Lezing ter gelegenheid van het Parlement van de
Religies van de Wereld in Chicago, op 1 september 1993.
Er is de afgelopen honderd jaar veel gebeurd; toch hebben we nog niet
het punt bereikt waarop het geestelijk erfgoed van de mensheid geheel
is geïntegreerd in een veelzijdige dogmaloze religie-wetenschap-filosofie.
Nog steeds ontmoeten we eilanden van benaderingen tot de waarheid, waarvan
de bewoners weigeren in te zien dat al die benaderingen behoren bij
hetzelfde ecosysteem van gedachten. Ecologie leert dat alle organismen
met elkaar en hun milieu in relatie staan. Zou dus ecologie niet de
eerste wetenschap moeten zijn die zich realiseert dat ook alle systemen
van denken met elkaar in relatie staan en dat alle wijsgerige, religieuze
en wetenschappelijke benaderingswijzen samen het wereldomvattende ecosysteem
van denken, kennis en intuïtie vormen? De mensheid oefent, ten
gevolge van haar fysieke inwerking op haar omgeving, de meeste invloed
uit op het milieu. Maar is ons gedrag niet gebaseerd op onze manier
van denken, onze kennis en op de mate waarin we intuïtief kunnen
waarnemen wat het goede, het ware en het schone is?
Laten we eens een aantal van de fundamentele uitgangspunten van de
westerse ecologie onder de loep nemen en deze vervolgens in verband
brengen met enkele van de grondstellingen van het theosofische en niet-westerse
denken zoals die worden gepresenteerd in de Vishnu Purana en
proberen een theorie te formuleren die universeler is en meer bevredigend
voor de kritische wetenschappelijke geest. Vervolgens zullen we een
aantal van de ethische consequenties van die kennis bespreken.
Ecologie is een wetenschap die zich bezighoudt met de onderlinge relaties
tussen organismen en hun milieu, inclusief de invloed die de mens op
het milieu heeft. Als een wetenschap in de strikte zin van het woord,
bestudeert zij alleen de feiten die door de zintuigen en de instrumenten
die daar uitbreiding aan geven kunnen worden waargenomen. Maar zodra
het om verklarende theorieën gaat, begint de menselijke factor
een rol te spelen, namelijk de activiteit van het denken. Het denken
is echter begrensd door onze culturele, religieuze, filosofische, psychologische
en emotionele achtergrond. Niettemin werkt het denken langs dezelfde
lijnen als de natuur – dat kan niet anders. Hoe zouden we de werking
van de natuur kunnen verklaren indien dit niet binnen het begripsvermogen
van het denken zou liggen? Aldus is elke verklaring per definitie antropomorf,
dat wil zeggen, afhankelijk van hoe het menselijk denkvermogen werkt.
Ons denken is een aspect dat niet te scheiden is van de natuur, een
instrument waardoor de natuur zichzelf kan begrijpen.
Theosofisch gezien is het denkvermogen als beginsel opgevat een aspect
van het oneindige en doordringt het de hele kosmos. Het hogere aspect
ervan kent geen deling of afgescheidenheid, maar de lagere zijde schept
de illusie van eindigheid, van afgescheidenheid, van u en ik als van
elkaar onafhankelijke wezens. Het denken is het eerste aspect dat ontwaakt
na een periode van kosmische slaap, wanneer het eerste kosmische verlangen
tot ontwaken wederom opkomt. Aldus bestond het denken al voordat enig
ding of schepsel vorm kreeg. Het menselijk denken is van dezelfde aard.
Wanneer we ons denken helder maken door illusies en de daaruit voortvloeiende
handelingen uit de weg te ruimen, zullen we de natuur zien zoals ze
werkelijk is, in haar oneindigheid, zonder belemmeringen, zonder beperkingen.
In de ecologie bestuderen we hoe planten, dieren, mensen, en hun omgeving
van elkaar afhankelijk zijn – voor voedsel, energie, materialen,
beschikbare ruimte, enzovoort. Maar we willen niet alleen weten hoe,
maar ook waarom ecosystemen zijn zoals ze zijn; we willen hun
verspreiding over de aardbol en hun complexiteit verklaren. Een ecoloog
zal deze dingen verklaren in termen van succesvolle aanpassing aan de
heersende omstandigheden, zoals klimaat, de aanwezigheid van roofdieren
of een veranderend milieu. Dat het succes van de een inhoudt dat de
ander het onderspit delft, is tot op zekere hoogte juist. Kennelijk
is dat de manier waarop de natuur de mentale krachten op de bewustzijnsniveaus
die zich manifesteren in het planten-, dieren- en een deel van het mensenrijk
traint en stimuleert. Maar wetenschappers en filosofen die competitie
als de enige verklaring van de natuur zien, brandmerken zichzelf
als kinderen van hun materialistische tijd, niet als werkelijke universalisten.
