Een dood om mee te kunnen leven
Nancy Coker

 

Een terminale patiënt, een gevangene in Minnesota, vecht voor een harttransplantatie die volgens hem nodig is om zijn vierjarige straf te overleven, terwijl, los daarvan, dr. Jack Kevorkian vecht voor het recht terminale patiënten te helpen bij het sterven. Op een ander slagveld worden elk jaar honderdduizenden zwangerschappen van te vruchtbare echtparen beëindigd, terwijl ter dood veroordeelden, wanhopig om te blijven leven, dodelijke injecties krijgen toegediend. Terwijl mensen over de hele wereld VN-konvooien steunen die hulp (en nieuw leven) naar het door oorlog verscheurde Bosnië brengen, ontvangt de Hemlock Society dagelijks meer dan tweehonderd brieven van mensen die willen weten hoe ze zichzelf kunnen doden. Abortus, zelfmoord, euthanasie, oorlog en de doodstraf zijn verschillende handelingen met hetzelfde doel: een opzettelijke en moedwillige dood. Helaas zien duizenden mensen dit als aanvaardbare keuzes – hartverscheurend misschien, maar aanvaardbaar.

Het is moeilijk te begrijpen hoe het doden, in welke vorm ook, van grootschalige moord tijdens oorlogen tot individuele executies zoals bij de doodstraf, of zelfmoord, kan worden verdedigd. Komt het omdat sommigen geloven dat een mens niet meer is dan een toevallige, onbelangrijke verzameling atomen? Zo bekeken is een mens niet veel meer waard dan een opgezet dier of een bankbiljet dat uit de circulatie wordt genomen als het te vies of verfomfaaid is. Dit is de materialistische zienswijze, maar verklaart ze werkelijk hoe we het leven ervaren? Vergeet even dat natuurkundigen bezig zijn de grenzen van de materie af te breken en laten we ons afvragen waarom of hoe materie zelfbewustzijn geboren doet worden (het vermogen zichzelf te observeren en kennen), evenals onbaatzuchtigheid (het vermogen zichzelf te vergeten of zelfs op te offeren)? Welke ‘willekeurige groepering van atomen’ zou zich een denkbeeld kunnen vormen van harmonie, mededogen, rechtvaardigheid of van de scheppende geest? Als alles alleen van materie, door materie en voor materie was gevormd, hoe zou dan een nietige eikel ‘dode stoffen’ – water, lucht en aarde – in een torenhoge eik kunnen veranderen? Kiezen voor de dood moet het resultaat zijn van een pijnlijke martelgang, maar komen de sombere gevoelens van de zelfmoordenaar, of de angst van de maatschappij die mensen met de dood straft, voort uit het lichaam?

Tegenover het materialistische standpunt staat de geestelijke visie die het leven zelf ziet als de veroorzakende en scheppende kracht. Het verschil tussen beide gezichtspunten, dat dode stof de oorsprong van het heelal is of dat de geest dat is, komt overeen met het verschil tussen zelfstandige naamwoorden en werkwoorden, zoals Buckminster Fuller het schetste:

Ik leef momenteel op aarde,
en ik weet niet wat ik ben.
Ik ben, dat weet ik, geen categorie,
geen ding of zelfstandig naamwoord.
Ik schijn een werkwoord te zijn
een evolutionair proces –
een essentiële functie van het heelal.

Het idee dat we niet alleen een deel zijn van het heelal, maar ook deel hebben aan het functioneren ervan onthult een geestelijke visie die een ommekeer betekent. Het besef dat we een intrinsiek onderdeel vormen van een dynamisch, verbonden geheel is voedsel voor de wil-om-te-leven. Het gevoel geïsoleerd, gescheiden, nutteloos – of erger, een last – te zijn, voedt de wil-om-te-sterven. Misschien is het gevoel van afgescheidenheid een vervorming van de drang om een individu te zijn. Wat het ook is en waar het ook vandaan komt, de illusie van afgescheidenheid is dodelijk.

Maar hoe weten we dat het idee van onderlinge verbondenheid niet ook een illusie is? Bedenk dan hoe onmogelijk het is helemaal afgesloten van iemand of iets anders te leven. De lucht die we inademen is nog maar één van onze intieme contacten met de aarde en het is onmogelijk die te weigeren, omdat automatische werkingen ervoor zorgen dat we blijven ademhalen.

