De wegen van de liefde
Wayne Gatfield

 

Het woord ‘liefde’ is in de moderne samenleving zo gebruikt dat het zijn geestelijke kracht heeft verloren. Het is bedekt met het slijk van aardse fantasieën en begoochelingen omdat het vrijwel uitsluitend in verband wordt gebracht met de voortplantingsdaad en gekoppeld aan bepaalde emotionele relaties; die opvattingen staan veraf van de omschrijvingen die we over de hele wereld in theosofische literatuur aantreffen. Wie enig idee heeft van de ware betekenis, moet proberen haar zijn oorspronkelijke glans terug te geven. Echte liefde is de verlossende eigenschap die in het hart van ieder van ons is verborgen en wacht op de dag dat ze zich vrij kan ontplooien. Als wij de onpersoonlijke aard van geestelijke liefde onderzoeken, vinden we in haar diepste kern het gemeenschappelijke fundament dat ons allemaal verenigt als waarachtige menselijke wezens.
     Liefde is prachtig en magisch; maar op de een of andere manier zien we niet waar ze op neerkomt en nemen we onze toevlucht tot denkwijzen die geen ander doel dienen dan verheerlijking van het persoonlijke zelf. Als we geluidsbanden beluisteren of bijeenkomsten bijwonen, merken we hoe belangrijk de plaats is die de liefde in de New Age-filosofieën inneemt. Er zijn wel verschillende graden van begrip en interpretaties die zich uitstrekken van het op seksualiteit gerichte denken, via een heel spectrum van emoties, tot een vaag mystiek besef van een of andere grotere, gewoonlijk verpersoonlijkte macht. Dat zijn stellig ook wegen van liefde, maar wel vaak op een niveau waar liefde wordt verward met sensualiteit. Een groot aantal New Age-bewegingen beveelt het bedrijven van de geslachtsdaad aan om een soort geestelijk ontwaken te bereiken. De neiging van hedendaagse ‘geestelijke’ groepen om zich te verlustigen in beelden en klanken, felle kleuren en sterke reukstoffen, hoewel op zich onschadelijk, brengt het gevaar mee schaduwen aan te zien voor de werkelijkheid. Als we gaan dwepen met sensuele geluiden en beelden, met bloemrijke woorden die het denken en de ziel van de luisteraar bekoren, zullen we nooit door de sluier heendringen en de stilte vinden die onze ware gids is.
     In de kern van ons wezen huist het verlangen naar solidariteit met alles wat leeft, zodat soms onze vervreemding te zwaar schijnt om te dragen. De mensheid roept om harmonie en die is er als we er maar diep genoeg naar zoeken. H.P. Blavatsky schrijft over ‘die vonk van goddelijke liefde voor Licht en Harmonie die nooit door HAAT kan worden verstikt’, en dit is de grootste hoopvolle verwachting die de mensheid met zich voert.1 Deze vonk van goddelijke liefde is duizendmaal krachtiger dan de haat die nu in de wereld lijkt te overheersen. Als we een duidelijk beeld hebben waar we vandaan kwamen en waar we naar terugkeren, kunnen we het kwaad in het juiste licht zien: als een tijdelijke uiting van wat het menselijk denken voortbrengt. Zoals in het Oosten een oud gezegde luidt, is er ‘in het ledig geen kwaad’.
     De samenleving oordeelt naar de schijn en vindt het moeilijk de ziel van de dingen te zien. Mensen kijken wantrouwend naar de grote waarheden van de natuur en zijn bang voor het onbekende, zelfs als dat onbekende geheimen bevat die onbeschrijflijk mooi zijn. We kijken niet naar binnen; we drijven aan het oppervlak in plaats van diep naar binnen te duiken. In ons leven van alledag kunnen we ons geen voorstelling maken van de wonderen die achter de sluier van de tijd wachten. We zijn bang de gelegenheden aan te grijpen en die sprong over de kloof te wagen die het stoffelijk leven schijnt te scheiden van het geestelijke. Er is moed voor nodig in te zien dat die kloof een illusie is en dat er geen verschil bestaat behalve in graad van begrip. We richten onze eigen slagbomen op en we kunnen ze afbreken.
     De vonk van goddelijke liefde zal op zekere dag een vlam worden en ieder van ons heeft het vermogen dat proces te bespoedigen. Individueel en collectief kunnen we een kanaal worden voor de liefde die in het hart van alle dingen sluimert. Dit ware ‘channelen’ vereist een rein en gedisciplineerd leven, maar geen discipline die men zich met een bezwaard hart of schoorvoetend oplegt. Alleen vreugde kan ons door de vreselijke beproevingen helpen waar we op onze reis voor komen te staan. In sommige geestelijke geschriften wordt ten onrechte de nadruk gelegd op strijd in plaats van op het geluk dat men ervaart naarmate het tirannieke lagere zelf langzamerhand verdwijnt. We moeten die vonk van goddelijke liefde vinden, en geloof in het goddelijke – niet een blind geloof maar een vaster vertrouwen in de kracht van het geestelijk zelf als gevolg van een klaarheid brengende studie en meditatie. Dit soort geloof voert ons naar het wezenlijk beleven van liefde.
     Op een bepaald punt van onze ontwikkeling beseffen we dat liefde verreweg het belangrijkste voor ons is om aan te kweken. Dan zien we duidelijk de oppervlakkigheid van een louter theoretisch onderricht en misschien zullen we tegelijkertijd het lijden van de mensheid in onze ziel voelen branden. De wereld kreunt onder het gewicht van haar ellende en onze directe taak is die pijn te lenigen. We kijken uit naar de dag dat