Dit is een antropomorfisme dat alleen de lagere aspecten van de menselijk
geest weerspiegelt, vol begeerte, zelfzucht en competitie, geleid door
een onscherpe waarneming van de ware aard van de dingen.
Maar waarom kijken we niet tevens naar de hogere menselijke vermogens
die in de natuur weerspiegeld zijn? Het menselijk wezen is een reflectie
van de vermogens van de oneindige natuur, dus waarom zouden we niet
onze hogere vermogens om de natuur te begrijpen doen ontwaken? We bestaan
niet alleen uit gulzigheid en zelfzucht. We hebben ook werkelijke, onpersoonlijke
liefde als deel van onze geaardheid, werkelijk mededogen, een bereidheid
onszelf te offeren, het verlangen om de essentie van de meest verafgelegen
ster aan het firmament te begrijpen; we hebben in ons de stille stem
van de innerlijke wijsheid en een wilskracht die ver uitgaat boven ons
eigenbelang. Als we nauwkeurig waarnemen, zullen we deze en nog vele
andere aspecten in de natuur herkennen; en wanneer we dat eenmaal zien,
kan zij onze lerares zijn.
De theosofie leert dat mensen samengestelde wezens zijn: we zijn niet
alleen lichamelijk, maar ook astraal en we hebben levenskracht, verlangens
en een lager zowel als een hoger denkvermogen, en vermogens die veel
grootser zijn dan het denken, zoals geestelijke intuïtie, wijsheid
en mededogen. Uiteindelijk zijn we atman, onze spirituele essentie.
Ieder menselijk wezen is een hiërarchie, die zich uitstrekt van
het meest materiële tot het meest geestelijke, waarvan alle aspecten
zijn opgebouwd uit levende elementale wezens, zoals atomen – stoffelijk,
astraal zowel als vitaal – verlangens, gedachten en hogere elementen.
Ook de natuur is een hiërarchie, samengesteld uit haar elementen,
die worden vertegenwoordigd door de diverse natuurrijken. We kunnen
deze elementen zowel in de natuur als in onszelf herkennen.
Onze verklaringen van de natuur blijven even antropomorf wanneer zij
de hogere aspecten van onze geaardheid weerspiegelen. De westerse wetenschap
en wijsbegeerte zijn nog niet verfijnd genoeg om onderzoek te doen naar
de eindeloze klassen van wezens waaruit de innerlijke natuur bestaat
– dit zal het werk zijn van de ecologen van de toekomst. We kunnen
hun bestaan aanvoelen door hun zichtbare invloed. Deze invloeden kan
men gezamenlijk met ‘het goddelijke’ aanduiden. Wat bijvoorbeeld
te zeggen van schoonheid? De natuur is bijna eindeloos in haar vormexpressies.
Het ‘motief’ van een plant om zijn bloemen voort te brengen,
of van een nachtegaal om zijn lied te zingen, staat in verband met de
ingeboren drang tot voortplanting. Misschien beseft het gewone bewustzijn
van de plant of de nachtegaal niets omtrent de schoonheid die het voortbrengt
– of, wie weet, beseft het dat wel. Wanneer we stil zijn vanbinnen,
vervult de natuurlijke schoonheid met haar duizend gezichten ons wellicht
met een bijna ademloos respect, een niet uitgesproken gevoel dat er
meer moet zijn dan alleen maar strijd voor de persoonlijke veiligheid.
Als we welke expressie van schoonheid dan ook in het mineralen-, planten-
of dierenrijk nauwkeurig bekijken, zien we dat ieder een eigen verhaal
te vertellen heeft. Iedere uitdrukkingsvorm in het plantenrijk schijnt
een gevoel te vertegenwoordigen dat we ook in onszelf kunnen herkennen.
Zelfs al staat de plant lager op de evolutionaire ladder dan wij, toch
lijkt iedere plant een symbool en kan functioneren als een poort tot
een of ander dieper gebied van kennis omtrent wie we zijn, en ons de
goddelijke wetten die de natuur beheersen onthullen.