Er is een tak van de medische wetenschap die dit verband niet alleen ziet, maar er zijn geneeswijze op baseert:

Homeopathie . . . laat zien dat iedere mogelijke ziekte die levende organismen kan aantasten haar equivalent heeft in een of andere stof die deel uitmaakt van het organisme van de aarde. Externe stoffen weerspiegelen psychosomatische patronen en kunnen ziekten veroorzaken als ze in aanraking komen met het organisme, maar ze zijn ook in staat te genezen als ze in de juiste verdunning of ‘potentie’ worden toegepast. De verschillende toestanden van het menselijk bewustzijn en de elementen in het menselijke drama zijn in een mozaïek van ongekende omvang gecodeerd in verschillende minerale, plantaardige en dierlijke stoffen eenheids‘deeltjes’ van onze aarde. Ze sluimeren daarin en wachten op hun ontplooiing op menselijk niveau.1

Een bijzonder stimulerende uitspraak, die de gedachte oproept dat in ons mogelijk onontdekte aspecten van onszelf sluimeren, die wachten op het moment van hun ontplooiing. Een voortijdige dood (zoals bij euthanasie of zelfmoord) onderbreekt hun cyclussen, snijdt hun zowel als onze groeimogelijkheden af. Misschien is het lichaam, dat wij het onze noemen, meer een hotel, de verblijfplaats van ontelbare zich ontplooiende wezens op zichtbare en onzichtbare gebieden. Hoe verklaren we anders onze mentale, emotionele en lichamelijke groei van kind tot volwassene? Kunnen we ons voorstellen dat het vernietigen van het fysieke brein ook onze geest vernietigt? Theosofische en hindoeteksten leren ons dat de dood van het lichaam het aardse voertuig voor het denken en voor gevoelens wegneemt, maar niet uitwist. Volgens deze redenering wordt door de vervroegde dood van het lichaam het lijden misschien helemaal niet weggenomen.

Er bestaat een gemeenschappelijke band tussen ons allen en de persoon die zelfdoding overweegt, de ouder die aan abortus denkt, de soldaat die wordt uitgezonden om te doden of gedood te worden en de ziekenhuispatiënt die een zekere dood wacht: wij willen allen pijn vermijden. Zoals Stephen Levine in Healing into Life and Death aanduidt, is de wens te sterven niet dezelfde als de wens het leven te beëindigen – het is de wens het lijden te stoppen, iets dat we allemaal willen. Maar het verlangen naar verandering, naar een eenvoudiger, gelukkiger gezonder leven is een luxe die we ons nauwelijks kunnen veroorloven als die ertoe leidt de dood als een acceptabel of logisch antwoord op crises te zien.

Boeddhisten zeggen dat het lijden is te beëindigen door het beoefenen van niet-gehecht zijn (aan leven of dood). Vanuit één gezichtspunt is elke minuut nieuw, we sterven en worden ieder moment geboren, en daarom raden zij ons aan de dingen los te laten; niet op geforceerde wijze, niet op een manier voorgeschreven door ons lagere, inhalige zelf, maar op een natuurlijke manier. Hun paramita’s beschrijven viraga, onverschilligheid voor genot en pijn, als een deugd, en raden af te proberen ons heelal te domineren of te beheersen. Als we ophouden ons te verzetten tegen de onafwendbare veranderingen die de ritmen van de natuur met zich brengen, kunnen we onze ‘verkeersagent’mentaliteit tegenover levensveranderende gebeurtenissen, die we niet helemaal begrijpen, matigen. Kunnen we het leven toestaan ons te leven – zonder het te verkorten door euthanasie of te verlengen door drastische levensreddende technieken? Kunnen we een dood vinden waarmee we kunnen leven?

Aan de dood wordt vaak gedacht als een ontsnapping, die lijkt op de slaap; sommigen koesteren het idealistische en misschien onrealistische idee dat na de dood alle problemen en pijn zullen ophouden. Maar als onze innerlijke natuur zo verstoord of opgewonden is dat we ’s nachts niet rustig slapen, hoe kunnen we dan een rustige dood verwachten? Alle geestelijke leringen wijzen erop dat onze gedachten, gevoelens en daden zowel het proces van de dood als onze toestand na de dood beïnvloeden, en Raymond Moody, die heeft gewerkt met mensen met bijna-doodervaringen, is het daarmee eens.

De opzettelijke dood, gesteld tegenover de natuurlijke dood, schijnt minder het resultaat van filosofische overdenkingen dan van het gemis aan enig perspectief op het leven. Als we ons voorstellen dat het leven wordt gespeeld op een heel klein speelveldje, nemen kleine problemen het hele veld in beslag. Als we ons het leven voorstellen als een oneindig avontuur, worden dezelfde problemen stipjes op een onmetelijke horizon. Elk jaar kiezen meer dan honderdduizend mensen in de hele wereld voor het kleine spel, althans tijdelijk maar dat is lang genoeg om zich het leven te benemen. Een paar minuten langer nadenken en ze zouden misschien anders hebben beslist. G. de Purucker heeft gezegd dat zichzelf willen doden betekent dat we tijdelijk onze spirituele en verstandelijke beheersing verliezen en de feiten schijnen te ondersteunen dat zelfmoord grotendeels een impulsieve daad is. Van 515 mensen die ervan werden weerhouden van de Golden Gate Bridge in San Francisco te springen, probeerden slechts 25 het later nog eens. Uit ander onderzoek blijkt dat acht overlevenden, die in 1991 sprongen, en nog steeds in leven zijn, bevestigden dat ze het nooit meer zouden proberen. Ze kregen tijd erover na te denken en kozen voor het leven. Zou iedereen die de tijd krijgt erover na te denken voor het leven kiezen?

