, theologie en zelfs economie, omdat economie gebaseerd zou moeten zijn op een begrip van de werkelijke natuur en niet op menselijke hebzucht en zelfzucht.

Vanwege de correspondentie en aantrekking van onze innerlijke constitutie met de veelvoudige rijken van de natuur, beïnvloedt alles alle andere dingen; niets bestaat onafhankelijk van alle andere dingen. Dit is de ware betekenis van broederschap. Zelfs de gedachten en gevoelens die we in stilte koesteren beïnvloeden anderen en het milieu. Wat we ten aanzien van onszelf doen, doen we ten aanzien van het geheel. Als we materialistisch denken en voelen, zullen we de natuur uitbuiten ten behoeve van onze zelfzuchtige doelen; als we spiritueel denken en voelen, zullen we elk levend wezen behandelen vanuit een houding van mededogen, waarbij we onze egoïstische doelen vergeten, omdat deze gegrondvest zijn op de illusie van afgescheidenheid. Omdat we geluk wensen voor allen, zoals we dat voor onszelf doen, benaderen we elk levend wezen met een welwillende, positieve houding, zelfs degenen die zich op een lagere trap van evolutie bevinden. Van deze basisgedachte stamt het jainistische idee van ahimsa (geweldloosheid) en anekantavada (respect voor opvattingen die verschillen van de onze – omdat geen enkel menselijk gezichtspunt, inclusief dat van onszelf, volmaakt kan zijn). Als alleen deze twee begrippen van de jains met hoofd en hart begrepen zouden worden, zouden wreedheid, milieuvernietiging en oorlogen ophouden te bestaan.

Wetende dat mensen maar gemiddelde wezens zijn in het universele ecosysteem, dat vele hogere levensvormen omvat, wekt bescheidenheid en respect. Wetende dat het goddelijke aanwezig is in ieder wezen maakt ons ervan bewust dat schade doen aan zelfs maar het schijnbaar onbelangrijkste wezentje betekent schade doen aan het goddelijke en aan ons eigen welzijn. Het maakt een werkelijk verschil in onze benadering van het leven of we onszelf zien als het toevallig produkt van de evolutie van het dierenrijk, of als een wezen dat geholpen en geleid wordt, bestemd om een steeds opwaarts en binnenwaarts pad te gaan dat ons in communicatie zal brengen met de goden en er tenslotte toe zal leiden dat we zelf goden worden.

Het bestuderen en overwegen van de esoterische betekenis van ieder van deze entiteiten, rijken van bestaan en evolutionaire processen zal onze geest en onze ethiek verfijnen en het is mijn ernstige wens dat de mensheid van het volgende millennium die weg zal inslaan.

 
Andere artikelen over: Biologie, Ecologie, Antropologie
 
Andere artikelen over hindoeïsme
 

Uit het tijdschrift Sunrise maart/april 1994

© 1994 Theosophical University Press Agency