In het dierenrijk herkennen we onze persoonlijke verlangens en wat
bij ons beschouwd zou worden als begerigheid, hartstochten, zelfs wreedheid
en gemeenheid. In deze zin kan men zeggen dat het dierenrijk het gebied
is dat het verst afstaat van het goddelijke, het diepst gedompeld is
in onwetendheid, dat gebied van onszelf, dat wij mensen dienen te overwinnen,
omdat het ons verleden vertegenwoordigt, niet onze toekomst. Als we
ons overgeven aan onze dierlijke natuur, gaan we tegen onze eigen evolutie
in. Tegelijkertijd vertegenwoordigt het dierenrijk een enorme rijkdom
aan schitterende vormen, kleuren, geluiden, bewegingen en vernuft. Het
goddelijke is aanwezig in alle aspecten ervan, maar de individuele ontwikkeling
van de dieren vindt plaats op het gebied van de begeerte, gebaseerd
op een onzelfbewuste geest met zijn illusie van afgescheidenheid.
Nog zo’n goddelijk, universeel aspect van de natuur is vreugde.
De Brihadaranyaka Upanisad stelt dat ieder wezen een portie
van de goddelijke vreugde bezit en dat bij iedere trede omhoog langs
de hiërarchische evolutie-ladder van levende wezens, deze vreugde
honderdvoudig toeneemt. Welke andere motiverende kracht is er in de
natuur dan vreugde? Zou een koe haar gras eten als ze daar geen genoegen
in had? Zowel ons gevoel van schoonheid als dat van vreugde zijn een
zwakke weerspiegeling van verschillende manieren waarop we iets universeels
herkennen, iets werkelijks, iets dat geen tegengestelde heeft.
Wil is een kracht van goddelijke omvang dat elk wezen doordringt. Iedere
individuele wil is een klein deel van de alomtegenwoordige goddelijke
wil. De vorm, kenmerken en kleuren van een dier of plant zijn afhankelijk
van de bijzondere wil van het individu om uitdrukking te geven aan zijn
specifieke karakter, en het verlangen naar voedsel en voortplanting
zijn de voornaamste drijvende krachten daarachter. De hele chemische
en technische complexiteit, inclusief de specifieke uitdrukking van
schoonheid, is ondergeschikt aan dat verlangen, zelfs als dat verlangen
naar menselijke maatstaven kwaadaardig of wreed is, zoals dat het geval
is bij heel wat dieren.
Zonder twijfel is er een meer dan menselijke intelligentie en meer
dan menselijk gevoel voor schoonheid nodig om een plant, dier, of menselijk
wezen te ontwerpen via de processen van evolutie. We kunnen van een
god niet verwachten dat hij een dier ontwerpt om een wreed doel te dienen,
want dit zou in strijd zijn met de universele wet van mededogen. Dit
is kennelijk niet de manier waarop de goddelijke geest werkt. Dieren,
planten, mensen of mineralen worden niet ontworpen op de manier waarop
wij een machine ontwerpen. In de natuur is er sprake van een wisselwerking
en samenspel van vele intelligente krachten, waarvan sommige van het
niveau zijn van de hoogste abstracte intelligentie, sommige van het
niveau van bijna automatische dienst. En deze hele hiërarchie van
levende krachten voorziet in de mogelijkheden van een bepaalde monade
om uit te drukken wat hij uit moet drukken overeenkomstig zijn stadium
van ontwikkeling.
De meest fundamentele kracht echter, die ieder atoom doordringt, is
mededogen. Maar hoe kunnen we dit in overeenstemming brengen met de
natuurlijke wreedheid die we zien, vooral onder dieren, en bij mensen
die er voor kiezen in hun dierlijke natuur te leven? Dit lijden is een
onvermijdelijke reactie op de gedachten en handelingen die tegen de
hogere wetten van het heelal ingaan. In feite bestaat lijden als het
gevolg van onze strijd om onze geest te trainen en onze hogere vermogens
te ontwikkelen – onze innerlijke drijvende kracht in de richting
van zelfbewust god-zijn. Maar mededogen is overal zichtbaar. De hele
wereld van de groene planten is voortdurend bezig een atmosfeer rond
onze aarde te creëren waarin we gezond en aangenaam kunnen leven.
