Kom dicht bij mij in schoonheid – Rumi, soefi dichter en mysticus
J.T. Coker

 

Boekbespreking: Magnificent One: Selected new verses from Divan-i Kebir door Mevlana Jalaluddin Rumi, in het Engels vertaald door Nevit Oguz Ergin, Larson Publications, Burdett, NY, 1993; 112 blz., isbn 0-943914-63-9.


 

Toen Nevit O. Ergin, promovendus medische wetenschappen met belangstelling voor literatuur, filosofie, metafysica en yoga, in 1956 door H. Sushud werd geïntroduceerd in de ‘wereld van hen die het doel begrijpen van wat Soefi’s omschrijven als de mystieke vernietiging van het zelf,’ beschreef hij zichzelf als iemand die ‘als een blinde probeert het kleurenspectrum te begrijpen’. Sushud adviseerde hem dat om ‘ontbinding van het Zijn tot het niet-Zijn . . .’ te verwezenlijken ‘je dat eerst moet doen met Herinnering (Dhikr), Strengheid (Riyadat) en Wroeging (Inkisar)’. Daarna beval hij hem één boek aan om hem te helpen bij zijn geestelijk zoeken: Rumi’s Divan-i Kebir.

Enkele weken nadat hij in het bezit was gekomen van Gul Deste (Boeket Rozen), een nieuwe Turkse vertaling van selecties uit Rumi’s Divan, bekende Ergin tegenover Sushud dat ‘zelfs al voelde ik hier iets aan, ik het boek niet begreep’. Sushud ging naar zijn tuin, plukte een enkele roos met lange steel en gaf die aan Ergin, die hem tussen de bladzijden van zijn nieuwe boek met Rumi’s gedichten perste. Dertig jaar lang bereisde Ergin de wereld, voerde altijd zijn boek met zich mee, dat hij las en herlas. Halverwege de tachtiger jaren begon hij ‘de echte roos in de bladzijden van de Divan te ruiken’ en ging hij verschillende vertalingen van de volledige werken bestuderen. In zijn Magnificent One biedt hij ons nu de vrucht van zijn arbeid aan.

De ruim 44.000 verzen van Mevlana Jalaluddin Rumi, 13e eeuws dichter, mysticus en een godlievend man zijn door vele personen vanuit vele gezichtspunten in vele talen vertaald. Waarom zou iemand Rumi’s werk opnieuw willen vertalen en waarom zou iemand het willen lezen, vooral degenen die Rumi’s gedichten al kennen?

Het antwoord is: Liefde. Rumi’s gedichten belichamen een spontane opwelling van liefde voor en vereniging met God. Deze vertaling biedt die ons; ook het langzaam dagende licht van liefde en begrip dat Ergin ervoer toen hij met Rumi’s werk en zichzelf worstelde.

Je was een droppel sperma
Dat bloed werd, daarna groeide
Tot zulk een schoonheid.
O mens, kom dicht bij mij
Zodat ik je beter dan dat
Kan maken.

De gedichten van Rumi bevatten de essentie van de roos van geestelijke kennis: niet slechts de geur van de bloem, de weelde van de bladeren, de kracht van de stengel en de voeding door de wortels – maar ook de harde noodzakelijkheid van de doorns. Rumi lezen ‘is als het wandelen in een mijnenveld: het blaast hoofd, hart en ziel op’.

In The Sufis onderzoekt Idries Shah tot in bijzonderheden de invloed van de verovering door de Islam van Spanje, van de Soefi overleveringen op de muziek en dichtkunst van de troubadours. Hij verklaart het Soefi standpunt dat veel van de draden van de westerse cultuur, waarvan wij menen dat ze inheems zijn, opzettelijk werden ‘geplant’ door leden van de Soefi orden om de ruwheid van het westerse denken te verzachten en de Europese geestelijke en mentale bodem vruchtbaar te maken voor de komende evolutionaire impuls die zich toen begon te manifesteren. Shah verklaart en analyseert de specifiek Soefi gewoonte om woorden en hun daarmee overeenkomende getallen te gebruiken om verwante betekenissen over te brengen die op verschillende ingewikkelde niveaus liggen.

De ingewikkelde aard van veel oosterse en andere kunst is niet louter een vertoon van veelzijdigheid of kunnen. Het is een analogie van de oneindige opeenvolgingen van betekenissen die door een en hetzelfde ding kunnen worden overgebracht. Voorts beseffen zij die een glimp hebben opgevangen van de Soefi ervaringen, dat de veelsoortige betekenissen die in zo’n kunstwerk zijn vervat aanwezig zijn, voorzover het om de mens gaat, om hem de weg te wijzen naar een juiste waarneming van wat de innerlijke werkelijkheid is.    – blz. 365

Shah onderzoekt ook de opkomst en invloed van de vereringsvormen van hoofse liefde in het Europese wereldlijke leven en van de Maagd in het Europese religieuze leven, die hij terugvoert tot specifiek Soefi invloeden. Zijn kennis van het Soefi-gebruik van de taal kan diegenen helpen voor wie het Soefi-werk nieuw is om iets te begrijpen van de diepere betekenissen verborgen achter Rumi’s veelvuldig gebruik van dronkenschap en liefde. Deze beelden zijn vaak verontrustend voor westerlingen met een literaire of puriteinse inslag, hoewel Rumi zelf meermalen zegt dat het beeldspraak is en gebruikt wordt omdat de werkelijkheid van geestelijke ervaringen onmogelijk rechtstreeks in woorden kan worden uitgedrukt.

