Wat doen we aan de toekomst?
Grace F. Knoche

 

Het parlement van de Religies van de Wereld kwam en ging en liet een breed spoor na van stimulerende gedachten, hernieuwde verwachtingen en versterkte banden tussen verschillende religieuze groeperingen, alsmede een diepe overtuiging van onze eenheid in het goddelijke. Dit is een mijlpaal van niet geringe betekenis, waardoor het vreemde denkbeeld dat een bepaalde religie de waarheid vertegenwoordigt en dat haar kerk, tempel of synagoge de enige vertegenwoordiger van het goddelijke op aarde is, wordt aangetast. Het is niet onze bedoeling in dit speciale nummer een samenvatting te geven van de vele gebeurtenissen die in de acht dagen en avonden van het Parlement waren geperst, maar veeleer om iets over te brengen van de geest en atmosfeer die er heerste, beginnend met de openingsprocessie en ceremoniële zegening door eerbiedwaardige wijze Indianen op 28 augustus en eindigend op 4 september 1993 met een toespraak van de dalai lama in Grant Park.

Door onze lezers deelgenoot te maken van de veelsoortige ideeën en indrukken, kunnen ze wellicht de subtiele maar niettemin veelbetekenende invloed ontdekken die de nabijheid van zoveel verschillende mensen en religieuze gemeenschappen uitoefende op allen die met een ontvankelijk hart en in een waarachtige oecumenische geest aanwezig waren. Voortdurend leefde de hoop dat dit wereldparlement een zo krachtig stempel zou drukken op het gedachtenleven van de mensheid, dat de kunst van vrede en broederschap in de komende eeuwen in toenemende mate door ieder mens op aarde zal worden beoefend. Als dat gebeurt, zouden we, in plaats van op onverschillige wijze te vernietigen, bewust bouwen, acht slaan op onze hogere impulsen en veeleer werken mét, dan tégen het doel van evolutionaire vooruitgang van de natuur.

Een centrale doelstelling van de organisatoren van het Parlement was de aanvaarding van ‘Een Mondiale Ethiek en Declaratie’ door een Assemblée van Religieuze en Geestelijke Leiders, reden waarom ik werd uitgenodigd voor een driedaagse ‘discussie’ achter gesloten deuren. Voor een doordachte beoordeling van het document zie ‘Bespiegelingen over ‘Een Mondiale Ethiek’’ (blz. 80-5).

Zouden we met het oog op de toekomst en op het feit dat alle religies in toenemende mate worden aanvaard als deel van de totale religieuze gemeenschap, waarbij men beseft dat universele broederschap alle levende wezens in ons heelal omvat, ons menselijk dilemma niet van een heel andere kant moeten benaderen dan door het Parlement wordt gedaan? Waarom zouden we, in plaats van te streven naar eenstemmigheid over de vraag hoe de ‘cruciale kwesties’ van de 21ste eeuw (die duidelijk het gevolg zijn van een ontspoord denken en gedrag) moeten worden opgelost – niet een bladzijde opslaan uit een 12de eeuws soefi-gedicht, in het Engels getiteld The Conference (of Parlement) of the Birds? Het is in het Perzisch geschreven door de soefi-dichter Farid ud-Din Attar, op fraaie wijze in het Engels vertaald door C.S. Nott,1 en behandelt een hoogst belangrijk thema dat in iedere eeuw aan ieder volk werd verteld in beelden en woorden, die voor ieder uniek waren: het zoeken naar waarheid, naar ‘kennis van geestelijke zaken’, om door te dringen tot het ‘mysterie van de eenheid en de veelheid’ van alle wezens en om één te worden met de goddelijke essentie.