menselijke en zuiver individuele persoonlijke gevoelens – bloedverwantschap en vriendschapsbanden, vaderlandsliefde en rasvoorkeur – alle zullen verdwijnen om samen te smelten in één universeel gevoel, het enig ware en heilige, en enig onzelfzuchtige en Eeuwige – Liefde, een Onmetelijke Liefde voor de mensheid – als Geheel!      – De Mahatma Brieven aan A.P. Sinnett, blz. 36-7

     Maar door blindelings woorden uit een boek na te volgen kunnen we niet de weldoeners van de mensheid worden, en werken voor anderen zonder liefde eindigt vaak in teleurstelling. Deugdzaamheid dient op grond van juiste motieven te worden ontwikkeld en we moeten voortdurend onze beweegredenen onderzoeken en onze idealen periodiek vernieuwen, zodat ze in overeenstemming blijven met de harmonie die we in de kern van ons wezen voelen.
     In dit licht kunnen we begrijpen dat van buitenaf opgelegde zedelijke beginselen geen waarde hebben:

Alle ‘goedheid’ die het gevolg is van de dwang van lichaamskracht, dreigingen of lokmiddelen (hetzij van stoffelijke of zogenaamd ‘geestelijke’ aard) is niet alleen volstrekt nutteloos voor iemand die daar blijk van geeft, maar ook draagt die huichelarij ertoe bij de zedelijke atmosfeer van de wereld te vergiftigen; maar het verlangen om ‘goed’ of ‘rein’ te zijn moet spontaan zijn om uitwerking te hebben. Het moet een eigen impuls van binnenuit zijn, een echte voorliefde voor iets hogers, niet het zich onthouden van slechtheid uit angst voor de wet; niet geforceerde kuisheid uit angst voor de Openbare Mening; niet liefdadigheid die wordt beoefend uit de hang naar lof, of uit vrees voor de gevolgen in een hypothetisch Toekomstig Leven.2

In een poging aan deze dringende voorwaarden te ontkomen, ontbreekt het velen helaas aan de ‘voorliefde voor iets hogers’ en springen ze regelrecht in het vuur van de begeerten dat knaagt aan de structuur van de beschaving en de mensen belet hogere en oneindig meer bevredigende toestanden van bestaan te ervaren.
     Uiteindelijk moet zelfs liefde plaatsmaken voor iets hogers. Het pad van liefde leidt echter wel tot die duizelingwekkende hoogten omdat liefde de harmonie is die zich in de kern van alle dingen bevindt. Ze is heel nauw verbonden met mededogen en de toepassing daarvan is onontbeerlijk voor allen die de leringen van de grote Meesters bewonderen. Jezus, Gautama Boeddha en talrijke anderen hebben de nadruk gelegd op de betekenis van barmhartigheid in het denken en de praktijk van alle dag: het is de enige manier om scheidsmuren af te breken en eenheid te verwezenlijken. In toenemende mate behoort liefde voor de totale mensheid een voortdurende inspiratie en richtsnoer te worden in de praktijk. Universele broederschap van de mensheid, ongeacht ras, geloof, sekse en huidskleur, betekent die toepassing tot een feit maken; broederschap gebaseerd op kille politieke redeneringen kan nooit duurzaam zijn. Blavatsky zegt het zo in De Stem van de Stilte (blz. 67):

Mededogen is geen eigenschap. Het is de WET der WETTEN– eeuwige harmonie, alaya’s ZELF; een oeverloze, universele essentie, het licht van eeuwigdurend recht, de juiste ordening van alles, de wet van eeuwige liefde.
     Hoe meer u daarmee één wordt, waarbij uw zijn is opgelost in het ZIJN daarvan, hoe meer uw ziel zich verenigt met dat wat IS, des te meer zult u ABSOLUUT MEDEDOGEN worden.

 

Verwijzingen:

  1. ‘The Fall of Ideals’, H.P. Blavatsky: Collected Writings 12:50.
  2. ‘The Elixir of Life’, Five Years of Theosophy, blz. 17.

 

Uit het tijdschrift Sunrise nov/dec 1994

© 1994 Theosophical University Press Agency