Alleen al het feit dat de gevoelens van ‘genoegen’ en ‘geluk’
in onze psychologische gesteldheid voorkomen is het bewijs van het mededogen
van de natuur. Een door de mens gemaakte machine heeft zulke gevoelens
niet. De hele plantenwereld is aan het werk om uit zonlicht voedsel
en een overdaad aan zoete vruchten te produceren. Voor iedere ziekte
bestaat er een remedie in de planten- of mineralenwereld, omdat alles
wat in ons bestaat naar analogie overal bestaat, omdat alles is opgebouwd
uit dezelfde elementen onder dezelfde goddelijke invloeden.
Mededogen is een van de overheersende krachten van het menselijk hart,
als we toestaan dat het tot uitdrukking komt. Alles helpt alles, hetzij
door te onderwijzen, hetzij door het stimuleren van krachten die het
beste in anderen naar buiten kunnen brengen. Zodra we er werkelijk op
gericht zijn onze hogere vermogens te ontwikkelen, zullen we een helpende
hand ontmoeten. De boeddha’s, christussen, zoroasters en quetzalcoatls
zijn de grote gidsen van de mensheid. Zodra we hun leringen tot onze
leidraad nemen en ons denken en handelen daarmee in harmonie brengen,
komen wijsheid en mededogen langs natuurlijke weg naar boven, zonder
inspanning, vanuit de stilte van ons hart. We hoeven alleen maar naar
de stem van de stilte te luisteren en hem te volgen. Een uiterlijke
goeroe kruist wellicht ons pad, en eens zullen we er misschien zelf
één worden, maar laten we hem of haar niet zoeken uit
persoonlijk verlangen. Ons eigen hart is onze eerste goeroe en onze
innerlijke natuur is wijs genoeg om ons met een uiterlijke goeroe in
contact te brengen als het daarvoor de juiste tijd is.
Als we ons wetenschappelijk begrip van de ecologie willen
uitbreiden buiten onze enge twintigste-eeuwse materialistische gezichtspunten,
moeten we ons richten tot de meer subtiele denkers van het Oosten en
de rijken van intelligente en goddelijke wezens herkennen als een onafscheidelijk
deel van de natuur, nauw verbonden met de hele schepping en evolutie.
Aldus kunnen we de basis leggen voor een meer universele ecologie van
de toekomst, wanneer de mensheid meer respect zal tonen voor de natuur
en daardoor zelf meer respect waardig zal zijn. Het maakt eveneens duidelijk
wat het werkelijk betekent wanneer sommigen beweren dat de aarde zelf
een levend wezen is, een godin zelfs – Gaia in het Grieks –
met een eigen wijsheid en intelligentie.
De theosofische leringen over de structuur van de kosmos zijn erg uitgebreid
en ingewikkeld, en ontwikkeling van de intuïtie gaat vooraf aan
het volledige begrip ervan. Dit systeem onderkent vele klassen van wezens
naast de mineralen, planten, dieren en mensen, sommige lager geëvolueerd
dan mineralen, andere veel hoger dan de mens. Alles leeft,
is een uitdrukking van bewustzijn, inclusief atomen en mineralen, krachten
en energieën. De niet-levende natuur is een inhoudsloos begrip,
evenals afgescheidenheid. Alles kan alleen bestaan in relatie tot alle
andere dingen. In de hindoese purana’s worden zulke klassen
van onzichtbare wezens aangeduid met termen als rakshasa’s,
gandharva’s, vairaja’s, etc. Men beschouwt
onzichtbare werelden als even werkelijk als onze zichtbare wereld, bekend
onder de term loka’s en tala’s: de respectievelijke
geestelijke en materiële polen van iedere wereld. Op de laagste
loka-tala bevindt zich onze zichtbare aardbol met zijn diverse natuurrijken.
De andere loka’s en tala’s zijn onzichtbaar, samengesteld
uit levende wezens die te etherisch zijn om door onze ogen te kunnen
worden waargenomen. De Vishnu Purana (Boek III, hfdst. vii)
zegt:
Dit heelal, dat is samengesteld uit zeven zones,
met zijn zeven onderaardse regionen, en zeven bollen . . . wemelt
overal van levende wezens, groot of klein, met kleinere en de kleinste,
en grotere en de grootste; zodat er zelfs geen achtste van een duim
is waarin ze niet overvloedig aanwezig zijn.