Alle geestelijke overleveringen (evenals het gezonde verstand) raden moord en zelfmoord af, maar wat een betrekkelijk duidelijk gebod zou moeten zijn heeft geleid tot verrassend veel verwarring. De bijbel gebiedt dat we niet mogen doden; maar is het weigeren van een levensreddende behandeling hetzelfde als doden? Theosofische en boeddhistische leringen beschrijven de continuïteit van het bewustzijn en de tijdelijkheid van het lichaam, en wijzen erop dat de dood niet behoeft te worden gevreesd, terwijl ze waarschuwen dat deze niet moet worden verhaast. Andere geestelijke tradities bieden zowel richtlijnen als, naar het schijnt, tegenstrijdige voorbeelden. In een artikel over abortus schreef Helen Tworkov: ‘De zenteksten vertellen ons dat geen sneeuwvlok op een ongeschikte plek valt. Hieronder vallen gewilde en ongewilde, gezonde, zieke en geaborteerde babies; er zijn geen uitzonderingen. Maar zentuinen dulden geen onkruid. Heeft onkruid het recht om te leven? En ongewilde foetussen?’2 Vanuit een ander perspectief lijkt ‘Gij zult niet doden’ een simpele en duidelijke uitspraak – tot het tijd is voor het avondeten.

Wat ontbreekt is misschien een algemeen beeld van het stervensproces. We geloven ten onrechte dat het begint in het lichaam en daarom vertraagd kan worden in het lichaam, maar G. de Purucker verklaarde:

Ieder mens wordt geboren met een bepaalde hoeveelheid en voorraad levenskracht; en het samengestelde wezen dat de mens is, blijft bijeen tot het reservoir met levenskracht is uitgeput. Dan valt het samenstel uiteen. De geest gaat naar vader zon; het reïncarnerende ego gaat naar zijn devachan of hemelwereld van onuitsprekelijke vrede en geluk; en de lagere delen vallen uiteen en ontbinden zich in hun samenstellende atomen.3

Als het tijd is voor het lichaam om te sterven en de innerlijke mens geboren te doen worden, dan zijn het, theosofisch gesproken, slechts deze ‘lagere delen’ die wij in leven proberen te houden met onze pogingen het leven te redden; en, theoretisch zouden we niet in staat moeten zijn het ontbindingsproces te stoppen als de voorraad levenskracht eenmaal is opgebruikt. Wondermiddelen kunnen de afnemende levenskracht van het lichaam misschien tijdelijk in stand houden, want in normale gevallen moet de strijd tegen ziekte haar behoorlijk uitputten. Misschien dat door tussenkomst van bepaalde geneesmiddelen of technieken onze levenskracht en daarmee ons leven een tijdje in stand kan worden gehouden. Maar op een gegeven moment verschuift het evenwicht en worden de levensreddende handelingen, dood-uitstellende technieken.

Als we begrijpen dat de natuurlijke dood op innerlijke gebieden begint, verandert dat ons hele perspectief wat betreft het moment van sterven – we beginnen te beseffen dat ons doodsproces eigenlijk een deel van ons levensproces is. Onderbreking van de natuurlijke kringloop resulteert waarschijnlijk in lijden. Omgekeerd heeft, volgens theosofische leringen, het afleggen van het lichaam, wanneer het moment voor onze natuurlijke dood aanbreekt, op het innerlijk zelf even weinig invloed als het verlies van dood haar en nagels.

Misschien is het belangrijk om nu over het leven na te denken. Volgens een algemeen gezegde is onwetendheid een zegen, maar Boeddha zei dat het de bron van het lijden is. Meer dan ooit hebben we nu het vermogen te kiezen uit een hele reeks dood-scenario’s. Mischien kunnen we een koers bepalen tussen de technohysterie van indrukwekkende levensreddende technieken en het pijnlijke probleem van een opzettelijke dood, door nu de verantwoordelijkheid op ons te nemen om een visie op het leven te ontdekken waarmee is te leven.

 

Noten

  1. Edward C. Whitmont, M.D., The Alchemy of Healing: Psyche and Soma, Homeopathic Educational Services/North Atlantic Books, Berkeley, California, 1993, blz. 22.
  2. Tricycle: The Buddhist Review, lente 1992, blz. 69.
  3. Aspecten van de occulte filosofie, blz. 649.


Voor verdere inlichtingen

  1. Holt, George Howe, The Enigma of Suicide, Touchstone Books, Simon & Schuster, New York, 1992.
  2. Weir, Robert F., red., Ethical Issues in Death & Dying, Columbia University Press, New York, 1977.
  3. Levine, Stephen, Healing into Life and Death, Anchor Books, Doubleday, New York, 1987.
  4. Moody, Raymond A., Jr. M.D., Leven na dit leven, Strengholt, Naarden, 1977.
  5. Purucker, G. de, De Esoterische Traditie, TUPA, Den Haag, 2001
  6. Rinpoche, Sogyal, Het Tibetaanse boek van leven en sterven, Servire, Cothen, 1994.
 
Andere artikelen over euthanasie
 
Andere artikelen over zelfmoord
 

Uit het tijdschrift Sunrise sept/okt 1994

© 1994 Theosophical University Press Agency