De poëzie van Rumi wordt soms gelezen als een handboek of wegwijzer voor hen die ‘vernietiging’ van het zelf tot het Zelf willen bereiken – vanaf het ontmoeten van een leraar, via begrip van het lijden, oefening binnen een traditie, begrip van liefde, het ontwikkelen van liefde in de eigen natuur, het verplaatsen van het brandpunt van de persoonlijke ego naar de individualiteit, door volledige kennis van de goddelijke aard van de geest die huist in de tempel van het lichaam/denken, door het besef dat ernaar streven nutteloos is, want baraka (genade, zegening of de gave van het goddelijke) is al wat nodig is. We kunnen God nooit vinden – God zal ons vinden. We kunnen ophouden ons voor Hem te verbergen achter struiken van ego-belangen, kunnen ons naakt uitkleden (zoals een minnaar die op zijn geliefde wacht) en in weelderige stilte met nauwelijks bedwongen ongeduld zitten wachten, tot we op natuurlijke wijze ‘rijp’ zijn en God ons van onze levenstak plukt.

Tenslotte komt de uiteindelijke verwezenlijking voor de zoeker: ‘Het doel van de dichter-minnaar-magiër in het Soefisme is echter niet louter een geheel en al opgaan in de glans van de waarheid die hij leert. Hij wordt erdoor omgevormd en heeft, als gevolg daarvan een maatschappelijke functie – om aan de stroom van leven de richting terug te geven die de mensheid nodig heeft om zichzelf tot vervulling te brengen’ (The Sufis, blz. 364).

Selecties uit de reis van Ergin in Rumi’s liefdestuin:

 

1.

Kom, laat ons praten tot elkaar
Door middel van de Ziel,
En dingen zeggen die voor oog en oor geheim zijn.
Laat ons lachen als een rozentuin
Zonder lippen, zonder tanden.
Laat ons spreken door gedachten
Zonder tong en zonder lip.

Laat ons de geheimen van de wereld,
alle, tot het einde toe vertellen
Zonder onze mond te openen,
Als goddelijk intellect.

Sommigen kunnen alleen verstaan
Door te luisteren en naar de mond te zien.
Laat ons uit hun tent blijven.

 

2.

Kies Liefde, Liefde.
’t Leven zonder schone Liefde
Is slechts een last,
Zoals u ziet.

 

3.

O mensen, omstrengel Liefde.
Antwoord op haar roep.
Ga tot Hem,
Want God schonk onsterfelijkheid
Alleen aan Liefde.

Vandaag is slapeloze Liefde in de lucht
En roept de slaperige Harten.
Liefde is het leven en gevoel
In het heelal.
Leven zonder Liefde
Is slechts een lege schelp.

Er is in Liefde geen gepraat.
Kreunen en zuchten is genoeg,
En geduld is het enige
Dat Liefde redt.

Wees stil. Spreek geen woord.
Laat uw tranen alles zeggen.
Als het Hart begint te branden,
Ruikt het als wierook.

 

5.

Er is een zee niet ver van ons.
Ze is onzichtbaar, niet verborgen.
Erover praten is verboden,
Maar ’t is tegelijk een zonde,
Een teken van ondankbaarheid
Dat niet te doen.

 

8.

Er is geen redding voor de Ziel
Dan door Verliefd te worden.
Ze moet eerst kruipen en sluipen
Temidden van Geliefden.

Men kan de hemel slechts
Vanuit het Hart bereiken.
De roos van Glorie
Kan slechts gedijen in het Hart.

 

13.

U deed een eed
Toen u nog een Ziel was.
Ik vraag me af of u zich dat herinnert.
Als u dat mocht ontkennen,
Zou ik geduldig kunnen wachten
Tot aan de Oordeelsdag.

 

17.

Ontwaak. Het is al ochtend;
Tijd om de ochtendwijn te drinken;
Tijd om dronken te worden.
Open uw armen.
De schone Beminde is gekomen.

Kom en zie dit luisterrijk, onsterfelijk leven.
Dit leven dat is vrijgesteld
Van de getelde ademtochten.

 

18.

Dit is de soort wijn
Die met zijn licht de hemel weerkaatst
Die noch door palen, noch door muren wordt gestut.
Als u daarvan een droppel drinkt,
Begrijpt u alle overvloed
van mijn Ziel.

Deze wijn bewerkt uw binnenste,
Ze scherpt uw brein.
Verlicht uw ogen, uw Hart,
Zodat u eens,
De parel zult zien
Binnen dit zwakke lichaam.

 

107. Als ik buiten mijzelf ging
Zoals ik gisteravond deed,
En over onruststokers mij geen zorgen maakte
Kon ik in geestvervoering
De rest ervan vertellen
Totdat mijn Hart van die wijn dronken werd.
Maar nu blijf ik zwijgen
Want ik ben in mijzelf.

Er is vandaag geen woord, geen oor, geen brein.
Hij die de grondslag van het denken is,
De betekenis van woorden,
Vond mij.
   
 
Andere artikelen over soefisme
 

Uit het tijdschrift Sunrise nov/dec 1994

© 1994 Theosophical University Press Agency