Al deze werelden zijn weerspiegeld in de menselijke constitutie, omdat
we zijn opgebouwd uit hetzelfde materiaal als het heelal. Loka’s
en tala’s begrijpen is hetzelfde als de structuur van de natuur
begrijpen, ons eigen innerlijk wezen, onze toekomst wat betreft onze
innerlijke evolutie, onze verbondenheid met de universele natuur, en
onze verantwoordelijkheid binnen het universele ecosysteem.
Omdat de loka’s en tala’s niet alleen onze omgeving uitmaken,
maar door analogie corresponderen met onze innerlijke toestand, corresponderen
menselijke aspecten met een bepaalde loka en tala. Dit corresponderen
is de sleutel tot de onderlinge verbondenheid en wederzijdse invloed
die de wezens van alle werelden op elkaar hebben en tot de mogelijkheid
van communicatie. Het loka-aspect van onze wereld kan worden beschouwd
als de verblijfplaats van nadenkende en goede, normale mensen, die hoewel
ze zich in de laagste loka bevinden, zich bewegen op de opwaartse, spirituele
boog van de evolutiecyclus. De tegenpool, of het tala-aspect is de woonplaats
van ons grove dierlijke lichaam en van ons persoonlijke zelf,
dat gekenmerkt is door instinctief eigenbelang, drang tot zelfbehoud
en bevrediging van de zinnen. Dus wanneer twee mensen door dezelfde
straat wandelen, kan de een zich, psychologisch gesproken, in een loka
bevinden, de ander in een tala. We kunnen ‘verschuiven’
van de ene naar de andere. Om in harmonie te verkeren met het universeel
evoluerende ecologische milieu, dienen we de loka-zijde van de loka-tala-dualiteit
te kiezen, omdat de mensheid zich nu op de opwaartse helft van de evolutiecyclus
bevindt.
Men zegt dat de tweede en derde loka worden bewoond door half-goddelijke
wezens die heel zuiver en heilig zijn, en door goden van een lagere
klasse. De vierde loka, bewoond door de hoogste klasse van goden die
nog een vorm hebben, is de sfeer van mededogen. Van bijzonder belang
zijn de gandharva’s, de hemelse zangers en musici, machten die
artistieke activiteiten onder hun hoede hebben en bekwaam zijn in de
geneeskunst. Zij zijn onze leraren in de geheime wetenschappen en ontsluiten
voor ons de mysteriën van de schepping, de geheimen van de hemel
en van goddelijke waarheid. Hun leider, Narada, helpt mensen om goden
te worden. Dus deze hoge goddelijke wezens, onbekend aan de westerse
wetenschap, zijn de meest essentiële occulte leraren en helpers,
geleid door mededogen.
De vijfde loka is de wereld van de kumara’s (‘maagdelijke
jongelingen’), geboren uit het kosmisch denkvermogen, die onze
hogere aspecten vormen. Langgeleden incarneerden ze zich in de onzelfbewuste
menselijke wezens om het denkvermogen tot ontwaken te brengen. Vanaf
dat moment werd de mens een zelfbewuste denker die een onderscheid kan
maken tussen goed en kwaad en zijn eigen pad kan kiezen. Dit is nóg
een schakel van mededogen tussen het hogere en het lagere. Het hogere
offert zichzelf om degenen te helpen die voorbestemd zijn om denkende
wezens te worden door het denken op te wekken en daarmee de mogelijkheid
om uiteindelijk zelfbewuste goden te worden. De kumara’s zijn
de diepe essenties van onszelf. De zesde en zevende loka’s zijn
de rijken van nog hogere hemelse wezens.
Elke loka correspondeert met een ontwikkelingsfase van het menselijke
bewustzijn, en elke tala met een neerwaarts gerichte psychologische
tendens. De loka’s vertegenwoordigen achtereenvolgens menselijke
wezens die meer en meer onzelfzuchtig worden, de smaak verliezen voor
wereldse dingen, alle illusie te boven komen en zich verenigen met het
hogere in hun kern. De tala-zijde is die van toenemende slavernij aan
zintuiglijk verlangen en gehechtheid aan de materie. In het algemeen
vertegenwoordigt de tala-zijde de mentale ontwikkeling zonder spiritualiteit.
Zulke denkers kunnen hoog ontwikkeld zijn, zoals in die wetenschappen,
waarbij wetenschappers uitsluitend materiële kennis nastreven zonder
zich rekenschap te geven van de mogelijke gevolgen van hun onderzoek.