Gebruikmakend van het vertrouwde beeld van gepersonifieerde dieren, weeft Attar een prachtig verhaal over de duizenden vogels (aspiranten) die, geleid door Hoopee (Hudhud), boodschapper van de Weg, opgewonden op reis gaan naar de koning van de vogels, Simorg: ‘Hij is dicht bij ons, maar wij zijn ver van hem’. Ze worden gewaarschuwd niet te denken dat de weg kort is: ‘men moet het hart van een leeuw hebben om deze ongewone weg te gaan, want hij is heel lang en de zee is diep’. Ze moeten zeven valleien oversteken: de Vallei van de Zoektocht, van Liefde, van Begrip, van Onafhankelijkheid en Ongehechtheid, van Eenheid, van Verbazing en van Onthouding en Dood (ook weergegeven als Armoede en het Niets) – zeven hallen van beproeving en onderricht. Ze worden eraan herinnerd geduldig te zijn en zich ‘niet door het uiterlijke leven in beslag te laten nemen’. Velen raakten, met het verstrijken van de tijd, vermoeid en verloren de hoop en van de eens duizenden vogels bleven er slechts dertig over (en ons wordt verteld dat het woord Si-morg ‘dertig’ betekent!).

Na ontelbare moeilijkheden te hebben overwonnen, kwamen de vogels vermoeid en gehavend aan bij het hof van de koning. In volslagen stilte werden ze ontvangen; daarna werd van alles gezegd om hen te ontmoedigen hun weg naar het doel te vervolgen. Maar scherpe woorden van de dienaar weerhielden hen niet hun doel te bereiken: één te worden met de Simorg, zoals een mot met de vlam. Plotseling ging de deur open en wisten de vogels, nu in vrede, dat de Simorg bij hen was. Alles wat ze hadden doorgemaakt werd ‘weggewist’ en ze begrepen dat zij en de Simorg ‘een en hetzelfde wezen’ waren. Zij – hun persoonlijke zelven – werden vernietigd, maar ze wisten innerlijk onsterfelijk te zijn.

Als het schijnt dat dit weinig te maken heeft met onze wereldse zaken of met toekomstige parlementen, laten we ons dan eens afvragen wat anders dan het gevoel gescheiden te zijn van iets dat we intuïtief kennen, maar door een verkeerde opvoeding zijn vergeten de wezenlijke oorzaak van de psychische en mentale onvrede van de mensheid en onszelf kan zijn. Als individuen en als ras weten we praktisch niets van wie we werkelijk zijn of wat het ware doel van ons leven is. Maar het zoeken en vinden van deze kennis – is dat niet de drijvende kracht achter de stichting van iedere religie, achter het verlangen van de mysticus ‘de smalle weg’ te gaan en te streven naar eenwording met het goddelijke, in en rondom hem? Al vraagt het pad naar die eenwording van ons dat we ‘alles opgeven’ wat minder is dan we innerlijk zijn, verlangen we er toch niet allemaal naar in nauwer contact te komen met ons hoger zelf, met de onzichtbare en toch altijd nabije aanwezigheid die in onze vele perioden van leven en dood onze metgezel is?

Misschien is het tijd serieus langs deze lijnen na te gaan denken en er in ons persoonlijk leven iets aan te doen. Het is duidelijk dat het allernoodzakelijkste voor de mensheid is dat wij, individueel, de richting van ons denken en handelen wijzigen van zelfzucht in altruïsme. Zo eenvoudig is het, maar in de praktijk vraagt het van ieder van ons veel meer dan wat we als wereldbeschaving tot nu toe bereid waren te bieden. De menselijke natuur is een paradox: hoezeer ontroert het ons als we zien dat iemand de moed heeft naar die universele richtlijn, de Gulden Regel, te leven, maar wie van ons heeft de moed dit consequent te doen? Langzamerhand hoopt de sneeuw zich echter op, al vallen de sneeuwvlokken in stilte en één voor één. Net zoals de dertig vogels die stap voor stap hun zoektocht vervolgden, de Simorg ontmoetten en wisten dat hij en zij één waren, zo zullen ook wij, gedreven door mededogen met de toestand van de mensheid, meer en meer acht gaan slaan op de stille stem van wijsheid van onze innerlijke raadgever en met mededogen handelen waar de plicht ons roept.

 

Noot

  1. The Conference of the Birds, Mantiq ut-Tair, Een filosofisch-religieus gedicht in proza, naar de letterlijke en volledige Franse vertaling van Garcin de Tassy; penseeltekeningen van Kate Adamson, verklarende woordenlijst; Shambhala, Boston, 1993.
 

Uit het tijdschrift Sunrise maart/april 1994

© 1994 Theosophical University Press Agency