Nog vele andere natuurrijken kunnen worden onderscheiden dan die welke
de wetenschap op dit moment onderkent: een aantal elementale rijken
onder het mineralenrijk, dan planten, dieren, mensen, gandharva’s,
kumara’s en vele andere en, aan de top, die welke oorspronkelijke
goddelijke wezens genoemd worden. Er ligt nog een uitgebreid veld van
studie vóór ons, indien we het hele milieu waarin
we leven willen begrijpen.
Maar hoe kan zo’n ingewikkeld verhaal over loka’s en tala’s
uit de hindoeleer onze tropische bossen redden of vervuiling, oorlogen
en economische rampen voorkomen? Wat zijn de ethische implicaties? We
moeten zeker doen wat we kunnen om de rampen die zich voordoen hier
en nu te voorkomen of hun effecten te verzachten, maar de werkelijke
oorzaak ligt in ieder van ons. Het is binnenin ons waar de verandering
moet plaatsvinden; dan volgt de rest langs natuurlijke weg. Dit gaat
niet van de ene dag op de andere, maar we moeten op de lange termijn
denken, aan het volgende millennium. Een compleet ethisch systeem met
vastgestelde regels uitwerken, gebaseerd op de theosofie van de purana’s
zou alleen maar nieuwe dogma’s creëren. Hopelijk zullen mensen
van de onmiddellijke toekomst serieus en op een intuïtieve manier
studie maken van de oude geschriften, waarvan de leringen afkomstig
zijn van de bewoners van hogere loka’s, en mediteren op de subtiele
betekenis en de ermee verbonden ethiek. Dan zal onze toenemende wijsheid
worden gereflecteerd in onze eigen woorden en handelingen. Zulke studies
verenigen wijsbegeerte, religie en wetenschap, en binnen de wetenschap
biologie, psychologie, theologie en zelfs economie, omdat economie gebaseerd
zou moeten zijn op een begrip van de werkelijke natuur en niet op menselijke
hebzucht en zelfzucht.
Vanwege de correspondentie en aantrekking van onze innerlijke constitutie
met de veelvoudige rijken van de natuur, beïnvloedt alles alle
andere dingen; niets bestaat onafhankelijk van alle andere dingen. Dit
is de ware betekenis van broederschap. Zelfs de gedachten en gevoelens
die we in stilte koesteren beïnvloeden anderen en het milieu. Wat
we ten aanzien van onszelf doen, doen we ten aanzien van het geheel.
Als we materialistisch denken en voelen, zullen we de natuur uitbuiten
ten behoeve van onze zelfzuchtige doelen; als we spiritueel denken en
voelen, zullen we elk levend wezen behandelen vanuit een houding van
mededogen, waarbij we onze egoïstische doelen vergeten, omdat deze
gegrondvest zijn op de illusie van afgescheidenheid. Omdat we geluk
wensen voor allen, zoals we dat voor onszelf doen, benaderen we elk
levend wezen met een welwillende, positieve houding, zelfs degenen die
zich op een lagere trap van evolutie bevinden. Van deze basisgedachte
stamt het jainistische idee van ahimsa (geweldloosheid) en
anekantavada (respect voor opvattingen die verschillen van
de onze – omdat geen enkel menselijk gezichtspunt, inclusief dat
van onszelf, volmaakt kan zijn). Als alleen deze twee begrippen van
de jains met hoofd en hart begrepen zouden worden, zouden wreedheid,
milieuvernietiging en oorlogen ophouden te bestaan.
Wetende dat mensen maar gemiddelde wezens zijn in het universele ecosysteem,
dat vele hogere levensvormen omvat, wekt bescheidenheid en respect.
Wetende dat het goddelijke aanwezig is in ieder wezen maakt ons ervan
bewust dat schade doen aan zelfs maar het schijnbaar onbelangrijkste
wezentje betekent schade doen aan het goddelijke en aan ons eigen welzijn.
Het maakt een werkelijk verschil in onze benadering van het leven of
we onszelf zien als het toevallig produkt van de evolutie van het dierenrijk,
of als een wezen dat geholpen en geleid wordt, bestemd om een steeds
opwaarts en binnenwaarts pad te gaan dat ons in communicatie zal brengen
met de goden en er tenslotte toe zal leiden dat we zelf goden worden.
Het bestuderen en overwegen van de esoterische betekenis van ieder
van deze entiteiten, rijken van bestaan en evolutionaire processen zal
onze geest en onze ethiek verfijnen en het is mijn ernstige wens dat
de mensheid van het volgende millennium die weg zal inslaan.